Insolventierecht

Faillissementsrecht. Incident in cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep in geval dat eiser tot cassatie in…

Parket bij de Hoge Raad, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
26/02472
Advocaat
M.W. van der Heijden, A.C. van Schaick
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:1013
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissementsrecht. Incident in cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep in geval dat eiser tot cassatie in staat van faillissement is verklaard na bestreden uitspraak, maar voor instellen van beroep. Stelsel art. 25-30 Fw. Procesbevoegdheid gefailleerde. Schorsing van het geding ex art. 27 en 29 Fw.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/02472

Zitting 23 oktober 2026

CONCLUSIE IN INCIDENT

G. Snijders

In de zaak:

1. Brampton Management B.V.

2. [eiser 2] , h.o.d.n. [A]

3. Visionlead Management B.V.

4. [eiser 4] , h.o.d.n. [B]

eisers tot cassatie,

verweerders in het incident,

advocaat: M.W. van der Heijden

tegen

1. Monitor Management B.V.

2. Smartvital B.V.

verweersters in cassatie,

eiseressen in het incident,

advocaat: A.C. van Schaick

Eisers tot cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als Brampton c.s. en afzonderlijk als Brampton, [A] , Visionlead en [B] . Verweersters in cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als Monitor c.s. en afzonderlijk als Monitor en Smartvital.

1 Inleiding

Brampton en Visionlead zijn, nadat het hof zijn arrest in deze zaak had gewezen, in staat van faillissement verklaard. Daarna hebben Brampton en Visionlead dit cassatieberoep ingesteld, tezamen met [A] en [B] . In dit incident vorderen Monitor c.s. dat Brampton en Visionlead niet-ontvankelijk worden verklaard in hun cassatieberoep. Daaraan leggen zij ten grondslag dat na het uitspreken van een faillissement uitsluitend de curator cassatieberoep kan instellen.

2 Procesverloop

2.1

In deze procedure vorderen Monitor c.s. betaling van diverse bedragen van Brampton c.s. Zij leggen daaraan ten grondslag, kort gezegd, dat Brampton c.s. als (indirecte) bestuurders van Monitor en Smartvital zonder toereikende grond diverse betalingen hebben ontvangen van Monitor en Smartvital, waaronder bezoldiging en vergoedingen.

2.2

Brampton c.s. hebben in reconventie diverse vorderingen ingesteld tegen Monitor c.s., die voor een deel zijn ingesteld onder de voorwaarde dat vorderingen in conventie worden toegewezen. Grondslag van deze vorderingen is zeer kort gezegd dat Brampton c.s. jegens Monitor c.s. recht hebben op een redelijk loon voor verrichte bestuurs- dan wel operationele werkzaamheden, op grond van verschillende gesloten overeenkomsten.

2.3

De rechtbank heeft vorderingen over en weer gedeeltelijk toe- en gedeeltelijk afgewezen bij vonnis van 28 augustus 2024.

2.4

Partijen hebben ieder hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank. Bij arrest van 31 maart 2026 heeft het hof dat vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Brampton c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van in totaal € 427,395,07 aan Monitor en een bedrag van in totaal € 244.505,13 aan Smartvital.

2.5

Brampton en Visionlead zijn op 21 mei 2026 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van D.A.J. Roomberg tot curator in beide faillissementen.

2.6

Op 30 juni 2026 zijn Brampton c.s. – tijdig – in cassatie gekomen van het arrest van het hof, door indiening van een procesinleiding in cassatie bij de Hoge Raad.

2.7

Monitor c.s. hebben bij hun verweerschrift in cassatie – dat strekt tot verwerping van het beroep – een incidentele conclusie ingesteld tot niet-ontvankelijkverklaring van Brampton en Visionlead in hun cassatieberoep. De rolraadsheer heeft overeenkomstig art. 209 Rv bepaald dat het incident eerst zal worden behandeld en beslist. Brampton c.s. hebben bij verweerschrift in het incident geconcludeerd tot verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid.

3 Bespreking incidentele vordering

Grondslag vordering

3.1

Monitor c.s. leggen aan de incidentele vordering ten grondslag dat in het cassatieberoep verplichtingen van de failliete boedels van Brampton en Visionlead aan de orde zijn. Het beroep had daarom volgens hen moeten worden ingesteld door de curator in beide faillissementen. Deze heeft echter bewust van cassatieberoep afgezien. Monitor c.s. wijzen voor hun standpunt op arresten van de Hoge Raad uit 1914 en 2020. Zij merken op dat aan de mededeling onder 0.2 van de procesinleiding in cassatie dat [A] en [B] instaan voor een kostenveroordeling van Brampton en Visionlead en desverlangd daarvoor zekerheid zullen stellen, geen geloof kan worden gehecht. Tot nu toe is namelijk volgens hen de door het hof uitgesproken kostenveroordeling niet voldaan.

Verweer

3.2

Volgens Brampton en Visionlead zijn de arresten uit 1914 en 2020 in dit geval niet van toepassing. Uit het arrest van 2020 volgt bovendien dat een gefailleerde zijn procesbevoegdheid niet verliest. Brampton en Visionlead waren dus bevoegd om cassatieberoep in te stellen. Monitor c.s. hebben ook geen belang bij hun incidentele vordering, nu dit cassatieberoep toch zal moeten worden uitgeprocedeerd voor zover het is ingesteld door [A] en [B] , die niet failliet zijn. Voor Monitor c.s. maakt het geen verschil dat de cassatieprocedure ook tegen Brampton en Visionlead moet worden voortgezet.

Gerechtelijke procedures tijdens faillissement; aanwenden rechtsmiddel

3.3

De gerechtelijke procedures tijdens faillissement worden geregeld in de art. 25-31 Fw. Art. 25 lid 1 Fw bepaalt dat rechtsvorderingen die rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, zowel tegen als door de curator worden ingesteld. Art. 26 Fw voegt daaraan toe dat rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, gedurende het faillissement op geen andere wijze kunnen worden ingesteld dan door indiening ter verificatie. De art. 27-30 Fw regelen wat gebeurt met procedures die tijdens het uitspreken van het faillissement al liepen en die betrekking hebben op rechtsvorderingen als bedoeld in de art. 25-26 Fw. Art. 29 Fw bepaalt dat voor zover de rechtsvordering voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, het geding na de faillietverklaring wordt geschorst, om alleen dan te worden voortgezet, als de verificatie van de vordering wordt betwist. Gaat het om een andere rechtsvordering van of tegen de gefailleerde als bedoeld in art. 25 lid 1 Fw, dan kan de wederpartij schorsing van de procedure verzoeken, teneinde de curator in het geding te roepen (de art. 27 en 28 Fw). Art. 30 lid 1 Fw bepaalt dat geen schorsing plaatsvindt als de stukken zijn overgelegd voor vonnis. Volgens art. 30 lid 2 Fw wordt dat anders als op grond van het gewezen vonnis het geding wordt voortgezet bij dezelfde rechter; dan zijn de art. 27-29 Fw weer van toepassing.

3.4

De Faillissementswet regelt niet het geval dat op het tijdstip van de faillietverklaring reeds einduitspraak is gedaan, maar nog geen rechtsmiddel is aangewend en de rechtsmiddeltermijn nog loopt. Het hiervoor aangehaalde art. 25 lid 1 Fw heeft daarop geen betrekking, want die bepaling ziet uitsluitend op het instellen van rechtsvorderingen ná het uitspreken van het faillissement. In het geval van een al aanhangige procedure is de rechtsvordering al ingesteld. Art. 25 lid 1 Fw en ook de andere bepalingen van de art. 25-31 Fw gaan niet in op het aanwenden van een rechtsmiddel.

3.5

Uit het hiervoor nog niet aangehaalde art. 25 lid 2 Fw volgt dat de gefailleerde niet zijn procesbevoegdheid verliest als gevolg van het faillissement. Volgens art. 25 lid 2 Fw heeft een rechtsvordering als bedoeld in art. 25 lid 1 Fw die na het faillissement door of tegen de gefailleerde wordt ingesteld of voortgezet, uitsluitend geen rechtskracht tegen de boedel (in het geval van een al aanhangige procedure bevatten de art. 27 en 28 Fw in verband daarmee een nadere voorziening, die aanvangt met een desverzochte schorsing en het in het geding roepen van de curator en die de mogelijkheid opent dat de boedel wel wordt gebonden). In de wetsgeschiedenis staat echter met zoveel woorden en in de rechtspraak is dan ook beslist dat, in het geval dat de gefailleerde tijdens het faillissement een procedure begint over een rechtsvordering als bedoeld in art. 25 lid 1 Fw, de wederpartij aan die bepaling een exceptie kan ontlenen. De arresten uit 1914 en 2020 die Monitor c.s. voor hun incidentele vordering inroepen, hebben hierop betrekking. In die arresten is beslist dat de wederpartij in dat geval een beroep op niet-ontvankelijkheid kan doen.

3.6

De arresten uit 2014 en 2020 hebben, evenals art. 25 lid 1 Fw, geen betrekking op het geval dat een procedure al aanhangig is ten tijde van het uitspreken van het faillissement. Als de procedure betrekking heeft op rechtsvorderingen als bedoeld in de art. 27 en 28 Fw, kan de wederpartij als gezegd de curator in het geding roepen. Daardoor kan worden bezien of deze de procedure wil overnemen of onmiddellijk toegeeft aan het standpunt van de wederpartij (zie beide bepalingen). Desgewenst kan de wederpartij echter ook zonder de curator in het geding te roepen verder procederen tegen de gefailleerde. Gevolg daarvan is slechts dat de boedel niet wordt gebonden, zoals genoemd art. 25 lid 2 Fw inhoudt. Op hetgeen geldt voor de rechtsvorderingen als bedoeld in de art. 29 Fw, wordt hierna in 3.7 e.v. ingegaan.

De arresten uit 1914 en 2020 hebben, opnieuw evenals art. 25 lid 1 Fw, evenmin betrekking op het aanwenden van een rechtsmiddel. In het arrest uit 2020 is bovendien met zoveel woorden beslist, mede onder verwijzing naar art. 25 lid 2 Fw, dat de gefailleerde zijn procesbevoegdheid behoudt. De gefailleerde kan op zichzelf dus na het faillissement rechtsgeldig een rechtsmiddel aanwenden tegen een uitspraak. Wil zijn wederpartij ex art. 27 of 28 Fw de curator in het geding betrekken, dan kan zij dat onmiddellijk daarna doen, als het rechtsmiddel en daarmee de procedure (weer) aanhangig is. Dat geldt ook als de wederpartij zelf het rechtsmiddel aanwendt. Een andere manier om de curator in het geding te krijgen, kennen de art. 27 en 28 Fw niet, zodat het voor de hand ligt om dit (dus) de (door de wet) aangewezen wegen te achten. In die zin heeft de Hoge Raad dan ook uitdrukkelijk beslist in 1983. In het arrest hierover is overwogen:

“3.2 Het eerste middel stelt de vraag aan de orde wat rechtens het gevolg is van de omstandigheid dat de partij die zelf in hoger beroep komt van een uitspraak betreffende een door haar voor haar faillietverklaring ingestelde rechtsvordering, ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding in staat van faillissement verkeert.

Het antwoord op deze vraag vloeit niet rechtstreeks voort uit de art. 25 e.v. Fw maar kan wel uit de strekking en het stelsel van deze bepalingen worden afgeleid. Daarbij is, nu het gaat om een rechtsvordering welke voor diens faillissement is ingesteld door de schuldenaar, in het bijzonder te letten op het bepaalde in art. 27. Indien een door de schuldenaar ingestelde rechtsvordering ten tijde van diens faillietverklaring aanhangig is, geeft deze bepaling de wederpartij van de gefailleerde, in verband met het bepaalde in het tweede lid van art. 25, de bevoegdheid het geding te doen schorsen om de curator tot overneming van het geding op te roepen en om, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft, hetzij ontslag van instantie te vragen, hetzij de procedure 'buiten bezwaar van den boedel' voort te zetten met de gefailleerde zelf. Het strookt met de strekking en het stelsel van de hier bedoelde bepalingen aan te nemen dat, indien de gefailleerde zelf in hoger beroep komt van een uitspraak betreffende een door hem voor zijn faillietverklaring ingestelde rechtsvordering, zijn wederpartij dezelfde bevoegdheid heeft als hem in art. 27 wordt toegekend. Dat de gefailleerde zelf in hoger beroep komt, heeft derhalve niet ten gevolge dat hij in dat beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, doch enkel dat zijn wederpartij voormelde bevoegdheden krijgt, terwijl de curator overeenkomstig het derde lid van art. 27 bevoegd wordt de appelprocedure over te nemen en de gefailleerde buiten het geding te doen stellen.”

Nadien heeft de Hoge Raad in dezelfde zin beslist voor de wederpartij bij art. 27 Fw: deze kan zijn rechtsmiddel richten tegen de gefailleerde en daarna, als het rechtsmiddel aanhangig is, op de voet van art. 27 Fw de curator in het geding betrekken.

Procedure ex art. 29 Fw

3.7

Wat minder duidelijk ligt het op het eerste gezicht voor procedures die betrekking hebben op rechtsvorderingen als bedoeld in art. 29 Fw. Deze worden op grond van art. 29 Fw van rechtswege geschorst door het faillissement. Naar volgt uit art. 30 Fw, geldt dat echter onder meer niet als een einduitspraak is gedaan. Dat is er namelijk geen aanhangige rechtsvordering in de zin van art. 29 Fw. Een van partijen zal dan dus een rechtsmiddel moeten aanwenden, wil (de uitspraak niet onherroepelijk worden en) de schorsing kunnen intreden. Vanaf het moment dat de daarmee geopende nieuwe instantie eenmaal aanhangig is (de art. 27-29 Fw eisen aanhangigheid), kan de schorsing van rechtswege intreden, op grond of naar analogie van art. 29 Fw. Dan kan echter wel pas als de zaak ook is aangebracht. Pas daarna treedt de schorsing ex art. 29 Fw daarom in, aldus de rechtspraak.

3.8

Het ligt voor de hand dat het rechtsmiddel tegen de curator wordt ingesteld en dat de curator zelf het rechtsmiddel kan instellen. Rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, worden immers blijkens de art. 26 en 29 Fw – en ook andere bepalingen van de Faillissementswet – steeds door de curator afgewikkeld. De wederpartij zal er echter niet altijd op bedacht zijn dat hij beroep moet instellen tegen de curator (door onbekendheid met het faillissement of door het niet onderkennen van de precieze gevolgen daarvan). De curator zal ook niet altijd op tijd op de hoogte zijn van de procedure of voldoende tijd hebben om een beslissing te nemen over de aanwending van een rechtsmiddel en daarnaar te handelen. Het ligt daarom in de rede aan te nemen dat ook hier heeft te gelden dat het rechtsmiddel ook door en tegen de gefailleerde kan worden ingesteld. Ook hier geldt bovendien dat de gefailleerde procesbevoegd is gebleven. Na het instellen van het rechtsmiddel treedt dan dus onmiddellijk de schorsing van de procedure in op grond van art. 29 Fw.

Met dit stelsel wordt niet tekort gedaan aan de belangen van de boedel en die van de wederpartij. Het gevolg ervan verschilt immers niet van hetgeen geldt bij een lopende procedure als bedoeld in art. 29 Fw (namelijk dat de procedure tussen de gefailleerde en de wederpartij wordt stopgezet, om alleen te worden voortgezet als de verificatie van de vordering wordt betwist). Voordeel van dit stelsel is als gezegd dat de wederpartij die niet op de hoogte is van het faillissement of daarop niet adequaat reageert, wordt beschermd. Voordeel is bovendien dat de gefailleerde zijn belangen alsmede die van de schuldeisers in zijn faillissement die de vordering van de wederpartij zouden willen betwisten, kan veiligstellen door de aanwending van het rechtsmiddel, zonder dat dit op enige wijze ten koste gaat van de boedel. Wordt geen rechtsmiddel aangewend, dan wordt de uitspraak onherroepelijk jegens hem, de boedel en de schuldeisers in het faillissement.

3.9

Er is echter een aantal arresten dat, minst genomen, suggereert dat het rechtsmiddel uitsluitend door en tegen de gefailleerde kan worden ingesteld. Dat zijn de drie in voetnoot 13 genoemde arresten. In het eerste daarvan, het arrest The Mill Resort (een Arubaanse zaak), wordt overwogen:

“Is op dit moment reeds vonnis gewezen of doet zich het geval van art. 26 lid 1 FV voor, dan geldt voor het voortzetten van het geding in appel of cassatie dat zulks tegen of door de curator moet geschieden: art. 21 FV.”

Deze overweging is herhaald in het arrest Wertenbroek q.q./ […] (zonder verwijzing naar 25 Fw echter). In het arrest Van der Schee q.q./Verweerster wordt overwogen “Ongeacht of de schuldeiser dan wel de curator verzet doet, in hoger beroep gaat of cassatieberoep instelt, moet ervan worden uitgegaan” (enz.), achter welke overweging dezelfde gedachte lijkt schuil te gaan.

In geen van deze uitspraken was echter de vraag aan de orde of het rechtsmiddel niet ook door of tegen de gefailleerde kan worden ingesteld, zodat de vraag is of daarin wel een beslissing op dit punt mag worden gelezen. Het hiervoor in voetnoot 14 genoemde arrest uit 2000 wijst een andere kant uit. Hierin had de gefailleerde zelf hoger beroep ingesteld tegen het vóór zijn faillissement gewezen vonnis. Hij had echter verzuimd om de appeldagvaarding tijdig aan te brengen. De Hoge Raad oordeelde dat de procedure in hoger beroep daardoor niet ex art. 29 Fw was geschorst – omdat het hoger beroep daarvoor ook aangebracht moest zijn bij het hof – en dat het hof hem om die reden terecht niet-ontvankelijk had geoordeeld in zijn hoger beroep. Zou de Hoge Raad van oordeel zijn geweest dat de gefailleerde niet zelf beroep kan instellen, dan had het voor de hand gelegen dat hij dit in de uitspraak tot uitdrukking had gebracht.

3.10

De literatuur en de lagere rechtspraak zijn niet eenduidig over de hier besproken kwestie. De meeste auteurs zwijgen. Wessels schrijft op de ene plaats dat de gefailleerde en de curator beide bevoegd zijn om een rechtsmiddel aan te wenden, en op de andere plaats dat alleen de curator daartoe bevoegd is. Groot meent dat zowel de curator als de gefailleerde een rechtsmiddel kan aanwenden. Ook Verstijlen meent dat ook de gefailleerde een rechtsmiddel kan aanwenden. De lagere rechtspraak – waarvoor ik verwijs naar de juist aangehaalde auteurs – loopt als gezegd uiteen. De uitspraken die menen dat het rechtsmiddel uitsluitend door en tegen de curator kan worden ingesteld, verwijzen veelal naar de juist hiervoor in 3.9 genoemde uitspraken van de Hoge Raad.

3.11

Het stelsel dat het rechtsmiddel ook door en tegen de gefailleerde kan worden ingesteld, lijkt me om de hiervoor in 3.8 al genoemde redenen het meest passend. Als gezegd blijft de gefailleerde procesbevoegd. De verwijzing in het arrest The Mill Resort naar art. 25 Fw is onjuist. Daarin staat immers als gezegd niets over de aanwending van rechtsmiddelen. In de latere arresten is de verwijzing naar art. 25 Fw dan ook weggelaten. Genoemd stelsel komt als gezegd overeen met wat bij de art. 27 en 28 Fw geldt en leidt daarmee tot een uniform regime, wat de voorspelbaarheid en dus de rechtszekerheid ten goede komt. Dat uniforme regime heeft ook het voordeel dat in zaken zoals de onderhavige, waarin verschillende vorderingen aan de orde zijn, die onder verschillende bepalingen van de art. 27-29 Fw vallen, één en dezelfde regel bepaalt wie een rechtsmiddel kan aanwenden.

