Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:1287

Op 12 March 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 84.270248.21 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:1287. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
84.270248.21 (P)
Datum uitspraak:
12 March 2026
Datum publicatie:
12 March 2026

Indicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het gebruik maken van valse geschriften en medeplegen gewoontewitwassen (van geldbedragen van in totaal € 732.523,--) tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Gelijke monniken, gelijke kappen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.270248.21 (P)

Datum vonnis: 12 maart 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,

volgens eigen opgave wonende in de

[woonplaats] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 november 2024, 7 juli 2025 en 12 februari 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 12 maart 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. G.N. Weski, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 samen met anderen geldbedragen van in het totaal € 782.535,-- en een appartement als gewoonte heeft witgewassen;

feit 2: in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 samen met anderen gebruik heeft gemaakt van valse geschriften door deze ter beschikking te (doen laten) stellen aan de ING Bank N.V.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot

en met 26 januari 2021 te Almere en/of Amsterdam en/of elders in Nederland,

Duitsland, China en/of Hong Kong ,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of alleen,

(sub a)

(telkens) van een voorwerp(en), bestaande uit:

- een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer EUR 782.535, althans enig

geldbedrag, en/of

- een appartement gelegen aan de [adres 1] ,

althans een of meer voorwerpen,

de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding en/of de verplaatsing heeft

verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op dit/die voorwerp(en) was en/of wie het voorhanden had,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens wist(en), dat deze

voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

en/of

(sub b)

(telkens) van een voorwerp(en), bestaande uit:

- een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer EUR 782.535, althans enig

geldbedrag, en/of

- een appartement gelegen aan de [adres 1] ,

althans een of meer voorwerpen,

heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet en/of hiervan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens wist(en), dat deze

voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

en verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte

heeft/hebben gemaakt;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond b

Wetboek van Strafrecht, art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 420ter lid 2

Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2

Hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot

en met 26 januari 2021 te Almere, Amsterdam, ’s-Gravenhage en/of elders in

Nederland en/of Duitsland en/of China en/of Hong Kong,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meerdere vals(e) en/of

vervalst(e) geschrift(en), te weten:

a. het document ‘ [document] ’ op naam van

[verdachte] , (DOC-232) en/of

b. het document van ‘ [bedrijf 1] Limited’ d.d. 25 september 2019, (DOC-234)

en/of

c. zeven, althans een of meerdere, betaalspecificatie(s), althans document(en), van

[bedrijf 1] Limited, gericht aan [verdachte] (DOC-233),

telkens zijnde een geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen, als ware dat/die geschrift(en) telkens echt en onvervalst, bestaande

dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- het/de document(en) en/of de betaalspecificaties onder a, b en c hierboven

genoemd (telkens) ter beschikking heeft gesteld en/of doen/laten stellen aan de

ING Bank N.V.,

en bestaande die valsheid of die vervalsing hierin dat in strijd met de waarheid:

- in voornoemd document onder a genoemd staat dat:

o [verdachte] vanaf 1 januari 2019 werkzaamheden als scout zou verrichten voor

[bedrijf 1] Limited, en/of

o [verdachte] een signeerbonus van 200.000 euro zou ontvangen, en/of

o [verdachte] een vergoeding van 20.000 euro per maand zou ontvangen,

- in voornoemd document onder b genoemd staat dat:

o [bedrijf 2] Limited gelieerd is aan [bedrijf 1] Limited, en/of

o [verdachte] scout voor [bedrijf 1] Limited en/of

o [verdachte] voor zijn werkzaamheden als scout elke maand wordt betaald,

- in voornoemde betaalspecificaties onder c (telkens) genoemd staat dat:

o over het geld dat hij, verdachte, ontvangen heeft, reeds belasting is afgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden

dat dit/die geschrift(en) telkens bestemd was/waren voor zodanig gebruik;

( art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3. De bewijsmotivering  (Voetnoot 1)

3.1

Inleiding

Op 13 november 2019 sloeg een geldhond van de Douane aan bij medeverdachte [medeverdachte] (verder ook [medeverdachte] ) toen hij op de luchthaven Schiphol (Amsterdam) op het punt stond om het vliegtuig te nemen naar Hong Kong. Bij de daarop volgende controle bleek [medeverdachte] contante geldbedragen bij zich te hebben (van € 139.570 in coupures van € 100, € 200 en € 500 en HKD 2.000). Ook droeg hij een (duur) Rolex polshorloge. [medeverdachte] werd aangehouden op verdenking van witwassen en het niet doen van een aangifte liquide middelen. Onder de naam [medeverdachte] volgde een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer (gewoonte)witwassen, waarbij [medeverdachte] op 26 januari 2021 (de dag van doorzoekingen van zijn woning en bedrijfspand) opnieuw werd aangehouden. Tevens werd op die dag [verdachte] (verder [verdachte] ) als medeverdachte aangehouden.Ook zijn woning en bedrijfspand zijn doorzocht. (Voetnoot 2)

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het medeplegen van het witwassen van het appartement (feit 1), omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wist dat [medeverdachte] dit appartement heeft aangeschaft met contante gelden die uit misdrijf afkomstig zijn. Het gewoontewitwassen (feit 1) heeft volgens de officier van justitie bestaan uit het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van voorwerpen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit.

Allereerst heeft de verdediging aangevoerd dat de telefoon van verdachte niet zonder machtiging van de rechter-commissaris onderzocht had mogen worden. Alle informatie die op de telefoon van verdachte is aangetroffen, is daarom onrechtmatig verkregen en dient van bewijs te worden uitgesloten. Verder is - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Van (gewoonte)witwassen (feit 1) is geen sprake geweest. [verdachte] heeft een concreet, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd ten aanzien van de contante stortingen en girale geldstromen van en naar China. De contante stortingen van € 312.595,-- op de privérekening van [verdachte] en op naam van zijn onderneming [bedrijf 3] BV ( [bedrijf 3] ) betroffen de opbrengsten van zijn kapperswerkzaamheden. Hij knipte klanten op locatie, dus hij had niet veel meer nodig dan een schaar. In de voetbal- en entertainmentwereld is bovendien een hoog tarief voor een knipbeurt heel normaal en dat werd hem gegund. De berekening van de FIOD met een gemiddeld aantal van 10 klanten per dag is onjuist. De bank heeft na ingekomen informatie van verdachte geconstateerd dat hij voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij als kapper actief was voor klanten in de voetbal- en entertainmentwereld en dat er dus geen sprake is geweest van witwassen.

De girale overboekingen van € 379.763,-- door [naam 1] aan [verdachte] en [bedrijf 3] hangen samen met zijn werkzaamheden als scout en makelaar bij [bedrijf 1] . Uit de inhoud van de chatgesprekken kan niet worden afgeleid dat het illegaal geld betrof.

Ten aanzien van het witwassen van het appartement aan de [adres 1] ontbreekt iedere betrokkenheid van [verdachte] . [medeverdachte] heeft dit appartement aangekocht, het staat op zijn naam en geldstromen voor de financiering daarvan hebben enkel plaatsgevonden tussen [medeverdachte] en [naam 1] .

Van valsheid van de ten laste gelegde geschriften (feit 2) is geen sprake. Deze stukken doen recht aan zijn werkzaamheden als scout en makelaar voor [bedrijf 1] en zijn door tussenkomst van [verdachte] ’s toenmalige boekhouder aan de ING-bank verstrekt.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Overweging vooraf: vormverzuim onderzoek telefoon (Landeck)

De aanleiding van het onderzoek van de FIOD was de hiervoor benoemde aanhouding van verdachte [medeverdachte] op 13 november 2019 op Schiphol. Het geld werd in beslag genomen en de FIOD heeft vervolgens onderzoek verricht naar de herkomst van het contante geld en de financiële positie van [medeverdachte] . De FIOD heeft in het vervolgonderzoek, dan mede gericht was op verdachte [verdachte] diverse gegevensdragers, waaronder de telefoon van [verdachte] , onderzocht. Op die telefoon is veel relevante informatie aangetroffen zoals chatgesprekken met medeverdachten en enkele geschriften.

De raadsman heeft aangevoerd dat de politie ten onrechte zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris (hierna [afkorting 2] ) onderzoek heeft gedaan aan de telefoon van [verdachte] . Daardoor is de persoonlijke levenssfeer van hem geschonden. Dit vormverzuim dient volgens de raadsman te leiden tot bewijsuitsluiting van alle informatie die op de telefoon is aangetroffen.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830, in de zaak ‘Landeck’). Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist (zie het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409).

Hoewel in deze zaak niet de gehele telefoon van verdachte is onderzocht, maar gericht onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van de verdenking witwassen, is het onderzoek naar gebruikersgegevens, documenten en chatgespreksgeschiedenis zo breed geweest dat naar het oordeel van de rechtbank een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist was. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.

De rechtbank zal evenwel volstaan met de vaststelling van dit vormverzuim en dus daaraan geen rechtsgevolg verbinden. Daarbij is van belang dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Bovendien zou een rechter-commissaris – indien om toestemming zou zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden- naar redelijke verwachting die toestemming zonder nadere beperkingen hebben gegeven. De verdachte is derhalve door het vormverzuim niet in relevante mate in zijn belangen geschaad. De verkregen gegevens uit de telefoon van verdachte zijn bruikbaar voor het bewijs.

Feit 1 (witwassen) en feit 2 (gebruik maken valse geschriften)

De feiten 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijk bespreking waarbij de rechtbank, na het juridische kader, de relevante feiten en omstandigheden zo veel als mogelijk in chronologische volgorde in de tijd zal bespreken.

Juridisch kader witwassen

Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat de geldbedragen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft afkomstig zijn van enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

In het onderhavige FIOD-onderzoek is geen direct bewijs voorhanden voor een gronddelict waaruit criminele herkomst van het contante geld kan blijken.

De zittingsrechter dient in dat geval bij de toetsing de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Indien deze omstandigheid zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. (Voetnoot 3)

Het onderhavige verwijt zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.

Door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden

De FIOD heeft onderzoek verricht naar de herkomst van het contante geld dat [medeverdachte] tijdens zijn aanhouding op Schiphol in zijn bezit had en naar de algehele financiële situatie van [medeverdachte] en [verdachte] . De legale inkomens van [medeverdachte] en [verdachte] zijn daarbij in beeld gebracht en diverse bankrekeningen zijn geanalyseerd. De bevindingen van de FIOD ten aanzien van verdachte [verdachte] zijn als volgt.

Legaal inkomen [verdachte]

In de ten laste gelegde periode (januari 2017 tot en met januari 2021) was [verdachte] gelieerd aan de ondernemingen [eenmanszaak] en [bedrijf 3] B.V.

[eenmanszaak] (hierna [eenmanszaak] ) betrof een eenmanszaak en is op 20 juli 2017 opgericht en op 1 november 2019 opgeheven. Deze onderneming richtte zich op het knippen, trimmen en/of scheren van hoofd- en gezichtshaar van mannen op locatie van de klant.  (Voetnoot 4)

Volgens informatie van de Belastingdienst bedroeg de belastbare omzet van [eenmanszaak] over 2017 € 50.367,--, over 2018 € 58.483,-- en over 2019 € 5.800,--. (Voetnoot 5) De FIOD acht dit inkomen ongeloofwaardig, onder meer omdat verdachte geen kappersopleiding heeft genoten, uit openbare bronnen onderzoek niet is gebleken dat de onderneming actief is geweest, na analyse van de bankrekeningen is vastgesteld dat geen sprake is geweest van investeringskosten en er geen girale inkomsten zijn geweest. (Voetnoot 6)

[bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3] ) is op 7 december 2015 opgericht met [verdachte] als enig aandeelhouder en bestuurder. Deze onderneming richt zich volgens haar doelomschrijving op het begeleiden van profvoetballers in hun loopbaan als geregistreerd KNVB-intermediair, het adviseren van profvoetballers, alsmede het voeren van contractonderhandelingen voor profvoetballers en participeren in andere ondernemingen. (Voetnoot 7)

Contante stortingen op bankrekeningen van [verdachte]

De FIOD heeft de bankrekeningen van [verdachte] uitvoerig onderzocht en geanalyseerd. [verdachte] had - voor zover nu relevant - in Nederland twee bankrekeningen bij de ING Bank N.V. (verder ING) te weten ING Betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] en ING Zakelijke Rekening met nummer [rekeningnummer 2] . De zakelijke bankrekening van [bedrijf 3] heeft nummer [rekeningnummer 3] .

Op voornoemde bankrekeningen van [verdachte] en [bedrijf 3] is in de periode januari 2017 tot en met september 2020, middels 67 stortingen, in totaal € 312.595,-- contant gestort. Het gemiddelde per contante storting bedroeg € 4.665,-- en de hoogste contante storting bedroeg € 9.250.  (Voetnoot 8) In 2017 is € 122.190,-- gestort, in 2018 € 110.220,--, in 2019 € 67.865,-- en in 2020 € 12.320,--. (Voetnoot 9)

Contant geld in de kluis op naam van [naam 2]

Op 26 januari 2021 is door de FIOD in [bedrijf 4] in [vestigingsplaats] een contant geldbedrag van € 50.000,-- aangetroffen in een kluis op naam van [naam 2] , zijnde de partner van [verdachte](Voetnoot 10) Uit gegevens van de Belastingdienst volgt een negatief inkomen van [naam 2] van € 40.545,-. Het aangetroffen geldbedrag kan dus niet worden verklaard aan de hand van haar ingediende fiscale aangiften.  (Voetnoot 11)

Overzicht girale geldstromen van en naar China in 2018, 2019 en 2020

[verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] ontving over de jaren 2017, 2018 en 2019, aanzienlijke girale geldbedragen vanuit China van buitenlandse (rechts)personen. Het gaat hierbij om de volgende geldstromen (Voetnoot 12):

[afbeelding]

[afbeelding]

Girale betalingen aan [medeverdachte] en [verdachte]

Uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen kan worden afgeleid dat totaal

€ 730.000,-- giraal is overgemaakt naar [medeverdachte] en [verdachte] . Van dat bedrag is (afgerond) totaal € 379.763,-- overgemaakt naar [verdachte] (afkorting [afkorting 1] in voornoemd overzicht) en/of zijn onderneming [bedrijf 3] . Een bedrag van totaal € 349.716,-- is overgemaakt naar [medeverdachte] (afkorting [afkorting 2] in voornoemd overzicht).

Betrokkenheid [naam 1] en andere buitenlandse (rechts)personen

[medeverdachte] heeft [naam 1] ontmoet in 2016 of 2017 toen [medeverdachte] één seizoen (tot 14 november 2017) voetbalde voor [bedrijf 1] in China. [naam 1] was destijds bestuursvoorzitter van [bedrijf 1](Voetnoot 13) Uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen is af te leiden dat [naam 1] rechtstreeks gelden heeft overgemaakt aan [medeverdachte] , [verdachte] en [bedrijf 3] .

[naam 1] maakte daarnaast gebruik van bankrekeningen op naam van andere (Chinese) entiteiten. Dit kan worden afgeleid uit chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [naam 1] . Zo vraagt [medeverdachte] in september 2019 aan [naam 1] om een document waaruit blijkt dat de andere buitenlandse (rechts)personen een relatie hebben met [bedrijf 1] . [medeverdachte] schrijft op 20 september 2019 [naam 1] : “the ask [verdachte] what is his relationship whit [bedrijf 2]”. [naam 1] antwoordt op 22 september 2019 dat [bedrijf 2] een handelsbedrijf is van een vriend van hem en stuurt [medeverdachte] op 2 oktober 2019 een PDF-bestand met de naam ‘ [bestandsnaam] ’. In dit document wordt verklaard dat de volgende entiteiten gelieerd zijn aan [bedrijf 1] : [bedrijf 2] Limited, [bedrijf 5] Limited, [bedrijf 6] Limited, [bedrijf 7](Voetnoot 14)

Ten aanzien van de betalingen van een persoon aangeduid als [naam 3] blijkt uit chatgesprekken dat [naam 1] ook hierbij betrokken is. Zo werd op 26 maart 2019 een bedrag van € 99.970,-- door [naam 3] overgemaakt aan [verdachte] nadat [medeverdachte] op 25 maart 2019 aan [naam 1] had gevraagd “Could you send 100 already to [verdachte]en “150 tot [verdachte] en 50 to me if that’s possible this week would be perfect.” (Voetnoot 15)Verder bevestigd [naam 1] middels signalchats op 8 mei 2019 en op 9 augustus 2019 dat hij (met behulp van een manager van een bank in Hong Kong) € 20.000,-- heeft overgemaakt naar [medeverdachte] .

Februari 2018: afspreken witwasconstructie met [naam 1]

In februari 2018, voorafgaand aan de start van voornoemde girale betalingen, hebben [medeverdachte] en [naam 1] via Whatsapp afspraken met elkaar gemaakt over het witwassen van geld. Zo schrijft [medeverdachte] op 1 februari 2018 onder meer “I need a paper that club pay me bonus for around 200.000. Because in Holland I can not put cash in bank like this (…)” en “When you come europe? The best would be i give you 200.000 cash you transfer tot my bank in Europe.” en “I Will give you some money. Also for this service.” en “Check for me please. Will help me safe alot of money” (Voetnoot 16) en “Because Holland is Crazy they take 52 procent tax”. (Voetnoot 17) schrijft op diezelfde dag terug “Yes Holland is Crazy” en “I will help you to do the tax avoidance”. (Voetnoot 18)Op 15 februari 2018 spreken [medeverdachte] en [naam 1] via de chat af dat [naam 1] een provisie van 10 % ontvangt voor elke transfer. [medeverdachte] schrijft aan [naam 1]Yes we Will agree 10 procent of evry Amount you transfer” waarop [naam 1] antwoordt “OK, that is great.” (Voetnoot 19)

Februari 2018: opmaken (vals) geschrift met betrekking tot bonus [medeverdachte] (DOC-023)

In aansluiting op de afgesproken witwasconstructie stuurt [naam 1] gelijk, op 1 februari 2018, aan [medeverdachte] via WeChat een PDF-document, welke document is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte](Voetnoot 20) Dit document betreft een certificaat van [bedrijf 1] en is gedateerd op 30 januari 2018 en benoemt dat € 200.000 netto is overgemaakt aan [medeverdachte] vanwege voorkoming van degradatie van [bedrijf 1] . Het document benoemt verder dat belasting hierover is voldaan conform Chinees recht. (Voetnoot 21)

Contante geldsmokkel in maart 2018 en in juni 2019

Naast girale transacties van en naar China behoorde ook contante geldsmokkel tot de witwasconstructie. De rechtbank leidt uit het dossier af dat minimaal tweemaal contant geld is gesmokkeld door [naam 1] van Nederland naar China. De eerste geldsmokkel vond plaats in maart 2018, zo volgt uit chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [naam 1] . Uit de berichten van 2, 5 en 6 maart 2018 volgt dat [naam 1] met zijn vrouw naar Europa komt en dat er overleg gevoerd wordt over de hoeveelheid geld dat [naam 1] gaat meenemen, waarbij [medeverdachte] schrijft dat het beter is om eerst 100 te doen of misschien toch 200. (Voetnoot 22) Op 8 en 9 maart 2018 volgen berichten waaruit is af te leiden dat [medeverdachte] een hotel in Amsterdam heeft geboekt voor [naam 1] en dat [naam 1] in Parijs zal aankomen. (Voetnoot 23) Op 14 en 15 maart 2018 volgen berichten waaruit is op te maken dat [naam 1] en [medeverdachte] elkaar treffen in het hotel. (Voetnoot 24) Op 16 maart 2018 volgen berichten waaruit is af te leiden dat [naam 1] in goede orde is gearriveerd in Hong Kong en dat hij het geld verspreid had verstopt in zijn bagage, zoals in de zakken van kleding. (Voetnoot 25) Vervolgens vangen in maart en april 2018 de eerste girale betalingen aan van [naam 1] aan [medeverdachte] en [bedrijf 3] , zoals kan worden afgeleid uit voor voorgaand overzicht van de girale geldstromen.

Een jaar later, in maart 2019 en voorafgaande aan de tweede geldsmokkel, hebben [medeverdachte] en [verdachte] het plan opgevat om te investeren in horeca en sportschool. Uit de chatberichten kan worden afgeleid dat hiervoor geld nodig was op welke wijze dit geregeld kon worden. Op 24 maart 2019 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte]Nu 200 liefst 250 China|”. Op 27 maart 2019 stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Ik ga alles via China sturen je hebt 2 jaar ik laat verlengen 1 jaar extra. Dan heb je alles op privé. Dan kan je gewoon bewegen hoe jij wilt. Dan heb je privé meer dan 1.5”. (Voetnoot 26)

De tweede smokkel van contant geld vond vervolgens plaats in juni 2019. Op 1 juni 2019 stuurde [naam 1] aan [medeverdachte] een bericht “have you prepared cash”, waarop [medeverdachte] ja antwoordt en zegt dat het tenminste 200 zal zijn en misschien meer. (Voetnoot 27) Tussen 10 en 16 juni 2019 volgt een chatgesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] , waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] het geld moet verzorgen. Zo schrijft [medeverdachte] op 10 juni 2019 aan [verdachte] : “..(..) Dus als je ready bent kan hij volgende gedeelte ook nu meenemen (…) Dus lett me know wat je wil sturen”. [verdachte] antwoordt hierop dat hij dat even moet bekijken en dat hij ‘niet goed in de pap’ zit. (Voetnoot 28) Op 12 en 16 juni 2019 wordt het gesprek hervat en voeren [medeverdachte] en [verdachte] overleg over de hoeveelheid geld en in welke coupures (niet te klein, zo veel mogelijk paars). (Voetnoot 29) Op 18 juni 2019 stuur [medeverdachte] een bericht en foto (van hemzelf en vermoedelijke [naam 1] ) met de tekst “Chi afgerond” en “we kunnen next year weer verlengen hoorde ik net al”. (Voetnoot 30)Op 19 juni 2019 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte] wanneer die 50 komt en wanneer maandelijks, dat het nog niet binnen is en dat hij het broodnodig heeft. (Voetnoot 31) Uit vluchtgegevens blijkt dat [naam 1] op 20 juni 2019 van Amsterdam naar Hong Kong is gereisd. (Voetnoot 32) Op die dag vraagt [medeverdachte] in een chat aan [naam 1] of hij veilig is geland en die dag ‘the 50 for [verdachte] ’ kan overmaken. [naam 1] antwoordt hierop dat hij net is geland en later naar de bank zal gaan. (Voetnoot 33) Op 24 juni 2019 stuurt [verdachte] een bericht aan [medeverdachte] dat hij het geld nog niet heeft ontvangen. Op 25 juni 2019 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] ‘is binnen’. (Voetnoot 34) Uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen kan worden opgemaakt dat op 25 juni 2019 een bedrag van € 49.968,-- is overgemaakt aan [verdachte] door de rechtspersoon [bedrijf 2] Limited. De maanden daarna volgen nog meer betalingen aan [medeverdachte] en [verdachte] .

In augustus 2019 wordt in een signalchat tussen [medeverdachte] en [naam 1] bevestigd dat voornoemde geldsmokkels hebben plaatsgevonden. Op 11 augustus 2019 schrijft [medeverdachte] aan [naam 1] “2 time you com to Holland. First time 100 second time 200. 1 time is March 2018. Whit your wifey.” Hierop reageert [naam 1] met “yes. You give me 100 in March 2018.” (Voetnoot 35)

September 2019: vragen vanuit ING aan [verdachte] over geldstromen

Per brief van 13 september 2019 heeft de ING in het kader van de Wet ter voorkoming van Witwassen en financiering van terrorisme aan [verdachte] om opheldering had gevraagd over bepaalde betalingen van onder meer [naam 3] , [naam 1] en [bedrijf 2] Limited op zijn bankrekening [rekeningnummer 1](Voetnoot 36)

Oktober 2019: opmaken en insturen van (valse) geschriften aan ING

Op 7 oktober 2019 is namens [verdachte] door zijn toenmalige accountant [naam 4] per e-mail gereageerd op de vragenbrief van de ING en zijn ter onderbouwing onder meer de volgende geschriften meegezonden:

- het document ‘ [document] ’ (DOC-232)  (Voetnoot 37);

- het document van ‘ [bedrijf 1] Limited’ d.d. 25 september 2019 (DOC-234)  (Voetnoot 38);

- betaalspecificaties van [bedrijf 1] Limited gericht aan [verdachte] (DOC-233). (Voetnoot 39)

? Ten aanzien van geschrift DOC-232

Dit geschrift ziet op een voetbalscoutingscontract tussen de Chinese voetbalclub [bedrijf 1] en [verdachte] en is gedateerd op 30 januari 2018 en voorzien van handtekeningen. Het contract heeft betrekking op de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020. Volgens dit contract heeft [verdachte] recht op € 200.000,-- tekengeld en een salaris van € 20.000,-- per maand. (Voetnoot 40) Op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] is een ongetekend exemplaar van dit contract aangetroffen. (Voetnoot 41)

[verdachte] heeft over dit document tegenover de FIOD verklaard dat hij dit contract heeft ondertekend, maar dat het door medeverdachte [medeverdachte] is geregeld. (Voetnoot 42)

Uit Whatsapp-berichten van 16 oktober 2019 tussen [medeverdachte] en diens neef [naam 5] volgt dat [medeverdachte] aan [naam 5] vraagt om een ‘scouting report’ op te maken voor ‘Owtje’ waarbij ‘de datum moet worden teruggezet’ en waarbij [medeverdachte] nog de opmerking maakt ‘Owtje is scout die nooit scout haha’. (Voetnoot 43)

? Ten aanzien van geschrift DOC-234

Dit geschrift betreft een verklaring van de Chinese voetbalclub [bedrijf 1] inhoudende dat [bedrijf 2] Limited is gelieerd aan [bedrijf 1] . Het geschrift is gedateerd 25 september 2019. (Voetnoot 44)

Een kopie van dit geschrift is aangetroffen op de mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte](Voetnoot 45)

Dit geschrift is op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] door [naam 1] opgesteld, zo volgt uit chatgesprekken. Op 20 september 2019 (dus zeven dagen na voornoemde vragenbrief van de ING) schrijft [medeverdachte] aan [naam 1] : “the ask [verdachte] what is his relationship whit [bedrijf 2]”. [medeverdachte] vraagt vervolgens aan [naam 1] om daar een document voor te maken. Op 25 september 2019 stuurt [naam 1] een eerste en daarna een definitieve versie aan [medeverdachte] . [naam 1] zegt in de chat dat [bedrijf 2] Limited een handelsonderneming is van een vriend van hem. (Voetnoot 46)

Voor wat betreft DOC-234 zij nog opgemerkt dat uit een Wechat-gesprek tussen [medeverdachte] en [naam 1] op 20 maart 2019 kan worden afgeleid dat [naam 1] niet meer werkzaam was voor de voetbalclub [bedrijf 1](Voetnoot 47)

Op de vraag van de ING welke goederen, diensten of andere tegenprestaties door [verdachte] zijn geleverd voor het ontvangen bedrag van € 50.000,- op 25 juni 2019 van [bedrijf 2] Limited is als antwoord geschreven dat [verdachte] als voetbalscout werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] en dat [bedrijf 2] Limited aan [bedrijf 1] is gelieerd. (Voetnoot 48)

De ING heeft in haar klantonderzoek geconstateerd dat middels openbare bronnen niet is te verifiëren dat medeverdachte [medeverdachte] en [verdachte] deel uitmaken van het scoutingteam van [bedrijf 1] . Zowel [medeverdachte] als [verdachte] zijn vrijwel altijd in Nederland of Europa gezien het bij de ING bekende rekeningverloop. De ING heeft verder geconstateerd dat evenmin aan de hand van openbare bronnen is te verifiëren dat [bedrijf 2] Limited aan [bedrijf 1] kan worden gerelateerd.  (Voetnoot 49) Ook uit het open bronnen onderzoek van de FIOD volgt dat de entiteit [bedrijf 2] Limited niet kan worden gevonden en/of gelinkt aan [bedrijf 1](Voetnoot 50)

? Ten aanzien van de geschriften DOC-233

Deze zeven betaalspecificaties zien op uitbetaling van salaris aan [verdachte] (als werknemer) van de Chinese voetbalclub [bedrijf 1] (als werkgever) over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019. (Voetnoot 51) De FIOD heeft op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] een Signalchat aangetroffen tussen [medeverdachte] en [naam 1] waarin [medeverdachte] op 21 augustus 2019 aan [naam 1] vraagt om een document waaruit blijkt dat [verdachte] reeds belasting heeft voldaan over het geld dat hij heeft ontvangen. Op 29 augustus 2019 ontvangt [medeverdachte] vervolgens een PDF-bestand met voornoemde zeven betaalspecificaties. (Voetnoot 52)

November 2019: mislukte geldsmokkel van [medeverdachte]

Zoals hiervoor benoemd, is [medeverdachte] op 13 november 2019 op Schiphol aangehouden met contante geldbedragen van € 139.570,-- en HKD 2.000,--.

Voorafgaande aan deze aanhouding hebben [medeverdachte] en [naam 1] diverse chatconversaties gehad over geldsmokkel naar Hongkong. Zo bericht [medeverdachte] op 15 september 2019 aan [naam 1]I Will bring another 200 are 300” en op 27 september 2019 “I must take as much as i can Because we must pay 20 also to [verdachte] also. And we must have more for the other months”. (Voetnoot 53) Op 15 oktober 2019 geeft [naam 1] aanwijzingen waar het geld het beste kan worden verstopt (niet in ruimbagage, maar in de zakken van een jacket). De Douane trof bij [medeverdachte] inderdaad het geld aan verstopt in kleding in zijn handbagage.

[naam 1] en [medeverdachte] hadden afgesproken elkaar in Hong Kong te ontmoeten om vervolgens naar de bank te gaan en contant geld te storten. Dit ging – aldus de FIOD - uiteindelijk niet door omdat [medeverdachte] op Schiphol werd aangehouden. (Voetnoot 54)

Na de aanhouding van [medeverdachte] in november 2019 hebben geen girale overboekingen meer plaatsgevonden. Zoals uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen kan worden afgeleid, heeft de laatste (girale) overboeking plaatsgevonden in oktober 2019.

Aankoop appartement [adres 1] (april 2018)

De FIOD heeft onderzocht op welke wijze van het verworven geld gebruik is gemaakt.

Hieruit bleek onder meer dat medeverdachte [medeverdachte] in april 2018 een appartement aan de [adres 1] heeft gekocht voor € 300.000,--. De aankoopsom bleek middels de volgende 8 termijnen vanaf drie verschillende bankrekeningen van [medeverdachte] te zijn voldaan aan de notaris (Voetnoot 55):

[afbeelding]

Uit voornoemd overzicht kan worden afgeleid dat op 5 en 16 april 2018 betalingen zijn gedaan (€ 80.000 en € 24.000) vanaf een ABN AMRO bankrekening van [medeverdachte] . Deze twee betalingen werden op 14 en 15 maart 2018 voorafgegaan door twee ontvangsten vanaf een Duitse bankrekening van [medeverdachte] . Ten aanzien van het saldo op deze Duitse bankrekening is geconstateerd dat deze vooral is gevoed door contante stortingen naast de legale voetbalinkomsten uit China in 2017. Op de ABN AMRO bankrekening zijn vervolgens vijf contante stortingen gedaan op 15 en 16 april 2018 voor een gezamenlijk bedrag van € 23.040,-- en werd op 16 april 2018 € 24.000,-- overgemaakt vanaf de ABN AMRO Bankrekening aan de notaris. (Voetnoot 56)

De vijf betalingen die zijn gedaan vanaf de ING bankrekening van [medeverdachte] , werden voorafgegaan door ontvangsten van [naam 1] . Uit eerder genoemd overzicht van de girale geldstromen is af te leiden dat op 12 en 16 april 2018 respectievelijk € 49.975,-- en

€ 99.970,-- door [naam 1] aan [medeverdachte] werd overgemaakt met omschrijving “Bonus”. Het saldo van de bankrekening bedroeg voorafgaand deze ontvangsten € 290,--. (Voetnoot 57) Uit het onderzoeksdossier heeft de rechtbank verder geen betrokkenheid van [verdachte] vastgesteld.

Aankoop [bedrijf 8] (maart 2019)

Medeverdachte [medeverdachte] en [verdachte] hebben in maart 2018 met elkaar gechat over het investeren in horeca en in een sportschool. Deze investering heeft ook plaatsgevonden. In maart 2019 heeft [verdachte] (samen met [naam 6] ) [bedrijf 8] gekocht en in juni 2019 is [bedrijf 9] B.V. (handelsnaam [bedrijf 9] ) gekocht.

Ten aanzien van [bedrijf 8] zijn vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] de volgende drie betalingen (van totaal € 90.000,--) verricht aan [bedrijf 10] (Voetnoot 58):

[afbeelding]

Bij de overboeking van € 9.000,-- op 1 maart 2019 stond er nog voldoende saldo op de bankrekening van [bedrijf 3] , omdat op 8 maart 2018 een bedrag van € 79.970 op deze bankrekening was ontvangen van [naam 1] uit China met omschrijving ‘Commission’. Deze laatstgenoemde betaling is terug te vinden in eerdergenoemd overzicht van girale overboekingen van en naar China.

Voor de betalingen aan [bedrijf 10] van € 41.000,-- en 40.000,-- stond voorafgaand te weinig saldo op de bankrekening van [bedrijf 3] . De bankrekening werd op respectievelijk 27 en 28 maart 2019 aangevuld met € 40.000,-- en € 50.000,-- vanaf de privé bankrekening van [verdachte] met het nummer [rekeningnummer 1] telkens met de omschrijving ‘Lening'. Daaraan voorafgaand is op de privé bankrekening van [verdachte] op 26 maart 2019 een bedrag van € 99.970,-- gestort afkomstig van [naam 3] met omschrijving ‘Salary’. Deze laatstgenoemde betaling is eveneens terug te vinden in eerdergenoemd overzicht van girale overboekingen van en naar China. (Voetnoot 59)

Uit chatberichten volgt dat [verdachte] aan [medeverdachte] hiervoor om geld heeft gevraagd en dat [medeverdachte] via [naam 1] geld vanuit China heeft laten overboeken.

Bij chatbericht van 19 maart 2019 schreef [verdachte] aan [medeverdachte][bedrijf 3] gaat dat geld onderbrengen bij [bedrijf 11] B.V. als investering en [bedrijf 11] gaat het investeren in andere ondernemingen. In dit geval een gym en restaurant.”

Bij chatbericht van 21 maart 2019 schreef [verdachte] aan [medeverdachte] “100 moet je alvast gooien naar [bedrijf 3] ” en “heb het nodig daar”.  (Voetnoot 60)

Op 24 maart 2019 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte] “Nu 200 liefst 250 China|”. Op 27 maart 2019 stuurde [medeverdachte] aan [verdachte] : “Ik ga alles via China sturen je hebt 2 jaar ik laat verlengen 1 jaar extra. Dan heb je alles op privé. Dan kan je gewoon bewegen hoe jij wilt. Dan heb je privé meer dan 1.5”. (Voetnoot 61)

Op 26 maart 2019 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte] een betalingsoverzicht van de kosten die hij moet voldoen voor de aankoop van [bedrijf 8](Voetnoot 62) Vervolgens vroeg [medeverdachte] nog diezelfde dag aan [naam 1]Could you send 100 already to [verdachte]”. (Voetnoot 63)Op 26 maart 2019 ontving [verdachte] het bedrag van € 99.970,-- van [naam 3] op zijn privé bankrekening.

Aankoop [bedrijf 9] B.V. (juni 2019)

Sinds 7 juni 2019 is [verdachte] , middels [bedrijf 11] B.V, voor 100%

aandeelhouder van [bedrijf 9] B.V (met handelsnaam [bedrijf 9] ). In totaal heeft [verdachte] hiervoor op 7 juni 2019 € 100.000 betaald aan [bedrijf 12] B.V. door middel van de volgende twee betalingen (Voetnoot 64):

[afbeelding]

Zoals uit dit overzicht kan worden afgeleid, is € 50.000,-- voldaan vanaf de privé bankrekening van [verdachte] en € 50.000,-- vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] .

Ook deze aankoop is gefinancierd met gelden vanuit China. Na voornoemde geldsmokkel in juni 2019 ontving [verdachte] (op zijn privé bankrekening) op 6 juni 2019 € 49.975,00 van [naam 3] en op 25 juni 2019 € 49.967,94 van [bedrijf 2] Limited. Deze twee betalingen zijn terug te vinden in eerder genoemd overzicht van girale overboekingen van en naar China. Aan deze overboekingen zijn de nodige chatgesprekken vooraf gegaan.

Uit het dossier blijkt dat chatberichten tussen [medeverdachte] en [naam 1] in de periode van 28 april 2019 tot 25 juni 2019 zijn gevoerd waaruit - kort samengevat – is af te leiden dat [medeverdachte] op 28 april 2019 aan [naam 1] vroeg om extra geld naar [verdachte] over te maken. [naam 1] antwoordt dat 100 teveel is. [medeverdachte] stuurde vervolgens dat hij maar moet laten weten wat mogelijk is, dat 150 perfect zou zijn en ze het regelen wanneer [naam 1] naar Nederland komt. [medeverdachte] schreef op 14 mei 2019 dat hij [naam 1] een grote bonus zal geven als hij het voor elkaar krijgt minimaal 100 over te maken, dat het urgent is, dat hij het geld een week later terug krijgt en dat ze 300.000 zullen voorbereiden als hij naar Europa komt. Op 19 mei 2019 schreef [medeverdachte] aan [naam 1] dat “brother” 100 moet ontvangen en op 1 juni 2019 liet [medeverdachte] aan [naam 1] weten dat er minimaal 200.000 contant zal klaar liggen voor [naam 1] en dat voor 6 juni 100 betaald moet zijn. Op 25 juni 2019 bevestigde [medeverdachte] dat de tweede € 50.000 is ontvangen. (Voetnoot 65)

Kasopstelling

De FIOD heeft ten opzichte van [verdachte] een eenvoudige kasopstelling gemaakt, gebaseerd op enkel het contante geld waarover hij heeft kunnen beschikken.

De FIOD heeft in de eenvoudige kasopstelling berekend dat [verdachte] in de onderzoeksperiode (1 januari 2017 tot en met 1 januari 2021) € 782.535,-- meer contant geld heeft uitgegeven dan op basis van legale contante inkomsten mogelijk was. (Voetnoot 66)

Vermoeden van witwassen

Voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder de volgende witwasindicatoren (waaronder witwastypologieën en feiten van algemene bekendheid) van belang.

Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Het is hoogst ongebruikelijk (en daarmee verdacht) om grote hoeveelheden contant geld voorhanden te hebben en/of op bankrekeningen te storten zonder de noodzaak daartoe op grond van beroep of bedrijf.

Ook het aangetroffen contante geldbedrag (€ 139.570,--) bij [medeverdachte] op Schiphol draagt bij aan het vermoeden van witwassen. Het geldbedrag bestond uit coupures van

€ 100, € 200 en € 500 en was verstopt in bagage. Het is een feit van algemene bekendheid dat coupures van € 100 en meer maar zelden in het betalingsverkeer worden gebruikt en dat coupures van € 500 zelfs bijna uitsluitend worden gebruikt in het criminele circuit. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de luchthaven Schiphol niet zelden wordt gebruikt voor in-, uit- of doorvoer van voorwerpen (waaronder grote contante geldbedragen), die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat dit vermoeden wordt versterkt door het niet melden van de contanten terwijl dit wel verplicht is. Het voorhanden hebben van en in- of uitreizen met grote hoeveelheden contant geld, ingeval het geld op legale wijze is verkregen, is voorts ongebruikelijk vanwege onder meer de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. In dit geval wordt het witwasvermoeden nog versterkt door het hiervoor weergegeven chatverkeer tussen [verdachte] en zijn medeverdachten.

Ook de uitkomsten van de eenvoudige kasopstelling, die in dit geval grote discrepanties vertonen tussen de contante uitgaven en contante legale inkomsten, rechtvaardigen een witwasvermoeden.

Gelet op dit witwasvermoeden mag van verdachte worden verwacht dat hij een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft.

Verklaring verdachte [verdachte]

Ten aanzien van de contante stortingen van in totaal € 312.595,-- op zijn privérekening en de bankrekening van zijn onderneming [bedrijf 3] heeft verdachte ter zitting verklaard dat deze gelden opbrengsten betroffen van zijn kapperswerkzaamheden.

Over de girale betalingen op zijn privérekening en de bankrekening van [bedrijf 3] vanuit China heeft verdachte ter zitting verklaard dat dit salaris betrof van zijn werkzaamheden als voetbalscout/voetbalmakelaar bij [bedrijf 1] . Voornoemde geschriften DOC-232, DOC-233 en DOC-234 zijn allemaal in dat (rechtmatige) kader opgesteld en komen dus overeen met de werkelijkheid. Omdat medeverdachte [medeverdachte] contact onderhield met [naam 1] , heeft [medeverdachte] zorg gedragen voor het opmaken van deze geschriften. De werkwijze voor de scoutingswerkzaamheden was zo dat [verdachte] overleg voerde met en rapporteerde aan [medeverdachte] . Hiervan werden handgeschreven aantekeningen gemaakt. .

Van het contante geldbedrag van € 50.000,--, dat is aangetroffen in een kluis bij [bedrijf 4] op naam [naam 2] , had verdachte geen wetenschap en ook geen toegang. Bij de aankoop en financiering van het appartement aan de [adres 1] is hij in het geheel niet betrokken geweest.  (Voetnoot 67)

Toetsing van de verklaring van verdachte

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verklaring van verdachte het vermoeden van witwassen niet weerlegd, omdat die verklaring niet concreet, niet min of meer verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Naar de contante stortingen in relatie tot opbrengsten uit kapperswerkzaamheden heeft de FIOD onderzoek verricht. Zoals hiervoor onder het kopje ‘legaal inkomen [verdachte] ’ al is benoemd, is niet is gebleken dat de onderneming daadwerkelijk actief is geweest en na analyse van de bankrekeningen is vastgesteld dat geen sprake is geweest van investeringskosten en enige girale inkomsten. Bovendien had voor de hand gelegen omzet van [eenmanszaak] te storten op de bankrekening van [eenmanszaak] met een duidelijke, herleidbare omschrijving. De verklaring van verdachte ter zitting is ontoereikend en op geen enkel wijze onderbouwd met objectiveerbare stukken (zoals een kasboek of jaarstukken van [eenmanszaak] of andersoortige administratie). Verdachte heeft zodoende het witwasvermoeden ten aanzien van de contante stortingen niet weerlegd.

Ten aanzien van de girale overboekingen van € 379.763,-- door [naam 1] aan [verdachte] heeft verdachte het vermoeden van witwassen ook niet weerlegd. Dat [verdachte] (samen met [medeverdachte] ) scoutingswerkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] op grond waarvan rechtmatige betalingen vanuit China hebben plaatsgevonden, heeft verdachte niet nader geconcretiseerd met objectiveerbare stukken (zoals scoutingsrapporten of andere correspondentie). Daarnaast had het voor de hand gelegen dat [verdachte] (rechtsreeks) contact zou onderhouden met en (schriftelijk) rapporteerde aan [bedrijf 1] , maar hiervan is evenmin iets gebleken.

Zoals hiervoor reeds opgemerkt hebben zowel de FIOD als de ING (in haar klantonderzoek) geconstateerd dat middels openbare bronnen niet is te verifiëren dat [medeverdachte] en [verdachte] deel uitmaakten van het scoutingteam van [bedrijf 1] . De rechtbank stelt op grond van voornoemd feitencomplex vast dat de arbeidsovereenkomst van [verdachte] (DOC-232) niet is opgemaakt door [bedrijf 1] , maar door [medeverdachte] en [naam 5] gelet op hun chatgesprek hierover en pas nadat de ING aan [verdachte] om toelichting had gevraagd over de girale overboekingen vanuit China op zijn rekening. Ook de verklaring van [bedrijf 1] over welke rechtspersonen aan haar gelieerd zijn (DOC-234) is pas opgemaakt door [naam 1] na ontvangst van voornoemde brief van de ING, terwijl vast staat dat [naam 1] op dat moment niet meer werkzaam was bij [bedrijf 1] . Voor de salarisspecificaties van [verdachte] (DOC-233) geldt hetzelfde.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 50.000,-- dat was aangetroffen in de kluis op naam [naam 2] , is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte toegang had tot de kluis, wetenschap had van het geld en/of het geld in de kluis heeft geplaatst of laten plaatsen. Uit het dactyloscopisch onderzoek aan de bankbiljetten volgt dat de aangetroffen sporen niet aan verdachte kunnen worden gekoppeld. (Voetnoot 68) De rechtbank zal daarom verdachte van het witwassen van dit geldbedrag vrijspreken.

Ten aanzien van het appartement aan de [adres 2] komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Niet gebleken is dat verdachte betrokken is geweest bij de financiering en/of girale aankoop van deze woning door [medeverdachte] . Daarnaast biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor (permanent dan wel stelselmatig) gebruik van deze woning door [verdachte] . De rechtbank zal daarom verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Geen nader onderzoek door het Openbaar Ministerie

Omdat de verklaring van verdachte - met uitzondering van voornoemd geldbedrag van

€ 50.000,-- en het appartement - onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens bevat die voldoende tegenwicht zouden kunnen bieden tegen het vermoeden van witwassen, hoefde het Openbaar Ministerie buiten hetgeen het al aan onderzoek had gedaan, geen nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de gelden.

Conclusie feit 1 (witwassen)

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het ten laste gelegde geldbedrag, met uitzondering van het bedrag van € 50.000,-- aangetroffen in de kluis, een legale herkomst heeft en kan derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden.

Naar het oordeel van de rechtbank is een witwasconstructie afgesproken met [naam 1] . In dat kader is tenminste tweemaal contant geld door [naam 1] vanuit Europa gesmokkeld naar China. Ook is giraal geld overgeboekt naar China vanaf de bankrekeningen van [medeverdachte] en [naam 5] . Deze girale overboekingen werden veelal voorafgegaan door contante stortingen. Vervolgens is giraal geld (terug)geboekt door [naam 1] - al dan niet via andere Chinese (rechts)personen - aan zowel [medeverdachte] , [verdachte] en [bedrijf 3] . In het kader van dat witwassen zijn valse omschrijvingen vermeld bij de girale overboekingen en zijn voornoemde geschriften (DOC-023, DOC-232, DOC-233 en DOC-234) valselijk opgesteld teneinde de indruk te wekken dat [medeverdachte] en [verdachte] recht hadden op een bonus en/of salaris zogenaamd in het kader van voetbalgerelateerde (scouting)werkzaamheden. Zodra het geld op de bankrekeningen kwam te staan van [medeverdachte] en [verdachte] werd het geld geïnvesteerd in onder meer vastgoed (de aankoop van de [adres 1] ), horeca (aandelen in [bedrijf 8] ), een sportbedrijf ( [bedrijf 9] B.V) en dure horloges. Ten gunste van het witwassen zijn ook de bankrekeningen van [naam 5] en [naam 7] gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit al het voorgaande worden afgeleid dat met betrekking tot de witwasactiviteiten in ieder geval sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] , [verdachte] en [naam 1] zodat het ten laste gelegde medeplegen eveneens wettig en overtuigend bewezen is.

Gelet op de periode en de omvang van het witwassen is de rechtbank tevens van oordeel dat sprake is van een zekere persisterende stelselmatigheid in de door verdachte verrichtte witwashandelingen, zodat het als gewoontewiswassen gekwalificeerd kan worden.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 geldbedragen van in totaal € 732.535,--

(€ 782.535,-- minus € 50.000,--) heeft verworven, voorhanden gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat deze voorwerpen telkens onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enige misdrijf, en dat verdachte en zijn mededaders van het plegen van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Conclusie feit 2 (gebruik maken valse geschriften)

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 september 2019 tot en met 26 januari 2021 tezamen en in vereniging met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van de in de tenlastelegging genoemde valse geschriften. Het opzet van verdachte is gegeven door voornoemde witwasconstructie ten gunste waarvan valse geschriften zijn opgemaakt en waarvan verdachte gebruik van heeft gemaakt door deze geschriften middels zijn toenmalige accountant aan de ING ter beschikking te stellen.

Afwijzing voorwaardelijk verzoek verdediging tot horen getuigen

De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht om het horen van [naam 29] (boekhouder) en diverse klanten die door [verdachte] zouden zijn geknipt en daarbij contant hebben afgerekend (waaronder de personen [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] ). De verdediging heeft gesteld dat deze getuigen kunnen verklaren over de verdiensten van [verdachte] uit kapperswerkzaamheden. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat niet is gebleken dat deze getuigen uit eigen waarneming kunnen verklaren over de specifieke herkomst van de eerder benoemde 67 contante stortingen van in totaal € 312.595,-- op de bankrekeningen van [verdachte] en [bedrijf 3] in de periode januari 2017 tot en met september 2020.

De raadsman heeft verder voorwaardelijk verzocht tot het horen van de getuigen [naam 4] , [naam 17] , [naam 18] , [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 23] , [naam 24] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 1] , [naam 3] en [naam 27] en [naam 28] , omdat deze personen de alternatieve lezing van [verdachte] kunnen bevestigen ten aanzien van de girale overboekingen ad € 379.763, namelijk dat hij daarvoor (scoutings)werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat hiertoe, mede gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven chatgesprekken, geen noodzaak wordt gezien.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 in Nederland, Duitsland, China en/of Hong Kong, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens voorwerpen, bestaande uit meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer EUR 732.523 heeft verworven en voorhanden gehad en hiervan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders telkens wisten, dat deze

voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – (deels) afkomstig waren uit enig

misdrijf en verdachte en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte

hebben gemaakt;

2

hij in de periode van 1 september 2019 tot en met 26 januari 2021 in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse geschriften, te weten:

a. het document ‘ [document] ’ op naam van

[verdachte] ,en

b. het document van ‘ [bedrijf 1] Limited’ d.d. 25 september 2019 en

c. zeven betaalspecificaties van [bedrijf 1] Limited, gericht aan [verdachte] ,

telkens zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig

feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande

dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte,

- de documenten en de betaalspecificaties onder a, b en c hierboven

genoemd ter beschikking heeft laten stellen aan de ING Bank N.V.,

en bestaande die valsheid of die vervalsing hierin dat in strijd met de waarheid:

- in voornoemd document onder a genoemd staat dat:

o [verdachte] vanaf 1 januari 2019 werkzaamheden als scout zou verrichten voor

[bedrijf 1] Limited, en

o [verdachte] een signeerbonus van 200.000 euro zou ontvangen, en

o [verdachte] een vergoeding van 20.000 euro per maand zou ontvangen,

- in voornoemd document onder b genoemd staat dat:

o [bedrijf 2] Limited gelieerd is aan [bedrijf 1] Limited, en

o [verdachte] scout voor [bedrijf 1] Limited en

o [verdachte] voor zijn werkzaamheden als scout elke maand wordt betaald,

- in voornoemde betaalspecificaties onder c telkens genoemd staat dat:

o over het geld dat hij, verdachte, ontvangen heeft, reeds belasting is afgedragen,

terwijl hij en/of zijn mededaders wisten dat die geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in 225 en 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen;

feit 2:

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

5
De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6
De op te leggen straf of maatregel
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn van de strafzaak, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft (subsidiair) verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf eventueel in combinatie met werkstraf en een boete. Verdachte is een first offender en draagt de zorg voor twee minderjarige kinderen.

De raadsman heeft verder verzocht om strafvermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van meerdere jaren (periode 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021) schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen met een totaalbedrag van € 732.535,--. In het kader van dat witwassen heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Deze geschriften waren valselijk opgemaakt om de witgewassen gelden te verdoezelen. De valse geschriften zijn vervolgens door verdachte aan de ING toegezonden kennelijk met de intentie om de bank op een dwaalspoor te zetten. Met zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen beschaamd dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen. De rechtbank acht dit ernstige feiten en neemt dit verdachte kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 15 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte wel eerder veroordeeld is geweest, maar niet voor soortgelijke feiten.

De rechtbank gaat uit van een bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 732.535,--, waar verdachte een gewoonte van heeft gemaakt. Als gevolg van zijn handelen heeft verdachte de overheid, en daarmee de samenleving, benadeeld. In de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor fraude geldt als uitgangspunt bij een benadelingsbedrag tussen de € 500.000,-- tot € 1.000.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 tot 24 maanden.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten (met name de hoogte van het witgewassen bedrag, de duur en stelselmatigheid daarvan) kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Te meer omdat verdachte ook nog heeft getracht zijn strafbare gedrag te verbergen door gebruik te maken van valse stukken met een bewijsbestemming.

Voor bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf zal de rechtbank rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De redelijke termijn van de strafzaak is aangevangen op 26 januari 2021, de dag waarop de woning van verdachte is doorzocht. Deze strafzaak had uiterlijk 26 januari 2023 afgedaan moeten worden. Dit vonnis zal worden gewezen op 12 maart 2026. De redelijke termijn is aldus overschreden met ruim drie jaren en 1 maand. Volgens vaste jurisprudentie is een strafvermindering voor de duur van zes maanden het absolute maximum. (Voetnoot 69)

Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank als uitgangspunt hanteren: gelijke monniken, gelijke kappen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] gelet op voornoemd feitencomplex een evenredige rol vervuld. Zij hebben allebei een substantiële bijdrage geleverd aan de strafbare gedragingen op basis van een gelijkwaardige duurzame vriendschap. Dat op bankrekeningen zichtbaar meer contante geldbedragen via de medeverdachte zijn witgewassen dan via die rekeningen van [verdachte] , betekent niet noodzakelijkerwijs dat verdachte een groter aandeel in de witwashandelingen had. Verdachten hebben over hun onderlinge samenwerking en verhouding ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten niet willen verklaren, zodat de rechtbank uitgaat dat beiden een gelijk belang genoten van en een gelijk aandeel hadden in de bewezen verklaarde feiten.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De strafvermindering vanwege de overschrijding van de redelijke termijn is hierin verdisconteerd. Zonder overschrijding van deze termijn zou de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden zijn gekomen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

6.4

De in beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd dat het contante geldbedrag van € 50.000,-- (afkomstig uit de kluis op naam van [naam 2] aangeduid als voorwerpen 5 t/m 12 op de beslaglijst)) verbeurd verklaard moet worden.

Ten aanzien de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken] (nummer 1 op de beslaglijst) heeft de officier van justitie opheffing van het beslag gevorderd en met betrekking tot de ordner met administratieve documenten (voorwerp 15 op de beslaglijst) heeft zij de teruggave aan verdachte gevorderd.

De raadsman heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten van het op de beslaglijst vermelde geldbedrag van € 50.000,--, nu op dit moment niet duidelijk is wie als zodanig kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de in beslag genomen auto (Audi, [kenteken] ) al is verkocht en dat er enkel nog conservatoir beslag op de opbrengst rust. Omdat het strafrechtelijke beslag op de opbrengst is opgeheven, kan de rechtbank niet meer beslissen over dit beslag. De officier van justitie is niet ontvankelijk in haar vordering tot opheffing van het strafrechtelijke beslag omdat dat kennelijk al is opgeheven. De verdachte is niet ontvankelijk in zijn verzoek om teruggave, omdat er geen strafrechtelijk beslag meer op rust, maar enkel conservatoir beslag.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de ordner met administratie

aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 Sr.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen;

feit 2:

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de in beslag genomen voorwerpen

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van het in beslag genomen geldbedrag van € 50.000 (afkomstig uit de kluis op naam van [naam 2] aangeduid als voorwerpen 5 t/m 12 op de beslaglijst);

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken] (nummer 1 op de beslaglijst);

- verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn vordering met betrekking tot de teruggave van de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken] (nummer 1 op de beslaglijst)

- gelast de teruggave van de ordner met administratieve documenten (nummer 15 op de beslaglijst) aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Ten Boer, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/ Belastingdienst met nummer 65368 (onderzoek [medeverdachte] ). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van bevindingen, algemeen dossier, pagina’s 30, 49 en 50 en genummerd als AD-001.

Voetnoot 3

Hof Amsterdam 11 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481 en Hoge Raad 18 december 2018,

ECLI:NL:HR:2018:2352.

Voetnoot 4

Een geschrift, zijnde het uittreksel uit de Kamer van Koophandel van [eenmanszaak] , pagina’s 2944-2945 en genummerd als DOC-050.

Voetnoot 5

Het proces-verbaal inkomsten [verdachte] , pagina 694, en genummerd als AMB-069.

Voetnoot 6

Het proces-verbaal inkomsten [verdachte] , pagina’s 697-698, en genummerd als AMB-069.

Voetnoot 7

Een geschrift, zijnde het uittreksel uit de Kamer van Koophandel van [bedrijf 3] B.V., pagina’s 2914 en genummerd als DOC-038.

Voetnoot 8

Het proces-verbaal van bevindingen financiële bankanalyse [verdachte] , pagina 416 (onder 6) en genummerd als AMB-020a.

Voetnoot 9

Het proces-verbaal inkomsten [verdachte] , pagina 694, en genummerd als AMB-069.

Voetnoot 10

Het proces-verbaal van bevindingen contant geld [bedrijf 4] [vestigingsplaats] , pagina 644, genummerd als AMB-058.

Voetnoot 11

Het proces-verbaal van bevindingen aangiften Inkomstenbelasting 2019 & 2020 en

aangiften omzetbelasting 2021 op naam van [naam 2] , los nagezonden, genummerd als AMB-073.

Voetnoot 12

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina’s 558-559 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 13

Zaaksdossier 1 witwassen, pagina 107.

Voetnoot 14

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina’s 577 t/m 579 genummerd als AMB-048 en een geschrift zijnde een document gedateerd 30 september 2019 van [bedrijf 1] ‘to whom it may concern’, pagina 3237, genummerd als DOC-252.

Voetnoot 15

Zaaksdossier 1 witwassen, pagina’s 120-121.

Voetnoot 16

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 560, genummerd als AMB-048.

Voetnoot 17

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 563 genummerd als AMB-048.

Voetnoot 18

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina’s 563-564 genummerd als AMB-048.

Voetnoot 19

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina’s 564 genummerd als AMB-048.

Voetnoot 20

Zaaksdossier 2, pagina 143

Voetnoot 21

Een geschift, zijnde ‘Certificate’ van ‘ [bedrijf 1] , Ltd’, pagina 2866, genummerd als DOC-023.

Voetnoot 22

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 588-590 genummerd als AMB-048.

Voetnoot 23

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 590 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 24

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 590-591 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 25

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 591-592 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 26

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 605-608 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 27

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 592-593 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 28

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 593 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 29

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 593-595 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 30

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 595 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 31

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 595-596 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 32

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 405, genummerd als AMB-018.

Voetnoot 33

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 596-597 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 34

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 597 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 35

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 597-598 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 36

Een geschrift, zijnde een brief van de ING Bank N.V. van 13 september 2019, pagina’s 4038-4041, genummerd als DOC-231.

Voetnoot 37

Zaaksdossier 2, pagina 141.

Voetnoot 38

Zaaksdossier 2, pagina 145.

Voetnoot 39

Zaaksdossier 2, pagina 151.

Voetnoot 40

Een geschrift zijnde ‘ [document] ’, pagina’s 4042 t/m 4046, genummerd als DOC-232.

Voetnoot 41

Zaaksdossier 2, pagina 140.

Voetnoot 42

Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 27 januari 2021 , pagina’s 240 en 241.

Voetnoot 43

Een geschrift, zijnde WhatsAppcorrespondentie tussen [medeverdachte] en [naam 5] , pagina 3532, genummerd als DOC-126.

Voetnoot 44

Een geschrift, zijnde een document van [bedrijf 1] Limited, pagina 4054, genummerd als DOC-234.

Voetnoot 45

Zaaksdossier 2, pagina 145.

Voetnoot 46

Een geschrift, zijnde chatberichten tussen [medeverdachte] en [naam 1] , pagina’s 2447 en 2448, genummerd als DOC-016a.

Voetnoot 47

Zaaksdossier 2, pagina 149-150.

Voetnoot 48

Een geschrift, zijnde een brief van de ING Bank N.V. van 13 september 2019, pagina 4039, genummerd als DOC-231.

Voetnoot 49

Een geschift, omschreven als ‘Inhoud dossier [verdachte] [rekeningnummer 1] van de ING’, pagina 4118, genummerd als DOC-248.

Voetnoot 50

Zaaksdossier 2, pagina 149.

Voetnoot 51

Geschriften, zijnde zeven betaalspecificaties van [bedrijf 1] gericht aan [verdachte] , pagina’s 4047-4053 en genummerd als DOC-233.

Voetnoot 52

Zaaksdossier 2, pagina’s 151-152 en een geschrift, zijnde Signalberichten tussen [medeverdachte] en [naam 1] , pagina’s 3891 en 3905, genummerd als DOC-135.

Voetnoot 53

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 589-599 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 54

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 602 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 55

Het proces-verbaal van bevindingen inzake aankoop woning [adres 1] , pagina’s 521-522, genummerd als AMB-043.

Voetnoot 56

Het proces-verbaal van bevindingen inzake aankoop woning [adres 1] , pagina 522, genummerd als AMB-043.

Voetnoot 57

Het proces-verbaal van bevindingen inzake aankoop woning [adres 1] , pagina 522, genummerd als AMB-043.

Voetnoot 58

Het proces-verbaal van bevindingen witwassen in horecazaak [bedrijf 8] door [verdachte] , pagina’s 524-525, genummerd als AMB-044.

Voetnoot 59

Het proces-verbaal van bevindingen witwassen in horecazaak [bedrijf 8] door [verdachte] , pagina 525, genummerd als AMB-044.

Voetnoot 60

Het proces-verbaal van bevindingen witwassen in horecazaak [bedrijf 8] door [verdachte] , pagina 526, genummerd als AMB-044.

Voetnoot 61

Het proces-verbaal van bevindingen witwasconstructie, pagina 605-608 en genummerd als AMB-048.

Voetnoot 62

Het proces-verbaal van bevindingen witwassen in horecazaak [bedrijf 8] door [verdachte] , pagina 526, genummerd als AMB-044.

Voetnoot 63

Het proces-verbaal van bevindingen witwassen in horecazaak [bedrijf 8] door [verdachte] , pagina 528, genummerd als AMB-044.

Voetnoot 64

Het proces-verbaal van bevindingen inzake inkoop aandelen [bedrijf 9] , pagina 532, genummerd als AMB-045.

Voetnoot 65

Het proces-verbaal van bevindingen inzake inkoop aandelen [bedrijf 9] , pagina 533, genummerd als AMB-045

Voetnoot 66

Het rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel [verdachte] , pagina 7 (los nagezonden).

Voetnoot 67

De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 12 februari 2016.

Voetnoot 68

Het algemeen dossier inzake verdachte [naam 2] , genummerd als AD-002, met als bijlage 2 het proces-verbaal van bevindingen forensisch onderzoek/dactyloscopisch onderzoek aan bankbiljetten en documenten, genummerd als AMB-056, pagina 4 en 5 (los nagezonden).

Voetnoot 69

Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.