Rechtbank Zeeland-West-Brabant, op tegenspraak strafrecht overig

ECLI:NL:RBZWB:2026:636

Op 4 February 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een op tegenspraak procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 02-180768-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBZWB:2026:636. De plaats van zitting was Breda.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
02-180768-23
Datum uitspraak:
4 February 2026
Datum publicatie:
4 February 2026

Indicatie

Veroordeling voor artikel 6, 8 en 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte reed als beginnend bestuurder en onder invloed van alcohol op de Leemstraat in Roosendaal met 81 kilometer per uur, terwijl daar 50 kilometer per uur was toegestaan. Hij botste met zijn auto tegen de auto waarin het slachtoffer als bijrijder zat en die vanuit een zijstraat kwam gereden. Bij het ongeval raakte het slachtoffer gewond aan zijn knie. Eendaadse samenloop. Voor artikel 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994 legt de rechtbank een taakstraf van 80 uur op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden met een proeftijd van 1 jaar. Voor artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 legt de rechtbank geen aparte straf of maatregel op.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-180768-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

raadsman mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda.

1
Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting van 29 januari 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

26 april 2022

feit 1: na het gebruik van alcohol een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 2: een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcohol was;

feit 3: met zijn rijgedrag gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

3
De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen

4
De beoordeling van het bewijs
4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kunnen de drie feiten wettig en overtuigend bewezen worden. Hoewel de tenlastelegging onder de feiten 1 en 3 een toegestane maximumsnelheid van 30 km/u vermeldt, moet dat bij nader inzien 50 km/u zijn. Voor feit 1 geldt dat verdachte heeft gereden met een snelheid van 81 km/u en (nagenoeg) geen snelheid geminderd bij nadering van een kruising, terwijl hij bovendien – als beginnend bestuurder – onder invloed was van alcohol (te weten 315 ug/l). Deze omstandigheden samen maken het rijgedrag van verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, waaraan hij schuld heeft zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Bij het slachtoffer was sprake van (in elk geval) een wond aan de knie, waardoor hij geruime tijd niet mobiel is geweest. Dat levert verhindering op van de normale bezigheden. Door voornoemde gedragingen heeft verdachte ook gevaar en hinder op de weg veroorzaakt (feit 3) en hij heeft onder invloed gereden (feit 2).

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1. Verdachte heeft verwijtbaar gehandeld door twee flesjes bier te drinken en te hard te rijden, maar daarmee is nog geen sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid: de ondergrens voor artikel 6 WVW. Verdachte reed voor zijn gevoel 60 km/u en dacht dat ter plekke die snelheid als maximum gold. Daarnaast is de vraag of er sprake is van dubbele causaliteit. Op basis van de camerabeelden in het dossier kan worden vastgesteld dat het ongeval niet is ontstaan door de gedragingen van verdachte, maar doordat het slachtoffer haaientanden heeft genegeerd. Van zwaar lichamelijk letsel is geen sprake, maar ook voor letsel waaruit tijdelijke verhindering is ontstaan, bevindt zich in het dossier geen medische informatie of anderszins objectief bewijs. De feiten 2 en 3 kunnen bewezen worden verklaard. Er is gereden onder invloed van alcohol en er is gevaar op de weg veroorzaakt door te hard te rijden.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 april 2022 op de Leemstraat in Roosendaal als (beginnend) bestuurder van een personenauto betrokken was bij een verkeersongeval. Verdachte was onder invloed van alcohol (315 ug/l) en reed met 81 km/u waar een maximumsnelheid van 50 km/u gold. Hij botste met zijn auto tegen de auto waarin [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) als bijrijder zat en die vanuit een zijstraat kwam gereden. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een wond aan zijn linkerknie.

Artikel 6 WVW

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, en zo ja, in welke mate. Daarbij gaat het om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van die schuld is pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Het rijgedrag van verdachte moet voor het vaststellen van (de mate van) schuld worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.

Vast staat dat verdachte veel harder heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan en teveel alcohol had gedronken. Bovendien was het net na middernacht en dus donker, en naderde verdachte een kruising. Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse, maar heeft zijn snelheid niet verminderd. Daardoor nam verdachte het risico dat hij een andere weggebruiker niet tijdig zou kunnen opmerken of zelf niet tijdig zou worden opgemerkt en op die omstandigheid bovendien niet tijdig zou kunnen reageren. Dit heeft zich ook verwezenlijkt. De bestuurder van de auto waarin het slachtoffer zich bevond moest in principe voorrang verlenen aan verdachte, maar is (net) op de rijbaan van verdachte tot stilstand gekomen. Verdachte heeft hierop niet tijdig en adequaat kunnen anticiperen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is en dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Letsel slachtoffer

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het knieletsel van het slachtoffer niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Het kan echter wel worden aangemerkt als tijdelijke ziekte waardoor ook nog eens de normale bezigheden van het (studerende) slachtoffer werden gehinderd. Daarvoor zijn de ernst en de duur van de verstoring van het gezonde lichamelijke functioneren van het slachtoffer bepalend. De door politie op de plaats van het ongeval geconstateerde horizontale snee op de linkerknie van het slachtoffer wordt bevestigd in een brief van [forensisch geneeskundige] . Het bleek te gaan om een wond van 5 centimeter die gehecht werd. De rechtbank heeft vervolgens geen reden te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer toen de politie hem op 26 november 2025 aanvullend hoorde over zijn letsel. Het slachtoffer heeft destijds 6 of 7 hechtingen in zijn knie gekregen. De eerste twee dagen heeft hij in een rolstoel gezeten en anderhalve maand daarna met krukken gelopen. Ongeveer twee maanden na het ongeval kon hij (pas) weer volledig zelfstandig lopen. Dit is een zodanig ernstige verstoring van het gezonde lichamelijk functioneren dat sprake is van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.

Feiten 2 en 3

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 26 april 2022 te Roosendaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de Leemstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol verkeerde (te weten 315 ug/l), met een veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur te rijden (te weten 81 km per uur) en onvoldoende snelheid te minderen bij nadering van de kruising, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten: een wond aan de knie, zulks terwijl het feit (mede) is veroorzaakt doordat hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2

op 26 april 2022 te Roosendaal als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 315 ug/l (315 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

3

op 26 april 2022 te Roosendaal als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, daarmee rijdende op de Leemstraat, terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol verkeerde (te weten 315 ug/l), met een veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden (te weten 81 km per uur) en met de door hem bestuurde personenauto in botsing is gekomen met een personenauto met daarin [slachtoffer] en [persoon] en door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5
De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte voor de feiten 1 en 2 op te leggen een taakstraf voor de duur van 100 uur (te vervangen door 50 dagen hechtenis) en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden met een proeftijd van 1 jaar. Hij heeft daarbij in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat sinds de pleegdatum geruime tijd is verstreken en verdachte sindsdien geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Bovendien stond verdachte open voor een mediationtraject, heeft hij zich bekommerd om het slachtoffer en zijn rijbewijs nodig. Voor de overtreding van feit 3 vordert de officier van justitie op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op te leggen.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop. Er kan worden volstaan met een taakstraf, die bovendien aanzienlijk zou moeten worden gematigd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft als (beginnend) bestuurder van een auto met teveel alcohol op veel harder gereden dan was toegestaan en zijn rijgedrag niet aangepast aan de situatie ter plaatse. Door zo te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Hierdoor heeft hij een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor een ander lichamelijk letsel heeft opgelopen en pas na twee maanden weer volledig zelfstandig kon lopen.

Bij aanmerkelijke schuld met minder dan 570 ug/l en tijdelijke ziekte van een ander als gevolg gaan de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht uit van een taakstraf van 120 uur en negen maanden onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Ook bij iemand die voor de eerste keer voor zo’n feit wordt veroordeeld, zoals verdachte.

Er zijn echter verschillende omstandigheden waarmee de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt in het voordeel van verdachte. Zo blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij niet alleen vóór, maar ook nà 26 april 2022 geen andere verkeersfeiten heeft gepleegd. Bovendien heeft hij zich meteen na het ongeluk om beide inzittenden van de andere auto bekommerd en later ook met hen gesproken. Tot slot houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met het tijdsverloop sinds de feiten: bijna vier jaar.

Alles afwegend zal de rechtbank verdachte voor de feiten 1 en 2 veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uur. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 1 jaar. Gezien de strafoplegging voor de misdrijven onder feiten 1 en 2 zal de rechtbank voor de overtreding bij feit 3 artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toepassen en geen aparte straf of maatregel opleggen.

7
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

8
Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en

terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van deze wet

en

feit 2: overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet

1994 (315 microgram);

en

feit 3: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging feiten 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Feit 3

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.K.J. van der Wall, voorzitter,

en mr. D. van Kralingen en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 4 februari 2026.

Bijlage: De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 26 april 2022 te Roosendaal, althans in Nederland, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Leemstraat, zich

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder onder invloed van

alcohol verkeerde (te weten 315 ug/1),

met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum

snelheid van 30 kilometer per uur te rijden (te weten 81 km per uur), in

elk geval te rijden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse

verantwoord was en/of (nagenoeg) geen, althans onvoldoende snelheid

te minderen bij nadering van de kruising en/of onvoldoende afstand te

houden van de voorzijde van de van rechts komende auto,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte

of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, te weten: een gebroken kuitbeen en/of een gekneusde arm

en/of letsel aan de borst en/of been en/of wond aan de knie,

zulks terwijl het feit (mede) is veroorzaakt doordat hij verkeerde in de

toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, VVWV 1994;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

2

hij op of omstreeks 26 april 2022 te Roosendaal, althans in Nederland, als

bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, dit motorrijtuig heeft

bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in

zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a

van de Wegenverkeerswet 1994, 315 ug/l (315 microgram alcohol per liter

uitgeademde lucht), in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter

uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een

rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een

rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van

het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

( art 8 lid 3 ahf/sub a onder 1° Wegenverkeerswet 1994 )

3

hij op of omstreeks 26 april 2022 te Roosendaal, althans in Nederland, als

bestuurder van een motorrijtuig, te weten personenauto, daarmee rijdende op de

weg, de Leemstraat,

terwijl hij, verdachte, als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol

verkeerde (te weten 315 ug/l),

met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30

kilometer per uur heeft gereden (te weten 81 km per uur), in elk geval heeft gereden

met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of

met de door hem bestuurde personenauto in botsing is gekomen met een

personenauto met daarin [slachtoffer] en/of [persoon] en/of

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )