Civiel recht overig

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat…

Parket bij de Hoge Raad, 16 maart 2017

Zaakgegevens

Op 16 maart 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16 maart 2017
Datum publicatie
18 mei 2017
Zaaknummer
17/01106
ECLI
ECLI:NL:PHR:2017:356
E-mail

Samenvatting

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 16 maart 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2017:356

  2. Hoge Raad · 19 mei 2017

    ECLI:NL:HR:2017:931

    Conclusie gevolgd

Conclusie

17/01106

mr. G.R.B. van Peursem

16 maart 2017

Conclusie inzake:

[verzoeker] ,

verzoeker tot cassatie,

(hierna: [verzoeker] )

1. [verzoeker] heeft bij een op 1 maart 2017 per fax bij het secretariaat van de Hoge Raad der Nederlanden ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 februari 2017 met zaaknummer 200.207.667/01. In dit arrest is het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2017 bekrachtigd, waarin de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] heeft beëindigd zonder hem de schone lei te verlenen.

2 Het cassatieverzoekschrift is ingediend door [verzoeker] zelf. Bij brief van 3 maart 2017 is [verzoeker] door de griffie van de Hoge Raad bericht dat dit verzuim kan worden hersteld doordat een advocaat bij de Hoge Raad alsnog hetzelfde verzoekschrift getekend indient. Bij fax van 7 maart 2017 is door [verzoeker] bericht – zakelijk weergegeven – dat hij ondanks inspanningen geen cassatieadvocaat bereid heeft gevonden hem bij te staan.

3 Het verzuim is niet binnen de op vaste rechtspraak gebaseerde termijn van 14 dagen na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift (dus uiterlijk 15 maart 2017) hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.

4 Ik concludeer dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, m.nt. H.J. Snijders. Recent herhaald in HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:314, JWB 2017/90.