Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. bestaande uit uitgaven die betrokkene heeft gedaan na veroordeling t.z.v. medeplegen…
Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1613 · Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1613
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/03921
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1613
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. bestaande uit uitgaven die betrokkene heeft gedaan na veroordeling t.z.v. medeplegen witwassen in periode van 1-1-2011 tot en met 30-11-2011, aanwezig hebben van cocaïne op 30-11-2011 en medeplegen aanwezig hebben van hasj op 30-11-2011, art. 36e.3 Sr. Kon hof gelet op art. 1 Sr en art. 7 EVRM toepassing geven aan art. 36e.3 Sr zoals bepaling luidt sinds 1-7-2011, nu 1 van feiten waarop veroordeling berust die aan ontnemingsvordering ten grondslag ligt deels vóór die datum is begaan?
In onderliggende strafzaak is betrokkene o.m. veroordeeld voor een op 30-11-2011 begaan strafbaar feit waarvoor geldboete van vijfde categorie kan worden opgelegd. ’s Hofs oordeel dat in zo’n geval art. 36e.3 Sr, zoals die bepaling luidt sinds 1-7-2011, kan worden toegepast, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Hier doet zich niet geval voor waarop art. 1.2 Sr en art. 7.1 EVRM zien, omdat art. 36e.3 Sr, in redactie zoals hof daaraan toepassing heeft gegeven, t.t.v. begaan van strafbaar feit op 30-11-2011 al van toepassing was.
Volgt verwerping. Samenhang met 24/03822 P en 24/03922 P.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 oktober 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:3392Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:778Hoge Raad · 6 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1613
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03921 P
Datum 6 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2024, nummer 20-002057-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt met een beroep op artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dat het hof geen toepassing mocht geven aan artikel 36e lid 3 Sr zoals deze bepaling luidt sinds 1 juli 2011, omdat één van de feiten waarop de veroordeling berust die aan de ontnemingsvordering ten grondslag ligt deels vóór die datum is begaan.
In de strafzaak die aan deze ontnemingszaak ten grondslag ligt is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij:
“parketnummer 02/984807-11
2. (ZD23)
In de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2011 te [plaats] , en/of in Engeland, tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten een geldbedrag van ongeveer € 52.810,- euro en een geldbedrag van ongeveer 45.000 Britse ponden en een auto, merk Mercedes, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,
3. (ZD33)
op 30 november 2011 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 530 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
parketnummer 02/984841-12
(ZD33)
op 30 november 2011 te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 15 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt onder meer in:
“4.1 Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft bij vonnis van 20 februari 2017 betrokkene veroordeeld ter zake het medeplegen van witwassen over de periode van 1 januari tot en met 30 november 2011, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne op 30 november 2011 en het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj op 30 november 2011. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft deze uitspraak bevestigd in hoger beroep.
Ontneming op grond van 36e, lid 2 Sr
De rechtbank stelt vast dat er op grond van artikel 36e, lid 2 Sr (oud en nieuw) geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanwijzingen dat er daadwerkelijk voordeel is verkregen uit de feiten waarvoor verdachte is veroordeeld of uit soortgelijke feiten (oud) of andere feiten (nieuw) die door hem zijn begaan.
Van toepassing zijnde ontnemingswetgeving
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 36e, lid 3 Sr (oud) moet worden toegepast en dat de vordering vanwege het ontbreken van een SFO moet worden afgewezen. De rechtbank deelt dit standpunt niet.
Betrokkene is onder meer veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne op 30 november 2011. Dit is het feit waar de officier van justitie de ontneming op baseert. Nu dit een veroordeling betreft voor een feit na 1 juli 2011 is de nieuwe wetgeving van toepassing. Dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld middels een vermogensvergelijking over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2011 doet hier niet aan af. Welke wetgeving van toepassing is wordt bepaald door de datum van de bewezenverklaarde feiten waar de ontneming op is gebaseerd. De redenering van de verdediging zou ook tot het ongerijmde resultaat leiden dat het in het nieuwe lid 3 van artikel 36e neergelegde wettelijke bewijsvermoeden (waarbij zes jaar kan worden terug gekeken) feitelijk pas na zes jaar volledig van toepassing zou zijn. Hiervoor is ook geen steun te vinden in de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ontneming op grond van 36e, lid 3 Sr
De rechtbank is van oordeel dat ontneming wel mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 36e, lid 3 Sr (nieuw). Voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van deze bepaling is vereist dat betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne is een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit feit kan dus als grondslag dienen voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van 36e lid 3 "indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten”. In dat geval geldt bovendien een bewijsvermoeden dat door de veroordeelde kan worden weerlegd. Dit houdt kort samengevat in dat van uitgaven gedaan door of voorwerpen verkregen door de veroordeelde in de zes jaren voorafgaande aan het misdrijf, wordt vermoed dat deze wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Het is dan aan de veroordeelde om aannemelijk te maken dat aan die uitgaven of verkrijging een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
Vermogensvergelijking
Door de politie is een vermogensvergelijking gemaakt op basis van de bezittingen, schulden, inkomsten en uitgaven van betrokkene en zijn echtgenote [...] . Hieruit komt naar voren dat zij over de periode 1 januari 2010 tot en met 29 november 2011 veel meer hebben uitgegeven dan op basis van hun (legale) inkomsten mogelijk zou zijn. Er is sprake van een negatief netto-privé over deze periode van € 173.005,76. Daar komen de uitgaven voor eerste levensbehoeften nog bij, die over deze periode door de politie worden geschat op € 10.205,00. Het totale ‘tekort’ bedraagt dan € 183.210,76.
Kijkend naar deze vermogensvergelijking acht de rechtbank het aannemelijk dat er wederrechtelijk voordeel uit andere feiten is verkregen. Er is sprake van onverklaarbaar inkomen en/of vermogen aangezien er veel meer uitgaven zijn gedaan dan uit legale bronnen zijn te verklaren. Betrokkene heeft hierover verklaard dat dit geld voornamelijk afkomstig was uit autohandel. Een administratie of enig bewijs hieromtrent heeft hij niet kunnen overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er aan deze uitgaven een legale bron van herkomst ten grondslag ligt. Gelet op bovenstaande overwegingen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vast gesteld dat er is voldaan aan de vereisten van artikel 36e, lid 3 Sr en kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. Op basis van de vermogensvergelijking is het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene en [...] berekend op € 183.210,76.
(...)
De rechtbank zal daarom het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op € 59.014,53 + € 51.600 = € 110.614,53.”
De beslissing van het hof houdt verder onder meer in:
“De raadsman van de betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof de ontnemingsvordering zal afwijzen. Daartoe heeft de raadsman – samengevat, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – het navolgende aangevoerd.
De rechtbank heeft de ontnemingsvordering gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dit luidt sinds de wetswijziging van 1 juli 2011 (hierna: artikel 36e Sr nieuw), omdat betrokkene in de onderliggende strafzaak is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne op 30 november 2011. Omdat de vermogensvergelijking, op grond waarvan het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, betrekking heeft op de periode van 1 januari 2010 tot 1 juli 2011, is op grond van het bepaalde in artikel 1 Sr en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en ter zake gewezen jurisprudentie – meer bepaald het verbod van terugwerkende kracht, op grond waarvan het verboden is om met terugwerkende kracht nieuwe minder gunstige wetgeving toe te passen – artikel 36e Sr (oud) van toepassing, zoals dat gold vóór 1 juli 2011. Op grond van artikel 36e, derde lid (oud), Sr kon wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen, indien de betrokkene was veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld. Nu in onderhavige zaak is verzuimd een SFO in te stellen, kunnen uitgaven van betrokkene die dateren van voor 1 juli 2011 alsmede de uitgaven van daarna, omdat de uitgaven in het rapport niet zijn gespecifieerd, niet worden meegenomen bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat op grond van artikel 36e, derde lid (oud), Sr geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld. Nu een andere grondslag – waaronder artikel 36e, tweede lid, Sr – voor de ontnemingsvordering ontbreekt, dient deze te worden afgewezen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hierover het volgende.
(...)
Met betrekking tot de toepassing van artikel 7 EVRM in ontnemingszaken komt in dit verband betekenis toe aan het arrest EHRM 9 februari 1995, nr. 177440/90 (Welch/Verenigd Koninkrijk). Daarin is door het EHRM de Britse confiscation order (welke wettelijke regeling sterke overeenkomsten vertoont met de Nederlandse ontnemingsmaatregel) als een 'penalty’ als bedoeld in artikel 7 EVRM aangemerkt. In die uitspraak heeft het EHRM geoordeeld dat toepassing van die maatregel, naar aanleiding van feiten die waren gepleegd voordat de betreffende wetgeving in werking was getreden, in strijd is met artikel 7 EVRM.
In zijn arrest HR 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714 (r.o. 3.5) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wijziging van artikel 36e, derde lid, Sr als gevolg waarvan het vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld is komen te vervallen, een uitbreiding inhoudt van de toepasselijke regels van sanctierecht. Ook heeft de Hoge Raad in dat arrest geoordeeld dat het in artikel 1, eerste lid, Sr vervatte legaliteitsbeginsel meebrengt dat artikel 36e, derde lid, Sr in zijn huidige vorm buiten toepassing dient te blijven ingeval het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld is begaan vóór 1 juli 2011 en niet is gebleken dat jegens de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Dit oordeel heeft de Hoge Raad nadien herhaald, waarbij hij voorts heeft geoordeeld dat voormeld uitgangspunt ook geldt ingeval het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld deels is begaan vóór 1 juli 2011.
In het licht van het bovenstaande overweegt het hof als volgt.
Naar het oordeel van het hof is voor de vraag of artikel 36e, derde lid (nieuw), Sr van toepassing is bepalend de pleegdatum van het gronddelict als bedoeld in artikel 36e Sr.
In de onderhavige zaak is betrokkene veroordeeld wegens onder meer – kort gezegd – het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs op 30 november 2011. Dit misdrijf dateert van na 1 juli 2011. Voorts betreft het een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. In zoverre is aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden van artikel 36e, derde lid (nieuw), Sr voldaan.
Het hof verwerpt de stelling van de raadsman dat de toepasselijkheid van artikel 36e, derde lid (nieuw), Sr niet alleen afhangt van de pleegdatum van het gronddelict, maar ook van het tijdvak waarbinnen de vermogensvergelijking is uitgevoerd. Dat tijdvak zou zich naar het oordeel van de verdediging niet mogen uitstrekken over de periode vóór 1 juli 2011, zelfs als het gronddelict na die datum is begaan. Om dat tijdvak wel bij de ontneming te kunnen betrekken zou volgens de verdediging een SFO zijn vereist en dat is in deze zaak niet ingesteld. Deze opvatting vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat óók vóór 1 juli 2011, indien aannemelijk was dat het (vóór 1 juli 2011 begane) grondfeit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, dit voordeel kon worden ontnomen. Wat er sindsdien is veranderd is dat niet langer een voorafgaand SFO is vereist en dat een bewijsvermoeden is geïntroduceerd. De betrokkene kon en moest er met andere woorden bij het plegen van strafbare feiten vanaf 1 juli 2011 rekening mee houden dat wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van andere strafbare feiten, begaan vóór 1 juli 2011, kon worden ontnomen en bovendien dat daarvoor niet langer een SFO was vereist.
Naar het oordeel van het hof betreft het al dan niet van toepassing zijn van het wettelijk bewijsvermoeden aangaande de herkomst van het vermogen van de betrokkene, zoals neergelegd in artikel 36e, derde lid (nieuw), Sr onder a en b (in casu de vermogensvergelijking) een uitvloeisel van de toepasselijkheid van artikel 36e, derde lid (nieuw), Sr en redigeert het bewijsvermoeden niet de toepassingsvoorwaarden van het artikel. Het gaat hier in de kern om een wijziging van het bewijsregime. Door het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 36, derde lid (nieuw), Sr ook toe te passen op uitgaven die door de betrokkene zijn gedaan of op voorwerpen die aan de betrokkene zijn gaan toebehoren vóór 1 juli 2011, wordt naar het oordeel van het hof geen afbreuk gedaan aan de beginselen die liggen besloten in artikel 1 Sr en artikel 7 EVRM.
Het hof verwerpt het verweer.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
“Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.”
- Artikel 36e lid 3 Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2011:
“Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”
- Artikel 36e lid 3 Sr, zoals dat na inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171 (Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming) is komen te luiden:
“Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat:
a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of;
b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.”
- Artikel 7 lid 1 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.”
In de onderliggende strafzaak is de betrokkene onder meer veroordeeld voor een op 30 november 2011 begaan strafbaar feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Het oordeel van het hof dat in zo’n geval artikel 36e lid 3 Sr, zoals die bepaling luidt sinds 1 juli 2011, kan worden toegepast geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hier doet zich niet het geval voor waarop artikel 1 lid 2 Sr en artikel 7 lid 1 EVRM zien, omdat artikel 36e lid 3 Sr, in de redactie zoals het hof daaraan toepassing heeft gegeven, ten tijde van het begaan van het strafbare feit op 30 november 2011 al van toepassing was.
Het cassatiemiddel faalt.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.