Strafrecht overig
Conclusie AG. Valsheid in geschrift en oplichting door ten onrechte de indruk te wekken dat was voldaan aan…
Parket bij de Hoge Raad, 9 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:566 · Parket bij de Hoge Raad · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-566
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Zaaknummer
- 23/04688
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:566
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Valsheid in geschrift en oplichting door ten onrechte de indruk te wekken dat was voldaan aan de voorwaarden voor de verstrekking van een lening door de Staat in het kader van de Seed Capital regeling (art. 225 en 326 Sr). De vier middelen zijn gericht tegen de bewezenverklaring. Het derde middel richt zich specifiek op het feitelijk leiding geven door de verdachte aan het strafbare handelen van een vennootschap. Het vierde middel voert aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een samenweefsel van verdichtsels. Alle middelen falen en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep (deels 81 RO). Samenhang met 23/04637.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 27 november 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:2847Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:566
Hoge Raad · 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1622
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04688
Zitting 9 juni 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 27 november 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-004447-19) wegens 1 primair "feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd", 2 primair “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd” en 3 primair “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 720 uur, te vervangen door 360 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04637. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.J.P. van Omme, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte was oprichter en middellijk bestuurder van het startersfonds [A] B.V. Dit startersfonds had in het kader van de Seed Capital regeling een overeenkomst met het ministerie van Economische Zaken gesloten. Voor het ministerie voerde AgentschapNL (de rechtsvoorganger van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de Seed Capital regeling uit. Deze regeling had als doel het door de overheid ondersteunen van startende innovatieve bedrijven bij het verkrijgen van voldoende risicokapitaal. De regeling bood de mogelijkheid voor een startersfonds om een investering in een ‘technostarter’ voor 50% te financieren met een lening van het ministerie. De andere 50% van de investering moest worden gedaan door het startersfonds. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat op basis van de overeenkomst gelden bij het AgentschapNL konden worden aangevraagd middels opnameformulieren. De verdachte heeft namens het startersfonds vier opnameformulieren ingevuld en ondertekend (of laten invullen en ondertekenen). Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij het invullen van de formulieren in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat door [A] B.V. een storting op een bepaalde datum is gedaan ten behoeve van een technostarter. AgentschapNL heeft naar aanleiding van de ingediende opnameformulieren in totaal € 850.000,00 aan [A] B.V. uitgekeerd. De verdachte heeft daarnaast (als feitelijkleidinggever) een aandeelhoudersverslag aan AgentschapNL verstuurd waarin investeringen/participaties zijn vermeld ten behoeve van de technostarters die in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden.
De middelen bevatten diverse bewijs- en motiveringsklachten ten aanzien van de onder 1 primair (middel 1) bewezenverklaarde valsheid in geschrift en de onder 2 primair (middelen 2, 3 en 4) bewezenverklaarde oplichting.
3 Het eerste middel
Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht komt met een aantal motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat het aandeelhoudersverslag een vals geschrift is in de zin van art. 225 lid 1 Sr. De tweede deelklacht komt op tegen de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
Voordat ik de deelklachten bespreek, geef ik eerst een aantal relevante stukken weer.
Bewezenverklaring, delen van de pleitnota en bewijsoverwegingen van het hof
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“ [A] B.V. op 31 oktober 2012 en 13 augustus 2013 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, als ware dat geschrift echt en onvervalst, immers heeft [A] B.V. een aandeelhoudersverslag van [A] B.V., derde kwartaal 2012, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, opgestuurd naar het Agentschap NL te ‘s-Gravenhage, en bestaande die valsheid daarin dat in dat aandeelhoudersverslag investeringen/participaties zijn vermeld die in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden of niet voor de in de aandeelhoudersrapportage genoemde bedragen, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2023 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt – voor zover van belang – in:
“Feit 1: valsheid in geschrift
68. Als feit 1 is tenlastegelegd dat [verdachte] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift als ware het echt/onvervalst.
69. Het zou gaan om het aandeelhoudersverslag van [A] , derde kwartaal 2012 (DOC-00066-057/58) dat naar de RVO is gestuurd in de periode 31 oktober 2012 - 13 augustus 2013.
70. De valsheid zou hierin bestaan dat het verslag participaties/investeringen zou vermelden die in werkelijkheid niet zijn gedaan.
71. De rechtbank heeft [verdachte] hiervan vrijgesproken omdat niet is gebleken dat uit het document volgt dat de daarin genoemde bedragen ook daadwerkelijk zouden zijn overgemaakt en dat het stuk met die intentie zou zijn opgemaakt en zou zijn verstuurd.
72. Mocht u daar anders over denken wijs ik u op het volgende:
I: Opgave van participaties is niet onjuist, laat staan vals
73. In het overzicht staat onder meer het volgende vermeld (p. 3): "overzicht participaties" en daaronder ''status [A] per 30 september (einde jaar 2)".
74. Nergens in het verslag wordt gesteld of gesuggereerd dat deze bedragen daadwerkelijk overgemaakte gelden betreffen.
75. Integendeel, de opgegeven waarden betreffen de met de Technostarter en RVO overeengekomen budgetten
76. Bij de onder (10.) genoemde vennootschap " [B] " wordt dat bovendien expliciet duidelijk gemaakt: er is aangegeven dat er een overeenkomst is getekend maar dat de investering nog niet geeffectueerd is (dit terwijl er een bedrag van EUR 200.00 bij [B] is aangegeven in het overzicht). [verdachte] probeerde hiermee aan te geven dat in tegenstelling tot de andere participaties bij [B] nog geen aandelen waren uitgegeven en verkregen.
77. Als het een overzicht van reeds gestorte gelden zou zijn geweest zou er bij [B] gewoon "0" zijn aangegeven. Reeds hieruit kan worden afgeleid dat het verslag geen overzicht betreft van daadwerkelijk aan de technostarter overgemaakte gelden. Het OM stelt in de appelschriftuur dat daaruit a contrario kan worden afgeleid dat de overige vermelde gelden wel zijn overgemaakt aan de technostarter. Dit is uiteraard geen sluitende redenering, temeer nu er een belangrijke contra-indicatie is.
78. [verdachte] had aan [betrokkene 1] al in de zomer 2012 aangegeven dat het private deel van EUR 100.000 van de participatie van EUR 200.000 in [C] niet zou worden gestort omdat het bedrijf stil lag (zie het proces-verbaal van zijn verhoor bij de rechter commissaris). [betrokkene 1] wist dan ook dat de EUR 200.000 die staat vermeld achter [C] nooit daadwerkelijk is gestort.
79. Anders gezegd: dat [B] niet was geeffectueerd betekende hier dat er nog aandelen moesten worden uitgegeven die zouden worden verkregen door [A] . Ik zal later nog ingaan op de wijze waarop de investering doof [A] werd geëffectueerd.
II: Het aandeelhoudersverslag is een aandeelhoudersverslag: het is opgesteld voor de aandeelhouders, die precies weten hoeveel er door [A] is geïnvesteerd,
80. Het verslag kan reeds daarom niet vals zijn. Ik voeg de helaas ongetekende brief waarmee [betrokkene 2] , Chief Administrative Officer van [A] , het verslag stuurt aan de aandeelhouders tezamen met een andere rapportage die even daarvoor aan de RVO is gestuurd (bijlage 4). [verdachte] heeft deze brief onlangs in een oude e-mail aangetroffen.”
De bewijsoverwegingen van het hof houden in, voor zover van belang:
“Bewijsoverwegingen
Het hof stelt de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte was oprichter en (middellijk, via [D] B.V. (verder [D] )) bestuurder van het startersfonds [A] BV (verder: [A] ). Dit startersfonds had een overeenkomst met het Ministerie van Economische Zaken gesloten in het kader van de Seed Capital regeling, en heeft in het kader van die overeenkomst geldbedragen ontvangen van het Ministerie. Voor het Ministerie voerde AgentschapNL (de rechtsvoorganger van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de Seed Capital regeling uit. Deze regeling had als doel het door de overheid ondersteunen van startende innovatieve bedrijven bij het verkrijgen van voldoende risicokapitaal. De regeling bood de mogelijkheid voor een startersfonds om een investering in een dergelijke ‘technostarter’ voor 50% te financieren met een lening van het ministerie. De andere 50% van de investering moest worden gedaan door het fonds. In het kader van deze regeling werden door de overheid renteloze leningen verstrekt, waarbij de lening werd uitgegeven voor (maximaal) hetzelfde bedrag als door onafhankelijke investeerders in de innovatieve bedrijven werd geïnvesteerd. Het fonds dat een lening ontving van de overheid had op grond van de regeling en de gesloten overeenkomst geen aflossings- of terugbetalingsverplichting. Wel moest het fonds een percentage van (eventuele) inkomsten betalen aan de overheid.
[medeverdachte] was in de tenlastegelegde periode bestuurder (middellijk, via [E] B.V.) van twee vennootschappen, namelijk [F] (vanaf 1-1-2013) en [G] B.V. (hierna: [G] ). Ook was hij (eveneens middellijk, via [E] B.V.) bestuurder van [I] B.V.
[C] was, net als [F] en [G] een technostarter, en had in de tenlastegelegde periode als (middellijk, via [H] B.V.) bestuurder, [betrokkene 3] .
Door [A] werd tweemaal een opnameformulier bij AgentschapNL ten behoeve van [G] (onder meer handelend onder de naam [naam] ) en eenmaal een opnameformulier ten behoeve van [F] ingediend. De bedragen die naar aanleiding van deze opnameformulieren werden uitgekeerd aan [A] bedroegen drie maal € 250.000,00. Door [A] werd ook een opnameformulier bij AgentschapNL ten behoeve van [C] ingediend. Het bedrag dat haar aanleiding van dit opnameformulier werd uitgekeerd aan [A] bedroeg € 200.000,00.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
De raadsman heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Er is geen sprake van valsheid in geschrift, nu het aandeelhoudersverslag naar waarheid, en ten behoeve van de aandeelhouders, is opgemaakt. De in het verslag opgenomen opgave van participaties is niet onjuist nu nergens in het verslag wordt gesteld of gesuggereerd dat de vermelde participatiebedragen daadwerkelijk overgemaakte gelden betreffen. Het verslag is als overzicht van lopende investeringen aan AgentschapNL gestuurd en uit het dossier blijkt niet dat AgentschapNL het verslag destijds zou hebben opgevat als een overzicht van aan de technostarter overgemaakte gelden door particuliere investeerders. De onder 2 tenlastegelegde oplichting kan evenmin worden bewezen, nu door de verdachte geen valse voorstelling van zaken is gegeven. De verdachte heeft de Seed Capital regeling zo uitgelegd - en ook mogen uitleggen - dat weliswaar door private investeerders hetzelfde bedrag aan investering als de door de overheid verstrekte lening aan het fonds diende te worden gestort, maar deze private investering kon tijdens de gehele looptijd van de leningen worden gedaan, Een verplichting tot gelijktijdige matching (het gelijktrekken van de investeringen met het bedrag van de lening) staat nergens vermeld, laat staan dat het overmaken van het geld van de leningen door AgentschapNL hiervan op enige wijze afhankelijk is gemaakt. Nu geen wettig en overtuigend bewijs bestaat voor de tenlastegelegde oplichting, kan het witwassen ook niet worden bewezen.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Valsheid in geschrift - feit 1 primair
De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde middellijk bestuurder van [A] en heeft in deze hoedanigheid een document genoemd ‘Aandeelhoudersverslag [A] B.V. Derde kwartaal 2012’ (verder ook: het document) opgesteld.
Dit document bevat onder andere een opsomming van tien technostarters, waarachter per technostarter een investeringsbedrag staat vermeld. Deze technostarters en investeringsbedragen staan weergegeven onder het kopje ‘Status [A] 2 per 30 september 2012 (einde jaar 2)’.
De verdachte heeft dit document (in ieder geval) tweemaal per e-mail aan AgentschapNL toegestuurd, namelijk op 31 oktober 2012 en 13 augustus 2013. Uit de context waarin die mails zijn verzonden, maakt het hof op dat de verdachte het document heeft verzonden om AgentschapNL het gevraagde inzicht te verschaffen in de uitvoering van het fondsplan door [A] . In het geval van de tweede mail schrijft de verdachte expliciet dat hij een overzicht van (onder andere) de verkregen participaties, stuurt middels het bijgevoegde aandeelhoudersverslag. Het betreft tevens het enige document dat de verdachte naar aanleiding van dat verzoek bij die mail heeft gevoegd.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit document niet ten behoeve van die informatievoorziening aan AgentschapNL is opgesteld, maar dat elke drie maanden een aandeelhoudersverslag ten behoeve van de aandeelhouders werd opgemaakt. Het hof stelt evenwel vast dat de administratie die bij de doorzoeking in de woning van de verdachte is aangetroffen enkel een exemplaar van dit voornoemde document bevatte. Uit de overige stukken in het dossier noch anderszins is gebleken dat (andere) aandeelhoudersverslagen onderdeel uitmaakten van de administratie, aan de aandeelhouders zijn verzonden en/of zich in de woning van de verdachte bevonden. Daarbij komt dat de verdachte in zijn e-mail van 13 augustus 2013 aan AgentschapNL opnieuw het aandeelhoudersverslag van het derde kwartaal 2012 toestuurde. terwijl er volgens zijn eigen verklaring dan al twee recentere exemplaren hadden moeten zijn.
Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat er in het geheel geen (andere) aandeelhoudersverslagen zijn opgemaakt. De verklaring van de verdachte dat dat wel het geval zou zijn, welke verklaring hij overigens voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, wordt als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Gelet op het ontbreken van andere aandeelhoudersverslagen, en nu ook anderszins niet is gebleken dat het ‘aandeelhoudersverslag van het derde kwartaal 2012’ daadwerkelijk is opgemaakt ten behoeve van de aandeelhouders, stelt het hof vast dat dit schriftelijk stuk enkel is opgemaakt ten behoeve van de informatieverstrekking aan AgentschapNL, Die lezing wordt overigens ook ondersteund door de vaststelling dat [A] in het algemeen heeft nagelaten enige administratie te voeren, terwijl het daartoe onder de overeenkomst met AgentschapNL wel verplicht was. Op de vraag of verslaglegging van de verschillende participaties is opgemaakt, verklaarde de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris op 5 november 2018 enkel dat een overzicht werd gemaakt van wie er eventueel interessant waren.
Uit de in het ‘aandeelhoudersverslag’ gebruikte bewoordingen leidt, het hof vervolgens af dat de in dit document vermelde investeringsbedragen zijn weergegeven om aan te geven dan wel om de suggestie te wekken dat deze bedragen reeds op 30 september 2012 (conform de Seed Capital regeling) waren geïnvesteerd, temeer nu ten aanzien van het bedrijf [B] een expliciete uitzondering is Weergegeven middels een asterix achter de naam van die technostarter. Daarbij is aangegeven dat die investering nog niet is geëffectueerd. Deze uitzondering is niet ten aanzien van enige andere technostarters in de lijst gemaakt. Het hof leest het document daarom zo dat is bedoeld te vermelden dat de overige negen investeringen wel al op 30 september 2012 waren gedaan, hetgeen overeenkomt met de vermelde informatie in de verschillende participatieformulieren die door [A] bij AgentschapNL zijn ingediend ter verkrijging van een deel van de investeringsbedragen. De bedragen in de formulieren achter de regel "huidige storting door het Startersfonds i.v.m. de participatie" zijn immers gelijk aan de bedragen, die per technostarter zijn vermeld in het ‘aandeelhoudersverslag’. Nu uit onderzoek naar voren is gekomen dat de in het document genoemde investeringen dan wel de daarin genoemde participaties (nog) niet allemaal hadden plaatsgevonden op 30 september 2012, is in voormelde context voldoende komen vast te staan dat het niet alleen ging om een vals stuk, maar ook dat de daarin vermelde informatie vals is.
Het toezenden van het valse document aan AgentschapNL door de verdachte in de hiervoor geschetste context betreft het gebruikmaken van een vals geschrift, hetgeen redelijkerwijs kan worden toegerekend aan [A] en waaraan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Het hof oordeelt dat de verdachte, gelet op de hiervoor geschetste context waarin het een en ander heeft plaatsgevonden, het schriftelijk stuk heeft ingezet als middel om AgentschapNL bewust een onjuiste voorstelling van zaken voor te houden, teneinde aan de informatieverstrekkingsverplichting te voldoen.”
De bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring rust, zijn opgenomen in een ‘aanvulling verkort arrest’ die als bijlage bij het arrest is gevoegd. Ik verwijs hier grotendeels naar deze bijlage en haal slechts bewijsmiddel 18 aan.
“18. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van de verdachte van 13 augustus 2013 (DOC-00066-058|.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Van: [betrokkene 4]
Verzonden: 13 augustus 2013
Aan: [verdachte]
(…)
Hoogachtend,
[betrokkene 4]
AgentschapNL
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Van: [verdachte]
Verzonden: 13 augustus 2013
Aan: [betrokkene 4]
(als bijlage toegevoegd een bestand genoemd:) […] . pdf
Geachte [betrokkene 4] ,
Dank voor uw brief van 2 augustus j.I. inzake uw voornemen tot handhaving van uw besluit van 9 april j.l.
De kern van uw standpunt is dat u niet voldoende inzicht heeft in de uitvoering van het fondsplan door [A] . U concretiseert dat u onvoldoende kunt vaststellen dat door [A] is voldaan aan haar verplichting tot volstorting van haar private aandeel. Voorts heeft u geen inzicht in de uitvoering van het fondsplan [A] , de door [A] verkregen participaties en de door TC V2 vervreemde participaties, de door TC V2 gerealiseerde verkrijgingsprijzen, de beheerskosten van [A] en de inkomsten van [A] .
U specificeert de informatie die u noodzakelijk oordeelt:
- de uitvoering van het fondsplan door [A] ;
- de door [A] verkregen participaties;
- de door [A] vervreemde participaties;
- de door [A] gerealiseerde verkrijgingsprijzen;
- de beheerskosten van [A] ; en
- de inkomsten van [A] .
Ik zend u hierbij:
- overzicht uitvoering fondsplan;
- overzicht verkregen participaties;
- overzicht vervreemde participaties;
- overzicht gerealiseerde verkrijgingsprijzen;
- overzicht beheerskosten;
- overzicht inkomsten.
Ik doe dit middels het bij deze mail bijgesloten document ‘aandeelhoudersrapportage derde kwartaal 2012 [A] B.V.’ dat ik op 31 oktober 2012 naar [betrokkene 1] , onze contactpersoon bij het Agentschap, heb verzonden. Sedertdien zijn er, ook doordat het Agentschap een aantal door [A] beoogde participaties heeft afgewezen, geen veranderingen geweest m.b.t. de uitvoering van het fondsplan.
(…)
Met vriendelijke groet,
[verdachte] ”
In de toelichting op de eerste deelklacht wordt aangevoerd dat het hof de valsheid van het aandeelhoudersverslag heeft aangenomen (mede) op de grond dat het verslag niet zou zijn opgesteld voor de aandeelhouders, maar als middel om AgentschapNL bewust een onjuiste voorstelling van zaken voor te houden en dat de in dit document vermelde investeringsbedragen zijn weergegeven om aan te geven of de suggestie te wekken, dat deze bedragen reeds op 30 september 2012 waren geïnvesteerd. Deze motivering van de valsheid van het aandeelhoudersverslag zou volgens de steller van het middel om diverse redenen tekortschieten.
Het hof heeft onder feit 1 primair, kort gezegd, bewezenverklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [A] B.V. opzettelijk gebruikmaken van een vals aandeelhoudersverslag van [A] B.V., derde kwartaal 2012. Dat gebruik bestond erin dat het aandeelhoudersverslag aan AgentschapNL is toegestuurd. De valsheid bestond erin dat in dat aandeelhoudersverslag investeringen/participaties zijn vermeld die in werkelijkheid niet hadden plaatsgevonden of niet voor de in de aandeelhoudersrapportage genoemde bedragen.
Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat de verdachte tweemaal per e-mail, te weten op 31 oktober 2012 en 13 augustus 2013 aan AgentschapNL het aandeelhoudersverslag heeft toegestuurd. Het hof heeft uit de context van die e-mails afgeleid dat de verdachte het document heeft verzonden om AgentschapNL het gevraagde inzicht te verschaffen in de uitvoering van het fondsplan door [A] B.V. Daarmee wijst het hof onder andere op de hiervoor onder 3.6 aangehaalde e-mail van de verdachte van 13 augustus 2013 waaruit volgt dat het aandeelhoudersverslag door de verdachte wordt opgestuurd als reactie op de mededeling dat AgentschapNL onvoldoende kon vaststellen dat door [A] B.V. was voldaan aan haar verplichting tot volstorting van haar private aandeel. Het hof heeft verder vastgesteld dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat de in het aandeelhoudersverslag genoemde investeringen dan wel de daarin genoemde participaties (nog) niet allemaal hadden plaatsgevonden op 30 september 2012. Deze vaststellingen, die in cassatie niet worden betwist, kunnen het oordeel van het hof dat het aandeelhoudersverslag vals is en dat de daarin vermelde informatie vals is, zelfstandig dragen.
Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet niet af hetgeen het hof heeft overwogen over het beoogde doel waarmee de aandeelhoudersverslag door de verdachte zou zijn opgesteld. Daarbij neem ik in aanmerking dat de bewezenverklaring is toegesneden op art. 225 lid 2 Sr en inhoudt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [A] B.V. opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift. Wat er ook verder zij van de verwerping van het verweer dat het aandeelhoudersverslag niet ter misleiding van AgentschapNL door de verdachte is opgesteld, voor de strafbaarheid van het gebruikmaken van een vals geschrift is irrelevant of het feitelijk gemaakte gebruik van het valse stuk overeenkomt met het door de vervalser beoogde gebruik. Evenmin wordt vereist dat het vervalsen of het valselijk opmaken van het geschrift een zelfstandig strafbaar feit oplevert.
Dat betekent dat de eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht houdt in dat het hof zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de in het aandeelhoudersverslag opgenomen bedragen geen opgave zou zijn van de daadwerkelijk gestorte of overgemaakte bedragen of als zodanig zou kunnen worden opgevat, omdat de contactpersoon bij AgentschapNL van in ieder geval één post zou weten dat dit bedrag nooit kon zijn overgemaakt. De steller van het middel wijst in dat verband op hetgeen in de pleitnota in de randnummers 68 tot en met 80 is aangevoerd.
De raadsman van de verdachte heeft in de pleitnota erop gewezen dat de verdachte de contactpersoon bij AgentschapNL in de zomer 2012 heeft aangegeven dat het private deel van EUR 100.000 van de participatie van EUR 200.000 in [C] niet zou worden gestort omdat het bedrijf stillag (randnummer 78). Het hof heeft dit onderdeel van de pleitnota kennelijk niet opgevat als een (afzonderlijk) uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat wat door de raadsman over die wetenschap bij AgentschapNL is aangevoerd, is aangedragen ter onderbouwing van het standpunt dat de opgave van participaties niet onjuist of vals is. Van een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is derhalve geen sprake en het hof is niet gehouden om op ieder detail van die argumentatie in te gaan.
De tweede deelklacht faalt en daarmee faalt het eerste middel.
4 Het tweede middel
Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit en valt uiteen in zes deelklachten. Ik haal weer een aantal relevante stukken aan:
Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen van het hof
Ten laste van de verdachte is onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“2. primair
[A] B.V. in de periode van 23 november 2011 tot en met 6 september 2012 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, AgentschapNL telkens heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen immers heeft [A] B.V, telkens - ter verkrijging van een geldlening in het kader van de Regeling SGO- een opnameformulier Regeling SGO bij AgentschapNL ingediend, dat in strijd met de waarheid inhield dat
- [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [G] B.V. in verband met het verkrijgen van een participatie in deze technostarter en
- [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 200.000 euro stort aan [C] B.V. in verband met het verkrijgen van een participatie in deze technostarter en
- [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [G] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter en
- [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [F] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter, waardoor [A] B.V. de suggestie heeft gewekt dat
- [A] B.V. conform de geldleningsovereenkomst met kenmerk […] voor het verkrijgen van participaties eigen geldelijke middelen heeft ingebracht in het investeringsbudget van die technostarters en
- de participaties genoemd op de opnameformulieren daadwerkelijk tot die bedragen hebben plaatsgevonden en
- [A] B.V. recht had op geldleningen in het kader van de Regeling SGO, waardoor AgentschapNL is bewogen tot de uitbetaling van geldleningen ten bedrage van 850.000 euro, aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.”
De bewijsoverwegingen van het hof houden ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde in:
“Oplichting – feit 2 primair
Op basis van de geldleningsovereenkomst tussen AgentschapNL en [A] konden gelden bij het AgentschapNL worden aangevraagd middels opnameformulieren. De verdachte heeft namens [A] de volgende opnameformulieren ingevuld en ondertekend:
- Een opnameformulier van 23 november 2011 ten behoeve van Fiber XS, waarin staat vermeld dat de huidige storting door het startersfonds in verband met de participatie € 500.000,00 bedraagt en de datum van de participatie 22-11-2011 is;
- Een opnameformulier van 24 november 2011 ten behoeve van [C] , waarin staat vermeld dat de huidige storting door het startersfonds in verband met de participatie € 200.000,00 bedraagt en de datum van de participatie 21-09-2011 is;
- Een opnameformulier van 25 juni 2012 ten behoeve van [G] , waarin staat vermeld dat de huidige storting door het startersfonds in verband met de participatie € 500.000,00 bedraagt en de datum van de participatie 22-11-2011 is; en
- Een opnameformulier van 21 augustus 2012 ten behoeve van [F] , waarin staat vermeld dat de huidige storting door het startersfonds in verband met de participatie € 500.000,00 bedraagt en de datum van de participatie 16-08-2012 is.
De vraag is of de verdachte de bij AgentschapNL ingediende opnameformulieren in strijd met de waarheid heeft ingevuld en AgentschapNL daarmee heeft opgelicht door een onjuiste voorstelling van zaken te geven.
Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Artikel 3 van de geldleningsovereenkomst tussen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken, en [A] ziet op de opname van de lening en bepaalt het navolgende
“Indien het starterfonds een participatie heeft verkregen na de indiening van de aanvraag om subsidie op grond van de hoofdstuk 4 van Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en over gaat of is gegaan tot betaling (onderstreping toegevoegd door het hof) aan de technostarter van de verkrijgingsprijs of van een deel daarvan, verricht de Staat op verzoek van het fonds een betaling aan het fonds ter hoogte van dat bedrag vermenigvuldigd met het percentage dat het maximale bedrag van de geldlening vormt van het investeringsbudget, met dien verstande dat de middelen die door een startersfonds per half kalenderjaar aan een technovennootschap worden verstrekt ten hoogste € 500.000 bedragen.
Het hof is van oordeel dat uit die tekst voldoende duidelijk wordt wat de bedoeling van de regeling is, zoals die ook uit de door [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter-commissaris op 8 februari 2019 beschreven werkwijze blijkt. [betrokkene 1] was in de tenlastegelegde periode werkzaam bij AgentschapNL en beoordeelde of de opnameformulieren konden worden ingediend, maar nam niet de finale beslissing op de aanvraag tot geldverstrekking. [betrokkene 1] heeft verklaard dat sprake moest zijn van een match ten tijde van het investeren in de technostarter. Op het moment van een geldoverboeking naar de technostarter moest zijn voldaan aan de "50%-matching"-eis met private middelen. Investeerders moesten een onvoorwaardelijke toezegging doen te gaan investeren en er moest aantoonbaar commitment aan de voorkant zijn. De lening vanuit AgentschapNL kon pas worden afgeroepen op het moment dat het geld daadwerkelijk werd overgemaakt of het plan tot overmaken - binnen twee weken - bestond. Het was volgens [betrokkene 1] zeker niet de bedoeling dat het fonds "ergens binnen de tien jaren" aan de eis van 50%- matching moest voldoen. Dit wordt ook bevestigd door de brief die op 4 september 2012 door AgentschapNL aan [A] is verzonden, waarin staat vermeld "in verband met de 1e storting in [F] B. V. zal ik binnenkort een bedrag van € 250.000 overmaken op (...) Dit bedrag is gelijk aan 50% van het door u geïnvesteerde bedrag van € 500.000."
Op het moment van het invullen van de opnameformulieren, althans in ieder geval binnen twee weken na het indienen daarvan, was aldus vereist dat [A] over private middelen ter hoogte van de helft van het investeringsbedrag beschikte. Deze voorwaarde komt ook tot uiting in de in het opnameformulier opgenomen bewoordingen "huidige stortingen door het fonds i.v.m. de participatie" en "datum participatie".
Dat ook de verdachte heeft begrepen dat de regeling het vorenstaande uitgangspunt had, blijkt uit de gedragingen van de verdachte zoals die onder feit 1 bewezen zijn verklaard. Wanneer de verplichting tot matching nog niet zou hebben bestaan, was er immers geen reden om hierover onjuiste informatie te verstrekken aan AgentschapNL
De verdachte heeft verklaard dat [A] nog niets had geïnvesteerd in de technostarters op het moment van het invullen van de opnameformulieren. Door de verdachte is voorts verklaard dat het de bedoeling was dat de aandeelhouders de private middelen later zouden "terugbetalen" aan [A] , omdat zij op het moment van het indienen van het opnameformulier nog niet in staat waren tot betalen. Bovendien werd volgens de verdachte soms voorgefinancierd, omdat slechts tweemaal per zes maanden een aanvraag mocht worden ingediend. De technostarter had het geld pas over een aantal maanden nodig en niet op moment van betaling. Uit voornoemde verklaringen van de verdachte concludeert het hof dat [A] op het moment van het aanvragen van gelden bij AgentschapNL dan wel binnen de daarop volgende twee weken, nog niet over de vereiste private middelen beschikte. Middels het invullen en indienen van het formulier, waarop met zoveel woorden staat dat een storting op een bepaalde datum is gedaan, is namens [A] het tegenovergestelde verklaard, waardoor de indruk is gewekt dat [A] voldeed aan de voorwaarden om de helft van het investeringsbedrag van AgentschapNL te mogen ontvangen.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte wist dat op basis van de geldleningsovereenkomst met AgentschapNL voor uitbetaling door AgentschapNL de voorwaarde was gesteld dat in het startersfonds private middelen moesten zijn gestort alsmede dat hij wist dat dit niet het geval was op het moment van het invullen van de opnameformulieren. Het desondanks invullen van de formulieren met die wetenschap, is een opzettelijke handeling om AgentschapNL te bewegen tot het uitbetalen van in totaal € 850.000,00, te weten de helft van het totaal van de verzochte investeringsbedragen. Deze uitbetalingen zijn ook daadwerkelijk door AgentschapNL gedaan naar aanleiding van die opnameformulieren. Deze handelingen kunnen redelijkerwijs worden toegerekend aan [A] . Het hof acht gelet daarop wettig en overtuigend bewezen dat [A] zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde oplichting. De verdachte heeft hieraan feitelijk leiding gegeven.
(…)
Bespreking van het middel
Om te beginnen merk ik op dat zowel in hoger beroep als in cassatie niet wordt betwist dat AgentschapNL over is gegaan tot betaling van in totaal € 850.000,-. Evenmin wordt betwist dat door [A] B.V. nimmer stortingen zijn gedaan ten behoeve van de in de tenlastelegging genoemde technostarters. Door de verdediging is in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit in de kern genomen betoogd dat AgentschapNL op grond van de geldleningsovereenkomst die was gesloten tussen AgentschapNL en [A] B.V., gehouden was tot het uitlenen van geld en dat er voor [A] B.V. geen verplichting bestond om de private inleg gelijktijdig met de lening van AgentschapNL over te maken. Deze opvatting ligt ten grondslag aan alle deelklachten, zodat ik deze gezamenlijk zal bespreken.
Ter onderbouwing van het ingenomen standpunt dat er voor [A] B.V. geen verplichting bestond om de private inleg gelijktijdig met de lening van AgentschapNL over te maken heeft de verdediging in hoger beroep gewezen op de definitie van ‘participatie’ zoals opgenomen in art. 4.1 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Art. 4.1 van deze Regeling houdt in:
“Artikel 4.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
(…)
– participatie: risicodragend kapitaal in de vorm van:
a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde vordering of
b. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap als bedoeld onder 1° in combinatie met een achtergestelde vordering;”
De toelichting bij art. 4.1 houdt onder meer in
“Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden deze participaties dan als afzonderlijke participaties beschouwd. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over het verkrijgen van een participatie, betreft dat het tijdstip waarop de overeenkomst terzake wordt gesloten. De eigendomsverkrijging vindt eerst later plaats, bijvoorbeeld door de volstorting van aandelen.”
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - kort gezegd - aangevoerd dat uit de toelichting van art. 4.1, in het bijzonder de definitie die daarin aan het begrip participatie wordt gegeven, volgt dat [A] B.V. nog geen eigen geldelijke middelen kon hebben ingebracht in het investeringsbudget van de technostarter omdat er op dat moment slechts sprake was van een overeenkomst tot het verkrijgen van aandelen. Ook de geldleningsovereenkomst zou op deze wijze moeten worden uitgelegd.
Het hof heeft dit verweer verworpen en geoordeeld dat op het moment van het invullen van de opnameformulieren, althans in ieder geval binnen twee weken na het indienen daarvan, werd vereist dat [A] B.V. over private middelen ter hoogte van de helft van het investeringsbedrag beschikte.
Het hof heeft zich daarbij in de eerste plaats gebaseerd op de tekst van artikel 3 van de geldleningsovereenkomst. Dit artikel houdt onder meer in “Indien het starterfonds een participatie heeft verkregen na de indiening van de aanvraag om subsidie op grond van de hoofdstuk 4 van Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en over gaat of is gegaan tot betaling aan de technostarter) (…)”. Uit deze tekst leidt het hof af dat voldoende duidelijk is wat de bedoeling van de regeling is, namelijk dat er een ‘match’ moet zijn ten tijde van het investeren in de technostarter.
Het hof wijst daarnaast op de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , destijds werkzaam bij AgentschapNL, waaruit het hof onder meer afleidt dat de lening vanuit AgentschapNL pas kon worden afgeroepen op het moment dat het geld daadwerkelijk werd overgemaakt of het plan tot overmaken - binnen twee weken - bestond. Het hof wijst in de derde plaats op de brief die op 4 september 2012 door AgentschapNL aan [A] B.V. is verzonden. In die brief ziet het hof een bevestiging dat de lening vanuit AgentschapNL pas kon worden afgeroepen op het moment dat het geld daadwerkelijk werd overgemaakt of het plan tot overmaken (op korte termijn) bestond. Tot slot betrekt het hof bij zijn oordeel dat ook in de opnameformulieren, waarin staat "huidige stortingen door het fonds i.v.m. de participatie" en "datum participatie", tot uitdrukking wordt gebracht dat op het moment van het invullen van de opnameformulieren, althans in ieder geval binnen twee weken na het indienden daarvan, werd vereist dat [A] B.V. over private middelen ter hoogte van de helft van het investeringsbedrag beschikte.
Het hof heeft uit deze feiten en omstandigheden afgeleid en kunnen afleiden dat werd vereist dat op het moment van het invullen van de opnameformulieren, althans in ieder geval binnen twee weken na het indienen daarvan, [A] B.V. over private middelen ter hoogte van de helft van het investeringsbedrag beschikte. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit art. 3 lid 1 van de geldleningsovereenkomst volgt dat de Staat (AgentschapNL in dit geval) op verzoek van [A] B.V. overgaat tot betaling indien [A] B.V. niet alleen een participatie heeft verkregen, maar ook overgaat of over is gegaan tot betaling aan de technostartervennootschap van de verkrijgingsprijs of een deel daarvan. Het gaat dus om twee cumulatieve voorwaarden.
Daarmee heeft het hof ook gemotiveerd de door de verdediging ingenomen (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunten verworpen, kort gezegd inhoudende dat de feitelijke grondslag ontbreekt voor een termijn voor betaling van twee weken (vijfde deelklacht) en dat de betaling ten tijde van het indienen van het formulier nog niet kán zijn gedaan (zesde deelklacht onder a).
Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat ook de verdachte heeft begrepen dat de regeling dit tot uitgangspunt had. Daarbij heeft het hof gewezen op de bewezenverklaring van feit 1 – kort gezegd – als feitelijkleidinggever opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, te weten het aandeelhoudersverslag en heeft het hof opgemerkt dat wanneer de verplichting tot matching, dat wil zeggen het gelijktijdig met het ontvangen van het leningsbedrag inleggen van private middelen, nog niet zou hebben bestaan, er geen reden was om hierover onjuiste informatie aan AgentschapNL te verstrekken. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarmee heeft het hof ook gemotiveerd het (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt verworpen, kort gezegd, dat AgentschapNL wist dat [A] B.V. haar aandeel nog niet kon hebben volgestort (zesde deelklacht onder b tot en met (ik begrijp:) d).
Het tweede middel faalt.
5 Het derde middel
Het derde middel komt op tegen het onder 2 primair bewezenverklaarde feit – samengevat – het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting van AgentschapNL. Het middel bevat de klacht dat het daartoe vereiste opzet van de verdachte niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
In aanvulling op de hiervoor aangehaalde bewijsmotiveringen heeft het hof nog overwogen:
“Redelijke toerekening en feitelijk leidinggeven
Het hof dient de vraag te beantwoorden of de gedragingen van de verdachte in redelijkheid aan de rechtspersonen [D] en [A] kunnen worden toegerekend en vervolgens of de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de voormelde gedragingen van die rechtspersonen.
De verdachte was ten tijde van de kasrondes bestuurder van [D] en middellijk bestuurder van [A] en vertegenwoordiger van en droeg verantwoordelijkheid voor deze rechtspersonen. Het verstrekken van informatie met betrekking tot de participaties en investeringen, het invullen en opsturen van opnameformulieren en het overmaken en ontvangen van gelden passen binnen de normale bedrijfsvoering van deze rechtspersonen. Bovendien zijn de handelingen door of namens de verdachte de rechtspersonen dienstig geweest, omdat daarmee in het belang van de rechtspersonen werd gehandeld en voordeel kon worden behaald. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde gedragingen zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen en daarmee dat die redelijkerwijs aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend.
De verdachte was degene die namens [A] de geldoverboekingen van [D] en [A] deed en door hem dan wel met zijn akkoord werden de opnameformulieren ingevuld en bij AgentschapNL ingediend. Er waren geen werknemers bij [D] en [A] in dienst. Gelet daarop kunnen de gedragingen van de verdachte worden toegerekend aan [D] en [A] . Voor zover de verdachte heeft betoogd dat [betrokkene 2] diverse handelingen ten behoeve van de Seed Capital-regeling verrichtte, overweegt het hof dat die stelling geen afbreuk doet aan het gegeven dat de verdachte de persoon was die feitelijk leiding gaf aan de strafbare gedragingen. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij akkoord gaf voor en het eens was met de handelingen die [betrokkene 2] voor [D] of [A] verrichtte. Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en de rol van de verdachte bij de door de rechtspersonen begane strafbare feiten, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan valsheid in geschrift, oplichting en het medeplegen van witwassen.”
Onder feit 2 primair is bewezen verklaard dat [A] B.V. in de periode van 23 november 2011 tot en met 6 september 2012 met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels AgentschapNL heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen. [A] B.V. heeft telkens met dit oogmerk opzettelijk in strijd met de waarheid een opnameformulier Regeling SGO bij AgentschapNL ingediend waarin stond vermeld dat
(i) [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [G] B.V. in verband met het verkrijgen van een participatie in deze technostarter en
(ii) [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 200.000 euro stort aan [C] B.V. in verband met het verkrijgen van een participatie in deze technostarter en
(iii) [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [G] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter en
(iv) [A] B.V., als Startersfonds, een bedrag van 500.000 euro stort aan [F] B.V. in verband met een participatie in deze technostarter.
Daardoor werd AgentschapNL telkens bewogen tot afgifte van voornoemde bedragen. De verdachte heeft volgens de bewezenverklaring aan deze verboden gedragingen feitelijk leiding gegeven.
Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen aangenomen dat [A] B.V. meermalen een opnameformulier Regeling SGO bij AgentschapNL heeft ingediend waarin, in strijd met de waarheid, werd opgenomen dat [A] B.V. steeds een geldbedrag op de rekening van een drietal technostarters stort.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte degene was die namens [A] B.V. de overboekingen deed en dat door hem, dan wel met zijn akkoord, de opnameformulieren werden ingevuld en bij AgentschapNL ingediend. Er waren geen werknemers bij [A] B.V. Het hof heeft verder overwogen dat de omstandigheid dat [betrokkene 2] diverse handelingen ten behoeve van de Seed Capital-regeling verrichtte, geen afbreuk doet aan het gegeven dat de verdachte de persoon was die feitelijk leiding gaf aan de strafbare gedragingen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij akkoord gaf voor en het eens was met de handelingen die [betrokkene 2] voor [D] B.V. of [A] B.V. verrichtte.
Uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het hof afgeleid, en wat mij betreft ook kunnen afleiden, dat [A] B.V. bij het invullen van de opnameformulieren opzettelijk onjuiste gegevens over de investeringen heeft verstrekt en dat de verdachte aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats nu de uitleg van de verklaring van de verdachte is voorbehouden aan het hof.
Het derde middel faalt.
6 Het vierde middel
Het vierde middel komt op tegen het onder 2 primair bewezenverklaarde feit en bevat de klacht dat de bewezenverklaarde handelingen niet kunnen worden gekwalificeerd als “een samenweefsel van verdichtsel” waardoor het bewezenverklaarde geen oplichting oplevert.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat AgentschapNL op verschillende momenten door één beweerdelijk leugen, namelijk het indienen van een opnameformulier Regeling SGO, zou zijn bewogen tot afgifte van een geldbedrag. Die ene beweerdelijke leugen zou onvoldoende zijn om te worden aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels in de zin van art. 326 lid 1 Sr. De steller van het middel doet daarbij een beroep op een arrest van de Hoge Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892 waaruit hij afleidt dat voor het aannemen van ‘een samenweefstel van verdichtsel’ sprake moet zijn van meer dan een enkele leugenachtige mededeling.
Het arrest waar de steller van het middel op wijst, houdt - voor zover van belang - in:
“2.2.1. Met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen – het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels – is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog – bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling – en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht als misdrijf met een strafmaximum van, kort gezegd, vier jaren gevangenisstraf.
In dit licht moeten ook betrekkelijk algemeen geformuleerde beperkende overwegingen over een bepaald oplichtingsmiddel in de rechtspraak van de Hoge Raad worden begrepen. Zo heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels sprake moet zijn van "meer dan een enkele leugenachtige mededeling" en dat "het enkele huren van een woning en het vervolgens in gebreke blijven de huurpenningen te voldoen op zichzelf - ook indien de huurder al voorzag niet aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen - niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep als bedoeld in art. 326 (...) Sr". Zie in dit verband ook het arrest waarin aan de orde was het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheid dat de verdachte via een website goederen te koop aanbood en bestellingen en betalingen van kopers accepteerde in het besef dat hij niet (langer) aan zijn leverings- of restitutieverplichtingen kon voldoen, niet kan worden aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid van een "bonafide internetondernemer".
In deze en vergelijkbare beslissingen komt tot uitdrukking dat niet in alle gevallen waarin sprake is van bedrog, het handelen van de verdachte ook kan worden aangemerkt als oplichting.
In dit verband is van belang dat de wetgever in 1886 in titel XXV naast oplichting bepaalde andere vormen van bedrog strafbaar heeft gesteld (bijvoorbeeld art. 327 Sr, bedrog bij verzekering), en dat de wetgever nadien aan deze titel nog uitbreiding heeft gegeven, bijvoorbeeld met art. 326a Sr (flessentrekkerij), art. 328bis Sr (oneerlijke mededinging door misleiding van het publiek) en recent art. 326d Sr (acquisitiefraude). Voorts is in parlementaire behandeling een wetsvoorstel tot verdere uitbreiding van titel XXV door de invoering van een strafbaarstelling van online handelsfraude met de volgende inhoud:
"hij die een beroep of een gewoonte maakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."
Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.
Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende "promissory notes" afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.”
Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte oprichter en middellijk bestuurder was van het startersfonds [A] B.V. Dit starterfonds had in het kader van de Seed Capital regeling een overeenkomst met het ministerie van Economische Zaken gesloten. Voor het ministerie voerde AgentschapNL (de rechtsvoorganger van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) de Seed Capital regeling uit.
Uit de bewijsvoering van het hof volgt verder dat op basis van de overeenkomst tussen AgentschapNL en [A] B.V. gelden bij het AgentschapNL konden worden aangevraagd middels opnameformulieren. De verdachte heeft namens het startersfonds vier opnameformulieren ingevuld en ondertekend of heeft dat laten doen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij het invullen van de formulieren in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat door [A] B.V. een storting op een bepaalde datum is gedaan. Hierdoor is volgens het hof de indruk gewekt dat [A] B.V. voldeed aan de voorwaarden om de helft van het investeringsbedrag van AgentschapNL te mogen ontvangen. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat het invullen van de formulieren met de wetenschap dat op het moment van het invullen van de opnameformulieren niet de vereiste private middelen in het startersfonds waren gestort, een opzettelijke handeling is om AgentschapNL te bewegen tot het uitbetalen van in totaal € 850.000,00, te weten de helft van het totaal van de verzochte investeringsbedragen.
In het oordeel van het hof ligt besloten dat het in strijd met de waarheid invullen van de opnameformulieren een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht is die tot misleiding van AgentschapNL heeft geleid. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat tussen AgentschapNL en de verdachte, als middellijk bestuurder van [A] B.V., een zekere vertrouwensrelatie bestond waarbij AgentschapNL op basis van de door de verdachte ingevulde opnameformulieren moest beoordelen of aan de in de overeenkomst gestelde voorwaarden werd voldaan.
Het vierde middel faalt.
7 Afronding
Alle middelen falen. Het eerste middel gaat over een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en daarom ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. De middelen 2, 3 en 4 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve wijs ik erop dat inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent in dit geval dat inbreuk is gemaakt op het in artikel 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Op basis van bestendige rechtspraak leidt dit tot strafvermindering.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG