Strafrecht overig

Conclusie AG. Slagend middel over oplegging niet toelaatbare combinatie van straffen door het hof, art. 9 lid…

Zaakgegevens

Op 13 januari 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 januari 2026
Datum publicatie
12 januari 2026
Zaaknummer
24/03219
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:65
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Slagend middel over oplegging niet toelaatbare combinatie van straffen door het hof, art. 9 lid 4 Sr. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing. Samenhang met 24/03216.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 8 augustus 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:1415
  2. Conclusie A-G · 13 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:65

  3. Hoge Raad · 24 maart 2026

    ECLI:NL:HR:2026:476

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03219

Zitting 13 januari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 8 augustus 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002748-22) wegens:
3. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”;
4. “medeplegen van gewoontewitwassen”; en
5. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd overeenkomstig art. 27 Sr, en een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaak 24/03216, waarin ik vandaag ook zal concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L. L'Homme en J.E. Kötter, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel klaagt dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een langere duur dan zes maanden te combineren met een taakstraf.

2.2

Het bestreden arrest houdt over de strafoplegging onder meer het volgende in:

“Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.”

2.3

Art. 9 lid 4 Sr luidt:

“In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”

2.4

Het hof heeft aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd. Het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel bedraagt dus meer dan 6 maanden. Daarnaast heeft het hof een taakstraf van 180 uren opgelegd. De strafoplegging in zijn geheel is daarmee in strijd met art. 9 lid 4 Sr.

2.5

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

3.1

Het middel slaagt.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vgl. HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2289, HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2295, HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:655, HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:336 en HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:776.