Strafrecht overig
Hoge Raad · Herziening · Strafrecht overig
ECLI:NL:HR:1930:226 · Hoge Raad · 24 februari 1930
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-1930-226
Zaakgegevens
Op 24 februari 1930 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 februari 1930
- Datum publicatie
- 13 juli 2018
- Zaaknummer
- 2226
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1930:226
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 februari 1930
ECLI:NL:PHR:1930:5Hoge Raad · 24 februari 1930deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1930:226
Uitspraak
No.2226.
Herziening.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
(beschikkende in raadkamer)
Gezien het op 23 Januari 1930 ingekomen verzoekschrift van [verzoeker], melkhandelaar, te [plaats] , [a-straat 1] ( [plaats] );
Gelet op de conclusie van den Procureur-Generaal strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in diens verzoek;
Overwegende dat verzoeker vraagt om " de zaak van overtreding van 13 Augustus 1927 te herzien ", doch hij daarbij stelt dat hij op 17 October 1927 door betaling van vijf gulden vrijwillig voldaan heeft aan de voorwaarde, welke door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten 's-Gravenhage, Delft, Alphen en Woerden, gesteld was op zijn, toenmaals verdachte's, verzoek ter voorkoming van de strafvervolging wegens een overtreding als bedoeld in artikel 83 lid 1 der Arbeidswet 1919, welke hij op 13 Augustus 1927 gepleegd zou hebben "- en nu omstandigheden aanvoert waaruit volgens verzoeker zou voortvloeien dat er in het geheel geen overtreding zou hebben plaats gehad;
Overwegende dat de wet de mogelijkheid van herziening alleen openstelt wanneer er is een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak terwijl zoodanige uitspraak in het onderhavige geval ontbreekt, zoodat de aanvrage niet- ontvankelijk is;
Gezien artikel 457 van het Wetboek van Strafvordering;
Verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Gedaan en gewezen den vier en twintigsten Februari 1900 Dertig bij de Heeren Jhr.de Savornin Lohman, President, Savelberg, Jhr. Feith, Taverne en Kranenburg, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Jas.