Strafrecht overig
Conclusie AG. Fraude in aanloop naar faillisement melkfabriek Lyempf B.V. Middelen over bewezenverklaring…
ECLI:NL:PHR:2026:771 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-771
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 16 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/02737
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:771
Samenvatting
Conclusie AG. Fraude in aanloop naar faillisement melkfabriek Lyempf B.V. Middelen over bewezenverklaring, strafbaarheid daarvan en een beroep op AVAS falen. Middel over overschrijding inzendtermijn slaagt. De conclusie strekt tot vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerping van het beroep voor het overige.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02737
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 3 juli 2024 (parketnr. 21-005362-19) wegens onder 1 “valsheid in geschrift” en onder 2 “bedrieglijke bankbreuk, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. De rechtbank had verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.
2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. A.M. de Koning, advocaat in Leiden, heeft een schriftuur met vijf cassatiemiddelen ingediend. Die zal ik hierna schriftuur 1 noemen. Daarnaast heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, een schriftuur ingediend waarin twee middelen van cassatie worden voorgesteld, schriftuur 2. In cassatie worden in totaal dus zeven middelen voorgesteld. Ik behandel de middelen in deze volgorde, gecategoriseerd per onderwerp:
i. valsheid in geschrift (schriftuur 1: eerste middel);
ii. het feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon (schriftuur 1: vierde middel) en voorwaardelijk opzet op de bedrieglijke bankbreuk (schriftuur 1: derde middel, en schriftuur 2: eerste middel);
iii. de strafbaarheid van de bewezen verklaarde bedrieglijke bankbreuk onder artikel 341 (oud) Sr (schriftuur 1: tweede middel);
iv. de verwerping van een beroep op afwezigheid van alle schuld (schriftuur 2: tweede middel);
v. overschrijding van de redelijke termijn (schriftuur 1: vijfde middel).
De zaak in het kort
3. Lyempf BV is een in Kampen gevestigde bv die zich bezighoudt met de verwerking van melkproducten (o.a. tot melkpoeder). [A] Inc, waarvan de verdachte de enig bestuurder was, heeft op 16 april 2010 van [B] B.V. (een bv van [betrokkene 1] ) 80% van de aandelen van Lyempf gekocht onder de voorwaarde dat [A] een bedrag van zes miljoen euro, alsmede (namens [B] ) de koopsom van vijfhonderdduizend euro in de vorm van achtergestelde leningen aan Lyempf ter beschikking zou stellen. Indien aan deze voorwaarden werd voldaan zou Deutsche Bank Nederland N.V. een bestaand krediet aan Lyempf continueren. De aandelen van Lyempf zijn op 20 mei 2010 aan [A] geleverd.
4. Lyempf , waarvan de verdachte van 20 mei 2010 tot 7 februari 2011 (enig) bestuurder was, heeft op 26 mei 2010 met DSM Food Specialties BV een overeenkomst gesloten voor de droging en verpakking van gistextracten tegen betaling door DSM van vijfhonderdduizend euro per maand voor een periode van dertig maanden. De rechten uit deze overeenkomst heeft de verdachte namens Lyempf diezelfde dag voor € 13.990.000,00 (grofweg de contante waarde van dertigmaal vijfhonderdduizend euro) verkocht aan Deutsche Bank AG te Londen. De volgende dag heeft Deutsche Bank AG te Londen van dit bedrag een tranche ter grootte van € 12.490.000,00 op een bankrekening van Lyempf gestort.
5. Bij brief van 15 juni 2010 aan [accountant] van [C] heeft de verdachte doen voorkomen alsof [A] het bedrag van € 12.490.000,00 op de bankrekening van Lyempf had gestort en daarmee - naast de terbeschikkingstelling van een overbruggingskrediet van € 5.990.000,00 - had voldaan aan de door [A] met [B] overeengekomen verplichting om Lyempf te financieren. [accountant] heeft deze brief de volgende dag doen toekomen aan Deutsche Bank Nederland N.V.
6. Op 3 juni 2010 heeft Lyempf een bedrag van € 5.940.000,00 overgemaakt naar een bankrekening van [D] BV (achter welke bv [A] en de verdachte schuilgaan).
7. Lyempf is op 7 april 2011 in staat van faillissement verklaard.
(i) De bewezenverklaring van valsheid in geschrift
Het eerste middel van schriftuur 1
8. Het eerste middel van de eerste schriftuur bevat twee deelklachten over het bewijs van valsheid in geschrift.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
De bewezenverklaring van feit 1 houdt in dat de verdachte:
“hij op of omstreeks 15 juni 2010 in de gemeente Kampen , een brief gericht aan [C] en afkomstig van Lyempf B.V. - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid, in deze brief vermeld opgenomen of laten vermelden/opnemen dat [A] Inc. (verder [A] ) een bedrag heeft betaald van EUR 12.490.000,00 op de rekening van Lyempf B.V. en dat dit bedrag bestaat uit:
- de lening van EUR 6.000.000,00 van [A] aan Lyempf B.V.;
- de lening van EUR 500.000,00 van [B] B.V. aan Lyempf B.V., welke door [A] namens [B] B.V. is betaald;
- het overbruggingskrediet van EUR 5.990.000,00;
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”.
9. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Valsheid
Verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank van 16 september 2019 verklaard dat hij de zich in het dossier bevindende brief gedateerd 15 juni 2010 met als afzender Lyempf BV (hierna Lyempf ) en als geadresseerde [C] t.n.v. mr. [accountant] heeft ondertekend en dat de inhoud daarvan onjuist is.
In de betreffende brief staat vermeld dat [A] Inc (hierna: [A] ) een bedrag heeft betaald van € 12.490.000,00 op de rekening van Lyempf , en dat dit bedrag bestaat uit:
- een lening van € 6.000.000,00 van [A] aan Lyempf ;
- een lening van € 500.000,00 van [B] BV (hierna: [B] ) aan Lyempf , welke door [A] namens [B] is betaald;
- een overbruggingskrediet van € 5.990.000.00 ter tijdelijke versterking van het werkkapitaal van Lyempf .
In het dossier bevindt zich daarnaast een bankafschrift met daarop een storting van
€ 12.490.000,00 op de rekening van Lyempf door Deutsche Bank AG.
In het dossier bevindt zich voorts een “koopovereenkomst vorderingen” tussen Lyempf als leverancier en Deutsche Bank AG als koper, betreffende de koop van een vordering die Lyempf op DSM Food Specialties BV (hierna: DSM) had. De overeenkomst houdt in dat een gedeelte van de koopprijs van € 12.490.000,00 door Deutsche Bank AG op de rekening van Lyempf zal worden gestort.
Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat op de rekening van Lyempf een bedrag van € 12.490.000,00 is gestort ter uitvoering van een tussen Lyempf en Deutsche Bank AG gesloten koopovereenkomst. De storting betreft dus de betaling van een aankoopsom. De inhoud van de brief van 15 juni 2010 dat de betaling op de rekening van Lyempf bestaat uit twee leningen en een overbruggingskrediet is dus niet in overeenstemming met de waarheid. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de inhoud van de in de tenlastelegging genoemde brief vals en in strijd met de waarheid is en dat verdachte deze brief – door deze te ondertekenen – heeft opgemaakt.
Een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen
Op 16 april 2010 is er een Share Purchase Agreement opgesteld en ondertekend tussen [B] als verkoper en [A] als koper. Deze verkoopovereenkomst heeft betrekking op de verkoop van aandelen van Lyempf en het onroerend goed waarin Lyempf gehuisvest is. Verdachte heeft als directeur van [A] namens [A] deze verkoopovereenkomst ondertekend. In deze verkoopovereenkomst staan de voorwaarden en condities betreffende de verkoop aankoop van 80% van de aandelen van Lyempf . De belangrijkste voorwaarden zijn:
- de feitelijke overdracht is uiterlijk 31 mei 2010 om 10:00 uur;
- [A] zal aan [B] op de datum van de feitelijke overdracht een bedrag van € 500.000,00 betalen;
- [A] zal onmiddellijk na de feitelijke overdracht een achtergestelde leenovereenkomst aangaan met Lyempf , op grond waarvan [A] € 6.000.000,00 beschikbaar stelt als achtergestelde lening aan Lyempf ;
- [B] zal onmiddellijk na de feitelijke overdracht een achtergestelde leenovereenkomst aangaan met Lyempf , op grond waarvan [B] € 500.000,00 beschikbaar stelt aan Lyempf .
Op 20 mei 2010 heeft [B] 80% van de aandelen van Lyempf aan [A] geleverd. Verdachte is met ingang van 20 mei 2010 ingeschreven als enig bestuurder van Lyempf . Op 7 februari 2011 is hij uitgeschreven als bestuurder van Lyempf .
Verdachte heeft namens Lyempf vervolgens op 26 mei 2010 een Framework Agreement met DSM gesloten. De overeenkomst houdt in dat Lyempf voor DSM gistextracten droogt en verpakt en dat DSM hiervoor een vaste vergoeding betaalt van € 500.000,00 per maand voor een periode van 30 opeenvolgende maanden.
Diezelfde dag, 26 mei 2010, verkoopt verdachte namens Lyempf de vordering die Lyempf nu op DSM heeft voor € 13.990.000,00 aan de Deutsche Bank AG te Londen. Van de aankoopprijs zal de Deutsche Bank Londen € 1.500.000,00 overmaken naar de rekening van DSM en het overige (€ 12.490.000,00) naar de ABN AMRO-bankrekening van Lyempf . Verdachte heeft deze overeenkomst ondertekend. Op 27 mei 2010 maakt Deutsche Bank Londen daarom
€ 12.490.000,00 over naar de ABN AMRO-rekening van Lyempf .
Gelet op de Share Purchase Agreement tussen [B] en [A] van 16 april 2010 had [A] tenminste € 6.500.000,00 aan Lyempf ter beschikking moeten stellen in verband met de aandelenaankoop. Met de valse brief van 15 juni 2010 heeft verdachte doen voorkomen alsof [A] dat bedrag - en zelfs nog meer - op de rekening van Lyempf had gestort en had voldaan aan de overeengekomen verplichtingen jegens Lyempf , terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was. Het betreffende geldbedrag was immers gestort door Deutsche Bank London ter betaling van de aankoop van de vordering op DSM.
Gelet hierop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat deze valse brief bestemd was om te bewijzen dat [A] aan zijn overeengekomen verplichtingen jegens Lyempf had voldaan.
Het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken
In het dossier bevindt zich een door [accountant] van [C] aan de Deutsche Bank Nederland verstuurde brief van 16 juni 2010, waarbij de brief van 15 juni 2010 als bijlage is gevoegd.
Op grond daarvan stelt het hof vast dat de brief van 15 juni 2010 daadwerkelijk door de geadresseerde, [accountant] van [C] , is ontvangen. Niet gesteld of gebleken is dat verdachte op enig moment de onjuistheid van de inhoud van deze brief onder de aandacht van [accountant] of Deutsche Bank Nederland heeft gebracht.
Met het verzenden van de brief aan de accountant is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad om de brief te gebruiken en door anderen (verder) te laten gebruiken alsof de inhoud van de brief conform de waarheid was. Dat [accountant] bekend was met de valse inhoud van de brief, zoals de verdediging heeft gesteld, blijkt uit het strafdossier niet en acht het hof ook overigens niet aannemelijk.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, eerste deel, tenlastegelegde heeft begaan. Dat verdachte dat samen met een ander of anderen heeft gedaan acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen.”
De eerste deelklacht en de bespreking daarvan
10. De eerste deelklacht ziet op het oordeel dat de verdachte de brief van 15 juni 2012 opzettelijk valselijk heeft opgemaakt door deze te ondertekenen. De steller van het middel betoogt dat uit het bewijs niet blijkt dat de verdachte ten tijde van het opmaken van de brief ervan op de hoogte was dat deze foutieve informatie bevatte. Dat volgt namelijk niet zonder meer uit zijn verklaring “dat de inhoud (…) onjuist was”, omdat daaruit niet blijkt op welk moment de verdachte daarachter kwam. Verder wijst de steller op een verweer van de verdediging, namelijk dat de verdachte de brief heeft ondertekend op advies van deskundige professionals. De brief was immers opgesteld door Nederlandse advocaten en zijn juridisch adviseur had hem gezegd dat er niks unlawful was aan de brief.
11. In cassatie wordt niet bestreden dat de inhoud van de brief feitelijk onjuist was, dat de verdachte deze heeft ondertekend en dat de verdachte ook heeft verklaard dat de inhoud van de brief onjuist was. Het hof heeft de verklaring van de verdachte zo opgevat dat de verdachte tijdens het ondertekenen van de brief al wist dat de inhoud onjuist was. Dat is niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft ter terechtzitting ook niet verklaard dat hij toen dacht dat de inhoud van de brief wel klopte. Verder heeft de verdediging kort gezegd aangevoerd dat de verdachte is geadviseerd dat de brief juridisch door de beugel kon, maar niet dat dit advies inhield dat de brief conform de waarheid was opgesteld. Deze omstandigheid maakt het oordeel van het hof over het opzet op de valsheid van de brief dus niet onhoudbaar. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend gemotiveerd. Het hof is daarbij niet uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting.
12. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht en de bespreking daarvan
13. De tweede deelklacht gaat over het oogmerk om de brief als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Volgens de steller van het middel heeft het hof miskend dat de brief enkel was bedoeld voor interne doeleinden, zoals administratieve verwerking. Dat is relevant, omdat voor een bewezenverklaring van artikel 225 Sr nodig is dat het oogmerk is gericht op het gebruiken van het geschrift in maatschappelijk verkeer.
14. Voor strafbaarheid van valsheid in geschrift is inderdaad vereist dat het de bedoeling van de verdachte is geweest dat de kwestieuze brief in het maatschappelijk verkeer (en dus ‘extern’) zou worden gebruikt. De strafbaarstelling van valsheid in geschrift strekt immers tot de bescherming van de 'publica fides' - het in het maatschappelijk verkeer heersend vertrouwen - in hetgeen is geschreven.
15. Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat de verdachte de brief naar zijn accountant heeft gestuurd, die de brief vervolgens ook in correspondentie met een derde (de Deutsche Bank Nederland) heeft gebruikt. Gelet daarop is het oordeel van het hof over het oogmerk van de verdachte (tot extern gebruik) niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel geeft verder geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij lijkt mij van belang dat het algemeen bekend is dat de werkzaamheden van een accountant ertoe dienen om de betrouwbaarheid van de financiële informatie van ondernemingen te waarborgen richting externe partijen. De verdachte en zijn raadsvrouw hebben niet uitgelegd waarom de aan de accountant gerichte brief (desondanks) enkel voor intern gebruik zou zijn bedoeld.
16. Ook de tweede deelklacht faalt. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
(ii) het feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon (schriftuur 1: vierde middel) en voorwaardelijk opzet op de bedrieglijke bankbreuk (schriftuur 1: derde middel, en schriftuur 2: eerste middel)
De middelen
17. Het vierde middel van schriftuur 1 gaat over het feitelijk leidinggeven door de verdachte aan Lyempf bij de bedrieglijke bankbreuk. Het derde middel van schriftuur 1 en het eerste middel van schriftuur 2 zien op het opzet op de benadeling van de schuldeisers van Lyempf .
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
18. De bewezenverklaring van feit 2 houdt in dat:
“de besloten vennootschap Lyempf B.V., op 3 juni 2010 in de gemeente Kampen , althans elders in Nederland, terwijl Lyempf B.V. bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 april 2011, in staat van faillissement is verklaard,
ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s) een geldbedrag, te weten EUR 5.940.000,00 van de rekening van Lyempf B.V. heeft overgemaakt naar de rekening van [D] B.V. en/of [A] Inc, zonder dat hiertoe een rechtsgrond bestond,
aan welke bovenomschreven gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven”.
19. Het arrest bevat daarbij deze bewijsmotivering:
“Onder 2 is ten laste gelegd dat Lyempf in de periode van 20 mei 2010 tot en met 5 juni 2014 ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers zonder rechtsgrond
€ 5.940.000,00 van haar rekening naar de rekening van [D] BV heeft overgemaakt, terwijl Lyempf op 7 april 2011 failliet is verklaard, en dat verdachte daar al dan niet met anderen feitelijk leiding aan heeft gegeven.
Het hof stelt vast dat de in de tenlastelegging genoemde overboeking van € 5.940.000,00 heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. Op 7 april 2011 is Lyempf in staat van faillissement verklaard. De overboeking van het geld heeft dus tien maanden vóór het faillissement plaatsgevonden.
Uit het boekenonderzoek door Alvarez & Marsal blijkt dat geen rechtsgrond voor deze boeking bestond.
Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers
Van bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers is sprake indien ten tijde van de overboeking een aanmerkelijke kans op een faillissement van Lyempf bestond of dat als gevolg van de overboeking een aanmerkelijke kans op een faillissement is ontstaan.
Ter zitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat de Nederlandse firma die interesse had om Lyempf te kopen, besloot om dat niet te doen omdat deze beoogde koper tijdens het boekenonderzoek had gezien dat Lyempf op een faillissement afstevende. Verdachte werd daarover geïnformeerd in januari 2010. Ter zitting in eerste aanleg heeft verdachte voorts verklaard dat Lyempf een wezenlijk probleem had: er waren contracten voor de aankoop van melk voor een veel hogere prijs dan de prijs van dat moment. “Dus verloor Lyempf elke dag geld".
Ook overigens blijkt uit het strafdossier dat de belangrijkste activiteit van Lyempf vlak voor de overname door [A] sterk verlieslatend was. Zo verklaarde [betrokkene 2] , destijds adjunct directeur bij Lyempf , bij de rechter-commissaris dat de activiteit in boerenmelk en de handel daarin een verlieslatende activiteit was en dat hij richting de eerdere overnamekandidaat heeft aangegeven dat de verlieslatende boerenmelk 'een strop om de nek’ (van Lyempf ) was. [betrokkene 3] verklaarde dat Lyempf voor de overname door [A] een ongezond bedrijf was door onder meer de melkcontracten, het slechte contract met DSM en de legionellaproblemen die er in liet jaar daarvoor geweest waren. [betrokkene 1] , tot mei 2010 bestuurder van Lyempf , verklaarde dat Lyempf ultimo 2009 een negatief eigen vermogen had van € 6 miljoen en dat hij met ABN in gesprek ging, omdat ze het zo niet zouden redden. “Het was elke dag worstelen om het hoofd boven water te houden”.
Zoals bij feit 1 aan de orde is gekomen, werd op 16 april 2010 een Share Purchase Agreement opgesteld en ondertekend tussen [B] als verkoper en [A] als koper. Gelet op deze Share Purchase Agreement tussen [B] en [A] had [A] tenminste € 6.500.000,00 aan Lyempf ter beschikking moeten stellen in verband met de aandelenaankoop. [A] kwam die verplichting niet na.
Verdachte heeft vervolgens namens Lyempf op 26 mei 2010 de hiervoor genoemde Framework Agreement met DSM gesloten. Die overeenkomst hield in dat DSM een vaste vergoeding betaalde van € 500.000,00 per maand voor een periode van 30 opeenvolgende maanden. Diezelfde dag heeft verdachte namens Lyempf de vordering van Lyempf op DSM voor
€ 13.990.000,00 verkocht aan de Deutsche Bank AG te Londen. Als gevolg daarvan kon Lyempf niet langer beschikken over voornoemde vergoeding van € 500.000 per maand (voor een periode van 30 maanden): die betalingen werden immers vanaf het moment van de verkoop van die vordering aan de Deutsche Bank AG te Londen gedaan aan de Deutsche Bank en niet aan Lyempf .
[betrokkene 3] , die vanaf begin juni 2010 als interim-manager bij Lyempf heeft gewerkt, verklaarde ter zake dat de verkoop van de vordering op DSM aan de Deutsche Bank AG de opmaat was tot de problemen. Omdat het geld van DSM niet meer binnenkwam bij Lyempf , ontstonden cashflow problemen. Door in die situatie, waarmee verdachte bekend was, zonder rechtsgrond een bedrag van € 5.940.000,00 van de rekening van Lyempf naar de rekening van [D] BV over te maken, althans te laten overmaken, is naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans op een faillissement ontstaan, welke kans door de verdachte bewust is aanvaard. Het faillissement is nadien ook daadwerkelijk ingetreden.
Daarmee weegt het hof mee dat niet aannemelijk is dat de beweerdelijke bedoeling van die overboeking - namelijk het investeren in de bouw van een fabriek in Griekenland voor het winnen van eiwitten uit olijven - op korte termijn vruchten zou kunnen afwerpen. Zo verklaarde [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris dat het winnen van eiwitten haalbaar maar extreem complex is en nog ontzettend veel tijd vergt ('jaren’) en dat veel geld voor ontwikkeling, onderzoek en opschaling nodig is, terwijl [betrokkene 4] , die in mei 2010 als adviseur werd ingehuurd en hoofd Research & Development werd genoemd, bij de rechter commissaris verklaarde dat het procedé wel werkte, maar dat ze destijds nog op laboratoriumschaal bezig waren, “dus nog lang niet op industriële schaal”.
Feitelijk leidinggeven
Verdachte stond ten tijde van genoemde overboeking bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als enig bevoegd directeur van Lyempf B.V.
Vanaf begin juni 2010 heeft [betrokkene 3] als interim-manager bij Lyempf gewerkt. Als cfo was hij met name gericht op de financiële gang van zaken binnen Lyempf . Hij heeft verklaard dat alle bevoegdheden binnen het bedrijf waren weggelegd voor verdachte. Aan alles op het financiële vlak moest verdachte zijn fiat geven.
Gezien de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de verklaring van de cfo staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte feitelijke leiding aan de verboden gedragingen heeft gegeven.”
Een nadere omschrijving van de middelen
20. Het vierde middel van schriftuur 1 houdt in dat het hof een verkeerde uitleg aan ‘feitelijke leiding geven’ heeft gegeven, dan wel dat het oordeel dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de overboeking van 3 juni 2010 van € 5.940.000 naar [D] B.V., onbegrijpelijk is. De steller van het middel voert aan dat het hof onvoldoende concrete vaststellingen heeft gedaan over de gang van zaken rond de overboeking.
21. Zowel het derde middel van schriftuur 1, als het eerste middel van schriftuur 2 komt op tegen het oordeel dat Lyempf bij de overboeking op 3 juni 2010 handelde ‘ter bedrieglijke verkorting’ van de rechten van haar schuldeisers. De middelen zien in het bijzonder op het causale verband tussen de overboeking en het daaropvolgende faillissement. Geklaagd wordt dat het hof geen (voorwaardelijk) opzet kon aannemen, omdat dat verband onvoldoende is bewezen.
De bespreking van de middelen
22. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de overboeking op 3 juni 2010. Vast staat dat de verdachte ten tijde van de overboeking ingeschreven stond als enig bevoegd directeur van Lyempf . Ook blijkt uit de bewijsmotivering dat de verdachte voor 3 juni 2010 namens Lyempf al een tweetal belangrijke financiële beslissingen had genomen, namelijk het sluiten van de overeenkomst met DSM en het verkopen van de vordering op DSM aan de Deutsche Bank AG in Londen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 3] , die sinds begin juni 2010 als interim-manager (CFO) werkte bij Lyempf , had verklaard dat alle bevoegdheden binnen het bedrijf waren weggelegd voor de verdachte en dat de verdachte (dus ook) aan alles op het financiële vlak zijn fiat moest geven.
23. Uit deze omstandigheden heeft het hof kennelijk afgeleid dat de verdachte verantwoordelijk was voor deze overboeking. Dat oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Daarover kan ook moeilijk twijfel bestaan, aangezien de kern van het verweer in hoger beroep juist was dat deze overboeking een investering was waarmee de verdachte geld voor Lyempf wilde verdienen.
24. Het vierde middel van schriftuur 1 faalt.
25. Voor de beoordeling van de andere twee middelen merk ik samenvattend op dat de bewijsmotivering inhoudt dat er ten tijde van de overboeking al een (groot) risico op faillissement bestond. Het hof stelt vervolgens vast dat (ook, of vanwege die omstandigheid) de overboeking een aanmerkelijke kans op dat faillissement heeft doen ontstaan. Daarnaast overweegt het hof dat van de door de verdachte voorgehouden reden van de overboeking (een investering), niet binnen afzienbare tijd enig financieel resultaat viel te verwachten. Uit de bewijsmotivering blijkt dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de penibele financiële situatie van Lyempf toen de overboeking plaatsvond. Dat het hof daaruit heeft afgeleid dat Lyempf bij de overboeking bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit zou leiden tot benadeling van de rechten van een of meer schuldeisers, is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
26. Om die reden faalt zowel het derde middel van schriftuur 1, als het eerste middel van schriftuur 2.
(iii) de strafbaarheid van de bewezen verklaarde bedrieglijke bankbreuk onder artikel 341 (oud) Sr (schriftuur 1: tweede middel);
Het tweede middel van schriftuur 1 en de bespreking daarvan
27. Dit middel houdt in dat het legaliteitsbeginsel is geschonden, omdat de verdachte is veroordeeld op basis van artikel 341 (oud) Sr. Dit terwijl deze bepaling in het voordeel van de verdachte is gewijzigd met de inwerkingtreding van het huidige artikel 341 Sr. De nieuwe formulering van artikel 341 Sr stelt een extra eis ten opzichte van de oude bepaling, doordat in de delictsomschrijving is opgenomen dat daadwerkelijke benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden moet plaatsvinden.
28. Dit middel faalt, omdat de Hoge Raad bij arrest van 28 januari 2020 oordeelde dat dit niet een wetswijziging betreft die voortvloeit uit een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van vóór die wetswijziging begane feiten.
(iv) De verwerping van een beroep op afwezigheid van alle schuld (schriftuur 2: tweede middel)
Het tweede middel van schriftuur 2
29. Dit middel houdt in dat het hof het beroep op afwezigheid van alle schuld (in de zin van rechtsdwaling) heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
De beslissing en motivering van het hof
30. Onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ heeft het hof het volgende overwogen:
“Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit verdachte ten aanzien van feit 1 te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens het afwezigheid van alle schuld. Hiertoe heeft zij aangevoerd - zakelijk weergegeven dat verdachte op basis van het advies van Nederlandse juristen en boekhouders alsook zijn eigen juridisch adviseur [betrokkene 5] heeft gehandeld. Deze hadden hem laten weten dat geen sprake was van strafbare feiten. Gegeven de geschetste omstandigheden is de onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging verontschuldigbaar en komt verdachte een geslaagd beroep toe op afwezigheid van alle schuld.
Oordeel hof
Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit daadwerkelijk in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van dit verweer kunnen de onafhankelijkheid, de onpartijdigheid en de deskundigheid van de adviseur en de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen van belang zijn.
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk dat verdachte in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet strafbaar was. De verdediging heeft aangevoerd dat niet verdachte maar zijn advocaten de brief hebben opgesteld en dat hij zich voor het tekenen juridisch en boekhoudkundig liet adviseren of hij de brief kon ondertekenen. In dat verband heeft de verdediging een verklaring overgelegd van [betrokkene 5] , waarin deze verklaart dat hij verdachte heeft verteld dat er niets “unlawful” was aan het tekenen van de brief, omdat de brief slechts was bedoeld om een vastgoedtransactie te faciliteren die was gerelateerd aan de verkoop van de onderneming. Die verklaring sluit aan bij de hiervoor weergegeven gang van zaken, dat met deze brief werd bevestigd dat [A] een bedrag op de rekening van Lyempf had gestort en daarmee had voldaan aan de overeengekomen voorwaarde dat door [A] leningen zouden worden verstrekt. Zoals hiervoor is vastgesteld, was de inhoud van de brief echter vals omdat door [A] geen leningen waren verstrekt en aan de voorwaarde dus niet was voldaan. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de brief heeft ondertekend en dat hij wist dat de inhoud van de brief onjuist was. Uit het dossier blijkt niet, en door de verdediging wordt ook niet gesteld, dat verdachte aan [betrokkene 5] of de opstellers van de brief heeft verteld dat de inhoud van de brief onjuist was of dat hen onjuiste informatie was verstrekt voor het opstellen van de brief. Evenmin blijkt uit het dossier of de overgelegde verklaring van [betrokkene 5] dat door verdachte advies is gevraagd over de vraag of het in Nederland strafbaar is om een brief met valse informatie te ondertekenen.
Verdachte komt gelet op het voorgaande geen beroep toe op afwezigheid van alle schuld. Verdachte is strafbaar aangezien ook anderszins geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
Een nadere omschrijving van het middel en de bespreking daarvan
31. De steller van het middel voert aan dat (in hoger beroep is aangevoerd dat) de brief is opgesteld door Nederlandse advocaten en dat de verdachte er daarom van mocht uitgaan dat het ondertekenen daarvan naar Nederlands recht geen strafbaar feit zou opleveren.
32. De crux is hier dat de verdediging enkel heeft gesteld dat de brief is opgesteld door Nederlandse advocaten en, kort gezegd, dat hij zich liet adviseren door hen. Dat blijft vrij algemeen. Het verweer houdt niet in dat deze advocaten wisten dat de inhoud van de brief niet juist was en dat zij met die wetenschap tegen de verdachte hebben gezegd dat het ondertekenen daarvan geen strafbaar feit zou opleveren. Het hof is er klaarblijkelijk van uitgegaan dat dit niet het geval was. Dat is niet onbegrijpelijk. Tegen die achtergrond heeft het hof de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd.
33. Het middel faalt.
(v) De overschrijding van de redelijke termijn (schriftuur 1: vijfde middel)
34. Het vijfde middel van schriftuur 1 klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Dit middel slaagt.
Slotsom
35. Het derde en vierde middel van schriftuur 1 en het eerste middel van schriftuur 2 zien op een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Deze middelen falen, maar het ligt om die reden niet voor de hand dat de Hoge Raad deze afdoet met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. Het vijfde middel van schriftuur 1 slaagt. Alle andere middelen falen. Deze kan de Hoge Raad wel afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
36. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Ook dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG