Strafrecht overig
Beklag, beslag. Het vonnis in de strafzaak tegen verdachte (thans klager) houdt in dat de Rb. teruggave…
ECLI:NL:HR:2015:336 · Hoge Raad · 17 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2015-336
Zaakgegevens
Op 17 februari 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 februari 2015
- Datum publicatie
- 17 februari 2015
- Zaaknummer
- 14/03673
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:336
Samenvatting
Beklag, beslag. Het vonnis in de strafzaak tegen verdachte (thans klager) houdt in dat de Rb. teruggave gelast van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag. Dit vonnis is gewezen na de beschikking waartegen klager cassatie heeft ingesteld. Klager is n-o, omdat de bestreden beschikking naar haar aard een beslissing inhield, gegeven in afwachting van het oordeel van de Rb. Door de beslissing van de Rb. omtrent het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 januari 2015
ECLI:NL:PHR:2015:66Hoge Raad · 17 februari 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:336
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
17 februari 2015
Strafkamer
nr. S 14/03673 B
LNU/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2013, nummer RK 13/814, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2013 waarbij het klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave van het onder de klager inbeslaggenomen geldbedrag van € 18.620,- ongegrond is verklaard.
Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat deze Rechtbank op 19 november 2013 vonnis heeft gewezen in de strafzaak tegen de klager, waarbij de teruggave is gelast van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 18.620,-.
Deze beslissing omtrent het beslag in de strafzaak betekent dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist, geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen de bestreden beschikking. In die beschikking is immers naar haar aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door de beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. De klager dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989, NJ 2008/53). De omstandigheid dat tegen voornoemd vonnis door de Officier van Justitie hoger beroep is ingesteld maakt dit niet anders.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015.