Strafrecht overig
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). Ontvankelijkheid…
Hoge Raad, 3 februari 2026
ECLI:NL:HR:2026:160 · Hoge Raad · 3 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-160
Zaakgegevens
Op 3 februari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 februari 2026
- Datum publicatie
- 30 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/00998
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:160
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.a en 432.1.c Sv. Is cassatieberoep tijdig ingesteld?
HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. CAG: Hof heeft verdachte op 14-3-2022 veroordeeld voor art. 9.2 WVW 1994. Op 15-3-2022 heeft hof een herstelbeslissing genomen en dictum gewijzigd naar: “Heropent en schorst onderzoek voor onbepaalde tijd”. Hof heeft verdachte op 9-9-2022 (opnieuw) veroordeeld voor art. 9.2 WVW 1994. Op 18-3-2024 is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Cassatieakte houdt in dat cassatieberoep is gericht tegen arrest hof van 9-9-2022. Aan akte gehechte bijzondere volmacht houdt in dat cassatieberoep is gericht tegen beslissing hof van 14-3-2022. In beide gevallen is cassatieberoep te laat ingesteld o.g.v. art. 432.1.a Sv (uitgaande van arrest van 9-9-2022) resp. art. 432.1.c Sv (uitgaande van beslissing van 14-3-2022).
Verdachte n-o.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 9 september 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:3056Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 december 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1386Hoge Raad · 3 februari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:160
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00998
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 september 2022, nummer 22-001112-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.