Strafrecht overig

Faillissementsfraude melkproductenfabriek. Feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk door…

Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
5 oktober 2026
Zaaknummer
24/02737
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1620
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissementsfraude melkproductenfabriek. Feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk door rechtspersoon, art. 341.a (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten “ter bedrieglijke verkorting” van rechten van schuldeisers van rechtspersoon en voorwaardelijk opzet op bedrieglijke bankbreuk. 2. Bewijsklacht feitelijk leiding geven.

HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Bewijsmotivering houdt in dat er t.t.v. overboeking al (groot) risico op faillissement bestond. Hof stelt vervolgens vast dat overboeking een aanmerkelijke kans op dat faillissement heeft doen ontstaan. Daarnaast overweegt hof dat van de door verdachte voorgehouden reden van overboeking (investering), niet binnen afzienbare tijd enig financieel resultaat viel te verwachten. Uit bewijsmotivering blijkt dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van penibele financiële situatie van melkproductenfabriek toen overboeking plaatsvond. Dat hof daaruit heeft afgeleid dat fabriek bij overboeking bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit zou leiden tot benadeling van rechten van een of meer schuldeisers, is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Oordeel getuigt ook niet van onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan overboeking op 3-6-2010. Vast staat dat verdachte t.t.v. overboeking ingeschreven stond als enig bevoegd directeur van melkproductenfabriek. Ook blijkt uit bewijsmotivering dat verdachte voor 3-6-2010 namens fabriek al 2 belangrijke financiële beslissingen had genomen, namelijk sluiten van overeenkomst met bedrijf en verkopen van vordering op dat bedrijf aan bank. Daarnaast heeft hof vastgesteld dat degene die sinds begin juni 2010 als interim manager werkte bij fabriek had verklaard dat alle bevoegdheden binnen bedrijf waren weggelegd voor verdachte en dat verdachte aan alles op financieel vlak zijn fiat moest geven. Uit deze omstandigheden heeft hof kennelijk afgeleid dat verdachte verantwoordelijk was voor deze overboeking. ‘s Hofs oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Daarover kan ook moeilijk twijfel bestaan, aangezien kern van verweer in hoger beroep juist was dat deze overboeking een investering was waarmee verdachte geld voor fabriek wilde verdienen.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 3 juli 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:4396
  2. Conclusie A-G · 18 augustus 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:771
  3. Hoge Raad · 6 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1620

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02737

Datum 6 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2024, nummer 21-005362-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten A.M. de Koning en G. Spong ieder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadslieden van de verdachte hebben ieder daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel en van het tweede door de advocaat Spong voorgestelde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het derde en het vierde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel en van het eerste door de advocaat Spong voorgestelde cassatiemiddel

3.1

Het derde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel en het eerste door de advocaat Spong voorgestelde cassatiemiddel klagen dat de bewezenverklaring van feit 2, voor zover die betrekking heeft op het handelen “ter bedrieglijke verkorting” van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het vierde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel klaagt in de kern over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het onder 2 bewezenverklaarde.

3.2

De bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 18 en 19.

3.3

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 22, 23 en 25.

4. Beoordeling van het vijfde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.