Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:1052

Op 4 February 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/348899-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:1052. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13/348899-24
Datum uitspraak:
4 February 2026
Datum publicatie:
4 February 2026

Indicatie

Schietpartij in Amsterdam Zuidoost op 1 november 2024. Slachtoffers zijn tevens verdachten.

Vrijspraak poging tot moord/doodslag omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft geschoten met een vuurwapen. Geen aanknopingspunten voor een nauwe en bewuste samenwerking met een medeverdachte. Vrijspraak van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Nu verdachte onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen heeft gekregen, volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet voor het oordeel dat verdachte dat wapen voorhanden had in strafrechtelijk verwijtbare zin.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/348899-24

Datum uitspraak: 4 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 10 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 4 februari 2026 (sluiting en uitspraak).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J. Tuip, naar voren hebben gebracht.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering benadeelde partij van [medeverdachte 1] , en van wat mr. C.J. Nierop namens [medeverdachte 1] in dat verband naar voren heeft gebracht.

2
Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen op/naar/in de richting van die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

(art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

3

hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen een of meer kogels op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
Vormverzuim

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) onderzoek heeft plaatsgevonden in de telefoons van de verdachten, zonder dat daarvoor een machtiging door de rechter-commissaris was afgegeven. Inmiddels zijn, naar aanleiding van de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaak ‘Landeck’ (Voetnoot 1) en daarop volgend de Hoge Raad in 2025 (Voetnoot 2), de regels over opsporingsonderzoek aan smartphones aangescherpt. Die aanscherping komt, voor zover hier relevant, erop neer dat indien een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of dat onderzoek mag worden uitgevoerd. Volgens de officier van justitie was er bij het onderzoek in de telefoons van de verdachten een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssferen. Er dan ook vooraf een machtiging van de rechter-commissaris moeten worden verkregen. Dat is niet gebeurd. Er is volgens de officier van justitie echter sprake van een beperkte inbreuk, waardoor kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.

De verdediging heeft over het mogelijke vormverzuim geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van genoemde jurisprudentie inderdaad een machtiging van de rechter-commissaris was vereist voor het onderzoek in de telefoons van de verdachten. De rechtbank zal echter volstaan met de constatering van het vormverzuim, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake is van daadwerkelijk nadeel voor verdachte. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake was van een onderzoek naar ernstige strafbare feiten en dat de aard van die feiten een onderzoek aan de telefoons rechtvaardigde. Indien de machtiging van de rechter-commissaris (op de juiste wijze) zou zijn aangevraagd, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn verkregen. Verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeligere positie geraakt ten opzichte van de situatie dat dit verzuim niet zou zijn begaan. Er worden aan dit vormverzuim dan ook geen gevolgen verbonden.

Overwegingen

5
Beoordeling van de tenlastegelegde feiten
5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen kan wel worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Verdachte wist dat [medeverdachte 2] een vuurwapen mee had naar de ontmoeting bij de Hakfort. Vervolgens heeft verdachte tijdens het schietincident dat wapen van [medeverdachte 2] overgenomen en vastgehad, waarbij verdachtes DNA op de trekker(beugel) is terechtgekomen.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geschoten met het vuurwapen (van [medeverdachte 2] ).

Evenmin kan een bewezenverklaring volgen voor feit 2. Verdachte wist niet dat [medeverdachte 2] een vuurwapen mee had naar de ontmoeting bij de Hakfort. Ten aanzien van het kortstondige moment dat verdachte ten tijde van hun vlucht het vuurwapen onverhoeds en ongewild in zijn handen heeft gekregen, is sprake van de door de Hoge Raad beschreven uitzonderingssituatie waarin de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet volstaat voor het oordeel dat verdachte dat wapen voorhanden had.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. (Voetnoot 3)

Aanleiding onderzoek en bevindingen ter plaatse

Op 1 november 2024 omstreeks 20:44 uur horen verbalisanten op metrostation Bullewijk te Amsterdam Zuidoost een aantal schoten gevolgd door salvo’s automatisch vuur, komend uit de richting van de nabij gelegen flat Hakfort. (Voetnoot 4) Rond dat moment komen bij de meldkamer van de politie verschillende meldingen binnen van een schietpartij bij de flat Hakfort. (Voetnoot 5)

Wanneer verbalisanten ter plaatse komen, treffen zij in de speeltuin gelegen tussen Hakfort en het Abcouderpad, naast het klimrek, [medeverdachte 2] aan liggend op de grond. (Voetnoot 6) [medeverdachte 2] heeft drie schotwonden in zijn lichaam. Eén in de borst en één in ieder been. Onder [medeverdachte 2] wordt een vuurwapen (kaliber 9 mm kort .380 auto) aangetroffen. (Voetnoot 7) [medeverdachte 2] verklaart dat dit zijn vuurwapen is. (Voetnoot 8)

In kapperszaak Mag Magic Hair & Beauty (hierna: Mag Magic), gelegen aan [adres] (ingang zit in de onderdoorgang van de flat Hakfort) wordt [medeverdachte 1] aangetroffen met een schotwond ter hoogte van de buik / ribbenkast. (Voetnoot 9) [medeverdachte 1] is gewond de kapperszaak binnen gekomen nadat – buiten – is geschoten. (Voetnoot 10)

Omstreeks 21:02 uur krijgen verbalisanten de melding te gaan naar [adres] , waar zich mogelijk een derde slachtoffer van de schietpartij zou bevinden. (Voetnoot 11) Ter plaatse treffen verbalisanten verdachte aan. Hij heeft een schotwond in de linkervoet en een schampschot in zijn nek. (Voetnoot 12)

Alle drie de gewonden zijn aangehouden als verdachte van poging moord dan wel doodslag en vuurwapenbezit.

Forensisch onderzoek

Op de plaats delict worden drie verschillende soorten hulzen aangetroffen (Voetnoot 13), passend bij drie verschillende vuurwapens. (Voetnoot 14) Het forensisch onderzoek levert het volgende beeld op.

Op het trottoir voor de galerijflat Hakfort, ingang Zeepaard, zijn tien hulzen van het kaliber 9 mm Luger (parabellum) aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er op die plek, tussen de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort (de rechtbank begrijpt ingang Zeepaard) en het Bullewijkpad, ten minste tien keer is geschoten met dat kaliber. Omdat geen projectielen zijn aangetroffen, is onbekend in welke richting is geschoten. (Voetnoot 15) Uit munitie-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat de tien hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één vuurwapen. (Voetnoot 16) Tevens is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker (Voetnoot 17) is dat deze hulzen zijn verschoten met een semi automatisch werkend pistool van het merk Heckler & Koch, aangetroffen op 14 mei 2025 in Den Haag, dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. (Voetnoot 18)

Op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort zijn vier hulzen aangetroffen van het kaliber 9 mm kort .380 auto. (Voetnoot 19) In de brievenbus van [adres] bij de centrale toegangsdeur van de flat (ingang Zeepaard) is één projectiel passend bij de hulzen van voornoemd kaliber aangetroffen. (Voetnoot 20) Gelet hierop is waarschijnlijk op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort ten minste vier keer geschoten met het kaliber 9 mm kort .380 auto, waarvan ten minste één keer in de richting van centrale toegangsdeur van de flat Hakfort. (Voetnoot 21) De locatie waar voornoemd projectiel werd aangetroffen is in de nabijheid van kapperszaak Mag Magic, waar [medeverdachte 1] gewond is aangetroffen. (Voetnoot 22) Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat het extreem veel waarschijnlijker (Voetnoot 23)is dat de voornoemde vier hulzen zijn verschoten met het vuurwapen dat bij [medeverdachte 2] is aangetroffen (Voetnoot 24) dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. (Voetnoot 25) Ten aanzien van het projectiel in de brievenbus van [adres] volgt uit (indicatief) onderzoek (Voetnoot 26) dat de daarin aangetroffen afvuur-sporen passen bij een omgebouwd gas- of alarmpistool van het kaliber 9mm kort en de resultaten die het NFI uit het onderzoek heeft verkregen worden verwacht wanneer deze kogel is verschoten uit de loop van het bij [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen (het omgebouwde gas- of alarmpistool van het merk Zoraki, model 906). (Voetnoot 27)

Nabij de kruising Bullewijkpad en Abcouderpad zijn 30 hulzen van het kaliber 7.62 aangetroffen. In de speeltuin nabij het klimrek waar [medeverdachte 2] lag, is een projectiel passend bij dat kaliber aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er nabij voornoemde kruising ten minste 30 keer is geschoten met dat kaliber, waarvan ten minste één keer in de richting van het klimrek waar [medeverdachte 2] lag. (Voetnoot 28) Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat de dertig hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één (semi)-automatisch werkend machinepistool kaliber 7,62 mm Tokarev, van het merk Ceska Zbrojovka (model VZ26). (Voetnoot 29)

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de kogel die in het lichaam van [medeverdachte 1] zat. Gebleken is dat het veel waarschijnlijker (Voetnoot 30) is dat die kogel van het kaliber 9 mm kort (en dus passend bij het bij [medeverdachte 2] aangetroffen wapen) is, dan van de andere twee op de plaats delict aangetroffen kalibers. (Voetnoot 31)

Aan het bij [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen is DNA-onderzoek verricht. Uit de bemonstering van de trekker en trekkerbeugel is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. (Voetnoot 32) Het DNA-profiel van verdachte matcht met dit DNA-mengprofiel. De bewijskracht is ongeveer 30 duizend. (Voetnoot 33) Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] levert ook een match op met dit DNA-mengprofiel. Die bewijskracht is meer dan 1 miljard. (Voetnoot 34)

Er is tevens onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van schotresten op de handen en de mouwen van de jas van verdachte. De bevindingen van dit onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A1 (op de bemonsteringen zijn schotresten aanwezig) waar is, dan wanneer hypothese A2 (op de bemonsteringen zijn geen schotresten aanwezig) waar is. (Voetnoot 35)

Camerabeelden flat Hakfort ingang Zeepaard

Op de camerabeelden van de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort, ingang Zeepaard (Voetnoot 36), is het volgende te zien.

Omstreeks 20:44:36 uur zijn drie personen zichtbaar voor de ingang Zeepaard, hierna te noemen: NN1, NN2 en NN3. (Voetnoot 37) Om 20:44:45 uur is te zien dat een vierde persoon in beeld komt, hierna te noemen NN4. Te zien is dat NN4 dicht in de buurt voor NN1 staat. (Voetnoot 38) Om 20:44:47 uur is te zien dat NN1 een voorwerp vastpakt en dit voorwerp richt op NN2 en NN3. NN2, NN3 en NN4 reageren hierop door naar achteren te stappen. Hierna is te zien dat er vijf lichtflitsen uit dit voorwerp komen. (Voetnoot 39) Om 22:44:51 uur is te zien dat een vijfde persoon in beeld komt, NN5. Te zien is dat NN4 achterover valt en op de grond neerkomt. Het lijkt alsof NN1 wederom het voorwerp richt in de richting van NN4. Er zijn geen lichtflitsen te zien. NN5 loopt weg, NN2 rent richting het fietspad en NN3 rent globaal richting de Gaasperdammerweg. (Voetnoot 40)

NN1 is geheel gekleed in het zwart en draagt een rood/oranje kleurige rugtas. De kleding van NN2 komt overeen met de kleding die verdachte droeg die avond (Voetnoot 41) en verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij NN2 is. (Voetnoot 42) NN4 draagt witte schoenen en een grijze broek (Voetnoot 43), dat overeenkomt met de schoenen en broek die [medeverdachte 2] droeg die avond (Voetnoot 44). [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op deze plek (zichtbaar op de beelden) achterover is gevallen nadat er hier op hem werd geschoten. (Voetnoot 45) De rechtbank leidt hieruit af dat NN2 verdachte is en NN4 [medeverdachte 2] .

Verklaring getuige [slachtoffer 1]

Getuige [slachtoffer 1] verklaart dat hij schoten hoorde en vervolgens twee mannen zag die wilden vluchten met een fatbike richting het poortje/hek. (Voetnoot 46) Hierna hoorde hij meerdere knallen achter elkaar. Het leek op een automatisch wapen. (Voetnoot 47) Een van de mannen liep hinkend. Die man is later meegenomen door de ambulance (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2]). (Voetnoot 48) De ander probeerde zijn vriend te helpen en mee te nemen, maar is uiteindelijk weggevlucht. Bij die man zag [slachtoffer 1] een zilverkleurig voorwerp, gelijkend op een (hand)vuurwapen, in de hand. (Voetnoot 49)

Verklaring [medeverdachte 2]

verklaart dat hij de avond van 1 november 2024 werd gebeld door verdachte die in paniek was. Verdachte had ruzie met ‘die gasten van de Carwash’ (Voetnoot 50) (de rechtbank begrijpt [naam carwash] gelegen aan de [adres]). Dit was volgens verdachte begonnen in de kapperszaak (Voetnoot 51) en ging over iets met een aan verdachte opgelegde boete. (Voetnoot 52) Verdachte vroeg aan [medeverdachte 2] of hij kon bemiddelen. (Voetnoot 53) heeft toen via Signal een telefoonnummer ontvangen van een van die gasten van de Carwash. (Voetnoot 54) Vervolgens heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact gehad met die persoon, en is afgesproken elkaar te ontmoeten bij de kapper Mag Magic (Voetnoot 55), gelegen in de flat Hakfort. De rechtbank stelt vast dat deze gang van zaken steun vindt in het onderzoek in de telefoon van [medeverdachte 2](Voetnoot 56) Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] omstreeks 20:08 uur – via Signal – een telefoonnummer heeft doorgestuurd gekregen (Voetnoot 57) en met dat nummer vervolgens telefonisch contact heeft gehad. (Voetnoot 58)

[medeverdachte 2] heeft, voordat ze naar de Hakfort zijn gelopen, eerst thuis een vuurwapen gepakt, geladen en meegenomen. Dit is het onder [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen. (Voetnoot 59) Volgens [medeverdachte 2] heeft hij dit wapen voor zijn eigen veiligheid gepakt, omdat verdachte zei dat de gasten van de Carwash bewapend waren. (Voetnoot 60) [medeverdachte 2] heeft thuis ook een fiets gepakt en die aan [verdachte] aangereikt. (Voetnoot 61) Vervolgens zijn ze richting de Hakfort gegaan.

Aangekomen bij de Hakfort werden [medeverdachte 2] en verdachte opgewacht door [medeverdachte 1] met een paar ‘gastjes’ eromheen. (Voetnoot 62) [medeverdachte 2] en verdachte liepen naar hen toe en [medeverdachte 2] vroeg aan [medeverdachte 1] (Voetnoot 63) hoe het zat met ‘ [verdachte] ’ (Voetnoot 64) (de rechtbank begrijpt: verdachte). [medeverdachte 1] stond op dat moment tegenover [medeverdachte 2] en naast [medeverdachte 1] stond ook iemand. Verdachte stond naast [medeverdachte 2](Voetnoot 65) Ze stonden op dat moment voor ingang Zeepaard van de flat Hakfort. (Voetnoot 66) Vervolgens begon de jongen die (rechts) naast [medeverdachte 1] stond, en in het zwart was gekleed (Voetnoot 67), met schieten. (Voetnoot 68) [medeverdachte 2] werd meteen geraakt. (Voetnoot 69) [medeverdachte 2] heeft ter verdediging teruggeschoten. Vanaf dat moment was het proberen weg te komen, terwijl hij van meerdere kanten werd beschoten, onder meer met een automatisch wapen. (Voetnoot 70) [medeverdachte 2] is hinkend weggevlucht, waarbij verdachte [medeverdachte 2] op enig moment op verzoek van [medeverdachte 2] heeft ondersteund. (Voetnoot 71) Verdachte hielp [medeverdachte 2] naar het hek waar ze doorheen moesten. Op het moment dat verdachte [medeverdachte 2] moest ondersteunen, had [medeverdachte 2] het wapen nog in zijn hand. Verdachte heeft toen het wapen even van [medeverdachte 2] overgenomen. [medeverdachte 2] pakte het wapen vervolgens weer terug. (Voetnoot 72) Volgens [medeverdachte 2] heeft verdachte niet geschoten met het wapen. (Voetnoot 73)

Verklaring verdachte

Verdachte verklaart over de avond van 1 november 2024 het volgende.

Er was eerder die dag iets voorgevallen bij kapsalon Mag Magic. Hierover wil verdachte niet nader verklaren in verband met zijn veiligheid. (Voetnoot 74) Verdachte heeft [medeverdachte 2] om hulp gevraagd (Voetnoot 75), in die zin dat [medeverdachte 2] een gesprek zou voeren namens verdachte. (Voetnoot 76) [medeverdachte 2] en verdachte zijn vervolgens samen naar Hakfort gegaan (Voetnoot 77) om het uit te praten. (Voetnoot 78) Voordat ze richting Hakfort gingen, zijn ze nog even langs het huis van [medeverdachte 2] gegaan en hebben daar de fiets van [medeverdachte 2] gepakt. Verdachte wist niet dat [medeverdachte 2] daar een vuurwapen ging pakken. (Voetnoot 79) Hij wist in het geheel niet dat [medeverdachte 2] een vuurwapen bij zich had. (Voetnoot 80) Aangekomen bij Hakfort werden [medeverdachte 2] en verdachte opgewacht (door de andere partij (Voetnoot 81)) en gingen ze in gesprek. (Voetnoot 82) Vervolgens werden [medeverdachte 2] en verdachte beschoten door iemand (van de andere partij (Voetnoot 83)) die tegenover hen stond (Voetnoot 84). Volgens verdachte is dit ook te zien op de camerabeelden van ingang Zeepaard. (Voetnoot 85) [medeverdachte 2] werd als eerste geraakt. (Voetnoot 86) [medeverdachte 2] heeft teruggeschoten uit zelfverdediging. (Voetnoot 87) Verdachte en [medeverdachte 2] probeerden vervolgens daar weg te komen. (Voetnoot 88) Verdachte heeft op enig moment de gewonde [medeverdachte 2] daarbij geholpen, omdat [medeverdachte 2] ter hoogte van het daar aanwezige hek moeite had met opstaan en verdachte om hulp vroeg (Voetnoot 89). Toen verdachte [medeverdachte 2] probeerde te helpen heeft verdachte het wapen van [medeverdachte 2] een paar seconden vastgehouden en vervolgens weer teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Verdachte heeft niet geschoten. (Voetnoot 90) Tijdens het helpen van [medeverdachte 2] hoorde verdachte het geluid van een automatisch wapen en vlogen de kogels langs verdachtes oren. (Voetnoot 91) [medeverdachte 2] is vervolgens op de grond gevallen en toen is verdachte weggefietst. (Voetnoot 92)

5.3.2.

Oordeel over de feiten 1 en 3

De rechtbank acht de onder 1 en 3 tenlastegelegde poging moord dan wel doodslag niet bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Op grond van de inhoud van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte op enig moment een vuurwapen in zijn handen heeft gehad, maar niet dat hij daarmee heeft geschoten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ten aanzien van de uitkomsten van het schotrestenonderzoek geldt dat op grond van alleen die resultaten niet kan worden geconcludeerd of verdachte wel of niet heeft geschoten. (Voetnoot 93) De bevindingen van het schotrestenonderzoek passen evengoed bij het scenario dat verdachte kort na het schieten door [medeverdachte 2] het wapen ‘slechts’ even in zijn handen heeft gehad zonder het af te vuren.

Ook het schieten door [medeverdachte 2] kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte worden toegerekend in de vorm van het tenlastegelegde medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat ten aanzien van het schieten door [medeverdachte 2] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en verdachte.

5.3.3.

Oordeel over feit 2

Verdachte erkent dat hij het vuurwapen van [medeverdachte 2] op enig moment in zijn handen heeft gehad. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of hiermee in strafrechtelijk verwijtbare zin sprake is geweest van het voorhanden hebben van een vuurwapen. (Voetnoot 94)

Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een vuurwapen is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig had. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen dat de verdachte feitelijke macht daarover kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie. Dat kan volgens de Hoge Raad bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt. (Voetnoot 95)

Verdachte verklaart dat hij niet wist dat [medeverdachte 2] een vuurwapen mee had naar de ontmoeting bij Hakfort. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] , dan wel anderszins uit het dossier, volgt die wetenschap evenmin. De enkele omstandigheid dat verdachte tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd dat degenen met wie ze de ontmoeting hadden bewapend (‘lodit’) zouden zijn, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen bij [medeverdachte 2] voorafgaand aan het schietincident.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier (de hiervoor in 5.3.1. genoemde feiten en omstandigheden) wel vast dat toen verdachte en [medeverdachte 2] werden beschoten met meerdere vuurwapens en zij probeerden te vluchten, verdachte op enig moment het wapen van [medeverdachte 2] kort in zijn handen heeft gehad.

Verdachte stelt zich ten aanzien daarvan op het standpunt dat toen hij de door kogels geraakte [medeverdachte 2] probeerde te helpen vluchten, hij het wapen van [medeverdachte 2] onverhoeds en tegen wil en dank in zijn handen kreeg. Verdachte heeft het een paar seconden vastgehouden en vervolgens weer teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Verdachte verklaart dat hij op dat moment in shock was vanwege het vuurwapengeweld dat op hen werd uitgeoefend en nauwelijks besefte wat er gebeurde. (Voetnoot 96)

[medeverdachte 2] bevestigt deze lezing van verdachte en dit scenario wordt ook niet weerlegd door de overige inhoud van het dossier. De rechtbank gaat dan ook van deze lezing uit en is van oordeel dat de gegeven situatie kan worden aangemerkt als het door de Hoge Raad beschreven bijzondere geval dat een verdachte onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt. Onder die omstandigheden volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen voorhanden had in strafrechtelijk verwijtbare zin.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

6
Ten aanzien van de benadeelde partij
6.1.

De vordering

De benadeelde partij [medeverdachte 1] vordert – na wijziging op zitting – in totaal € 51.938,23 aan vergoeding van materiële schade en in totaal € 43.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot het moment van algehele voldoening. De benadeelde partij verzoekt verdachte en [medeverdachte 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevraagde schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van het schade veroorzakende feit (1).

6.3.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de verzochte vrijspraak moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Een eventuele bewezenverklaring en strafoplegging ter zake feit 2 leidt niet tot ontvankelijkheid van de benadeelde partij, omdat door dat feit aan de benadeelde partij geen rechtstreekse schade is toegebracht.

Subsidiair moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en sprake is van medeschuld van de benadeelde aan het ontstaan van de schade.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

Beslissing

7
Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij

Verklaart de benadeelde partij [medeverdachte 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.K. Oosterling – van der Maarel, voorzitter,

mrs. J. Thomas en B.C. Langendoen rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

HvJ EU 4-10-24, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkhauptmannschaft Landeck).

Voetnoot 2

Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 (post-Landeck).

Voetnoot 3

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar de stukken die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 4

Proces-verbaal van bevindingen p. A001-A003 en proces-verbaal van bevindingen p. A004-A005.

Voetnoot 5

Proces-verbaal van bevindingen p. F0106-F0112.

Voetnoot 6

Proces-verbaal van bevindingen p. A19I.

Voetnoot 7

Proces-verbaal van bevindingen p. A013-A016, proces-verbaal van bevindingen p. A017-A019I, proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E003 en wapenrapport p. G009-G013.

Voetnoot 8

O.a. verhoor [medeverdachte 2] 16-1-25 p. JJ028.

Voetnoot 9

Proces-verbaal van bevindingen p. A001, proces-verbaal van bevindingen p. A004 en proces-verbaal van bevindingen p. A007.

Voetnoot 10

Proces-verbaal van bevindingen p. A001 en proces-verbaal van bevindingen p. A004.

Voetnoot 11

Proces-verbaal van bevindingen p. A026-A030 en proces-verbaal van bevindingen A042-A044.

Voetnoot 12

Proces-verbaal van bevindingen p. F054-F061.

Voetnoot 13

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004-E007 en NFI rapport 17-12-24 p. E178-E209.

Voetnoot 14

NFI-rapport 17-12-24 p. E178-E209.

Voetnoot 15

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E005-E007.

Voetnoot 16

NFI-rapport 17-12-24 p. E191.

Voetnoot 17

Ordegrootte bewijskracht ‘zeer veel waarschijnlijker’: 10.000-1.000.000, zie NFI-rapport 17-10-25 p. E215.

Voetnoot 18

NFI-rapport 17-10-25 p. E214-E215.

Voetnoot 19

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004, E006-E007.

Voetnoot 20

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E006-E007 [SIN AARU3207NL].

Voetnoot 21

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004-E007.

Voetnoot 22

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E006-E007.

Voetnoot 23

Ordegrootte bewijskracht ‘extreem veel waarschijnlijker’: >1.000.000, zie NFI-rapport 17-12-24 p. E190.

Voetnoot 24

Proces-verbaal van bevindingen p. A013-A016, proces-verbaal van bevindingen p. A017-A019I, proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E003 en wapenrapport p. G009-G013.

Voetnoot 25

NFI-rapport 17-12-24 p. E190.

Voetnoot 26

Bij een indicatief vergelijkend onderzoek wordt een deel van de sporen die vuurwapens in kogels en hulzen achterlaten met elkaar vergeleken. Om te onderzoeken wat voor soort en merk vuurwapen(s) is (zijn) gebruikt wordt gekeken naar het kaliber en de systeemsporen in de kogel. Wanneer dit mogelijk is wordt aangegeven bij welk soort en merk vuurwapen(s) deze kenmerken in de onderzochte kogel worden verwacht.

Voetnoot 27

NFI-rapport 12-2-25 p. E0235-E0236 [SINAARU3207NL].

Voetnoot 28

Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004-E006.

Voetnoot 29

NFI-rapport 17-12-24 p. E191.

Voetnoot 30

Ordegrootte bewijskracht ‘veel waarschijnlijker’: 100-10.000, zie NFI-rapport 15-7-25 p. D0013.

Voetnoot 31

NFI-rapport 15-7-25 p. D0013.

Voetnoot 32

NFI-rapport 12-12-24 p. E105-E106.

Voetnoot 33

NFI-rapport 12-12-24 p. E106: DNA-mengprofiel AARV2692NL#07 (op trekker en trekkerbeugel wapen) is ongeveer 30 duizend keer waarschijnlijker wanneer [verdachte] wel donor is, dan wanneer hij geen donor is.

Voetnoot 34

NFI-rapport 12-12-24 p. E106: DNA-mengprofiel AARV2692NL#07 (op trekker en trekkerbeugel wapen) is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer [medeverdachte 2] wel donor is, dan wanneer hij geen donor is.

Voetnoot 35

NFI rapport 13 december 2024 schotrestenonderzoek p. E138-E139.

Voetnoot 36

Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F035-F041.

Voetnoot 37

Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F036.

Voetnoot 38

Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F037.

Voetnoot 39

Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F038.

Voetnoot 40

Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F039.

Voetnoot 41

Proces verbaal van bevindingen herkenning kleding p. F094.

Voetnoot 42

Verhoor [verdachte] 1-4-25 p. MT036.

Voetnoot 43

Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F039.

Voetnoot 44

Proces-verbaal van bevindingen p. A17: grijze jogginsbroek en proces-verbaal van bevindingen p. F065: grijze broek en witte schoenen.

Voetnoot 45

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-24 p. JJ040-JJ041.

Voetnoot 46

Verklaring getuige [slachtoffer 1] 3-11-24 p. B036.

Voetnoot 47

Verklaring getuige [slachtoffer 1] 3-11-24 p. B036.

Voetnoot 48

Verklaring getuige [slachtoffer 1] 3-11-24 p. B036-B037.

Voetnoot 49

Verklaringen getuige [slachtoffer 1] 1-11-24 p. B034-B035 en 3-11-24 p. B037.

Voetnoot 50

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ034 en JJ039.

Voetnoot 51

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ034.

Voetnoot 52

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25, p. JJ037.

Voetnoot 53

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25, p. JJ034.

Voetnoot 54

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25, p. JJ038-JJ039.

Voetnoot 55

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25, p. JJ034 en JJ038.

Voetnoot 56

Proces-verbaal p. G020.

Voetnoot 57

Proces-verbaal van bevindingen p. G026.

Voetnoot 58

Proces-verbaal van bevindingen p. G018 en G022.

Voetnoot 59

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ034 en JJ039.

Voetnoot 60

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ034 en JJ039

Voetnoot 61

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ034.

Voetnoot 62

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ034-JJ035 en p. JJ040 en verhoor [medeverdachte 2] 16-1-25 p. JJ028.

Voetnoot 63

Verhoor [medeverdachte 2] 16-1-25 p. JJ028: ‘de heer [medeverdachte 1] gevraagd’.

Voetnoot 64

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ035.

Voetnoot 65

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ036.

Voetnoot 66

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-24 p. JJ040-JJ041.

Voetnoot 67

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ046.

Voetnoot 68

Verhoor [medeverdachte 2] 16-1-25 p JJ028 en verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ036.

Voetnoot 69

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ037.

Voetnoot 70

Verhoor [medeverdachte 2] 16-1-25 p. JJ028 (‘salvo’s’) en verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ035-JJ037.

Voetnoot 71

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ035 en p. JJ041-JJ042 en verhoor [medeverdachte 2] 16-1-25 p. JJ028.

Voetnoot 72

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ035-JJ036 en JJ041.

Voetnoot 73

Verhoor [medeverdachte 2] 6-3-25 p. JJ041.

Voetnoot 74

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT032.

Voetnoot 75

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT032.

Voetnoot 76

Verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25.

Voetnoot 77

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT033.

Voetnoot 78

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT032.

Voetnoot 79

Verhoor verdachte 1-4-25, p. MT033.

Voetnoot 80

Verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25.

Voetnoot 81

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT038.

Voetnoot 82

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT033-MT034 en verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25.

Voetnoot 83

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT038.

Voetnoot 84

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT034 en p. MT037 (bovenaan de pagina) en p. MT038.

Voetnoot 85

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT032, MT034 en MT037.

Voetnoot 86

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT038.

Voetnoot 87

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT039 en verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25.

Voetnoot 88

Verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25.

Voetnoot 89

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT036-MT037.

Voetnoot 90

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT037.

Voetnoot 91

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT038.

Voetnoot 92

Verhoor verdachte 1-4-25 p. MT039.

Voetnoot 93

NFI-rapport schotrestenonderzoek 13-12-24 p. E137.

Voetnoot 94

In dit verband is niet het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen door [medeverdachte 2] tenlastegelegd aan verdachte.

Voetnoot 95

ECLI:NL:HR:2020:504.

Voetnoot 96

Verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25 en verhoor verdachte 1-4-25 p. MT037.