Strafrecht overig
Conclusie AG. Overtreding art. 58b Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). M1 klaagt…
Parket bij de Hoge Raad, 7 juli 2026
ECLI:NL:PHR:2026:701 · Parket bij de Hoge Raad · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-701
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 6 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/04685
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:701
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Overtreding art. 58b Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). M1 klaagt dat hof in strijd met art. 55 lid 2 Sr ten onrechte toepassing heeft gegeven aan algemene strafbaarstelling uit art. 58b BABW terwijl betreffende gedrag specifieker strafbaar is gesteld in art. 58a lid 3 BABW. Middel miskent dat feit dat bepaald handelen eventueel ook onder andere strafbepaling valt niet betekent dat die bepaling systematische specialis is van algemenere bepaling. Bovendien geen aanknopingspunten in wetsgeschiedenis voor specialiteitsverhouding tussen bepalingen. Oordeel hof dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 58b BABW en dat daaraan niet afdoet dat hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan art. 58a lid 3 BABW getuigt dus niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. M2 klaagt terecht dat bewezen verklaarde pleegplaats niet uit bewijsmiddelen volgt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Ambtshalve opmerking dat hogere geldboete is opgelegd dan wettelijk was toegestaan. Hoge Raad kan zaak op dit punt zelf afdoen. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak voor zover daarbij geldboete van € 500,- is opgelegd, tot vermindering geldboete tot bedrag € 435,- (subsidiair 8 dagen hechtenis) en tot verwerping cassatieberoep voor overige.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 18 december 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:4305Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:701
Hoge Raad · 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1577
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04685
Zitting 7 juli 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 december 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002449-23) wegens “overtreding van artikel 58b, Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer”, veroordeeld tot een geldboete van € 500, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt, kort gezegd, dat het hof in strijd met art. 55 lid 2 Sr ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de algemene strafbaarstelling uit art. 58b van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW). In het tweede middel wordt geklaagd dat de bewezen verklaarde pleegplaats niet uit de bewijsmiddelen blijkt.
2 De tenlastelegging en de bewezenverklaring
De verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 13 juli 2021 te [plaats] op de Rijksweg ( […] ), als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze heeft gekleed dan wel gedragen, dat hij daardoor bij weggebruikers de indruk kan hebben gewekt dat hij bevoegd was om als verkeersregelaar op te treden.”
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 13 juli 2021 te [plaats] op de Rijksweg ( […] ), als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze heeft gedragen, dat hij daardoor bij weggebruikers de indruk kan hebben gewekt dat hij bevoegd was om als verkeersregelaar op te treden.”
3 De bewijsvoering van het hof
Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen gebruikt:
“1. Het proces-verbaal overtreding d.d. 7 februari 2022, politie Midden- en West Brabant, Team Verkeer, zaaknummer 002870089, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met bijlagen:
Ik, [verbalisant 1] , zag/constateerde, dan wel stelde na onderzoek vast, dat een persoon een feit pleegde dat is gecodeerd als feitnummer R708C en dat als volgt is omschreven in de tekstenbundel van de Commissie Feiten en Tarieven van het Openbaar Ministerie:
als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze kleden dan wel gedragen, dat daardoor bij weggebruikers de indruk kan worden gewekt, dat hij bevoegd is als, transportbegeleider op te treden. Artikel 58b BABW.
Wij zagen dat verdachte als bestuurder van genoemde bedrijfsauto als verkeersregelaar een bijzonder transport begeleidde. Wij zagen dat de door hem bestuurde bedrijfsauto oranje optische signalen voerde en achter het door hem begeleide transport reed. Toen ik, [verbalisant 1] , verdachte naar zijn rijbewijs vroeg, overhandigde verdachte mij een geldig en op zijn naam uitgegeven rijbewijs. Toen ik verdachte vroeg naar zijn begeleiderspas hoorde ik hem zeggen dat hij die niet had. Het bijzondere transport moest, gelet op de maten van het transport, worden begeleid door twee gecertificeerde transportbegeleiders.
Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, [verbalisant 1] , desgevraagd de volgende
personalia:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] -1973
Verklaring verdachte:
In verband met een overlijden binnen de familie van het bedrijf moesten we van de nood een
deugd maken.
2. Het proces-verbaal van de terechtzitting bij de kantonrechter te Breda, rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 23 augustus 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik was op 30 (het hof begrijpt: 13) juli 2021 een transport aan het begeleiden. Ik had daar de
papieren niet voor.”
De bewijsoverwegingen van het hof luiden:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe heeft de raadsman - kort gezegd - aangevoerd dat het algemene artikel, te weten artikel 58b van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW), ten laste is gelegd, terwijl er een lex specialis is, te weten artikel 58a, derde lid, BABW.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Onder een transportbegeleider wordt blijkens artikel 1, onder h, BABW verstaan: een verkeersregelaar die optreedt ter begeleiding van een exceptioneel transport als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit ontheffingverlening Dienst Wegverkeer exceptionele transporten. In artikel 58a BABW wordt in 6 punten opgesomd waar transportbegeleiders aan moeten voldoen, waaronder de onder in lid 3 vermelde verplichting om - als ze krachtens de wet moeten beschikken over een aanstellingspas - dit document op eerste vordering ter inzage af te geven. Voorts is in artikel 58b BABW bepaald dat het eenieder, die niet is aangesteld als verkeersregelaar, verboden is zich op zodanige wijze te gedragen dat daardoor bij weggebruikers de indruk wordt gewekt dat hij bevoegd is als zodanig op te treden. Op grond van artikel 59 BABW ten slotte zijn zowel artikel 58a derde lid en artikel 58b een strafbaar feit.
De verdachte heeft op 13 juli 2021 als bestuurder in een speciaal begeleidingsvoertuig achter een bijzonder transport gereden, terwijl de auto van de verdachte oranje optische signalen voerde. Uit de foto’s en de ontheffing die als bijlagen aan het proces-verbaal zijn gehecht blijkt dat er sprake was van een exceptioneel transport, dat volgens de politie door twee gecertificeerde transportbegeleiders had moeten worden begeleid. Door met een speciaal begeleidingsvoertuig met oranje optische signalen achter dit transport te rijden heeft de verdachte opgetreden als de begeleider van dit transport en daarmee als verkeersregelaar in de zin van art 1, onder h BABW. Hij had daarvoor echter niet de juiste papieren, zoals hij zelf ook erkend heeft.
Er is derhalve sprake van overtreding van artikel 58b van het BABW. Dat ook sprake was van overtreding van artikel 58a, derde lid, BAWB, omdat de verdachte niet de vereiste aanstellingspas op eerste vordering ter inzage heeft afgegeven, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Voorts blijkt uit artikel 59 van het BABW niet dat er een rangorde bestaat tussen deze strafbare feiten. Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het volgende naar voren gebracht:
“Mijn standpunt - zoals ook in eerste aanleg naar voren gebracht - is dat het niet zo kan zijn dat we in een situatie terechtkomen waarin het Openbaar Ministerie zegt: ‘wij vinden iets strafbaar, zie de wet’. Uw hof begrijpt wel waar ik naartoe wil, de tenlastelegging is te algemeen. Het algemene artikel is tenlastegelegd. Mijn cliënt was niet zomaar een verkeersregelaar. Hij stond daar niet met een oranje hesje, maar hij was een transportbegeleider. Dat is iets speciaals. Niet het algemene artikel had tenlastegelegd moeten worden, maar de lex specialis, te weten artikel 58a lid 3 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. De strafbaarstelling van artikel 58a lid 3 is terug te vinden in artikel 59 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. Artikel 58b van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer is intussen vervallen, maar was ten tijde van de pleegdatum nog wel van toepassing. De verdediging verzoekt nog steeds tot integrale vrijspraak, daar het algemene artikel ten laste is gelegd, terwijl er een lex specialis is.”
5 Het eerste middel
Met het eerste middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat art. 58b Besluit administratieve bepalingen inzake het werkverkeer kon worden toegepast, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans dat dat oordeel (zonder nadere toelichting) onbegrijpelijk is. Het hof heeft namelijk ten onrechte geoordeeld dat de verdachte zich heeft voorgedaan als ‘verkeersregelaar’ in de zin van de algemene strafbaarstelling uit art. 58b BABW, terwijl het handelen van de verdachte specifiek strafbaar is gesteld in de bijzondere strafbepaling uit art. 58a BABW, die ziet op ‘transportbegeleiders’. Op grond van art. 55 lid 2 Sr had het hof niet de vrijheid om te kiezen voor de algemene strafbepaling, aldus de steller van het middel.
De geldende regelgeving en de wetsgeschiedenis
“2. Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”
- Art. 1 BABW
“In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
b. verkeersregelaar met in het kader van zijn beroep verkeersregelende taken: verkeersregelaar, niet zijnde transportbegeleider of verkeersregelaar die tot taak heeft eenvoudige verkeersregelende werkzaamheden te verrichten bij evenementen, die uit hoofde van zijn beroep verkeersregelende werkzaamheden verricht;
h. transportbegeleider: verkeersregelaar die optreedt ter begeleiding van een exceptioneel transport als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit ontheffingverlening Dienst Wegverkeer exceptionele transporten;
i. verkeersregelaar: persoon behorend tot de ingevolge artikel 12, eerste lid, van de wet, aangewezen categorie, niet zijnde een persoon als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel d, of artikel 82, derde lid, van het RVV 1990;”
- Art. 56 lid 1 BWBW
“Verkeersregelaars worden aangesteld door:
a. Onze Minister, indien het gaat om
1° transportbegeleiders, of
2° verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken, voor zover deze taken in meerdere provincies op het grondgebied van meerdere niet aangrenzende gemeenten worden uitgevoerd.
(…)”
- Art. 58 BABW
“Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld omtrent:
a. de aanstelling, de verlenging van de aanstelling van verkeersregelaars, alsmede de aanstelling van verkeersbrigadiers;
b. het toezicht op verkeersregelaars en verkeersbrigadiers;
c. de opleiding van verkeersbrigadiers;
d. de opleiding en examinering van verkeersregelaars;
e. de plaatsen waar en de tijdstippen waarop verkeersregelaars en verkeersbrigadiers hun taken mogen uitoefenen;
f. de uitoefening van de bevoegdheden van verkeersregelaars en verkeersbrigadiers;
g. de aanstellingspas;
h. de gevallen waarin de aanstelling kan worden ingetrokken;
i. de uitrusting van verkeersregelaars en verkeersbrigadiers, alsmede de begeleidingsvoertuigen en de hulpmiddelen die daarin aanwezig zijn.”
- Art. 58a BABW
“1. Transportbegeleiders maken tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden gebruik van een begeleidingsvoertuig dat voldoet aan de in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 58, onderdeel i, opgenomen eisen.
2. Verkeersregelaars dragen tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden de kleding voorgeschreven in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 58, onderdeel i.
3. Verkeersregelaars die krachtens de wet moeten beschikken over een aanstellingspas zijn verplicht dit document op eerste vordering van de in artikel 159, eerste lid, onderdeel a, van de wet genoemde personen ter inzage af te geven.
4. Aanwijzingen als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van het RVV 1990, worden voor zover het betreft verkeersregelaars niet zijnde weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat, niet gegeven vanaf een motorrijtuig of, voorzover het betreft verkeersregelaars niet zijnde transportbegeleiders of weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat, vanuit een motorrijtuig.
5. Onverminderd het vierde lid, geven transportbegeleiders of weginspecteurs in dienst van Rijkswaterstaat vanuit een motorrijtuig geen aanwijzingen als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van het RVV 1990, op wegen onder beheer van het Rijk of op kruispunten gelegen op andere wegen.
6. Transportbegeleiders houden zich aan de in de ministeriële regeling gestelde regels als bedoeld in artikel 58, onderdeel f, over de uitoefening van hun bevoegdheden.”
- Art. 58b BABW
“Het is eenieder die niet is aangesteld als verkeersregelaar verboden zich op zodanige wijze te kleden dan wel te gedragen, dat daardoor bij weggebruikers de indruk kan worden gewekt, dat hij bevoegd is als zodanig op te treden.”
- Art. 59 BABW
“Overtreding van de artikelen 1a, 2, 54, 58a, eerste lid en derde tot en met zesde lid, en 58b is een strafbaar feit.”
- Art. 2 Regeling verkeersregelaars 2009
“Voor een aanstelling als verkeersregelaar komen uitsluitend in aanmerking:
a. personen, die het beroep van transportbegeleider wensen uit te oefenen;
b. personen, niet zijnde personen als bedoeld onder a, die in het kader van de uitoefening van hun beroep waar nodig verkeersregelende taken gaan verrichten, indien het verrichten van die taken naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde gezag als hun hoofdwerkzaamheden moet worden beschouwd of moet worden geacht nauw verband te houden met de uitoefening van hun hoofdwerkzaamheden;
c. personen, die ten behoeve van één evenement of ten behoeve van meerdere evenementen in een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden, eenvoudige verkeersregelende taken gaan verrichten.”
- Art. 3 lid 1 Regeling verkeersregelaars 2009
“1. De opleiding tot verkeersregelaar, met uitzondering van de categorie evenementenverkeersregelaars, bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte. Beide onderdelen worden afgesloten met een examen, met dien verstande dat het praktijkexamen voor verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken plaatsvindt nadat het theorie-examen met goed gevolg is afgelegd.”
- Art. 4 lid 1 Regeling verkeersregelaars 2009
“1. Een getuigschrift wordt afgegeven nadat alle vereiste examens met goed gevolg zijn afgelegd.”
- Art. 5 lid 1 Regeling verkeersregelaars 2009
“1. Voor de aanstelling als transportbegeleider komen slechts in aanmerking personen die:
a. geen beginnende bestuurder zijn als bedoeld in artikel 1 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011;
b. in het bezit zijn van een geldig rijbewijs voor de categorie B;
c. in het bezit zijn van een getuigschrift dat op de dag van de aanvraag niet ouder is dan 6 maanden, of voorzover het betreft migrerende beroepsbeoefenaars, een certificaat waaruit blijkt dat met goed gevolg een proeve van bekwaamheid is afgelegd of een verklaring waaruit blijkt dat gedurende een periode van negen maanden een aanpassingstage als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, is doorlopen; en
d. in het bezit zijn van een met het oog op het optreden als transportbegeleider afgegeven verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die op de dag van de aanvraag niet ouder is dan twee maanden, of voorzover het betreft migrerende beroepsbeoefenaars, een hiermee overeenkomend document, afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst.”
- Art. 7 Regeling verkeersregelaars 2009
“1. De aanstelling van transportbegeleiders en verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken geschiedt voor een periode van vijf jaren en wordt vastgelegd in een aanstellingsbesluit. Bij de aanstelling kan een beperking in de uitoefening van de bevoegdheid worden opgelegd.
2. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, worden tenminste de volgende gegevens opgenomen: naam, voorletters, geboortedatum en adres van de betrokkene, de einddatum van de aanstelling, de naam van de afgevende instantie, het afgiftenummer en de eventuele beperkingen in de uitoefening van de bevoegdheid.
3. Transportbegeleiders en verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken ontvangen tevens een aanstellingspas, die zij tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden bij zich dragen. Deze pas is vervaardigd van duurzaam en vochtbestendig materiaal. Op deze pas worden tenminste de volgende gegevens opgenomen: een pasfoto, de naam, de voorletters en de geboortedatum van de betrokkene, de einddatum van de aanstelling, de naam van de afgevende instantie, het afgiftenummer van het aanstellingsbesluit, de eventuele beperkingen in de uitoefening van de bevoegdheid, alsmede de bedrijfsnaam van de werkgever.”
- Art. 14 lid 2 Regeling verkeersregelaars 2009
“2. Transportbegeleiders maken voor het begeleiden van transporten waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 149 van de wet is verleend, voor zover die begeleiding uit de ontheffing voortvloeit, gebruik van een begeleidingsvoertuig dat voldoet aan de omschrijving in bijlage 3, onderdeel A.”
In de Nota van toelichting bij de introductie van art. 58b in de BABW staat onder meer:
“Met de introductie van dit artikel in combinatie met de wijziging in artikel 59 wordt het zich gedragen als verkeersregelaar (evenementenverkeersregelaar, beroepsverkeersregelaar of transportbegeleider) zonder daartoe te zijn aangesteld strafbaar gesteld. Het gaat om de situatie waarin iemand zich uitgeeft voor verkeersregelaar en de weggebruikers op deze manier ten onrechte aanwijzingen doet volgen. Weggebruikers zijn verplicht om aanwijzingen op te volgen van de daartoe bevoegde en als zodanige kenbare verkeersregelaars. Het verkeer regelen is een taak die gereguleerd is in verband met het belang van de verkeersveiligheid. Iemand die als verkeersregelaar aangesteld wil worden moet aan de opleidings- of instructie-eisen voldoen.”
De bespreking van het eerste middel
Bij de bespreking van het middel is het volgende van belang. In de BABW en in de Regeling verkeersregelaars 2009 staan regels opgenomen voor personen die verkeersregelend optreden. In art. 2 van de Regeling verkeersregelaars 2009 worden drie verschillende verkeersregelaars onderscheiden: transportbegeleiders, beroepsverkeersregelaars en evenementenverkeersregelaars. Om – in zijn algemeenheid – verkeersregelaar te worden moet een opleiding tot verkeersregelaar gevolgd worden. Personen die de opleiding met goed gevolg hebben afgerond ontvangen een getuigschrift. Niet iedere verkeersregelaar is bevoegd om een exceptioneel transport te begeleiden. Exceptionele transporten zijn transporten waarvoor vanwege de afwijkende afmetingen of massa van dat transport een vergunning moet worden verleend om de weg op te mogen. Het is de taak van transportbegeleiders om die exceptionele transporten te begeleiden en om het overige verkeer te beveiligen tegen de risico’s van dergelijke transporten. Een transportbegeleider dient te rijden in een begeleidingsvoertuig dat voldoet aan bepaalde eisen, waaronder bijvoorbeeld dat het voertuig voorzien moet zijn van gele signaalverlichting. Personen die als transportbegeleider aangesteld willen worden, dienen in het bezit te zijn van voornoemd getuigschrift en dienen daarnaast te voldoen aan de overige eisen uit art. 5 lid 1 Regeling verkeersregelaars 2009. Transportbegeleiders en beroepsverkeersregelaars worden, als zij aan de eisen voldoen, bij besluit aangesteld en ontvangen een aanstellingspas, die zij tijdens de uitoefening van werkzaamheden bij zich moet dragen. In art. 58a BABW staan vervolgens een aantal regels waar verkeersregelaars, en soms meer specifiek transportbegeleiders, bij de uitoefening van hun bevoegdheid aan moeten voldoen. Op grond van lid 3 van dat artikel moet een verkeersregelaar zijn aanstellingspas ter inzage afgeven wanneer dit wordt gevorderd. Het niet kunnen voldoen aan die verplichting is strafbaar gesteld in art. 59 BABW. Op grond van datzelfde artikel is ook hetgeen in art. 58b BABW staat opgenomen een strafbaar feit. Art. 58b BABW houdt een verbod in voor personen die daartoe niet zijn aangesteld om zich te gedragen als verkeersregelaar.
Voorts is het volgende van belang. Art. 55 lid 2 Sr houdt de ‘lex specialis-regeling’ in. Als er meer dan één strafbepaling is overtreden, en deze bepalingen in een bijzondere verhouding tot elkaar staan in die zin dat de ene een bijzondere vorm van de andere inhoudt, dan dient op grond van art. 55 lid 2 Sr de bijzondere strafbepaling (‘specialis’) toegepast te worden boven de algemene strafbepaling (‘generalis’). Volgens de steller van het middel bestaat er tussen art. 58a lid 3 en 58b BABW een lex specialis-verhouding, hetgeen tot gevolg zou moeten hebben dat art. 58a lid 3 BABW moet worden toegepast. Dat artikel zou namelijk een ‘systematische’ specialis van art. 58b BABW zijn. Van een systematische specialis is sprake indien, ondanks het ontbreken van een logische verhouding tussen beide strafbepalingen, op grond van de bedoeling van de wetgever een specialiteitsverhouding moet worden aangenomen. In een arrest van 18 februari 2025 oordeelde de Hoge Raad dat art. 197b Sr geen specialis is van art. 197a lid 2 Sr omdat art. 197b niet alle bestanddelen bevat van art. 197a lid 2 Sr en de wetsgeschiedenis onvoldoende dwingend is om toch aan te nemen dat sprake is van een (systematische) specialis. Volgens Machielse valt uit het feit dat de Hoge Raad spreekt van ‘dwingende aanknopingspunten’ op te maken dat een systematische specialiteit niet gemakkelijk mag worden aangenomen.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte als bestuurder in een speciaal begeleidingsvoertuig achter een exceptioneel transport heeft gereden terwijl de auto van de verdachte oranje optische signalen voerde. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte door een opsporingsambtenaar naar zijn begeleiderspas werd gevraagd, hij zei die niet te hebben. De verdachte heeft ook zelf verklaard dat hij niet de juiste papieren had om het transport te begeleiden. Daarnaast heeft hij verklaard: “in verband met een overlijden binnen de familie moesten we van de nood een deugd maken”. Volgens het hof heeft de verdachte door met een speciaal begeleidingsvoertuig met oranje optische signalen achter het transport te rijden opgetreden als begeleider van het transport en daarmee als verkeersregelaar in de zin van art. 1 onder h BABW. Derhalve is sprake van overtreding van art. 58b BABW, zo oordeelt het hof. Dat de verdachte tevens in overtreding was van art. 58a lid 3 BABW, doet daaraan niet af. Uit art. 59 BABW blijkt volgens het hof namelijk niet van een rangorde tussen deze strafbare feiten.
In cassatie wordt, net als in hoger beroep, gesteld dat het hof toepassing had moeten geven aan de strafbaarstelling uit art. 58a lid 3 BABW in plaats van aan die uit art. 58b BABW omdat sprake is van een systematische specialiteitsverhouding. In de kern wordt aan dat standpunt ten grondslag gelegd dat de verdachte niet optrad als verkeersregelaar, maar als transportbegeleider en dat het handelen van de verdachte als transportbegeleider specifieker strafbaar is gesteld in art. 58a lid 3 BABW. Ik merk in de eerste plaats op dat art. 58a lid 3 BABW zich niet specifiek richt op transportbegeleiders, maar op alle verkeersregelaars die over een aanstellingspas moeten beschikken. Van een specifieke strafbepaling voor transportbegeleiders is dus geen sprake. Voorts wordt miskend dat het feit dat bepaald handelen eventueel óók valt onder een andere strafbepaling, niet betekent dat die bepaling een systematische specialis is van een algemenere bepaling. In de wetsgeschiedenis zie ik overigens ook geen aanknopingspunten voor het standpunt dat tussen art. 58a lid 3 en 58b BABW een specialiteitsverhouding bestaat. Dat lijkt me ook logisch, gelet op het feit dat de bepalingen ander gedrag reguleren. Art. 58a lid 3 BABW bevat namelijk een eis waaraan een reeds aangestelde verkeersregelaar, waaronder een transportbegeleider, moet voldoen, terwijl art. 58b BABW degene strafbaar stelt die zich onbevoegd voordoet als verkeersregelaar, waaronder - ik herhaal het nogmaals – ook wordt verstaan een transportbegeleider. Aangezien uit de bewijsvoering kan worden opgemaakt dat de verdachte niet de juiste papieren had om als transportbegeleider op te treden, ligt het mijns inziens voor de hand dat de verdachte is vervolgd voor het delict uit art. 58b BABW.
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 58b BABW en dat daar niet aan afdoet dat hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 58a lid 3 BABW niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Dit betekent dat het eerste middel faalt.
6 Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezen verklaarde pleegplaats niet uit de bewijsmiddelen volgt.
Het middel klaagt daarover terecht. Uit de bewijsmiddelen die het hof in zijn arrest heeft opgenomen kan niet worden opgemaakt dat het feit is gepleegd “te [plaats] op de Rijksweg ( […] )”.
Het is de vraag of dat tot cassatie moet leiden. Een blik over de papieren muur leert dat in het proces-verbaal overtreding (dat het hof als bewijsmiddel 1 heeft gebezigd) als pleegplaats staat opgenomen: “Plaats: [plaats] , Gemeente: [plaats] , Locatie: Rijksweg ( […] ) […] ”. Gelet hierop zal vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof niet tot een andere uitkomst leiden, zodat de verdachte mijns inziens geen belang heeft bij cassatie. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat uit het verhandelde op de terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat bij de verdachte enige onduidelijkheid heeft bestaan over de plaats waar de verweten gedraging zich heeft voorgedaan.
Het tweede middel slaagt maar behoeft mijns inziens niet tot cassatie te leiden.
7 Ambtshalve beoordeling opgelegde straf
Ambtshalve merk ik op dat de verdachte een geldboete is opgelegd van € 500,-, terwijl hem ten tijde van het plegen van het feit (op 13 juli 2021) maximaal een geldboete opgelegd kon worden van € 435,-. Dat betekent dat hem een hogere geldboete is opgelegd dan was toegestaan en voor het bedrag boven de € 435,- geen wettelijke grondslag bestaat. De Hoge Raad kan de zaak op dit punt zelf afdoen.
8 Slotsom
Het eerste middel faalt. Omdat het middel ziet op een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand. Het tweede middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
Andere gronden dan de hiervoor onder 7.1 genoemde die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik ambtshalve niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarbij een geldboete van € 500,- is opgelegd, tot vermindering van de geldboete tot een bedrag van € 435,- (subsidiair 8 dagen hechtenis) en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G