Op 4 February 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/348929-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:1050. De plaats van zitting was Amsterdam.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13.348929.24
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Parketnummer: 13/348929-24
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1
Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 10 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 4 februari 2026 (sluiting en uitspraak).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Admiraal naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering benadeelde partij van [medeverdachte 1] , en van wat mr. C.J. Nierop namens [medeverdachte 1] in dat verband naar voren heeft gebracht.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen op/naar/in de richting van die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art. 289/287 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
(art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie)
3
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen een of meer kogels op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) onderzoek heeft plaatsgevonden in de telefoons van de verdachten, zonder dat daarvoor een machtiging door de rechter-commissaris was afgegeven. Inmiddels zijn, naar aanleiding van de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaak ‘Landeck’ (Voetnoot 1) en daarop volgend de Hoge Raad in 2025 (Voetnoot 2), de regels over opsporingsonderzoek aan smartphones aangescherpt. Die aanscherping komt, voor zover hier relevant, erop neer dat indien een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of dat onderzoek mag worden uitgevoerd. Volgens de officier van justitie was er bij het onderzoek in de telefoons van de verdachten een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssferen. Er had dan ook vooraf een machtiging van de rechter-commissaris moeten worden verkregen. Dat is niet gebeurd. Er is volgens de officier van justitie echter sprake van een beperkte inbreuk, waardoor kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.
De verdediging heeft over het mogelijke vormverzuim geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van genoemde jurisprudentie inderdaad een machtiging van de rechter-commissaris was vereist voor het onderzoek in de telefoons van de verdachten. De rechtbank zal echter volstaan met de constatering van het vormverzuim, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake is van daadwerkelijk nadeel voor verdachte. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake was van een onderzoek naar ernstige strafbare feiten en dat de aard van die feiten een onderzoek aan de telefoons rechtvaardigde. Indien de machtiging van de rechter-commissaris (op de juiste wijze) zou zijn aangevraagd, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn verkregen. Verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeligere positie geraakt ten opzichte van de situatie dat dit verzuim niet zou zijn begaan. Er worden aan dit vormverzuim dan ook geen gevolgen verbonden.
5
Waardering van het bewijs
5.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3 en de onder feit 1 tenlastegelegde poging moord dan wel doodslag op [medeverdachte 2] vanwege gebrek aan bewijs.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte kan wel worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feit 2 en de onder 1 (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag op [medeverdachte 1] . De onder 1 ten laste gelegde voorbedachte raad en het onder 1 ten laste gelegde medeplegen kunnen niet worden bewezen, zodat vrijspraak van die onderdelen moet volgen.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten, vanwege gebrek aan bewijs. Niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geschoten op of in de richting van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] (feit 1), dan wel de in feit 3 genoemde personen. Evenmin had verdachte opzet op de dood van voornoemde personen, ook niet in voorwaardelijke zin.
Ten aanzien van feit 2 wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (Voetnoot 3)
Aanleiding onderzoek en bevindingen ter plaatse
Op 1 november 2024 omstreeks 20:44 uur horen verbalisanten op metrostation Bullewijk te Amsterdam Zuidoost een aantal schoten gevolgd door salvo’s automatisch vuur, komend uit de richting van de nabij gelegen flat Hakfort. (Voetnoot 4) Rond dat moment komen bij de meldkamer van de politie verschillende meldingen binnen van een schietpartij bij de flat Hakfort. (Voetnoot 5)
Wanneer verbalisanten ter plaatse komen, treffen zij in de speeltuin gelegen tussen Hakfort en het Abcouderpad, naast het klimrek, liggend op de grond verdachte aan. (Voetnoot 6) Verdachte heeft drie schotwonden in zijn lichaam. Eén in de borst en één in ieder been. Onder verdachte wordt een vuurwapen met demper (omgebouwd gas- of alarmpistool, kaliber 9 mm kort .380 auto) aangetroffen. (Voetnoot 7) Verdachte verklaart dat dit wapen van hem is. (Voetnoot 8)
In kapperszaak Mag Magic Hair & Beauty (hierna: Mag Magic), gelegen aan [adres kapperszaak] (ingang zit in de onderdoorgang van de flat Hakfort) wordt [medeverdachte 1] zwaar gewond (Voetnoot 9) aangetroffen met een schotwond ter hoogte van de buik / ribbenkast. (Voetnoot 10) [medeverdachte 1] is gewond de kapperszaak binnen gekomen nadat – buiten – is geschoten. (Voetnoot 11)
Omstreeks 21:02 uur krijgen verbalisanten de melding te gaan naar [adres] , waar zich mogelijk een derde slachtoffer van de schietpartij zou bevinden. (Voetnoot 12) Ter plaatse treffen verbalisanten [medeverdachte 2] aan. Hij heeft een schotwond in de linkervoet en een schampschot in zijn nek. (Voetnoot 13)
Alle drie de gewonden zijn aangehouden als verdachte van poging moord dan wel doodslag en vuurwapenbezit.
Forensisch onderzoek
Op de plaats delict worden drie verschillende soorten hulzen aangetroffen (Voetnoot 14), passend bij drie verschillende vuurwapens. (Voetnoot 15) Het forensisch onderzoek levert het volgende (sporen)beeld op.
Op het trottoir voor de galerijflat Hakfort, ingang Zeepaard, zijn tien hulzen van het kaliber 9 mm Luger (parabellum) aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er op die plek, tussen de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort (de rechtbank begrijpt ingang Zeepaard) en het Bullewijkpad, ten minste tien keer is geschoten met dat kaliber. Omdat geen projectielen zijn aangetroffen, is onbekend in welke richting is geschoten. (Voetnoot 16) Uit munitie-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat de tien hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één vuurwapen. (Voetnoot 17) Tevens is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker (Voetnoot 18) is dat deze hulzen zijn verschoten met een semi automatisch werkend pistool van het merk Heckler & Koch, aangetroffen op 14 mei 2025 in Den Haag, dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. (Voetnoot 19)
Op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort zijn vier hulzen aangetroffen van het kaliber 9 mm kort .380 auto. (Voetnoot 20) In de brievenbus van [adres] , bij de centrale toegangsdeur van de flat (ingang Zeepaard), is één projectiel passend bij de hulzen van voornoemd kaliber aangetroffen. (Voetnoot 21) Gelet hierop is waarschijnlijk op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort ten minste vier keer geschoten met het kaliber 9 mm kort .380 auto, waarvan ten minste één keer in de richting van centrale toegangsdeur van de flat Hakfort. (Voetnoot 22) De locatie waar voornoemd projectiel werd aangetroffen is in de nabijheid van kapperszaak Mag Magic, waar [medeverdachte 1] gewond is aangetroffen. (Voetnoot 23) Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat het extreem veel waarschijnlijker (Voetnoot 24) is dat de voornoemde vier hulzen zijn verschoten met het vuurwapen dat bij verdachte is aangetroffen (Voetnoot 25) dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. (Voetnoot 26) Ten aanzien van het projectiel in de brievenbus van [adres] volgt uit (indicatief) onderzoek (Voetnoot 27) dat de daarin aangetroffen afvuur-sporen passen bij een omgebouwd gas- of alarmpistool van het kaliber 9mm kort en de resultaten die het NFI uit het onderzoek heeft verkregen worden verwacht wanneer deze kogel is verschoten uit de loop van het bij verdachte aangetroffen vuurwapen (het omgebouwde gas- of alarmpistool van het merk Zoraki, model 906). (Voetnoot 28)
Nabij de kruising Bullewijkpad en Abcouderpad zijn 30 hulzen van het kaliber 7.62 aangetroffen. In de speeltuin nabij het klimrek waar verdachte lag, is een projectiel passend bij dat kaliber aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er nabij voornoemde kruising ten minste 30 keer is geschoten met dat kaliber, waarvan ten minste één keer in de richting van het klimrek waar verdachte lag. (Voetnoot 29) Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat de dertig hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één (semi)-automatisch werkend machinepistool kaliber 7,62 mm Tokarev, van het merk Ceska Zbrojovka (model VZ26). (Voetnoot 30)
Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de kogel die in het lichaam van [medeverdachte 1] zat. Gebleken is dat het veel waarschijnlijker (Voetnoot 31) is dat die kogel van het kaliber 9 mm kort is, en dus passend bij het wapen van verdachte, dan van de andere twee op de plaats delict aangetroffen kalibers. (Voetnoot 32)
Aan het bij verdachte aangetroffen vuurwapen is DNA-onderzoek verricht. Uit de bemonstering van de trekker en trekkerbeugel is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. (Voetnoot 33) Het DNA-profiel van verdachte matcht met dit DNA-mengprofiel. De bewijskracht is meer dan 1 miljard. (Voetnoot 34)
Camerabeelden flat Hakfort ingang Zeepaard
Op de camerabeelden van de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort, ingang Zeepaard (Voetnoot 35), is het volgende te zien.
Omstreeks 20:44:36 uur zijn drie personen zichtbaar voor de ingang Zeepaard, hierna te noemen: NN1, NN2 en NN3. (Voetnoot 36) Om 20:44:45 uur is te zien dat een vierde persoon in beeld komt, hierna te noemen NN4. Te zien is dat NN4 dicht in de buurt voor NN1 staat. (Voetnoot 37) Om 20:44:47 uur is te zien dat NN1 een voorwerp vastpakt en dit voorwerp richt op NN2 en NN3. NN2, NN3 en NN4 reageren hierop door naar achteren te stappen. Hierna is te zien dat er vijf lichtflitsen uit dit voorwerp komen. (Voetnoot 38) Om 22:44:51 uur is te zien dat een vijfde persoon in beeld komt, NN5. Te zien is dat NN4 achterover valt en op de grond neerkomt. Het lijkt alsof NN1 wederom het voorwerp richt in de richting van NN4. Er zijn geen lichtflitsen te zien. NN5 loopt weg, NN2 rent richting het fietspad en NN3 rent globaal richting de Gaasperdammerweg. (Voetnoot 39)
NN1 is geheel gekleed in het zwart en draagt een rood/oranje kleurige rugtas. De kleding van NN2 komt overeen met de kleding die [medeverdachte 2] droeg die avond (Voetnoot 40) en [medeverdachte 2] verklaart dat hij denkt dat hij NN2 is. (Voetnoot 41) NN4 draagt witte schoenen en een grijze broek (Voetnoot 42), dat overeenkomt met de schoenen en broek die verdachte droeg die avond (Voetnoot 43). Verdachte verklaart dat hij op deze plek (zichtbaar op de beelden) achterover is gevallen nadat er hier op hem werd geschoten. (Voetnoot 44) De rechtbank leidt hieruit af dat NN2 [medeverdachte 2] is en NN4 verdachte.
Videobeelden mobiele telefoon
Op een videofilmpje (Voetnoot 45) dat is gemaakt met de telefoon van een getuige (Voetnoot 46) vanaf de galerij van de flat Hakfort, is te zien is dat een man op de grond in het gras op zijn buik ligt. Deze man is door de politie herkend als verdachte (Voetnoot 47) en verdachte verklaart ook dat hij dit is. (Voetnoot 48) Verdachte probeert vervolgens op te staan. Hierna is een schot te horen. Tevens is te zien dat een persoon wegfietst van verdachte. De kleding van deze fietser komt overeen met de kleding die [medeverdachte 2] droeg die avond (Voetnoot 49) en [medeverdachte 2] verklaart ook dat hij deze persoon op de fiets is. (Voetnoot 50)
Verklaring [medeverdachte 2]
verklaart over de avond van 1 november 2024 – kort samengevat en voor zover hier relevant – het volgende. Er was eerder die dag iets voorgevallen bij kapsalon Mag Magic. Hierover wil [medeverdachte 2] niet nader verklaren in verband met zijn veiligheid. (Voetnoot 51) heeft verdachte om hulp gevraagd (Voetnoot 52), in die zin dat verdachte een gesprek zou voeren namens [medeverdachte 2] . (Voetnoot 53) Verdachte en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen naar Hakfort gegaan (Voetnoot 54) om het uit te praten. (Voetnoot 55) Voordat ze richting Hakfort gingen zijn ze nog even langs het huis van verdachte gegaan, maar [medeverdachte 2] wist niet dat verdachte daar een vuurwapen heeft gepakt. (Voetnoot 56)Aangekomen bij Hakfort, werden verdachte en [medeverdachte 2] opgewacht door de andere partij (Voetnoot 57) en gingen ze in gesprek. (Voetnoot 58) Vervolgens werden verdachte en [medeverdachte 2] beschoten door iemand (van de andere partij (Voetnoot 59)) die tegenover hen stond (Voetnoot 60). Volgens [medeverdachte 2] is dit ook te zien op de camerabeelden van ingang Zeepaard. (Voetnoot 61) Verdachte werd als eerste geraakt. (Voetnoot 62) Verdachte heeft teruggeschoten uit zelfverdediging. (Voetnoot 63) Verdachte en [medeverdachte 2] probeerden vervolgens daar weg te gaan en [medeverdachte 2] heeft op enig moment de gewonde verdachte daarbij geholpen (Voetnoot 64). Tijdens het helpen van verdachte hoorde [medeverdachte 2] het geluid van een automatisch wapen en vlogen de kogels langs [medeverdachte 2] ’s oren. (Voetnoot 65) Verdachte is vervolgens op de grond gevallen en toen is [medeverdachte 2] weggefietst. (Voetnoot 66)
Verklaring verdachte
Verdachte bekent dat hij op de avond van 1 november 2024 met het bij hem aangetroffen vuurwapen heeft geschoten. Verdachte verklaart hierover het volgende.
In de avond van 1 november 2024 belde [medeverdachte 2] in paniek verdachte op. [medeverdachte 2] had ruzie met ‘die gasten van de Carwash’ (Voetnoot 67) (de rechtbank begrijpt [naam carwash] , gelegen aan de [adres]). Dit ging over iets met een aan [medeverdachte 2] opgelegde boete. (Voetnoot 68) [medeverdachte 2] heeft gevraagd aan verdachte of hij kon bemiddelen (Voetnoot 69) (‘op een normale manier’ (Voetnoot 70)). Verdachte heeft toen via Signal een telefoonnummer ontvangen van één van die gasten van de Carwash. (Voetnoot 71) Vervolgens heeft verdachte telefonisch contact gehad met die persoon en is afgesproken elkaar te ontmoeten bij kapper Mag Magic (Voetnoot 72), gelegen in de flat Hakfort. De rechtbank stelt vast dat deze gang van zaken steun vindt in het onderzoek in de telefoon van verdachte. (Voetnoot 73) Hieruit volgt dat verdachte omstreeks 20:08 uur – via Signal – een telefoonnummer heeft doorgestuurd gekregen (Voetnoot 74) en met dat nummer vervolgens telefonisch contact heeft gehad. (Voetnoot 75)
Omdat [medeverdachte 2] zei dat de gasten van de Carwash bewapend waren heeft verdachte, voordat zij naar Hakfort zijn gelopen, - voor zijn eigen veiligheid - eerst thuis een vuurwapen gepakt, geladen en meegenomen. (Voetnoot 76) Dit is het onder verdachte aangetroffen vuurwapen met demper. (Voetnoot 77)
Aangekomen bij Hakfort werden verdachte en [medeverdachte 2] opgewacht door [medeverdachte 1] met ‘een paar gastjes eromheen’. (Voetnoot 78) Verdachte en [medeverdachte 2] liepen naar hen toe en verdachte vroeg aan [medeverdachte 1] (Voetnoot 79) hoe het zat met ‘ [medeverdachte 2] ’ (Voetnoot 80) (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2]). [medeverdachte 1] stond op dat moment tegenover verdachte. [medeverdachte 2] stond naast verdachte en naast [medeverdachte 1] stond ook iemand. (Voetnoot 81) Ze stonden op dat moment voor ingang Zeepaard van de flat Hakfort. (Voetnoot 82) Vervolgens werd verdachte - vrijwel meteen - beschoten van meerdere kanten. (Voetnoot 83) De jongen die (rechts) naast [medeverdachte 1] stond, en in het zwart was gekleed (Voetnoot 84), begon met schieten. (Voetnoot 85) Verdachte werd meteen geraakt. (Voetnoot 86) Verdachte probeerde zich toen te verdedigen door terug te schieten. Nadat verdachte terugschoot, is hij hinkend weggevlucht, waarbij [medeverdachte 2] verdachte op enig moment heeft ondersteund. (Voetnoot 87) In de vlucht werden zij beschoten, onder meer met een automatisch wapen. (Voetnoot 88) Verdachte werd vervolgens opnieuw geraakt. (Voetnoot 89) Op dat moment heeft verdachte nog een keer teruggeschoten (Voetnoot 90), hij denkt twee keer. (Voetnoot 91) Verdachte is ten val gekomen en daarna – even – buiten bewustzijn geraakt. (Voetnoot 92)
5.3.2.
Oordeel over feit 1
Poging moord/doodslag op [medeverdachte 2]
Verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde poging moord dan wel doodslag op [medeverdachte 2] omdat daarvoor geen bewijs is. Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] die avond samen naar de Hakfort zijn gegaan en op geen enkel moment is er sprake van geweest dat verdachte op of in de richting van [medeverdachte 2] heeft geschoten.
Poging moord/doodslag op [medeverdachte 1]
Op grond van de hiervoor in 5.3.1. genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf relatief korte afstand met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van (waar) [medeverdachte 1] (stond), en daarbij [medeverdachte 1] heeft geraakt in de romp.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de bevindingen van het forensisch onderzoek, waaronder de plaats van aantreffen van de hulzen en het projectiel afkomstig uit het wapen van verdachte en de omstandigheid dat het veel waarschijnlijker is dat de kogel in het lichaam van [medeverdachte 1] van het kaliber van het wapen van verdachte is, dan van de andere twee op de plaats delict aangetroffen kalibers. Tevens neemt de rechtbank hierbij in aanmerking de verklaring van verdachte zelf.
Verdachte heeft in dit verband namelijk verklaard dat [medeverdachte 1] tegenover hem stond en dat de persoon die naast [medeverdachte 1] stond op verdachte schoot. (Voetnoot 93) Toen verdachte werd beschoten stonden ze voor ingang Zeepaard en verdachte reageerde meteen en schoot ‘vanuit daar’. (Voetnoot 94) Daarbij heeft hij (vooral) gericht naar waar de schoten vandaan kwamen. “De eerste is degene die voor je staat snap je”, aldus verdachte. (Voetnoot 95) Verdachte verklaart bovendien dat de persoon die op hem schoot en [medeverdachte 1] redelijk dicht bij elkaar stonden. (Voetnoot 96)
Dat verdachte heeft geschoten van relatief geringe afstand van [medeverdachte 1] , vindt ook steun in de camerabeelden van ingang Zeepaard. (Voetnoot 97) Hierop is namelijk de hierboven door verdachte beschreven situatie zichtbaar.
Van vol opzet op de dood van [medeverdachte 1] was geen sprake. Verdachtes’ handelen was weliswaar gericht op het uitschakelen van zijn opponenten, maar dat hij hierbij ook het oogmerk had om [medeverdachte 1] van het leven te beroven is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Door op voornoemde manier te handelen heeft verdachte wel de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [medeverdachte 1] zou worden geraakt door een kogel, die hierdoor dodelijk letsel had kunnen oplopen. De kans was namelijk reëel dat een kogel zou terechtkomen op een plek in het lichaam waar vitale organen zitten, als gevolg waarvan [medeverdachte 1] had kunnen overlijden. [medeverdachte 1] is in dit geval ook daadwerkelijk geraakt in zijn romp, waar zich vitale organen bevinden. Hierdoor heeft [medeverdachte 1] ernstig letsel opgelopen aan onder meer een nier en zijn darmen (Voetnoot 98), dat blijkens medische stukken potentieel levensbedreigend was. (Voetnoot 99)
Naar het oordeel van de rechtbank moet het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard, althans op de koop heeft toegenomen. Van contra-indicaties is niet gebleken.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [medeverdachte 1] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde poging tot doodslag op [medeverdachte 1] bewezen.
Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte in dit verband heeft gehandeld met voorbedachte rade en dat sprake is geweest van medeplegen van [medeverdachte 2] . Verdachte wordt van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijgesproken.
5.3.3.
Oordeel over feit 2
Op grond van de in 5.3.1. genoemde feiten en omstandigheden kan worden bewezen dat verdachte op 1 november 2024 een geladen vuurwapen, zijnde een pistool, voorhanden heeft gehad.
5.3.4.
Oordeel over feit 3
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde te komen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit feit.
De rechtbank acht op grond van de in de in rubriek 5.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
Op 1 november 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen in de richting van die [medeverdachte 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 1 november 2024 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.
7
De strafbaarheid van de feiten
7.1.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 komt verdachte een geslaagd beroep op noodweer toe, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Verdachte is in gesprek gegaan met een groep personen en is vervolgens beschoten. Hierdoor was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft ter verdediging een aantal keer teruggeschoten, onder meer terwijl hij gewond op de grond lag én onder vuur werd genomen met onder meer een automatisch vuurwapen. Zijn handelen voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het gegeven dat verdachte een vuurwapen bij zich had, staat niet aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
Verdachte moet ten aanzien van feit 1 worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
Feit 1
Volgens vaste rechtspraak dient voor een geslaagd beroep op noodweer aannemelijk te zijn dat sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf en/of goed. Het verdedigingsmiddel mag niet in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding en er mag geen sprake zijn van een situatie waarin de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en ook had moeten onttrekken. (Voetnoot 100) Onder bijzondere omstandigheden kunnen gedragingen van verdachte aan het slagen van een beroep op noodweer in de weg staan, bijvoorbeeld als de verdachte het latere slachtoffer heeft geprovoceerd of bewust de confrontatie heeft opgezocht. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een gevaarlijke situatie heeft begeven en/of dat een verdachte zich als voorzorgsmaatregel van een vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. (Voetnoot 101)
De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdachte dat hij eerst werd beschoten steun vindt in de overige inhoud van het dossier, waaronder de verklaring van [medeverdachte 2] (die ook verklaart dat de wederpartij begon met schieten en dat verdachte als eerste werd geraakt (Voetnoot 102)) en de camerabeelden van ingang Zeepaard in combinatie met het sporenbeeld (hulzen kaliber 9 mm Luger parabellum op deze plek) (Voetnoot 103). Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte als eerste heeft geschoten. De feitelijke toedracht zoals gesteld door verdachte, acht de rechtbank daarom voldoende aannemelijk.
De rechtbank is van oordeel dat met dit jegens verdachte (en [medeverdachte 2] ) gerichte acute vuurwapengeweld, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte (en ook dat van [medeverdachte 2] ).
De rechtbank is verder van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten (een aantal keer) terugschieten met een vuurwapen, in dit geval voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verdedigingsmiddel, een vuurwapen, staat in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Het sporenbeeld laat ook zien dat die reactie van verdachte proportioneel was, gelet op de hoeveelheid kogels die op verdachte (en [medeverdachte 2] ) zijn afgevuurd. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat uit het dossier volgt dat het schieten op verdachte (en [medeverdachte 2] ) doorging terwijl zij van de betreffende plek probeerden weg te komen. Van verdachte kon niet worden gevergd dat hij onder die omstandigheden anders, minder ingrijpend, zou reageren. Er was immers geen reële mogelijkheid om zich aan de aanranding te onttrekken op andere wijze dan dat verdachte heeft gedaan.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, uitgaande van de jurisprudentie van de Hoge Raad, de omstandigheid dat verdachte zichzelf uit voorzorg had bewapend en zich willens en wetens in een potentieel gevaarlijke situatie heeft gebracht, in de gegeven omstandigheden van het geval niet maakt dat sprake is van zodanige ‘eigen schuld’ dat dit aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat. Evenmin is gesteld of gebleken dat verdachte [medeverdachte 1] heeft geprovoceerd of bewust de confrontatie heeft opgezocht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 bewezen geachte feit niet strafbaar, omdat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Verdachte wordt daarom ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging.
7.3.2.
Feit 2
Het onder 2 bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8
De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte (voor feit 2) uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Overwegingen
9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 2 bewezen geachte feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van voorarrest.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte is zwaar gewond geraakt bij de aanslag op zijn leven. Onder de gegeven omstandigheden is de oplegging van een straf aan verdachte niet meer passend.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform voorarrest, met eventueel een voorwaardelijk strafdeel. Hernieuwde detentie zal het verdere herstel van verdachte belemmeren.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen in de openbare ruimte. Dit is een ernstig strafbaar feit. Vuurwapens zijn geschikt om mensen mee te doden dan wel zwaar te verwonden en het ongecontroleerde bezit daarvan brengt daarom een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Het bezit van vuurwapens maakt het gebruik daarvan mogelijk, met alle gevolgen van dien. Het gevaar dat ongecontroleerd vuurwapenbezit kan veroorzaken blijkt overduidelijk uit de onderhavige zaak, waarbij niet alleen verdachte zelf zwaar gewond is geraakt, maar ook de medeverdachten. Dat verder niemand in dit vuurwapengeweld - dat plaatsvond in een buurt en op een tijdstip dat er veel onschuldige omstanders aanwezig waren - om het leven is gekomen, mag een wonder heten. Deze zaak is dan ook een evident voorbeeld van de noodzaak om streng op te treden tegen vuurwapenbezit.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 oktober 2025. Hieruit blijkt dat sprake is van relevante recidive. Verdachte is eerder veroordeeld voor onder meer handel in vuurwapens. De rechtbank neemt zijn strafblad in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank houdt rekening met de oriëntatiepunten voor strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. Bij dit oriëntatiepunt geldt dat het strafverzwarend is indien het vuurwapen geladen (schietklaar) is, is voorzien van een geluiddemper, verdachte het wapen binnen handbereik had en/of wanneer er aanwijzingen zijn voor beroepscriminaliteit. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van al deze strafverzwarende omstandigheden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend en geboden.
De rechtbank houdt er echter ook rekening mee dat de gebeurtenissen in deze zaak voor verdachte grote consequenties hebben gehad. Verdachte is zwaar gewond geraakt en heeft op dit moment, inmiddels ruim een jaar na het incident, nog steeds ernstige problemen met lopen. De detentie is voor hem, vanwege zijn verwondingen, zwaar geweest en op de zitting heeft de rechtbank kunnen zien dat verdachte ook mentaal nog gevolgen ervaart van het schietincident. Het herstel zal nog geruime tijd in beslag nemen en het blijft de vraag of verdachte wel ooit volledig zal herstellen.
Mede gelet op deze omstandigheden, zal de rechtbank een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke zin opleggen, zodat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Ook dient het voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan dit soort feiten.
Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De rechtbank bepaalt daarbij de proeftijd op drie jaren, gelet op de documentatie van verdachte op het gebied van de Wet wapens en munitie.
10.1.
In beslag genomen goederen
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 1 vuurwapen (goednummer 6576373);
- 1 patroonhouder (goednummer 6576374);
- 9 stuks munitie 9 mm Luger (goednummers 6576554, 6576556, 6576568, 6576571, 6576575, 6576577, 6576582, 6576584 en 6576585);
- DSI patch (niet vermeld op de beslaglijst).
10.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat alle voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
10.3.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het beslag refereert de verdediging zich aan de vordering van de officier van justitie.
10.4.
Het oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De voormelde inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar.
Ten aanzien van het vuurwapen en de patroonhouder geldt dat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Ten aanzien van de 9 stuks munitie 9 mm Luger, die niet toebehoren aan (het wapen van) verdachte, geldt dat deze zijn bestemd tot het begaan van een dergelijk feit en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Ten aanzien van de DSI-patch geldt dat deze aan verdachte toebehoort en is aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
11
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
11.1.
De vordering
De benadeelde partij [medeverdachte 1] vordert – na wijziging op zitting – in totaal € 51.938,23 aan vergoeding van materiële schade en in totaal € 43.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot het moment van algehele voldoening. De benadeelde partij verzoekt verdachte en [medeverdachte 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevraagde schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
11.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake het schade toebrengende feit 1.
11.3.
Het standpunt van de verdediging
Primair moet de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen gelet op de verzochte vrijspraak ten aanzien van feit 1.
Subsidiair moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering vanwege het ontslag van alle rechtsvervolging ter zake feit 1. Bij noodweer is sprake van gerechtvaardigd handelen, zodat geen sprake is van onrechtmatigheid. Daarom vervalt aansprakelijkheid van verdachte. In dit geval is bovendien sprake van eigen schuld van de benadeelde partij aan het ontstaan van de schade, zodat de schade ook niet aan verdachte kan worden toegerekend. Strafoplegging voor feit 2 leidt niet tot ontvankelijkheid van de benadeelde partij, omdat door dat feit aan de benadeelde partij geen rechtstreekse schade is toegebracht.
11.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval, gelet op de hiervoor aangehaalde standpunten van de benadeelde partij en de verdediging, de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij zeer tijdrovend is en zich niet leent voor een eenvoudige beoordeling. Dit maakt dat de beoordeling van de vordering benadeelde partij in dit geval een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Daarom wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
12
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en munitie.
Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 (impliciet) primair en het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 (impliciet) subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag.
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Verklaart het onder 1 bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Verklaart het onder 2 bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 5 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 vuurwapen (goednummer 6576373);
- 1 patroonhouder (goednummer 6576374);
- 9 stuks munitie 9 mm Luger (goednummers 6576554, 6576556, 6576568, 6576571, 6576575, 6576577, 6576582, 6576584 en 6576585);
- DSI patch (niet vermeld op de beslaglijst).
Verklaart de benadeelde partij [medeverdachte 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling – van der Maarel, voorzitter,
mrs. J. Thomas en B.C. Langendoen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.
Voetnoot
Voetnoot 1
HvJ EU 4-10-24, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkhauptmannschaft Landeck).
Voetnoot 2
Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409 (post-Landeck).
Voetnoot 3
Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen/stukken die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
Voetnoot 4
Proces-verbaal van bevindingen p. A001-A003 en proces-verbaal van bevindingen p. A004-A005
Voetnoot 5
Proces-verbaal van bevindingen p. F0106-0112.
Voetnoot 6
Proces-verbaal van bevindingen p. A19I.
Voetnoot 7
Proces-verbaal van bevindingen p. A013-016, proces-verbaal van bevindingen p. A017-019I, proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E003 en wapenrapport p. G009-013.
Voetnoot 8
Verklaring verdachte ter zitting 9-12-25.
Voetnoot 9
Proces-verbaal van bevindingen medische informatie [medeverdachte 1] p. D0003-D0004.
Voetnoot 10
Proces-verbaal van bevindingen p. A001, proces-verbaal van bevindingen p. A004 en proces-verbaal van bevindingen p. A007.
Voetnoot 11
Proces-verbaal van bevindingen p. A001 en proces-verbaal van bevindingen p. A004.
Voetnoot 12
Proces-verbaal van bevindingen p. A026-030 en proces-verbaal van bevindingen A042-044.
Voetnoot 13
Proces-verbaal van bevindingen p. F054-061.
Voetnoot 14
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004-007 en NFI rapport 17-12-24 p. E178-209.
Voetnoot 15
NFI-rapport 17-12-24 p. E178-209.
Voetnoot 16
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E005-007.
Voetnoot 17
NFI-rapport 17-12-24 p. E191
Voetnoot 18
Ordegrootte bewijskracht ‘zeer veel waarschijnlijker’: 10.000-1.000.000, zie NFI-rapport 17-10-25 p. E215.
Voetnoot 19
NFI-rapport 17-10-25 p. E214-215.
Voetnoot 20
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004, E006-007
Voetnoot 21
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E006-007 [SIN AARU3207NL].
Voetnoot 22
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004-E007.
Voetnoot 23
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E006-E007.
Voetnoot 24
Ordegrootte bewijskracht ‘extreem veel waarschijnlijker’: >1.000.000, zie NFI-rapport 17-12-24 p. E190.
Voetnoot 25
Proces-verbaal van bevindingen p. A013-A016, proces-verbaal van bevindingen p. A017-A019I, proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E003 en wapenrapport p. G009-G013.
Voetnoot 26
NFI-rapport 17-12-24 p. E190.
Voetnoot 27
Bij een indicatief vergelijkend onderzoek wordt een deel van de sporen die vuurwapens in kogels en hulzen achterlaten met elkaar vergeleken. Om te onderzoeken wat voor soort en merk vuurwapen(s) is (zijn) gebruikt wordt gekeken naar het kaliber en de systeemsporen in de kogel. Wanneer dit mogelijk is wordt aangegeven bij welk soort en merk vuurwapen(s) deze kenmerken in de onderzochte kogel worden verwacht.
Voetnoot 28
NFI-rapport 12-2-25 p. E0235-E0236 [SINAARU3207NL].
Voetnoot 29
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E004-E006.
Voetnoot 30
NFI-rapport 17-12-24 p. E191.
Voetnoot 31
Ordegrootte bewijskracht ‘veel waarschijnlijker’: 100-10.000, zie NFI-rapport 15-7-25 p. D0013.
Voetnoot 32
NFI-rapport 15-7-25 p. D0013.
Voetnoot 33
NFI-rapport 12-12-24 p. E105-E106.
Voetnoot 34
NFI-rapport 12-12-24 p. E106: DNA-mengprofiel AARV2692NL#07 (op trekker en trekkerbeugel wapen) is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer [verdachte] wel donor is, dan wanneer hij geen donor is.
Voetnoot 35
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang Zeepaard p. F035-F041.
Voetnoot 36
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F036.
Voetnoot 37
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F037.
Voetnoot 38
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F038.
Voetnoot 39
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang zeepaard p. F039.
Voetnoot 40
Proces verbaal van bevindingen herkenning kleding p. F094.
Voetnoot 41
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT036.
Voetnoot 42
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang Zeepaard p. F039.
Voetnoot 43
Proces-verbaal van bevindingen p. A17: grijze jogginsbroek en proces-verbaal van bevindingen p. F065: grijze broek en witte schoenen.
Voetnoot 44
Verhoor verdachte 6-3-24 p. JJ040-JJ041 en verklaring verdachte ter terechtzitting 9-12-25.
Voetnoot 45
Video 20241102-WA00003. Deze video wordt ook beschreven in proces-verbaal van bevindingen p. F064-F065 (video 20241102_022009, snapchatvideo 1 en 2).
Voetnoot 46
Proces-verbaal van bevindingen p. F062.
Voetnoot 47
Proces-verbaal van bevindingen p. F065 en proces verbaal van bevindingen herkenning kleding p. F093.
Voetnoot 48
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ047.
Voetnoot 49
Proces verbaal van bevindingen herkenning kleding p. F093.
Voetnoot 50
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT035.
Voetnoot 51
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT032.
Voetnoot 52
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT032.
Voetnoot 53
Verklaring verdachte ter zitting van 9-12-25.
Voetnoot 54
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT033.
Voetnoot 55
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT032.
Voetnoot 56
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT033.
Voetnoot 57
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT038.
Voetnoot 58
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT033-MT034.
Voetnoot 59
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT038.
Voetnoot 60
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT034 en p. MT037 (bovenaan de pagina).
Voetnoot 61
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT032, MT034 en MT037.
Voetnoot 62
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT038.
Voetnoot 63
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT039.
Voetnoot 64
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT036-MT037.
Voetnoot 65
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT038.
Voetnoot 66
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT039.
Voetnoot 67
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ034 en JJ039.
Voetnoot 68
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ037.
Voetnoot 69
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ034.
Voetnoot 70
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ040.
Voetnoot 71
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ038-JJ039 en verklaring verdachte ter terechtzitting 9-12-25.
Voetnoot 72
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ034 en JJ038.
Voetnoot 73
Proces-verbaal p. G020 en verklaring verdachte ter terechtzitting 9-12-25, inhoudende dat deze telefoon (goednr. 6576647) zijn telefoon is.
Voetnoot 74
Proces-verbaal van bevindingen p. G026.
Voetnoot 75
Proces-verbaal van bevindingen p. G018 en G022.
Voetnoot 76
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ034 en JJ039 en verklaring verdachte ter terechtzitting 9-12-25.
Voetnoot 77
Verklaring verdachte ter terechtzitting 9-12-25.
Voetnoot 78
Verhoor verdachte 16-1-25 p. JJ028 en verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ034-JJ035 en p. JJ40.
Voetnoot 79
Verhoor verdachte 16-1-25 p. JJ028: ‘de heer [medeverdachte 1] gevraagd’.
Voetnoot 80
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ035.
Voetnoot 81
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036.
Voetnoot 82
Verhoor verdachte 6-3-24 p. JJ040-JJ041 en verklaring ter terechtzitting 9-12-25.
Voetnoot 83
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ035-JJ036.
Voetnoot 84
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ046.
Voetnoot 85
Verhoor verdachte 16-1-25 p. JJ028 en verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036.
Voetnoot 86
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ037.
Voetnoot 87
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ035 en p. JJ041-JJ042 en verhoor verdachte 16-1-25 p. JJ028.
Voetnoot 88
Verhoor verdachte 16-1-25 p. JJ028 (‘salvo’s’) en verklaring verdachte ter terechtzitting 9-12-25.
Voetnoot 89
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036.
Voetnoot 90
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036 en JJ042 en verhoor verdachte 16-1-25 p JJ028.
Voetnoot 91
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036.
Voetnoot 92
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036.
Voetnoot 93
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ036.
Voetnoot 94
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ041.
Voetnoot 95
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ041.
Voetnoot 96
Verhoor verdachte 6-3-25 p. JJ041.
Voetnoot 97
Proces-verbaal camerabeelden Hakfort ingang Zeepaard p. F036-039.
Voetnoot 98
Proces-verbaal medische informatie [medeverdachte 1] p. D003-D004.
Voetnoot 99
Voor potentieel levensbedreigend zie medisch rapport van internist-intensivist Dr. Th. F. Veneman p. 3.
Voetnoot 100
ECLI:NL:HR:2016:456, r.o. 3.6.
Voetnoot 101
ECLI:NL:HR:2016:456, r.o. 3.7.
Voetnoot 102
Verhoor [medeverdachte 2] 1-4-25 p. MT038.
Voetnoot 103
Proces-verbaal forensisch onderzoek PD p. E005-007.