In het arrest Van der Schee q.q./Verweerster heeft de Hoge Raad met zoveel woorden beslist dat het rechtsmiddel in de onderhavige situatie in de eerste plaats wordt aangewend om te voorkomen dat de bestreden uitspraak onherroepelijk wordt (rov. 3.3.5). Het kunnen voorkomen daarvan vormt (ook) blijkens het in voetnoot 14 genoemde arrest uit 2000 (rov. 3.4) een wezenlijk gezichtspunt in dit verband. Ook daarbij past genoemd stelsel.

Dat stelsel is als gezegd ook passend gelet op de belangen van zowel de schuldenaar, als de schuldeisers, die daarbij niet afhankelijk zijn van (uitsluitend) het tijdig op de hoogte zijn en op het tijdig handelen van de curator, die soms zelfs geen brood zal zien in de geringe kosten en moeite van enkel het aanwenden van een hoger beroep (de kosten van verzet en cassatie zijn sowieso substantieel doordat de gronden al bij het aanwenden van het rechtsmiddel moeten worden aangevoerd).

3.12

Het stelsel van de art. 25-31 Fw geldt onmiskenbaar opdat, kort gezegd, de gefailleerde de boedel – en de daarbij betrokken schuldeisers – niet kan benadelen door het voeren van procedures en geen (nieuwe) onverhaalbare vorderingen kan veroorzaken voor de partij tegen wie hij procedeert. Die strekking bepaalt ook de reikwijdte van dat stelsel. Vandaar dat de rechtspraak van de Hoge Raad bijvoorbeeld inhoudt dat het ontslag van instantie van art. 27 lid 2 Fw geweigerd kan worden op grond van een belangenafweging en dat die afweging in beginsel in het voordeel van de gefailleerde uitvalt als ten behoeve van hem zekerheid is gesteld voor de proceskosten van de wederpartij. De ratio van de regeling van de art. 25-31 Fw doet zich dan niet voor. Hetzelfde geldt naar ik meen voor het geval dat wordt toegestaan dat het rechtsmiddel ook door en tegen de gefailleerde kan worden ingesteld.

3.13

Naar ik meen heeft daarom te gelden dat het rechtsmiddel met betrekking tot een uitspraak over een rechtsvordering als bedoeld in art. 29 Fw ook door en tegen de gefailleerde kan worden ingesteld.

Toepassing van de art. 25-31 Fw dient per vordering te worden bezien

3.14

Als sprake is van objectieve cumulatie of van vorderingen in zowel conventie als in reconventie, moet per vordering worden bezien onder welke van de bepalingen van de art. 27-29 Fw deze valt en dienovereenkomstig worden gehandeld. Eventueel dient dus een splitsing plaats te vinden. Bij de vraag of die splitsing moet plaatsvinden, speelt wel een rol of aan bepaalde vorderingen, die op zichzelf onder een andere bepaling vallen, wel zelfstandige betekenis toekomt. Zo te zien, speelt dit laatste niet in deze zaak.

Toepassing in dit geval

3.15

Op de vorderingen van Monitor c.s. op Brampton en Visionlead in dit geding (in conventie) is art. 29 Fw van toepassing, nu dit gewone geldvorderingen zijn die dateren van voor het faillissement (zie hiervoor in 2.1). Op de vorderingen van Brampton en Visionlead op Monitor c.s. (in reconventie) is art. 27 Fw van toepassing. Uit het voorgaande volgt dat Brampton en Visionlead ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep wat betreft alle vorderingen. De verwijzing door Monitor c.s. naar de arresten van de Hoge Raad uit 1914 en 2020 mist doel, nu die arresten niet zien op de aanwending van een rechtsmiddel en (ook) de gefailleerde, blijkens het voorgaande, gerechtigd is om een rechtsmiddel in te stellen.

Aan het beroep op gebrek aan belang dat Brampton en Visionlead bij hun verweer hebben gedaan (zie hiervoor in 3.2), wordt dus niet toegekomen. Overigens is bij de ontvankelijkheid van een partij in een rechtsmiddel als partij die wel of niet dat rechtsmiddel kan instellen, het belang van de wederpartij niet aan de orde. Aan de niet-ontvankelijkheid van Brampton en Visionlead in dit cassatieberoep zou dus niet hebben afgedaan dat Monitor c.s. daarbij praktisch geen belang zouden hebben.

Slotsom

3.16

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen. Voorts volgt uit het voorgaande dat dit cassatiegeding, wat betreft de vorderingen van Monitor c.s. op Brampton en Visionlead in conventie, van rechtswege is geschorst op grond van art. 29 Fw, sinds de zaak bij de Hoge Raad aanhangig is (30 juni 2026). Wat betreft de vorderingen in reconventie van Brampton en Visionlead op Monitor c.s. kunnen Monitor c.s. desgewenst gebruikmaken van de mogelijkheden die art. 27 Fw hen geeft. Deze cassatieprocedure wordt (in elk geval) voortgezet wat betreft de vorderingen van Monitor c.s. in conventie op [A] en [B] en de vorderingen van [A] en [B] in reconventie op Monitor c.s. [A] en [B] verkeren als gezegd niet in staat van faillissement.

4 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat:

- de incidentele vordering wordt afgewezen;

- de Hoge Raad verstaat dat het geding in conventie tussen Monitor c.s. enerzijds en Brampton en Visionlead anderzijds vanaf 30 juni 2026 op grond van art. 29 Fw van rechtswege is geschorst.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Zie voor die vorderingen en de bedragen ervan rov. 3.3 van het arrest van het hof. Vgl. de vaststelling van de grondslag van de vorderingen door het hof in rov. 3.7. Zie voor die vorderingen rov. 3.4 van het arrest van het hof. Vgl. opnieuw de vaststelling van de grondslag van de vorderingen door het hof in rov. 3.7. Rb. Oost-Brabant 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3851, JOR 2025/154, m.nt. N.J. van Reijn. Hof ’s-Hertogenbosch 31 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:865. Zie de procesinleiding in cassatie, onder 0.1, en de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers tot cassatie onder 1 en 3 in hun cassatieberoep, p. 2. De faillissementen zijn te kennen uit het Centraal Insolventieregister, https://insolventies.rechtspraak.nl/#!/details/03.lim.26.136.F.1300.1.26, en https://insolventies.rechtspraak.nl/#!/details/03.lim.26.135.F.1300.1.26. HR 1 mei 1914, NJ 1914, p. 709, en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1243, NJ 2020/325, m.nt. F.M.J. Verstijlen. Zie aldus ook met zoveel woorden HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100, NJ 2021/309, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.3.3. HR 18 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4693, NJ 1984/256, m.nt. W.H. Heemskerk & W.C.L. van der Grinten (Noord-Braband c.s./Omega c.s.). Zie evenzo HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5543, NJ 2005/488, rov. 3.2-3.3.1, onder verwijzing naar het arrest NV NBM c.s./Omega c.s. en A-G de Bock, conclusie voor HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2220, NJ 2018/471, onder 4.14. HR 22 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1161, NJ 1991/606, m.nt. H.J. Snijders (Li q.q./BLS), rov. 3.2.2. Vgl. voorts bijv. Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/281, en GS Faillissementswet, art. 27 Fw, aant. 2 en 7 (M.P. van Eeden-van Harskamp, actueel t/m 4 mei 2025). Zie o.m. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100, NJ 2021/309, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Van der Schee q.q./Verweerster), rov. 3.2.2. Zie aldus HR 9 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1440, NJ 1995/5 (The Mill Resort), rov. 3.2, HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0070, NJ 2009/55 (Wertenbroek q.q./ […] ), rov. 3.3, en HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100, NJ 2021/309, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Van der Schee q.q./Verweerster), rov. 3.3.3. Zie HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5261, NJ 2000/601, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4, en HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100, NJ 2021/309, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Van der Schee q.q./Verweerster), rov. 3.3.3-3.3.5. Terzijde merk ik op dat in het hiervoor in voetnoot 13 genoemde arrest Wertenbroek q.q./ […] werd beslist dat de curator met het instellen van het rechtsmiddel het geding overneemt en dus voortzet, en dat derhalve geen schorsing plaatsvindt, maar dat in het eveneens hiervoor in voetnoot 13 genoemde arrest Van der Schee q.q./Verweerster de Hoge Raad van die beslissing is teruggekomen en hij heeft beslist dat ook in dat geval schorsing van de procedure plaatsvindt. Zie voor dit laatste HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8092, NJ 2012/376, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dekker q.q./Verweerster), rov. 3.4, op een na laatste alinea. Wordt de vordering naderhand alsnog in het faillissement bij de verificatie erkend, dan heeft de gefailleerde de escape van art. 197 Fw. Zie nader over de betekenis van die escape i.v.m. art. 1 EP EVRM HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1067, NJ 2023/291, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 5.4. Rov. 3.2 tweede alinea. Art. 26 lid 1 FV luidt gelijk aan art. 30 lid 1 Fw en art. 21 FV gelijk aan art. 25 Fw. Wessels Insolventierecht II 2019/2420. Wessels Insolventierecht II 2019/2420a, onder ‘Rechtsmiddel van verzet’, met de opmerking dat dit een vaste lijn is en (slechts) onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4700. E.F. Groot, Faillissementsprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 134-135, mede met verwijzing naar een anders luidende uitspraak. Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/282, laatste alinea, met verwijzing naar Hof Amsterdam 2 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1839, JOR 2025/64, m.nt. M.C. van Genugten, RBP 2024/86, die Verstijlen ziet als een verandering van rechtspraak. Ook Van Genugten onderschrijft het oordeel van het hof in dit arrest in zijn noot daaronder in de JOR. Zie eerder in dezelfde zin als de in vorige voetnoot genoemde uitspraak van het hof Amsterdam, Hof ’s-Hertogenbosch 9 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2377, JOR 2019/265, m.nt. A.C.A.D. Bakker. Zie aldus ook, zoals in hiervoor in voetnoot 9 al gezegd, HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2100, NJ 2021/309, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.3.3. Zie voor de regel dat bij verschillende vorderingen per vordering dient te worden nagegaan welke van de bepalingen van art. 27-29 Fw van toepassing is, hierna in 3.14. Vgl. voor het eerste o.m. Van der Feltz I, p. 389 (MvT bij art. 30), en het hierna in voetnoot 28 te noemen arrest SRC-Cultuurvakanties, rov. 3.3.1, en voor het tweede de regelingen van de art. 27 en 28 Fw, die hierop zijn gericht. Vgl. HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1527, NJ 2019/449, rov. 3.2.2. Zie voor meer rechtspraak bijv. T&C Insolventierecht, commentaar op art. 27 Fw (F.M.J. Verstijlen, actueel t/m 26-08-2026). Vgl. wat betreft objectieve cumulatie reeds Van der Feltz I, p. 387, waar de vorderingen tot ontbinding en tot schadevergoeding als voorbeeld worden genoemd. Vgl. wat betreft conventie en reconventie HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1310, NJ 2016/301, rov. 3.1-3.2. Zie overigens bijv. Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/279-280. HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675, NJ 2015/305, m.nt. H.J. Snijders (SRC-Cultuurvakanties), rov. 3.5.2, en HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:887, NJ 2023/199 (Helpling/FNV c.s.), rov. 3.3.3. Niet alle vorderingen zijn door alle eisende partijen ingesteld tegen alle verweerders. Zie de vaststellingen waarnaar hiervoor in 2.1 en 2.2 is verwezen.
ECLI:NL:PHR:2026:1013 – Faillissementsrecht. Incident in cassatie. Ontvankelijkheid… | Uitspraken.nl