Strafrecht overig
Conclusie AG. Opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, art. 2 onder C Opiumwet. Geen schriftuur houdende…
Parket bij de Hoge Raad, 13 december 2022
ECLI:NL:PHR:2022:1165 · Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2022-1165
Zaakgegevens
Op 13 december 2022 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 december 2022
- Datum publicatie
- 12 december 2022
- Zaaknummer
- 21/01728
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:1165
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, art. 2 onder C Opiumwet. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. Samenhang met 21/01003 en 21/01220.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 maart 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:819Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 december 2022deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2022:1165
Hoge Raad · 7 maart 2023
ECLI:NL:HR:2023:338
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/01728
Zitting 13 december 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
-
De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
-
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01003 en 21/01220. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 11 april 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Zij is op 22 en 29 maart 2022 (en naar ik begrijp ook op 5 april 2002) aangeboden aan het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], alwaar volgens de akte van uitreiking niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BRP-bevraging van 11 april 2022 blijkt dat dit adres sinds 25 november 2014 het BRP-adres van verdachte is.
-
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
-
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden