- een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer EUR 782.535, althans enig
- een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal ongeveer EUR 782.535, althans enig
a. het document ‘ [document] ’ op naam van
b. het document van ‘ [bedrijf 1] Limited’ d.d. 25 september 2019, (DOC-234)
c. zeven, althans een of meerdere, betaalspecificatie(s), althans document(en), van
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Overweging vooraf: vormverzuim onderzoek telefoon (Landeck)
De aanleiding van het onderzoek van de FIOD was de hiervoor benoemde aanhouding van verdachte [medeverdachte] op 13 november 2019 op Schiphol. Het geld werd in beslag genomen en de FIOD heeft vervolgens onderzoek verricht naar de herkomst van het contante geld en de financiële positie van [medeverdachte] . De FIOD heeft in het vervolgonderzoek, dan mede gericht was op verdachte [verdachte] diverse gegevensdragers, waaronder de telefoon van [verdachte] , onderzocht. Op die telefoon is veel relevante informatie aangetroffen zoals chatgesprekken met medeverdachten en enkele geschriften.
De raadsman heeft aangevoerd dat de politie ten onrechte zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris (hierna [afkorting 2] ) onderzoek heeft gedaan aan de telefoon van [verdachte] . Daardoor is de persoonlijke levenssfeer van hem geschonden. Dit vormverzuim dient volgens de raadsman te leiden tot bewijsuitsluiting van alle informatie die op de telefoon is aangetroffen.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Indien onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt, is voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie of onafhankelijk bestuursorgaan vereist (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830, in de zaak ‘Landeck’). Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en andere gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan in beslag genomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist (zie het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409).
Hoewel in deze zaak niet de gehele telefoon van verdachte is onderzocht, maar gericht onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van de verdenking witwassen, is het onderzoek naar gebruikersgegevens, documenten en chatgespreksgeschiedenis zo breed geweest dat naar het oordeel van de rechtbank een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist was. Deze toetsing is achterwege gebleven en dit levert een onherstelbaar vormverzuim op.
De rechtbank zal evenwel volstaan met de vaststelling van dit vormverzuim en dus daaraan geen rechtsgevolg verbinden. Daarbij is van belang dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Bovendien zou een rechter-commissaris – indien om toestemming zou zijn gevraagd voor onderzoek aan de telefoon zoals dat heeft plaatsgevonden- naar redelijke verwachting die toestemming zonder nadere beperkingen hebben gegeven. De verdachte is derhalve door het vormverzuim niet in relevante mate in zijn belangen geschaad. De verkregen gegevens uit de telefoon van verdachte zijn bruikbaar voor het bewijs.
Feit 1 (witwassen) en feit 2 (gebruik maken valse geschriften)
De feiten 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijk bespreking waarbij de rechtbank, na het juridische kader, de relevante feiten en omstandigheden zo veel als mogelijk in chronologische volgorde in de tijd zal bespreken.
Juridisch kader witwassen
Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat de geldbedragen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft afkomstig zijn van enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
In het onderhavige FIOD-onderzoek is geen direct bewijs voorhanden voor een gronddelict waaruit criminele herkomst van het contante geld kan blijken.
De zittingsrechter dient in dat geval bij de toetsing de volgende stappen te doorlopen.
Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.
Indien deze omstandigheid zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen.
Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. (Voetnoot 3)
Het onderhavige verwijt zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.
Door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden
De FIOD heeft onderzoek verricht naar de herkomst van het contante geld dat [medeverdachte] tijdens zijn aanhouding op Schiphol in zijn bezit had en naar de algehele financiële situatie van [medeverdachte] en [verdachte] . De legale inkomens van [medeverdachte] en [verdachte] zijn daarbij in beeld gebracht en diverse bankrekeningen zijn geanalyseerd. De bevindingen van de FIOD ten aanzien van verdachte [verdachte] zijn als volgt.
Legaal inkomen [verdachte]
In de ten laste gelegde periode (januari 2017 tot en met januari 2021) was [verdachte] gelieerd aan de ondernemingen [eenmanszaak] en [bedrijf 3] B.V.
[eenmanszaak] (hierna [eenmanszaak] ) betrof een eenmanszaak en is op 20 juli 2017 opgericht en op 1 november 2019 opgeheven. Deze onderneming richtte zich op het knippen, trimmen en/of scheren van hoofd- en gezichtshaar van mannen op locatie van de klant. (Voetnoot 4)
Volgens informatie van de Belastingdienst bedroeg de belastbare omzet van [eenmanszaak] over 2017 € 50.367,--, over 2018 € 58.483,-- en over 2019 € 5.800,--. (Voetnoot 5) De FIOD acht dit inkomen ongeloofwaardig, onder meer omdat verdachte geen kappersopleiding heeft genoten, uit openbare bronnen onderzoek niet is gebleken dat de onderneming actief is geweest, na analyse van de bankrekeningen is vastgesteld dat geen sprake is geweest van investeringskosten en er geen girale inkomsten zijn geweest. (Voetnoot 6)
[bedrijf 3] B.V. (hierna [bedrijf 3] ) is op 7 december 2015 opgericht met [verdachte] als enig aandeelhouder en bestuurder. Deze onderneming richt zich volgens haar doelomschrijving op het begeleiden van profvoetballers in hun loopbaan als geregistreerd KNVB-intermediair, het adviseren van profvoetballers, alsmede het voeren van contractonderhandelingen voor profvoetballers en participeren in andere ondernemingen. (Voetnoot 7)
Contante stortingen op bankrekeningen van [verdachte]
De FIOD heeft de bankrekeningen van [verdachte] uitvoerig onderzocht en geanalyseerd. [verdachte] had - voor zover nu relevant - in Nederland twee bankrekeningen bij de ING Bank N.V. (verder ING) te weten ING Betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] en ING Zakelijke Rekening met nummer [rekeningnummer 2] . De zakelijke bankrekening van [bedrijf 3] heeft nummer [rekeningnummer 3] .
Op voornoemde bankrekeningen van [verdachte] en [bedrijf 3] is in de periode januari 2017 tot en met september 2020, middels 67 stortingen, in totaal € 312.595,-- contant gestort. Het gemiddelde per contante storting bedroeg € 4.665,-- en de hoogste contante storting bedroeg € 9.250. (Voetnoot 8) In 2017 is € 122.190,-- gestort, in 2018 € 110.220,--, in 2019 € 67.865,-- en in 2020 € 12.320,--. (Voetnoot 9)
Contant geld in de kluis op naam van [naam 2]
Op 26 januari 2021 is door de FIOD in [bedrijf 4] in [vestigingsplaats] een contant geldbedrag van € 50.000,-- aangetroffen in een kluis op naam van [naam 2] , zijnde de partner van [verdachte] . (Voetnoot 10) Uit gegevens van de Belastingdienst volgt een negatief inkomen van [naam 2] van € 40.545,-. Het aangetroffen geldbedrag kan dus niet worden verklaard aan de hand van haar ingediende fiscale aangiften. (Voetnoot 11)
Overzicht girale geldstromen van en naar China in 2018, 2019 en 2020
[verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] ontving over de jaren 2017, 2018 en 2019, aanzienlijke girale geldbedragen vanuit China van buitenlandse (rechts)personen. Het gaat hierbij om de volgende geldstromen (Voetnoot 12):
[afbeelding]
[afbeelding]
Girale betalingen aan [medeverdachte] en [verdachte]
Uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen kan worden afgeleid dat totaal
€ 730.000,-- giraal is overgemaakt naar [medeverdachte] en [verdachte] . Van dat bedrag is (afgerond) totaal € 379.763,-- overgemaakt naar [verdachte] (afkorting [afkorting 1] in voornoemd overzicht) en/of zijn onderneming [bedrijf 3] . Een bedrag van totaal € 349.716,-- is overgemaakt naar [medeverdachte] (afkorting [afkorting 2] in voornoemd overzicht).
Betrokkenheid [naam 1] en andere buitenlandse (rechts)personen
[medeverdachte] heeft [naam 1] ontmoet in 2016 of 2017 toen [medeverdachte] één seizoen (tot 14 november 2017) voetbalde voor [bedrijf 1] in China. [naam 1] was destijds bestuursvoorzitter van [bedrijf 1] . (Voetnoot 13) Uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen is af te leiden dat [naam 1] rechtstreeks gelden heeft overgemaakt aan [medeverdachte] , [verdachte] en [bedrijf 3] .
[naam 1] maakte daarnaast gebruik van bankrekeningen op naam van andere (Chinese) entiteiten. Dit kan worden afgeleid uit chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [naam 1] . Zo vraagt [medeverdachte] in september 2019 aan [naam 1] om een document waaruit blijkt dat de andere buitenlandse (rechts)personen een relatie hebben met [bedrijf 1] . [medeverdachte] schrijft op 20 september 2019 [naam 1] : “the ask [verdachte] what is his relationship whit [bedrijf 2]”. [naam 1] antwoordt op 22 september 2019 dat [bedrijf 2] een handelsbedrijf is van een vriend van hem en stuurt [medeverdachte] op 2 oktober 2019 een PDF-bestand met de naam ‘ [bestandsnaam] ’. In dit document wordt verklaard dat de volgende entiteiten gelieerd zijn aan [bedrijf 1] : [bedrijf 2] Limited, [bedrijf 5] Limited, [bedrijf 6] Limited, [bedrijf 7] . (Voetnoot 14)
Ten aanzien van de betalingen van een persoon aangeduid als [naam 3] blijkt uit chatgesprekken dat [naam 1] ook hierbij betrokken is. Zo werd op 26 maart 2019 een bedrag van € 99.970,-- door [naam 3] overgemaakt aan [verdachte] nadat [medeverdachte] op 25 maart 2019 aan [naam 1] had gevraagd “Could you send 100 already to [verdachte] “ en “150 tot [verdachte] en 50 to me if that’s possible this week would be perfect.” (Voetnoot 15)Verder bevestigd [naam 1] middels signalchats op 8 mei 2019 en op 9 augustus 2019 dat hij (met behulp van een manager van een bank in Hong Kong) € 20.000,-- heeft overgemaakt naar [medeverdachte] .
Februari 2018: afspreken witwasconstructie met [naam 1]
In februari 2018, voorafgaand aan de start van voornoemde girale betalingen, hebben [medeverdachte] en [naam 1] via Whatsapp afspraken met elkaar gemaakt over het witwassen van geld. Zo schrijft [medeverdachte] op 1 februari 2018 onder meer “I need a paper that club pay me bonus for around 200.000. Because in Holland I can not put cash in bank like this (…)” en “When you come europe? The best would be i give you 200.000 cash you transfer tot my bank in Europe.” en “I Will give you some money. Also for this service.” en “Check for me please. Will help me safe alot of money” (Voetnoot 16) en “Because Holland is Crazy they take 52 procent tax”. (Voetnoot 17) schrijft op diezelfde dag terug “Yes Holland is Crazy” en “I will help you to do the tax avoidance”. (Voetnoot 18)Op 15 februari 2018 spreken [medeverdachte] en [naam 1] via de chat af dat [naam 1] een provisie van 10 % ontvangt voor elke transfer. [medeverdachte] schrijft aan [naam 1] “Yes we Will agree 10 procent of evry Amount you transfer” waarop [naam 1] antwoordt “OK, that is great.” (Voetnoot 19)
Februari 2018: opmaken (vals) geschrift met betrekking tot bonus [medeverdachte] (DOC-023)
In aansluiting op de afgesproken witwasconstructie stuurt [naam 1] gelijk, op 1 februari 2018, aan [medeverdachte] via WeChat een PDF-document, welke document is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte] . (Voetnoot 20) Dit document betreft een certificaat van [bedrijf 1] en is gedateerd op 30 januari 2018 en benoemt dat € 200.000 netto is overgemaakt aan [medeverdachte] vanwege voorkoming van degradatie van [bedrijf 1] . Het document benoemt verder dat belasting hierover is voldaan conform Chinees recht. (Voetnoot 21)
Contante geldsmokkel in maart 2018 en in juni 2019
Naast girale transacties van en naar China behoorde ook contante geldsmokkel tot de witwasconstructie. De rechtbank leidt uit het dossier af dat minimaal tweemaal contant geld is gesmokkeld door [naam 1] van Nederland naar China. De eerste geldsmokkel vond plaats in maart 2018, zo volgt uit chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [naam 1] . Uit de berichten van 2, 5 en 6 maart 2018 volgt dat [naam 1] met zijn vrouw naar Europa komt en dat er overleg gevoerd wordt over de hoeveelheid geld dat [naam 1] gaat meenemen, waarbij [medeverdachte] schrijft dat het beter is om eerst 100 te doen of misschien toch 200. (Voetnoot 22) Op 8 en 9 maart 2018 volgen berichten waaruit is af te leiden dat [medeverdachte] een hotel in Amsterdam heeft geboekt voor [naam 1] en dat [naam 1] in Parijs zal aankomen. (Voetnoot 23) Op 14 en 15 maart 2018 volgen berichten waaruit is op te maken dat [naam 1] en [medeverdachte] elkaar treffen in het hotel. (Voetnoot 24) Op 16 maart 2018 volgen berichten waaruit is af te leiden dat [naam 1] in goede orde is gearriveerd in Hong Kong en dat hij het geld verspreid had verstopt in zijn bagage, zoals in de zakken van kleding. (Voetnoot 25) Vervolgens vangen in maart en april 2018 de eerste girale betalingen aan van [naam 1] aan [medeverdachte] en [bedrijf 3] , zoals kan worden afgeleid uit voor voorgaand overzicht van de girale geldstromen.
Een jaar later, in maart 2019 en voorafgaande aan de tweede geldsmokkel, hebben [medeverdachte] en [verdachte] het plan opgevat om te investeren in horeca en sportschool. Uit de chatberichten kan worden afgeleid dat hiervoor geld nodig was op welke wijze dit geregeld kon worden. Op 24 maart 2019 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] “Nu 200 liefst 250 China|”. Op 27 maart 2019 stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Ik ga alles via China sturen je hebt 2 jaar ik laat verlengen 1 jaar extra. Dan heb je alles op privé. Dan kan je gewoon bewegen hoe jij wilt. Dan heb je privé meer dan 1.5”. (Voetnoot 26)
De tweede smokkel van contant geld vond vervolgens plaats in juni 2019. Op 1 juni 2019 stuurde [naam 1] aan [medeverdachte] een bericht “have you prepared cash”, waarop [medeverdachte] ja antwoordt en zegt dat het tenminste 200 zal zijn en misschien meer. (Voetnoot 27) Tussen 10 en 16 juni 2019 volgt een chatgesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] , waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] het geld moet verzorgen. Zo schrijft [medeverdachte] op 10 juni 2019 aan [verdachte] : “..(..) Dus als je ready bent kan hij volgende gedeelte ook nu meenemen (…) Dus lett me know wat je wil sturen”. [verdachte] antwoordt hierop dat hij dat even moet bekijken en dat hij ‘niet goed in de pap’ zit. (Voetnoot 28) Op 12 en 16 juni 2019 wordt het gesprek hervat en voeren [medeverdachte] en [verdachte] overleg over de hoeveelheid geld en in welke coupures (niet te klein, zo veel mogelijk paars). (Voetnoot 29) Op 18 juni 2019 stuur [medeverdachte] een bericht en foto (van hemzelf en vermoedelijke [naam 1] ) met de tekst “Chi afgerond” en “we kunnen next year weer verlengen hoorde ik net al”. (Voetnoot 30)Op 19 juni 2019 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte] wanneer die 50 komt en wanneer maandelijks, dat het nog niet binnen is en dat hij het broodnodig heeft. (Voetnoot 31) Uit vluchtgegevens blijkt dat [naam 1] op 20 juni 2019 van Amsterdam naar Hong Kong is gereisd. (Voetnoot 32) Op die dag vraagt [medeverdachte] in een chat aan [naam 1] of hij veilig is geland en die dag ‘the 50 for [verdachte] ’ kan overmaken. [naam 1] antwoordt hierop dat hij net is geland en later naar de bank zal gaan. (Voetnoot 33) Op 24 juni 2019 stuurt [verdachte] een bericht aan [medeverdachte] dat hij het geld nog niet heeft ontvangen. Op 25 juni 2019 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] ‘is binnen’. (Voetnoot 34) Uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen kan worden opgemaakt dat op 25 juni 2019 een bedrag van € 49.968,-- is overgemaakt aan [verdachte] door de rechtspersoon [bedrijf 2] Limited. De maanden daarna volgen nog meer betalingen aan [medeverdachte] en [verdachte] .
In augustus 2019 wordt in een signalchat tussen [medeverdachte] en [naam 1] bevestigd dat voornoemde geldsmokkels hebben plaatsgevonden. Op 11 augustus 2019 schrijft [medeverdachte] aan [naam 1] “2 time you com to Holland. First time 100 second time 200. 1 time is March 2018. Whit your wifey.” Hierop reageert [naam 1] met “yes. You give me 100 in March 2018.” (Voetnoot 35)
September 2019: vragen vanuit ING aan [verdachte] over geldstromen
Per brief van 13 september 2019 heeft de ING in het kader van de Wet ter voorkoming van Witwassen en financiering van terrorisme aan [verdachte] om opheldering had gevraagd over bepaalde betalingen van onder meer [naam 3] , [naam 1] en [bedrijf 2] Limited op zijn bankrekening [rekeningnummer 1] . (Voetnoot 36)
Oktober 2019: opmaken en insturen van (valse) geschriften aan ING
Op 7 oktober 2019 is namens [verdachte] door zijn toenmalige accountant [naam 4] per e-mail gereageerd op de vragenbrief van de ING en zijn ter onderbouwing onder meer de volgende geschriften meegezonden:
- het document ‘ [document] ’ (DOC-232) (Voetnoot 37);
- het document van ‘ [bedrijf 1] Limited’ d.d. 25 september 2019 (DOC-234) (Voetnoot 38);
- betaalspecificaties van [bedrijf 1] Limited gericht aan [verdachte] (DOC-233). (Voetnoot 39)
? Ten aanzien van geschrift DOC-232
Dit geschrift ziet op een voetbalscoutingscontract tussen de Chinese voetbalclub [bedrijf 1] en [verdachte] en is gedateerd op 30 januari 2018 en voorzien van handtekeningen. Het contract heeft betrekking op de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020. Volgens dit contract heeft [verdachte] recht op € 200.000,-- tekengeld en een salaris van € 20.000,-- per maand. (Voetnoot 40) Op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] is een ongetekend exemplaar van dit contract aangetroffen. (Voetnoot 41)
[verdachte] heeft over dit document tegenover de FIOD verklaard dat hij dit contract heeft ondertekend, maar dat het door medeverdachte [medeverdachte] is geregeld. (Voetnoot 42)
Uit Whatsapp-berichten van 16 oktober 2019 tussen [medeverdachte] en diens neef [naam 5] volgt dat [medeverdachte] aan [naam 5] vraagt om een ‘scouting report’ op te maken voor ‘Owtje’ waarbij ‘de datum moet worden teruggezet’ en waarbij [medeverdachte] nog de opmerking maakt ‘Owtje is scout die nooit scout haha’. (Voetnoot 43)
? Ten aanzien van geschrift DOC-234
Dit geschrift betreft een verklaring van de Chinese voetbalclub [bedrijf 1] inhoudende dat [bedrijf 2] Limited is gelieerd aan [bedrijf 1] . Het geschrift is gedateerd 25 september 2019. (Voetnoot 44)
Een kopie van dit geschrift is aangetroffen op de mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte] . (Voetnoot 45)
Dit geschrift is op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] door [naam 1] opgesteld, zo volgt uit chatgesprekken. Op 20 september 2019 (dus zeven dagen na voornoemde vragenbrief van de ING) schrijft [medeverdachte] aan [naam 1] : “the ask [verdachte] what is his relationship whit [bedrijf 2]”. [medeverdachte] vraagt vervolgens aan [naam 1] om daar een document voor te maken. Op 25 september 2019 stuurt [naam 1] een eerste en daarna een definitieve versie aan [medeverdachte] . [naam 1] zegt in de chat dat [bedrijf 2] Limited een handelsonderneming is van een vriend van hem. (Voetnoot 46)
Voor wat betreft DOC-234 zij nog opgemerkt dat uit een Wechat-gesprek tussen [medeverdachte] en [naam 1] op 20 maart 2019 kan worden afgeleid dat [naam 1] niet meer werkzaam was voor de voetbalclub [bedrijf 1] . (Voetnoot 47)
Op de vraag van de ING welke goederen, diensten of andere tegenprestaties door [verdachte] zijn geleverd voor het ontvangen bedrag van € 50.000,- op 25 juni 2019 van [bedrijf 2] Limited is als antwoord geschreven dat [verdachte] als voetbalscout werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] en dat [bedrijf 2] Limited aan [bedrijf 1] is gelieerd. (Voetnoot 48)
De ING heeft in haar klantonderzoek geconstateerd dat middels openbare bronnen niet is te verifiëren dat medeverdachte [medeverdachte] en [verdachte] deel uitmaken van het scoutingteam van [bedrijf 1] . Zowel [medeverdachte] als [verdachte] zijn vrijwel altijd in Nederland of Europa gezien het bij de ING bekende rekeningverloop. De ING heeft verder geconstateerd dat evenmin aan de hand van openbare bronnen is te verifiëren dat [bedrijf 2] Limited aan [bedrijf 1] kan worden gerelateerd. (Voetnoot 49) Ook uit het open bronnen onderzoek van de FIOD volgt dat de entiteit [bedrijf 2] Limited niet kan worden gevonden en/of gelinkt aan [bedrijf 1] . (Voetnoot 50)
? Ten aanzien van de geschriften DOC-233
Deze zeven betaalspecificaties zien op uitbetaling van salaris aan [verdachte] (als werknemer) van de Chinese voetbalclub [bedrijf 1] (als werkgever) over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 juli 2019. (Voetnoot 51) De FIOD heeft op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] een Signalchat aangetroffen tussen [medeverdachte] en [naam 1] waarin [medeverdachte] op 21 augustus 2019 aan [naam 1] vraagt om een document waaruit blijkt dat [verdachte] reeds belasting heeft voldaan over het geld dat hij heeft ontvangen. Op 29 augustus 2019 ontvangt [medeverdachte] vervolgens een PDF-bestand met voornoemde zeven betaalspecificaties. (Voetnoot 52)
November 2019: mislukte geldsmokkel van [medeverdachte]
Zoals hiervoor benoemd, is [medeverdachte] op 13 november 2019 op Schiphol aangehouden met contante geldbedragen van € 139.570,-- en HKD 2.000,--.
Voorafgaande aan deze aanhouding hebben [medeverdachte] en [naam 1] diverse chatconversaties gehad over geldsmokkel naar Hongkong. Zo bericht [medeverdachte] op 15 september 2019 aan [naam 1] “I Will bring another 200 are 300” en op 27 september 2019 “I must take as much as i can Because we must pay 20 also to [verdachte] also. And we must have more for the other months”. (Voetnoot 53) Op 15 oktober 2019 geeft [naam 1] aanwijzingen waar het geld het beste kan worden verstopt (niet in ruimbagage, maar in de zakken van een jacket). De Douane trof bij [medeverdachte] inderdaad het geld aan verstopt in kleding in zijn handbagage.
[naam 1] en [medeverdachte] hadden afgesproken elkaar in Hong Kong te ontmoeten om vervolgens naar de bank te gaan en contant geld te storten. Dit ging – aldus de FIOD - uiteindelijk niet door omdat [medeverdachte] op Schiphol werd aangehouden. (Voetnoot 54)
Na de aanhouding van [medeverdachte] in november 2019 hebben geen girale overboekingen meer plaatsgevonden. Zoals uit voornoemd overzicht van de girale geldstromen kan worden afgeleid, heeft de laatste (girale) overboeking plaatsgevonden in oktober 2019.
Aankoop appartement [adres 1] (april 2018)
De FIOD heeft onderzocht op welke wijze van het verworven geld gebruik is gemaakt.
Hieruit bleek onder meer dat medeverdachte [medeverdachte] in april 2018 een appartement aan de [adres 1] heeft gekocht voor € 300.000,--. De aankoopsom bleek middels de volgende 8 termijnen vanaf drie verschillende bankrekeningen van [medeverdachte] te zijn voldaan aan de notaris (Voetnoot 55):
Uit voornoemd overzicht kan worden afgeleid dat op 5 en 16 april 2018 betalingen zijn gedaan (€ 80.000 en € 24.000) vanaf een ABN AMRO bankrekening van [medeverdachte] . Deze twee betalingen werden op 14 en 15 maart 2018 voorafgegaan door twee ontvangsten vanaf een Duitse bankrekening van [medeverdachte] . Ten aanzien van het saldo op deze Duitse bankrekening is geconstateerd dat deze vooral is gevoed door contante stortingen naast de legale voetbalinkomsten uit China in 2017. Op de ABN AMRO bankrekening zijn vervolgens vijf contante stortingen gedaan op 15 en 16 april 2018 voor een gezamenlijk bedrag van € 23.040,-- en werd op 16 april 2018 € 24.000,-- overgemaakt vanaf de ABN AMRO Bankrekening aan de notaris. (Voetnoot 56)
De vijf betalingen die zijn gedaan vanaf de ING bankrekening van [medeverdachte] , werden voorafgegaan door ontvangsten van [naam 1] . Uit eerder genoemd overzicht van de girale geldstromen is af te leiden dat op 12 en 16 april 2018 respectievelijk € 49.975,-- en
€ 99.970,-- door [naam 1] aan [medeverdachte] werd overgemaakt met omschrijving “Bonus”. Het saldo van de bankrekening bedroeg voorafgaand deze ontvangsten € 290,--. (Voetnoot 57) Uit het onderzoeksdossier heeft de rechtbank verder geen betrokkenheid van [verdachte] vastgesteld.
Aankoop [bedrijf 8] (maart 2019)
Medeverdachte [medeverdachte] en [verdachte] hebben in maart 2018 met elkaar gechat over het investeren in horeca en in een sportschool. Deze investering heeft ook plaatsgevonden. In maart 2019 heeft [verdachte] (samen met [naam 6] ) [bedrijf 8] gekocht en in juni 2019 is [bedrijf 9] B.V. (handelsnaam [bedrijf 9] ) gekocht.
Ten aanzien van [bedrijf 8] zijn vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] de volgende drie betalingen (van totaal € 90.000,--) verricht aan [bedrijf 10] (Voetnoot 58):
Bij de overboeking van € 9.000,-- op 1 maart 2019 stond er nog voldoende saldo op de bankrekening van [bedrijf 3] , omdat op 8 maart 2018 een bedrag van € 79.970 op deze bankrekening was ontvangen van [naam 1] uit China met omschrijving ‘Commission’. Deze laatstgenoemde betaling is terug te vinden in eerdergenoemd overzicht van girale overboekingen van en naar China.
Voor de betalingen aan [bedrijf 10] van € 41.000,-- en 40.000,-- stond voorafgaand te weinig saldo op de bankrekening van [bedrijf 3] . De bankrekening werd op respectievelijk 27 en 28 maart 2019 aangevuld met € 40.000,-- en € 50.000,-- vanaf de privé bankrekening van [verdachte] met het nummer [rekeningnummer 1] telkens met de omschrijving ‘Lening'. Daaraan voorafgaand is op de privé bankrekening van [verdachte] op 26 maart 2019 een bedrag van € 99.970,-- gestort afkomstig van [naam 3] met omschrijving ‘Salary’. Deze laatstgenoemde betaling is eveneens terug te vinden in eerdergenoemd overzicht van girale overboekingen van en naar China. (Voetnoot 59)
Uit chatberichten volgt dat [verdachte] aan [medeverdachte] hiervoor om geld heeft gevraagd en dat [medeverdachte] via [naam 1] geld vanuit China heeft laten overboeken.
Bij chatbericht van 19 maart 2019 schreef [verdachte] aan [medeverdachte] “[bedrijf 3] gaat dat geld onderbrengen bij [bedrijf 11] B.V. als investering en [bedrijf 11] gaat het investeren in andere ondernemingen. In dit geval een gym en restaurant.”
Bij chatbericht van 21 maart 2019 schreef [verdachte] aan [medeverdachte] “100 moet je alvast gooien naar [bedrijf 3] ” en “heb het nodig daar”. (Voetnoot 60)
Op 24 maart 2019 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte] “Nu 200 liefst 250 China|”. Op 27 maart 2019 stuurde [medeverdachte] aan [verdachte] : “Ik ga alles via China sturen je hebt 2 jaar ik laat verlengen 1 jaar extra. Dan heb je alles op privé. Dan kan je gewoon bewegen hoe jij wilt. Dan heb je privé meer dan 1.5”. (Voetnoot 61)
Op 26 maart 2019 stuurde [verdachte] aan [medeverdachte] een betalingsoverzicht van de kosten die hij moet voldoen voor de aankoop van [bedrijf 8] . (Voetnoot 62) Vervolgens vroeg [medeverdachte] nog diezelfde dag aan [naam 1] “Could you send 100 already to [verdachte]”. (Voetnoot 63)Op 26 maart 2019 ontving [verdachte] het bedrag van € 99.970,-- van [naam 3] op zijn privé bankrekening.
Aankoop [bedrijf 9] B.V. (juni 2019)
Sinds 7 juni 2019 is [verdachte] , middels [bedrijf 11] B.V, voor 100%
aandeelhouder van [bedrijf 9] B.V (met handelsnaam [bedrijf 9] ). In totaal heeft [verdachte] hiervoor op 7 juni 2019 € 100.000 betaald aan [bedrijf 12] B.V. door middel van de volgende twee betalingen (Voetnoot 64):
Zoals uit dit overzicht kan worden afgeleid, is € 50.000,-- voldaan vanaf de privé bankrekening van [verdachte] en € 50.000,-- vanaf de bankrekening van [bedrijf 3] .
Ook deze aankoop is gefinancierd met gelden vanuit China. Na voornoemde geldsmokkel in juni 2019 ontving [verdachte] (op zijn privé bankrekening) op 6 juni 2019 € 49.975,00 van [naam 3] en op 25 juni 2019 € 49.967,94 van [bedrijf 2] Limited. Deze twee betalingen zijn terug te vinden in eerder genoemd overzicht van girale overboekingen van en naar China. Aan deze overboekingen zijn de nodige chatgesprekken vooraf gegaan.
Uit het dossier blijkt dat chatberichten tussen [medeverdachte] en [naam 1] in de periode van 28 april 2019 tot 25 juni 2019 zijn gevoerd waaruit - kort samengevat – is af te leiden dat [medeverdachte] op 28 april 2019 aan [naam 1] vroeg om extra geld naar [verdachte] over te maken. [naam 1] antwoordt dat 100 teveel is. [medeverdachte] stuurde vervolgens dat hij maar moet laten weten wat mogelijk is, dat 150 perfect zou zijn en ze het regelen wanneer [naam 1] naar Nederland komt. [medeverdachte] schreef op 14 mei 2019 dat hij [naam 1] een grote bonus zal geven als hij het voor elkaar krijgt minimaal 100 over te maken, dat het urgent is, dat hij het geld een week later terug krijgt en dat ze 300.000 zullen voorbereiden als hij naar Europa komt. Op 19 mei 2019 schreef [medeverdachte] aan [naam 1] dat “brother” 100 moet ontvangen en op 1 juni 2019 liet [medeverdachte] aan [naam 1] weten dat er minimaal 200.000 contant zal klaar liggen voor [naam 1] en dat voor 6 juni 100 betaald moet zijn. Op 25 juni 2019 bevestigde [medeverdachte] dat de tweede € 50.000 is ontvangen. (Voetnoot 65)
De FIOD heeft ten opzichte van [verdachte] een eenvoudige kasopstelling gemaakt, gebaseerd op enkel het contante geld waarover hij heeft kunnen beschikken.
De FIOD heeft in de eenvoudige kasopstelling berekend dat [verdachte] in de onderzoeksperiode (1 januari 2017 tot en met 1 januari 2021) € 782.535,-- meer contant geld heeft uitgegeven dan op basis van legale contante inkomsten mogelijk was. (Voetnoot 66)
Voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder de volgende witwasindicatoren (waaronder witwastypologieën en feiten van algemene bekendheid) van belang.
Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Het is hoogst ongebruikelijk (en daarmee verdacht) om grote hoeveelheden contant geld voorhanden te hebben en/of op bankrekeningen te storten zonder de noodzaak daartoe op grond van beroep of bedrijf.
Ook het aangetroffen contante geldbedrag (€ 139.570,--) bij [medeverdachte] op Schiphol draagt bij aan het vermoeden van witwassen. Het geldbedrag bestond uit coupures van
€ 100, € 200 en € 500 en was verstopt in bagage. Het is een feit van algemene bekendheid dat coupures van € 100 en meer maar zelden in het betalingsverkeer worden gebruikt en dat coupures van € 500 zelfs bijna uitsluitend worden gebruikt in het criminele circuit. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de luchthaven Schiphol niet zelden wordt gebruikt voor in-, uit- of doorvoer van voorwerpen (waaronder grote contante geldbedragen), die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat dit vermoeden wordt versterkt door het niet melden van de contanten terwijl dit wel verplicht is. Het voorhanden hebben van en in- of uitreizen met grote hoeveelheden contant geld, ingeval het geld op legale wijze is verkregen, is voorts ongebruikelijk vanwege onder meer de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. In dit geval wordt het witwasvermoeden nog versterkt door het hiervoor weergegeven chatverkeer tussen [verdachte] en zijn medeverdachten.
Ook de uitkomsten van de eenvoudige kasopstelling, die in dit geval grote discrepanties vertonen tussen de contante uitgaven en contante legale inkomsten, rechtvaardigen een witwasvermoeden.
Gelet op dit witwasvermoeden mag van verdachte worden verwacht dat hij een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft.
Verklaring verdachte [verdachte]
Ten aanzien van de contante stortingen van in totaal € 312.595,-- op zijn privérekening en de bankrekening van zijn onderneming [bedrijf 3] heeft verdachte ter zitting verklaard dat deze gelden opbrengsten betroffen van zijn kapperswerkzaamheden.
Over de girale betalingen op zijn privérekening en de bankrekening van [bedrijf 3] vanuit China heeft verdachte ter zitting verklaard dat dit salaris betrof van zijn werkzaamheden als voetbalscout/voetbalmakelaar bij [bedrijf 1] . Voornoemde geschriften DOC-232, DOC-233 en DOC-234 zijn allemaal in dat (rechtmatige) kader opgesteld en komen dus overeen met de werkelijkheid. Omdat medeverdachte [medeverdachte] contact onderhield met [naam 1] , heeft [medeverdachte] zorg gedragen voor het opmaken van deze geschriften. De werkwijze voor de scoutingswerkzaamheden was zo dat [verdachte] overleg voerde met en rapporteerde aan [medeverdachte] . Hiervan werden handgeschreven aantekeningen gemaakt. .
Van het contante geldbedrag van € 50.000,--, dat is aangetroffen in een kluis bij [bedrijf 4] op naam [naam 2] , had verdachte geen wetenschap en ook geen toegang. Bij de aankoop en financiering van het appartement aan de [adres 1] is hij in het geheel niet betrokken geweest. (Voetnoot 67)
Toetsing van de verklaring van verdachte
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verklaring van verdachte het vermoeden van witwassen niet weerlegd, omdat die verklaring niet concreet, niet min of meer verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Naar de contante stortingen in relatie tot opbrengsten uit kapperswerkzaamheden heeft de FIOD onderzoek verricht. Zoals hiervoor onder het kopje ‘legaal inkomen [verdachte] ’ al is benoemd, is niet is gebleken dat de onderneming daadwerkelijk actief is geweest en na analyse van de bankrekeningen is vastgesteld dat geen sprake is geweest van investeringskosten en enige girale inkomsten. Bovendien had voor de hand gelegen omzet van [eenmanszaak] te storten op de bankrekening van [eenmanszaak] met een duidelijke, herleidbare omschrijving. De verklaring van verdachte ter zitting is ontoereikend en op geen enkel wijze onderbouwd met objectiveerbare stukken (zoals een kasboek of jaarstukken van [eenmanszaak] of andersoortige administratie). Verdachte heeft zodoende het witwasvermoeden ten aanzien van de contante stortingen niet weerlegd.
Ten aanzien van de girale overboekingen van € 379.763,-- door [naam 1] aan [verdachte] heeft verdachte het vermoeden van witwassen ook niet weerlegd. Dat [verdachte] (samen met [medeverdachte] ) scoutingswerkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf 1] op grond waarvan rechtmatige betalingen vanuit China hebben plaatsgevonden, heeft verdachte niet nader geconcretiseerd met objectiveerbare stukken (zoals scoutingsrapporten of andere correspondentie). Daarnaast had het voor de hand gelegen dat [verdachte] (rechtsreeks) contact zou onderhouden met en (schriftelijk) rapporteerde aan [bedrijf 1] , maar hiervan is evenmin iets gebleken.
Zoals hiervoor reeds opgemerkt hebben zowel de FIOD als de ING (in haar klantonderzoek) geconstateerd dat middels openbare bronnen niet is te verifiëren dat [medeverdachte] en [verdachte] deel uitmaakten van het scoutingteam van [bedrijf 1] . De rechtbank stelt op grond van voornoemd feitencomplex vast dat de arbeidsovereenkomst van [verdachte] (DOC-232) niet is opgemaakt door [bedrijf 1] , maar door [medeverdachte] en [naam 5] gelet op hun chatgesprek hierover en pas nadat de ING aan [verdachte] om toelichting had gevraagd over de girale overboekingen vanuit China op zijn rekening. Ook de verklaring van [bedrijf 1] over welke rechtspersonen aan haar gelieerd zijn (DOC-234) is pas opgemaakt door [naam 1] na ontvangst van voornoemde brief van de ING, terwijl vast staat dat [naam 1] op dat moment niet meer werkzaam was bij [bedrijf 1] . Voor de salarisspecificaties van [verdachte] (DOC-233) geldt hetzelfde.
Ten aanzien van het geldbedrag van € 50.000,-- dat was aangetroffen in de kluis op naam [naam 2] , is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte toegang had tot de kluis, wetenschap had van het geld en/of het geld in de kluis heeft geplaatst of laten plaatsen. Uit het dactyloscopisch onderzoek aan de bankbiljetten volgt dat de aangetroffen sporen niet aan verdachte kunnen worden gekoppeld. (Voetnoot 68) De rechtbank zal daarom verdachte van het witwassen van dit geldbedrag vrijspreken.
Ten aanzien van het appartement aan de [adres 2] komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Niet gebleken is dat verdachte betrokken is geweest bij de financiering en/of girale aankoop van deze woning door [medeverdachte] . Daarnaast biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor (permanent dan wel stelselmatig) gebruik van deze woning door [verdachte] . De rechtbank zal daarom verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Geen nader onderzoek door het Openbaar Ministerie
Omdat de verklaring van verdachte - met uitzondering van voornoemd geldbedrag van
€ 50.000,-- en het appartement - onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens bevat die voldoende tegenwicht zouden kunnen bieden tegen het vermoeden van witwassen, hoefde het Openbaar Ministerie buiten hetgeen het al aan onderzoek had gedaan, geen nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de gelden.
Conclusie feit 1 (witwassen)
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het ten laste gelegde geldbedrag, met uitzondering van het bedrag van € 50.000,-- aangetroffen in de kluis, een legale herkomst heeft en kan derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring gelden.
Naar het oordeel van de rechtbank is een witwasconstructie afgesproken met [naam 1] . In dat kader is tenminste tweemaal contant geld door [naam 1] vanuit Europa gesmokkeld naar China. Ook is giraal geld overgeboekt naar China vanaf de bankrekeningen van [medeverdachte] en [naam 5] . Deze girale overboekingen werden veelal voorafgegaan door contante stortingen. Vervolgens is giraal geld (terug)geboekt door [naam 1] - al dan niet via andere Chinese (rechts)personen - aan zowel [medeverdachte] , [verdachte] en [bedrijf 3] . In het kader van dat witwassen zijn valse omschrijvingen vermeld bij de girale overboekingen en zijn voornoemde geschriften (DOC-023, DOC-232, DOC-233 en DOC-234) valselijk opgesteld teneinde de indruk te wekken dat [medeverdachte] en [verdachte] recht hadden op een bonus en/of salaris zogenaamd in het kader van voetbalgerelateerde (scouting)werkzaamheden. Zodra het geld op de bankrekeningen kwam te staan van [medeverdachte] en [verdachte] werd het geld geïnvesteerd in onder meer vastgoed (de aankoop van de [adres 1] ), horeca (aandelen in [bedrijf 8] ), een sportbedrijf ( [bedrijf 9] B.V) en dure horloges. Ten gunste van het witwassen zijn ook de bankrekeningen van [naam 5] en [naam 7] gebruikt.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit al het voorgaande worden afgeleid dat met betrekking tot de witwasactiviteiten in ieder geval sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] , [verdachte] en [naam 1] zodat het ten laste gelegde medeplegen eveneens wettig en overtuigend bewezen is.
Gelet op de periode en de omvang van het witwassen is de rechtbank tevens van oordeel dat sprake is van een zekere persisterende stelselmatigheid in de door verdachte verrichtte witwashandelingen, zodat het als gewoontewiswassen gekwalificeerd kan worden.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 geldbedragen van in totaal € 732.535,--
(€ 782.535,-- minus € 50.000,--) heeft verworven, voorhanden gehad en hiervan gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat deze voorwerpen telkens onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enige misdrijf, en dat verdachte en zijn mededaders van het plegen van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt.
Conclusie feit 2 (gebruik maken valse geschriften)
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 september 2019 tot en met 26 januari 2021 tezamen en in vereniging met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van de in de tenlastelegging genoemde valse geschriften. Het opzet van verdachte is gegeven door voornoemde witwasconstructie ten gunste waarvan valse geschriften zijn opgemaakt en waarvan verdachte gebruik van heeft gemaakt door deze geschriften middels zijn toenmalige accountant aan de ING ter beschikking te stellen.
Afwijzing voorwaardelijk verzoek verdediging tot horen getuigen
De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht om het horen van [naam 29] (boekhouder) en diverse klanten die door [verdachte] zouden zijn geknipt en daarbij contant hebben afgerekend (waaronder de personen [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] ). De verdediging heeft gesteld dat deze getuigen kunnen verklaren over de verdiensten van [verdachte] uit kapperswerkzaamheden. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat niet is gebleken dat deze getuigen uit eigen waarneming kunnen verklaren over de specifieke herkomst van de eerder benoemde 67 contante stortingen van in totaal € 312.595,-- op de bankrekeningen van [verdachte] en [bedrijf 3] in de periode januari 2017 tot en met september 2020.
De raadsman heeft verder voorwaardelijk verzocht tot het horen van de getuigen [naam 4] , [naam 17] , [naam 18] , [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 23] , [naam 24] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 1] , [naam 3] en [naam 27] en [naam 28] , omdat deze personen de alternatieve lezing van [verdachte] kunnen bevestigen ten aanzien van de girale overboekingen ad € 379.763, namelijk dat hij daarvoor (scoutings)werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat hiertoe, mede gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven chatgesprekken, geen noodzaak wordt gezien.