Strafrecht overig

Bedreiging van bewoners van woning (art. 285.1 Sr) en beschadiging van dakgoot (art. 350.1 Sr) door met…

Zaakgegevens

Op 2 september 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 september 2025
Datum publicatie
1 september 2025
Zaaknummer
23/01054
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1222
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bedreiging van bewoners van woning (art. 285.1 Sr) en beschadiging van dakgoot (art. 350.1 Sr) door met gasdrukgeweer op woning te schieten. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten bedreiging en beschadiging, beroep op alternatieve scenario’s. Kon hof oordelen dat verdachte degene is geweest die met gasdrukgeweer op woning heeft geschoten?

HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft in zijn bewijsvoering (ook in het licht van motiveringsvoorschrift van art. 359.2 Sv) voldoende tot uitdrukking gebracht dat en waarom geschetste alternatieve scenario’s naar zijn oordeel niet aannemelijk zijn geworden. Wat betreft oorzaak en ontstaansmoment van schade aan dakgoot heeft hof o.m. tot bewijs gebruikt (i) verklaring van aangeefster dat zij op 20-1-2021 knal hoorde en later op dag een patroon vond op grond naast zijdeur van woning van haar ouders, die direct in het oog viel en eerder zou zijn opgemerkt als die er langer had gelegen; (ii) verklaring van aangeefster dat schade aan dakgoot van woning nieuw was; en (iii) proces-verbaal van politie, inhoudende dat patroon ter hoogte van schade aan dakgoot lag. ‘s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat schade aan dakgoot op 20-1-2021 is ontstaan door kogel van gasdrukgeweer en andere toedracht niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Datzelfde geldt voor ‘s hofs gevolgtrekking dat het verdachte is geweest die op 20-1-2021 heeft geschoten. Hof heeft daartoe redengevend geacht dat 10 dagen eerder melding is gedaan van eenzelfde harde knal, afkomstig uit boomgaard achter perceel van verdachte. Aangeefster is toen direct naar buiten gegaan en zag in boomgaard een man met lang voorwerp in zijn armen lopen, die zij even later herkende als haar buurman (verdachte). Voorts heeft hof bij zijn oordeel betrokken dat op 20-1-2021 in schuur van verdachte (waar aangeefster de verdachte na knal die dag uit zag komen) gasdrukgeweer met munitie is aangetroffen en dat uit NFI-onderzoek blijkt dat (i) uiterlijke kenmerken en massa van patroon die onder dakgoot is gevonden overeenkomen met munitie van verdachte; en (ii) resultaten van vergelijkend kogelonderzoek veel waarschijnlijker zijn als kogel is afgevuurd uit loop van gasdrukgeweer van verdachte dan als deze afkomstig is uit ander gasdrukgeweer. Verder heeft hof er acht op geslagen dat er jarenlang geschil loopt tussen betrokkenen en verdachte, dat betrokkenen al meermalen aangifte hebben gedaan van vernieling, diefstal en bedreiging en dat verdachte op enig moment in voorlopige voorzieningenprocedure heeft gesteld dat hij zich (per 1-5-2019) gerechtigd acht “zich met alle beschikbare middelen te verweren, zo nodig inclusief destructie en ander geweld”. ‘s Hofs oordeel dat verdachte bewuste kogel op 20-1-2021 heeft afgeschoten, is (bezien tegen achtergrond van deze vaststellingen en in het licht van verklaring van verdachte in hoger beroep, die erop neerkomt dat niemand zijn gasdrukgeweer in zijn afwezigheid gebruikt) niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 8 maart 2023

    ECLI:NL:GHARL:2023:1966
  2. Conclusie A-G · 8 juli 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:721
  3. Hoge Raad · 2 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1222

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01054

Datum 2 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2023, nummer 21-003781-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.M. Cliteur bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 1 en 2 bewezenverklaarde.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2025.