Strafrecht overig
Conclusie AG. Beklagzaak ex art. 552a Sv. Cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat het beslag op grond van…
ECLI:NL:PHR:2022:1078 · Parket bij de Hoge Raad · 22 november 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2022-1078
Zaakgegevens
Op 22 november 2022 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 november 2022
- Datum publicatie
- 19 november 2022
- Zaaknummer
- 20/03871
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:1078
Samenvatting
Conclusie AG. Beklagzaak ex art. 552a Sv. Cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat het beslag op grond van art. 134 lid 2 sub c is geëindigd. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 november 2022deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2022:1078
Hoge Raad · 20 december 2022
ECLI:NL:HR:2022:1914
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03871 B
Zitting 22 november 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster 2] ., gevestigd te [vestigingsplaats]
[klaagster 1] , gevestigd [vestigingsplaats]
hierna: de klaagsters
1 Het cassatieberoep
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 3 november 2020 het klaagschrift van de klaagsters, [klaagster 1] (hierna: [klaagster 1] ) en [klaagster 2] (hierna: [klaagster 2] ), strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hen van 458 onder [klaagster 1] inbeslaggenomen lampen, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagsters. Mr I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt het volgende:
(i) In het digitale beslagportaal van het openbaar ministerie is geregistreerd dat op 19 maart 2020 beslag is gelegd op 458 Dimlux expert 600W lampen en dat de lampen zijn getaxeerd op een totale waarde van € 70.761,-.
(ii) In het beslagportaal is voorts geregistreerd dat de “beheersbeslissing” van het openbaar ministerie van 31 maart 2020 inhoudt: “Deponeren en machtiging vernietigen obv 117”.
(iii) Tevens is op 31 maart 2020 in het beslagportaal de mededeling geregistreerd dat de goederen door de firma [A] zijn voorzien van “stickers” vermeldend het proces-verbaal nummer en het goednummer.
(iv) Als “huidige status” houdt het beslagportaal in: “22. Opdracht uitgevoerd door bewaarder – DRZ”.
(v) Per e-mailbericht heeft het beslagbureau laten weten dat bij beslissing van de officier van justitie van 31 maart 2020, de 458 Dimlux lampen zijn vernietigd door de Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Het beslagbureau heeft verder laten weten dat uit het politiesysteem blijkt dat de lampen behoorden bij een (in een loods aangetroffen) grote partij drugs gerelateerde goederen, die gebruikt worden bij het vervaardigen van softdrugs en bij de opbouw van een hennepplantage, en dat in de regel zulke goederen rechtstreeks worden vernietigd door DRZ.
Artikel 134 lid 2 Sv luidt:
“Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
(...)
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
(...)”
Op grond van het voorgaande en gelet op art. 117 Sv blijkt dat het beslag op 31 maart 2020 rechtsgeldig is beëindigd op grond van art. 134 lid 2 onder c Sv. Dat betekent dat de rechtbank de klaagsters niet ontvankelijk had dienen te verklaren in hun beklag als bedoeld in art. 552a Sv en de klaagsters niet ontvankelijk zijn in het cassatieberoep.
Ik merk ten overvloede op dat de strafrechter in het kader van de behandeling van de strafzaak ten gronde ex. art. 353 Sv een beslissing dient te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen en dat, indien alsnog de teruggave wordt bevolen terwijl dat feitelijk niet meer mogelijk is, de bewaarder van het voorwerp op grond van art. 119 lid 2 Sv overgaat tot betaling van de prijs die de voorwerpen redelijkerwijze bij verkoop zouden hebben opgebracht. Indien de officier van justitie besluit de onderliggende strafzaak te seponeren, is het aan hem om de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten. Deze last kan zich vertalen naar terugbetaling van de in art. 119 lid 2 Sv bedoelde waarde indien de voorwerpen inmiddels zijn vernietigd. Mocht een last tot teruggave uitblijven dan rest de klaagsters slechts een procedure bij de burgerlijke rechter.
3 Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagsters in hun cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG