Strafrecht overig

Afzonderlijke beschikking tot o.a.h.v. ex art. 552f Sv. Art. 23.2 Sv, oproepen belanghebbende. Motorfiets…

Zaakgegevens

Op 13 september 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 september 2016
Datum publicatie
1 november 2016
Zaaknummer
15/04243
ECLI
ECLI:NL:PHR:2016:1050
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Afzonderlijke beschikking tot o.a.h.v. ex art. 552f Sv. Art. 23.2 Sv, oproepen belanghebbende. Motorfiets inbeslaggenomen onder belanghebbende, die vervolgens niet is opgeroepen voor de behandeling van de vordering van de OvJ tot o.a.h.v. in raadkamer. Art. 23.2 Sv brengt mee dat belanghebbende voor de raadkamerbehandeling had moeten worden opgeroepen. Uit de aan de HR toegezonden stukken kan niet van zo’n oproeping blijken, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dit verzuim heeft betrekking op een wezenlijke grondslag van de raadkamerprocedure, zodat het nietigheid van het onderzoek meebrengt, ook al is deze niet met zoveel woorden in de wet bedreigd.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 13 september 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2016:1050

  2. Hoge Raad · 1 november 2016

    ECLI:NL:HR:2016:2461

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 15/04243 B

Zitting: 13 september 2016

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[belanghebbende = betrokkene]

  1. De Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 16 april 2015, op een vordering van de officier van justitie als bedoeld in de artt. 36b Sr en 552f Sv, de onttrekking aan het verkeer gelast van een onder de betrokkene inbeslaggenomen motorfiets.

  2. Namens de betrokkene heeft mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te ’s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de betrokkene ten onrechte niet is opgeroepen voor de behandeling van de vordering van de officier van justitie in raadkamer van 16 april 2015.

3.2. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de behandeling van de voornoemde vordering in raadkamer van 22 januari 2015 (bij welke behandeling de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman is verschenen) voor onbepaalde tijd geschorst, met een door de rechter gegeven bevel tot oproeping van de betrokkene en zijn raadsman tegen nader te bepalen zitting. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de betrokkene noch diens raadsman bij het onderzoek in raadkamer van 16 april 2015 verschenen.

3.3. Art. 23 lid 2 Sv brengt mee dat de betrokkene had moeten worden opgeroepen voor het onderzoek in raadkamer van 16 april 2015. Nu uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken niet van zo een oproeping blijkt, moet ervan worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Dit verzuim brengt nietigheid van het onderzoek mee (vgl. HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1023). Het middel slaagt.

4. Gelet op het vorenstaande behoeft het tweede middel, dat zich richt tegen de door de rechtbank gegeven last, geen afzonderlijke bespreking.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, opdat de zaak op de bestaande vordering opnieuw wordt behandeld.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG