Strafrecht overig

N-o verklaring in h.b. Geen afschrift van de appeldagvaarding aan raadsman van verdachte toegezonden, art. 48…

Zaakgegevens

Op 11 december 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 december 2018
Datum publicatie
6 februari 2019
Zaaknummer
18/01540
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1482
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

N-o verklaring in h.b. Geen afschrift van de appeldagvaarding aan raadsman van verdachte toegezonden, art. 48 Sv. Op gronden zoals vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: de stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van verdachte een afschrift van de dagvaarding in h.b. aan een voor hem optredend raadsman is verzonden. Een stelbrief van de advocaat en een verzendcontrolerapport waaruit succesvol ontvangst daarvan door de griffie van het Hof is op te maken, zijn wel aanwezig. Daaruit vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. de dagvaarding in h.b. het voorschrift vervat in art. 48 Sv niet is nageleefd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2018:1482

  2. Uitspraak · 2018

    ECLI:NL:GHDHA:2018:936
  3. Hoge Raad · 5 februari 2019

    ECLI:NL:HR:2019:172

    (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen

Conclusie

Nr. 18/01540

Zitting: 11 december 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 maart 2018 de verdachte bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat art. 48 Sv in hoger beroep niet is nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte toe te zenden.

  4. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de verdachte een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan een voor de verdachte optredend raadsman is gezonden.

  5. Aan de cassatieschriftuur is gehecht een kopie van een brief van 11 december 2017 van mr. M.A. van de Weerd, gericht aan de strafgriffie van het Gerechtshof Den Haag, waarin hij bericht op te treden als raadsman voor de verdachte in de zaak met het parketnummer 09/797398-16.

  6. Aan de cassatieschriftuur is voorts gehecht een verzendcontrolerapport waaruit valt af te leiden dat voornoemde brief, die in het rapport is afgedrukt, op 11 december 2017 om 15:21 uur succesvol is verzonden aan het (fax)nummer 088-6990210, zijnde het destijds geldende faxnummer van de strafgriffie van het Gerechtshof Den Haag.

  7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de verdachte noch een voor de verdachte optredend raadsman verschenen.

  8. Uit het voorgaande vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift vervat in art. 48 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.

9. Het middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1293; HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2721; HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, NJ 2013/416, m.nt. Borgers; HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743; HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375 en HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8811.