Strafrecht overig
Conclusie AG. Valsheid in geschrifte door rechtspersoon (art. 225 Sr). M1: klacht dat onderzoek ter…
Parket bij de Hoge Raad, 9 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:565 · Parket bij de Hoge Raad · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-565
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 8 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/00383
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:565
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Valsheid in geschrifte door rechtspersoon (art. 225 Sr). M1: klacht dat onderzoek ter terechtzitting tweemaal is hervat en gesloten door (enkelvoudige) kamer faalt bij gebrek aan belang. M2: terecht voorgestelde klacht dat t.a.v. tot bewijs gebezigde verklaring sprake was van verhoorsituatie en derhalve ten onrechte geen cautie is verleend. Bewezenverklaring kan echter ook zonder betreffende verklaring standhouden. M3: falende klacht dat vaten met UN-kenmerk niet als ‘geschrift’ als bedoeld in art. 225 Sr kunnen worden aangemerkt. M4: falende klacht over oordeel hof dat art. 219 Sr niet als lex specialis t.o.v. art. 225 Sr kan worden aangemerkt. M5: falende klacht dat bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen. M6: falende klacht over strafmotivering. Conclusie strekt tot vernietiging maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan en verwerping van het beroep voor het overige.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:565
Hoge Raad · 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1758
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00383
Zitting 9 juni 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 26 januari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 23000420-22) wegens 2. “valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750.000,00.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.R. Doorenbos en T. Tepaske, beiden advocaat in Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak in het kort
De verdachte is een bedrijf dat zich bezighoudt met het vervaardigen van verpakkingen (in dit geval: vaten) voor gevaarlijke stoffen. Het ontwerptype van dergelijke verpakkingen moet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Of dat het geval is, kan worden getest door middel van het uitvoeren van een zogenoemde hydraulische druktest. De ontwerptypes die deze test met goed gevolg doorstaan, kunnen worden voorzien van een UN-kenmerk. Dat geldt vervolgens ook voor alle verpakkingen die overeenkomstig dat ontwerptype zijn vervaardigd, ware het dat de hydraulische druktesten op dergelijke verpakkingen periodiek moeten worden herhaald. De verdachte wordt ervan verdacht opzettelijk UN-kenmerken te hebben aangebracht op vaten die deze testen niet met goed gevolg doorstonden en dit is tenlastegelegd als valsheid in geschrift.
Het eerste middel is louter formeel van aard: geklaagd wordt, kort gezegd, dat het onderzoek ter terechtzitting is hervat en gesloten door een enkelvoudig samengesteld hof, terwijl dat een meervoudige kamer had behoren te zijn. Het tweede middel heeft betrekking op de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van de directeur van de verdachte en klaagt over het oordeel van het hof dat bij het afleggen van die verklaring geen sprake was van een verhoorsituatie. Het derde middel klaagt dat de in de bewezenverklaring vermelde vaten niet als ‘geschrift’ in de zin van art. 225 Sr kunnen worden aangemerkt. Het vierde middel klaagt dat het hof art. 219 Sr ten onrechte niet als lex specialis ten opzichte van art. 225 Sr heeft beschouwd. Het vijfde middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen. Het zesde middel richt zich tegen de strafmotivering.
3 Het eerste middel
Het middel bevat verschillende klachten die erop neerkomen neer dat het onderzoek ter terechtzitting tweemaal is hervat en gesloten en dat het hof op die sluitingszittingen – in strijd met de wet – enkelvoudig was samengesteld.
Het belang van deze klacht is er volgens de steller van het middel in gelegen dat het hof in zijn arrest “gebruik blijkt te hebben gemaakt van informatie waar verzoekster nooit mee is geconfronteerd en die zich ook niet in haar dossier bevindt”. Daardoor zou het hof minimaal de schijn hebben gewekt dat voornoemde sluitingszittingen, anders dan het proces-verbaal van die zittingen inhoudt, “iets (moeten) hebben ingehouden.” De verdachte had zich over voornoemde informatie willen uitlaten.
Uit de gedingstukken volgt dat de zaak in hoger beroep op 24 november 2023 inhoudelijk is behandeld. Op die zitting heeft een meervoudige kamer van het hof het onderzoek onderbroken tot 12 januari 2024. Daarbij heeft het hof bepaald dat op de zitting van 12 januari 2024 het onderzoek zal worden gesloten en aangekondigd dat nadien uitspraak zal worden gedaan op 26 januari 2024. Het hof heeft zich aan die agendering gehouden, ware het dat het hof – na de raadsman daarvan per e-mail op de hoogte te hebben gesteld – het onderzoek ook op de zitting van 26 januari 2024 heeft hervat en gesloten. Het hof was op beide sluitingszittingen enkelvoudig samengesteld.
Van de zittingen van 24 november 2023, 12 januari 2024 en 26 januari 2024 is één procesverbaal opgemaakt. Dat proces-verbaal houdt voor wat betreft de zitting van 24 november 2023 onder meer het volgende in:
“Tegenwoordig zijn:
mr. [betrokkene 1] , voorzitter,
mr. [betrokkene 2] en mr. [betrokkene 3] , leden,
mr. [betrokkene 4] , griffier.
(…)
De voorzitter onderbreekt de behandeling voor een korte pauze.
Nadat de behandeling is hervat, deelt de voorzitter mee dat reeds nu duidelijk is dat het hof meer dan twee weken nodig zal hebben om zijn oordelen in deze zaak op papier te zetten. De behandeling van de zaak zal daarom - na repliek, dupliek en laatste woord - vandaag worden onderbroken tot 12 januari 2024 om 13.30 uur. Op die datum en dat tijdstip wordt de behandeling gesloten en er zal vervolgens op 26 januari 2024 uitspraak in deze zaak worden gedaan. De verdediging en de advocaat-generaal verklaren desgevraagd er geen bezwaar tegen te hebben dat het onderzoek enkelvoudig zal worden hervat en gesloten.
(….)
De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld het laatst te spreken, haar vertegenwoordigster verklaart:
(…)
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting tot 12 januari 2024 te 13.30 uur.”
Het proces-verbaal houdt wat betreft de zittingen van 12 en 26 januari 2024 het volgende in (onder vermelding van een voetnoot):
“Tegenwoordig zijn op 12 januari 2024 (zittingsplaats Amsterdam):
mr. [betrokkene 3] , raadsheer,
mr. [betrokkene 4] , griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Weening , advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte uitroepen.
De verdachte en de raadsman zijn niet ter terechtzitting verschenen.
Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich ten tijde van de onderbreking op 24 november 2023 bevond.
De raadsheer sluit het onderzoek in deze zaak en deelt mede dat op 26 januari 2024 om 13.30 uur uitspraak zal worden gedaan.
Tegenwoordig zijn op 26 januari 2024 in het gerechtshof te Den Haag[1]:
mr. [betrokkene 1] , voorzitter,
mr. [betrokkene 4] , griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. [betrokkene 6] , advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak tegen de verdachte uitroepen. De verdachte en de raadsman zijn niet ter terechtzitting verschenen.
Het hof hervat het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich ten tijde van de op 24 november 2023 bevond. De voorzitter sluit het onderzoek en doet direct uitspraak.
[1] De aanwijzing (op basis van art. 62a Wet RO) om zaken van het gerechtshof Den Haag te behandelen op de locatie Amsterdam was geldig tot en met 31 december 2023. Vanaf 1 januari 2024 dienen Haagse strafzaken daarom weer behandeld door hof Den Haag op de locatie Den Haag. Omdat de sluiting op 12 januari 2024 in Amsterdam heeft plaatsgevonden is het onderzoek op 26 januari 2024 opnieuw in Den Haag gesloten. De raadsman en de advocaat-generaal zijn hier per e-mail van 24 januari 2024 van op de hoogte gesteld.”
Voor wat betreft het in enkelvoudige samenstelling door het hof hervatten en sluiten van het onderzoek ter terechtzitting op 12 januari 2024 geldt dat de verdediging op de zitting van 24 november 2023 desgevraagd heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen die gang van zaken. Het belang dat de verdachte zou hebben bij de klacht tegen deze door de verdediging expliciet geaccordeerde gang van zaken, ontgaat mij.
Voor wat betreft diezelfde gang van zaken op de zitting van 26 januari 2024 geldt dat de raadsman daar eveneens vooraf van op de hoogte is gesteld, te weten per e-mail van 24 januari 2024. Ook daarvoor geldt naar ik meen dat het op de weg van de raadsman had gelegen om, indien hij zou menen dat de verdachte daarmee op enigerlei wijze in haar belangen zou worden geschaad, zijn bezwaren op dat moment kenbaar te maken. De gedingstukken noch de cassatieschriftuur geven blijk van dergelijke bezwaren. Daarnaast geldt het volgende.
AG Harteveld heeft in zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:858 uitgebreid uiteengezet waarom het belang van een klacht als de onderhavige ontbreekt in een situatie waarin (onder meer) i) de inhoudelijke behandeling, inclusief het laatste woord, heeft plaatsgevonden met een zittingscombinatie bestaande uit alle drie de raadsheren die het arrest hebben gewezen en ii) de verdachte en zijn raadsman bij de betreffende sluitingszitting niet zijn verschenen. Dat standpunt deel ik. Hetgeen de stellers van het middel over dit belang aanvoeren, kan hen evenmin baten. Als het al zo zou zijn dat het hof materiaal tot het bewijs heeft gebezigd dan wel bij het bepalen van de straf heeft betrokken, waarover de verdachte zich niet zou hebben kunnen uitlaten, dan kan daarover afzonderlijk worden geklaagd (zoals kennelijk ook is gedaan in het later te bespreken zesde cassatiemiddel). Het proces-verbaal van de terechtzitting(en) geldt daarbij als enige kenbron. Nu dat proces-verbaal niet blijkt geeft van enige inhoudelijke mededeling op de zittingen van 12 en 26 januari 2024, is dat ook waar in cassatie van moet worden uitgegaan. Dat het betreffende – door de steller van het middel als “onbekende informatie” – aangeduid bewijsmateriaal “mogelijk” op de zittingen van 12 of 26 januari 2024 zou zijn voorgehouden, kan de verdachte in die zin dus op generlei wijze worden tegengeworpen. Bovendien houdt het proces-verbaal van de zitting op 26 januari 2024 in dat het hof het onderzoek ter terechtzitting hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de onderbreking op 24 november 2023 bevond. Dat betekent dat het hof geen acht heeft geslagen op hetgeen zich op de terechtzitting van 12 januari 2024 heeft voorgedaan.
Daar waar de stellers van het middel ten slotte nog klagen dat “het Amsterdamse hof” zich op de zitting van 12 dan wel 26 januari 2024 onbevoegd had moeten verklaren, miskennen zij dat de zaak enkel is behandeld door gerechtshof Den Haag (en dus niet door het gerechtshof Amsterdam). Amsterdam betrof louter de – tijdelijke – zittingslocatie van dat (Haagse) hof.
Het middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4 Het tweede middel
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat ten tijde van het afleggen van de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van [betrokkene 7] (de directeur van de verdachte) geen sprake was van een verhoorsituatie, zodat de betreffende opsporingsambtenaar niet verplicht was de cautie te verlenen overeenkomstig art. 29 lid 2 Sv.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2. primair
zij (voorheen als [A] B.V.) op 21 maart 2012 te [vestigingsplaats] ,
vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen,
zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
valselijk heeft opgemaakt,
immers heeft zij, verdachte, telkens valselijk, in strijd met de waarheid, een UN kenmerk, te weten UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 en
UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 en
UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,
op die vaten aangebracht,
terwijl uit herhaalde beproevingen met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3 en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR was gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij die UN kenmerken behorende ontwerptypen,
zulks telkens met het oogmerk om die vaten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“5. Een proces-verbaal van politie met nummer 2011370881, documentcode 1204161431.AMB, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 488 tot en met 492 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Ghost).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de [verbalisant 1] :
In de fabriek van [A] B.V. zijn verschillende documenten in beslag genomen, waaronder testen die in 2010, 2011, 2012 zijn uitgevoerd. Gedurende de doorzoeking is specifiek gevraagd om de testresultaten van de type vaten UN/1A2/Y 1.3/140/NL/GEF 1086, UN/1A2/Y 1.2/100/NL/GEF 1572, UN/1A2/Y 1.4/140/NL/GEF 2573. Hieronder volgt de samenvatting van de testen, waarbij met name de testresultaten van de typen, aangegeven met de UN verpakkingskenmerken 1086, 1572, 2573 worden beschreven:
IBN nummer 1203221100.D01: in de maanden februari, november en december 2010 zijn er testen uitgevoerd. Ook de vaten met UN verpakkingskenmerken 1086, 1572 en 2573 zijn één keer getest. Bij alle drie deze testen werd de hydraulische druktest niet gehaald. Bij de herkeuring van 1572 werd de druktest wederom niet gehaald.
IBN nummer 1203221100.1D02: in de periode van 22 november 2010 en met 1 december 2010 zijn testen uitgevoerd. Ook de vaten met UN verpakkingskenmerken 1086, 1572 en 2573 zijn één keer getest. Bij alle drie deze testen werd de hydraulische druktest niet gehaald.
IBN nummer 1203221100.D08: in de maanden februari, maart, april, juni, juli en augustus 2011 zijn testen uitgevoerd. Van de drie typen vaten wordt alleen UN nummer 1572 één keer getest, waarbij de hydraulische test niet werd gehaald. Er staat geen datum of resultaat voor de herkeur bij.
Meerdere documenten van eindcontroles van de typen 1572 en 1086. Type 1572 is 3 keer getest voor de hydraulische druktest waarbij 3 keer deze hydraulische druktest niet is gehaald.
Type 1086 is 2 keer getest waarbij de hydraulische test 2 keer niet is gehaald.
Er zijn in totaal 69 testresultaten geanalyseerd, in onderstaande tabel staat hoe vaak de typen vaten eindigend op 1086, 1572 en 2573 zijn getest en hoe vaak de hydraulische druktest niet is gehaald.
|
Totaal aantal uitgevoerde hydraulische druktesten |
Aantal niet behaalde hydraulische druktesten |
|
|
UN/1A2/Y 1.3/140/NL/GEF 1085 |
5 |
5 |
|
UN/1A2/Y 1.2/100/NL/GEF 1572 |
6 |
2 |
|
UN/1A2/Y 1.4/140/NL/GEF 2573 |
2 |
2 |
6. Een proces-verbaal van politie met nummer 2011370881, documentcode 1202231230.G01, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 1087 tot en met 1111 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Ghost).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de [getuige] :
Bij de jaarlijkse test deden we de hydraulische druktest. Deze test werd op de juiste wijze uitgevoerd. Ik weet dat er in de jaren 2009, 2010 en 2011 geen testrapporten zijn getekend omdat ik heb gesproken met [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 11] en [betrokkene 10] (het hof begrijpt: [betrokkene 9] , [betrokkene 8] , [betrokkene 10] en [betrokkene 11] , ingenieurs bij de [afdeling 1] bij [B] ). Zij hebben mij verteld dat de problemen met de Y-vaten in deze periode speelden. Zij zeiden dat de Y-vaten nog nooit de hydraulische test hebben gehaald en ook zij weigerden de testrapporten te tekenen als de tests niet goed waren. Van de typen waar Y op stond, haalden de vaten de hydraulische test nooit. Er gebeurde niks als de vaten werden afgekeurd. Af en toe heb ik ze nog weleens getest, maar ze kwamen er gewoon niet doorheen. De vaten werden gewoon door geproduceerd. Er werd niets aangepast. Ik stelde mijn KAM-manager en mijn productieleider daarvan op de hoogte.
7. Een proces-verbaal van politie met nummer 2011370881, documentcode 1209271600.AMB, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 319 en 320 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Ghost).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de [verbalisant 2] :
Op donderdag 27 september 2012 zei [betrokkene 7] in een telefonisch gesprek tegen mij: ‘U zult wel van [betrokkene 12] gehoord hebben dat het een bekend probleem is om te zorgen dat alle ‘open head’ vaten voldoen aan de hydraulische druktest'.
[betrokkene 7] gaf aan dat het een bekend probleem is
[betrokkene 7] deelde mij mede dat [A] vaten van een concurrent had getest en deze bleken nog slechter uit de testen te komen dan die van [A] .
(…)
9. Een proces-verbaal van politie met nummer 2011370881, documentcode 1205220940.AMB, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (pagina 421 tot en met 422 en pagina 439 tot en met 445 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier Ghost).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de [verbalisant 1] :
In opdracht van de officier van justitie te Rotterdam is een onderzoek ingesteld naar aanleiding van mogelijke strafbare gedragingen betreffende het leveren van vaten die niet voldoen aan de gestelde eisen van TNO en de ISO certificering welke worden gepleegd binnen de inrichting van [A] BV, gevestigd aan de [a-straat 1] , [postcode] [plaats] .
Ik bevond mij in het kantoor van [afdeling 1] ( [afdeling 1] ), gevestigd op het terrein van [A] . [betrokkene 13] , team leider Engineering [afdeling 1] en [betrokkene 14] , team leider [afdeling 2] en lab [afdeling 1] begeleidden de zoekploeg. [betrokkene 14] heeft mij gedurende de doorzoeking uit eigen beweging de volgende twee documenten overhandigd, waarbij hij vermeldde dat dit openbare documenten zijn:
1. Richtlijn 01 TUV Rheinland Nederland B.V. Eisen aan het kwaliteitsborgingssysteem voor de productie, reconditionering, reparatie en ombouw van verpakkingen, intermediate Bulk containers en Large Packagings voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Datum 17 juni 2011 (documentcode 1205220940.D01)
2. Richtlijn 01, aanhangsel P01
Minimale eisen aan het kwaliteitsplan van het kwaliteitsborgingsysteem bij de productie van verpakkingen, 30 juni 2011 (documentcode 1205220940.D02)
Pagina 439 - Aanhangsel P01 - Minimale eisen aan het kwaliteitsplan van het kwaliteitsborgingssysteem bij de productie van verpakkingen
5. Verificatie
beproevingen
De verificatie omvat de volgende beproevingen
|
Hydraulische drukproef (voor verpakkingen toegelaten voor vloeistof(fen) |
1x per maand per productielijn |
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs verder nog het volgende overwogen:
“Standpunt verdediging
(…)
Tot slot heeft de verdediging gesteld dat de verklaring van [betrokkene 7] niet kan worden gebruikt voor het bewijs nu hem geen cautie is gegeven voorafgaand aan die verklaring. Daaruit blijkt overigens niet van wetenschap van [betrokkene 7] of de verdachte rechtspersoon over problemen met de vaten.
(…)
Beoordeling hof
Feiten en omstandigheden
Op 22 maart 2012 werd een doorzoeking uitgevoerd in het bedrijfspand van de verdachte en op het terrein rondom het bedrijfspand. Daarbij zijn de volgende vaten in beslag genomen:
- zeven vaten met UN-kenmerk 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573;
- zes vaten met UN-kenmerk IA2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572;
- zes vaten met UN-kenmerk 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086.
Van deze negentien vaten die in beslag zijn genomen, zijn er per productielijn (er waren drie productielijnen met respectievelijk de nummers 2573, 1572 en 1086) drie vaten geselecteerd om de hydraulische druktest van randnummer 6.1.5 van het ADR te ondergaan. Hieruit bleek dat geen van de negen geteste vaten deze test met goed gevolg doorstond.
In de fabriek van de verdachte zijn daarnaast documenten in beslag genomen, waaronder gegevens over soortgelijke testen die in verschillende maanden in de jaren 2010, 2011 en 2012 zijn uitgevoerd. Daarbij is specifiek gekeken naar de testresultaten van de typen met de UN verpakkingskenmerken 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573, IA2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 en 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086. Uit de van die kenmerken nog beschikbare testresultaten over 2010 en 2011, in totaal dertien, blijkt dat geen van de geteste vaten de hiervoor bedoelde hydraulische druktest met goed gevolg heeft doorstaan.
Regelgeving
Voornoemde hydraulische druktest volgt uit het ADR waarin onder meer voorschriften staan voor de constructie en beproeving van verpakkingen. In het ADR 2011 - de geldende regelgeving ten tijde van het tenlastegelegde - staat over de kenmerken op verpakkingen en de hydraulische druktest onder meer het volgende:
"Chapter 6.1
REQUIREMENTS FOR THE CONSTRUCTION AND TESTING OF PACKAGINGS
Marking
NOTE 1: The marking indicates that the packaging which bears it corresponds to a successfully tested design type and that it complies with the requirements of this Chapter which are related to the manufacture, but not to the use, of the packaging.
(...)
NOTE 2: The marking is intended to be of assistance to packaging manufacturers, reconditioners, packaging users, carriers and regulatory authorities.
(…)
6.1.3.1 Each packaging intended for use according to the ADR shall bear markings which are durable, legible and placed in a location and of such a size relative to the packaging ad to be readily visible.
(…)
6.1.3.14 Certification
By affixing marking in accordance with 6.1.3.1, it is certified that mass-produced packagings correspond to the approved design type and that the requirements referred to in the approval have been met.
(...)
Test requirements for packagings
6.1.5.1 Performance and freguency of tests
6.1.5.1.1 The design type of each packaging shall be tested as provided in 6.1.5 in accordance with procedures established by the competent authority allowing the allocation of the mark and shall be approved by this competent authority.
6.1.5.1.2 Each packaging design type shall successfully pass the tests prescribed in this Chapter before being used.
6.1.5.1.3 Tests shall be repeated on production samples at intervals established by the competent authority.
(...)
6.1.5.5 Internal pressure (hydraulic) test
(...)
6.1.5.5.6 Criterium for passing the test: no packaging may leak.
(…)”
In Nederland is de bevoegde autoriteit Tüv Rheinland Nederland B.V (rechtsopvolger van TNO). Aan de goedkeuring van deze bevoegde autoriteit is de verplichting verbonden zich te houden aan de TNO-richtlijnen betreffende het kwaliteitsborgingssysteem voor de productie van de vaten. Hiermee wordt bedoeld de Tüv richtlijn 01, voorheen TNO richtlijn 01. Uit het aanhangsel bij deze richtlijn ‘PO1’: Minimale eisen aan het kwaliteitsborgingssysteem bij de productie van verpakkingen, volgt onder meer dat iedere maand per productielijn (met minimaal een vat) een hydraulische drukproef wordt uitgevoerd.
Kortom, op grond van het ADR moet een ontwerptype (of constructietype) van een verpakking voldoen aan bepaalde eisen en als hieraan wordt voldaan wordt een kenmerk toegekend. Dit kenmerk kan op alle verpakkingen die overeenkomstig het ontwerptype zijn vervaardigd worden aangebracht. Naast dat het ontwerptype de beproevingen zoals opgenomen in het ADR goed moet doorstaan moeten vervolgens ook met tussenpozen de beproevingen worden herhaald met monsters uit de productie. Hieronder valt ook de hydraulische druktest, die iedere maand per productielijn diende te worden uitgevoerd en waarbij het criterium geldt dat geen verpakking mag lekken.
De verdachte wordt onder feit 2 primair verweten dat zij opzettelijk UN-kenmerken heeft aangebracht op vaten die niet aan de vereisten van het ADR voor het aanbrengen van deze kenmerken voldeden, omdat niet aan de vereiste hydraulische druktest van randnummer 6.1.5.5. van het ADR werd voldaan.
(…)
Valselijk opgemaakt
De verdediging stelt voorts dat geen sprake kan zijn van een vals geschrift omdat de verdachte bevoegd was het UN-kenmerk te gebruiken. Aan de omstandigheid dat de in de tenlastelegging genoemde vaten de druktest niet doorstonden, kan niet de conclusie worden verbonden dat deze vaten niet overeenkwamen met het ontwerptype. Het hof volgt dit standpunt niet. Uit de te bezigen bewijsmiddelen volgt dat negen van de negentien op 22 maart 2012 inbeslaggenomen vaten van de productielijnen 2573, 1572 en 1086 zijn getest en dat géén van deze vaten de druktest heeft doorstaan. Uit de administratie over 2010 en 2011 - voor zover nog aanwezig - blijkt ten aanzien van de vereiste periodieke beproevingen van de monsters uit de productielijnen 2573, 1572 en 1086, dat géén van deze herhaaldelijke beproevingen succesvol was. Hieruit volgt een beeld dat de geproduceerde vaten van deze drie productielijnen structureel niet voldeden aan de druktest, waar het goedgekeurde ontwerptype wel voldeed. Dit beeld wordt bevestigd door de verklaring van [getuige] , voormalig kwaliteitsmedewerker bij de verdachte, die verklaart dat van de typen waar Y op stond, de vaten de hydraulische test nooit haalden in de jaren 2009, 2010 en 2011.
Daar komt bij dat [betrokkene 7] , directeur van de verdachte, op het moment dat een verbalisant in september 2012 telefonisch aan hem de resultaten van de testen van de politie doorgaf, verklaarde dat het een bekend probleem was dat niet alle open head vaten - waar het hier om gaat - de hydraulische druktest doorstonden. Dat [betrokkene 7] voorafgaand aan dat gesprek niet de cautie heeft gekregen, maakt niet dat zijn verklaring op dit punt niet voor het bewijs zou kunnen worden gebruikt. Niet is immers gebleken dat aan [betrokkene 7] vragen zijn gesteld in dat gesprek die bezwaarlijk anders kunnen worden opgevat dan als vragen betreffende zijn betrokkenheid, dan wel de betrokkenheid van de verdachte, bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij/de verdachte als verdachte was aangemerkt. Het hof concludeert uit de weergave van dit gesprek in het desbetreffende proces-verbaal van ambtshandeling (1209271600.AMB) door de verbalisant - welke weergave als zodanig niet wordt betwist - dat er kennelijk sprake was van een spontane mededeling van de kant van [betrokkene 7] . Dit betekent dat er geen sprake was van een verhoorsituatie, zodat de daarvoor geldende waarborgen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan de orde waren. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is daarom geen sprake, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is.
(…)
Opzet
(…)
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de vaten door deze te voorzien van het UN-kenmerk, terwijl die vaten de hydraulische druktest niet doorstonden. De verdachte was ervan op de hoogte dat de geproduceerde vaten de druktest niet haalden, zo blijkt uit de testresultaten over de jaren 2010 en 2011 - voor zover nog aanwezig - en uit de verklaringen van [getuige] en [betrokkene 7] . De over die jaren uitgevoerde audits waaraan de verdachte refereert, maken die wetenschap niet anders. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat naar aanleiding van de mislukte testen en/of de kennis van de problemen met de druktest/het productieproces, binnen de rechtspersoon structureel maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de geproduceerde vaten wel aan de hydraulische druktest zouden voldoen. Evenmin is bij de bevoegde instantie gemeld dat de periodiek geteste vaten uit de productielijn - anders dan het ontwerptype - niet voldeden aan de druktest. Uit deze feitelijke gang van zaken leidt het hof af dat de verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de vaten.”
Het juridisch kader
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Artikel 29 lid 2 Sv beoogt de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. Op grond van die bepaling dient de verdachte voor zijn verhoor te worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en dient die mededeling in het procesverbaal te worden opgenomen. Is de verdachte een rechtspersoon, dan geldt die verplichting ten aanzien van de vertegenwoordiger van die rechtspersoon.
Van een verhoor als bedoeld in art. 29 lid 2 Sv is sprake als door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Op grond van artikel 27 lid 1 Sv wordt als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en daardoor van een verhoorsituatie.
Ook als door de politie niet daadwerkelijk vragen zijn gesteld, maar bijvoorbeeld louter een mededeling is gedaan en/of (een) opmerking(en) is of zijn gemaakt, kan sprake zijn van een dergelijke verhoorsituatie. Dat is het geval – zo kan worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1769 – als de betreffende opsporingsambtenaar daarmee “kennelijk een reactie van de verdachte met betrekking tot zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit (…) wilde verkrijgen”. In die zaak ging het om een verdenking van diefstal dan wel verduistering van een crossmotor. Een opsporingsambtenaar had de verdachte, nadat hij hem had herkend op camerabeelden waarop de dader te zien zou zijn, geconfronteerd met die herkenning, hem gezegd dat hij de verdachte had zien rijden op een crossmotor die van diefstal afkomstig was en dat het de opsporingsambtenaar verbaasde dat de verdachte “betrokkenheid heeft bij dit soort praktijken”. De Hoge Raad oordeelde dat daarmee sprake was van een verhoor als bedoeld in art. 29 lid 2 Sv.
De bespreking van het middel
Het hof heeft overwogen dat niet is gebleken dat in het gesprek dat heeft geleid tot de als bewijsmiddel 7 opgenomen verklaring van [betrokkene 7] door de betreffende verbalisant vragen zijn gesteld die bezwaarlijk anders kunnen worden opgevat dan als vragen betreffende zijn betrokkenheid, dan wel de betrokkenheid van de verdachte, bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij/de verdachte als verdachte was aangemerkt. Het heeft vervolgens overwogen dat het uit de weergave van het gesprek tussen [betrokkene 7] en de betreffende verbalisant concludeert dat sprake was van een spontane mededeling van de kant van [betrokkene 7] en dat dit betekent dat er geen sprake was van een verhoorsituatie.
Voor zover het hof met het voorgaande tot uitgangspunt heeft genomen dat een gesprek tussen een opsporingsambtenaar en een verdachte louter als verhoor als bedoeld in art. 29 lid 2 Sv kan worden aangemerkt als door de opsporingsambtenaar daadwerkelijk vragen worden gesteld, gaat het, gelet op hetgeen hierboven onder 4.7 uiteen is gezet, uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Voor zover het hof dat niet heeft gedaan en het met zijn overweging dat (van de zijde van [betrokkene 7] ) sprake was van een “spontane mededeling” tot uitdrukking heeft willen brengen dat de opsporingsambtenaar geen mededelingen heeft gedaan waarmee hij kennelijk een reactie van de (vertegenwoordiger van de) verdachte met betrekking tot zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit wilde verkrijgen, acht ik dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De mededeling van de opsporingsambtenaar hield immers de testresultaten in, te weten dat negen vaten van drie verschillende ontwerptypes waren onderworpen aan een hydraulische druktest en dat géén van deze inbeslaggenomen vaten deze test had doorstaan, terwijl de aanleiding voor de doorzoeking bestond uit de verdenking van “mogelijk strafbare gedragingen betreffende het leveren van vaten die niet voldoen aan de gestelde eisen van TNO en ISO certificering binnen de inrichting van [A] BV” (bewijsmiddel 9) en tijdens die doorzoeking specifiek was gevraagd naar testresultaten van vaten van die drie ontwerptypes (bewijsmiddel 5).
Het middel klaagt hierover terecht. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddelen 5 en 6, is de bewezenverklaring naar ik meen immers ook met weglating van de in bewijsmiddel 7 weergegeven verklaring toereikend gemotiveerd.
5 Het derde middel
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring vermelde vaten met UN-kenmerken telkens kunnen worden aangemerkt als ‘geschrift’ als bedoeld in art. 225 Sr.
Het bestreden arrest houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:
“ Overwegingen feit 2
(….)
Beoordeling hof
(…)
Geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of een vat waarop een UN-kenmerk is aangebracht een geschrift is in de zin van artikel 225 Sr.
Een geschrift is een weergave van al dan niet dadelijk leesbare tekens die in min of meer duurzame vorm zijn neergelegd (conclusie mr. E.J. Hofstee ten behoeve van het zogenoemde barcode-arrest, ECLI:NL:PHR:2016:476). Voor zover relevant haalt Hofstee in zijn conclusie het volgende aan uit Noyon/Langemeijer/Remmelink ten aanzien van een geschrift:
"Het geschrift moet in de meest uitgebreide betekenis genomen worden. In deze zin ook de memorie van toelichting bij art. 225: geschrift omvat alle in letter- of cijferschrift gestelde stukken, en minister Modderman in de Tweede Kamer: het maakt geen verschil of de letters, cijfers enz. gesteld zijn door de hand ofwel door de drukpers of door welk ander werktuig ook. Dus ook de kerfstok - het bewijsmiddel van het oude art. 1924 BW voor kleine leveranties - zou hieronder kunnen vallen. De wetsgeschiedenis geeft derhalve steun aan de opvatting dat het begrip ‘geschrift' extensief moet worden geïnterpreteerd; het gaat immers om de weergave van (letter en cijfer)tekens en niet zo zeer om de vorm waarin of de manier of materie waarop die tekens zijn vastgelegd. Deze door de wetgever gewenste ruime uitleg is in de doctrine en de rechtspraak gevolgd.
(...).
De vorm waarin of de manier waarop ‘tekens’ zijn vastgelegd, is dus niet van groot belang. Wel relevant is dat die vastlegging een zekere duurzaamheid heeft: Dat ligt in ‘geschrift‘ besloten, al stelt de Hoge Raad daaraan gezien zijn arrest van 1991 (hof: HR 15 januari 1991, NJ 1991/6681 geen hoge eisen. Het moet dus gaan om gegevens die zijn vastgelegd en enige tijd - al dan niet met gebruikmaking van een hulpmiddel - te ‘lezen’ moeten zijn. Schrift - in de meer letterlijke betekening van het woord - veronderstelt kenbaarheid uit tekens (letters, cijfers enz.) op een stuk materie, meestal papier maar het kan ook linnen, hout, metaal enz. zijn en tegenwoordig dus ook een computerscherm of het scherm van een mobiele telefoon."
In aanvulling op het vorenstaande slaat het hof nog acht op een ander door Noyon/Langemeijer/Remmelink genoemd voorbeeld van de door de doctrine en rechtspraak gevolgde door de wetgever gewenste ruime uitleg van ‘geschrift’: een stempel kan ook als zodanig worden aangemerkt (HR 4 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1115, NJ 1995/228).
Het hof is van oordeel dat een stalen vat met daarop aangebracht een UN-kenmerk kan worden aangemerkt als een geschrift in vorenbedoelde zin. De UN-kenmerken bestaan uit leesbare tekens, letters en cijfers, die in duurzame vorm zijn neergelegd, namelijk ingeperst op permanente wijze in het vat. Dit is overigens ook conform het vereiste van het ADR dat elke verpakking, bestemd voor het gebruik volgens het ADR, moet zijn voorzien van kenmerken, die duurzaam en leesbaar zijn en die op een zodanige plaats en in een zodanige grootte in verhouding tot de verpakking zijn aangebracht, dat zij gemakkelijk zichtbaar zijn (randnummer 6.1.3.1 van het ADR).
De stellingen van de verdediging dat een stalen vat met daarop een UN-kenmerk niet kan worden aangemerkt als geschrift omdat dit taalkundig niet gezien wordt als een geschrift en omdat een vat een gebruiksvoorwerp is, worden door het vorenstaande weerlegd. Ook de stelling dat de stalen vaten in kwestie niet kunnen kwalificeren als geschriften in de zin van artikel 225 Sr omdat het voorwerp in kwestie (het vat) de leesbare tekst daarop domineert, volgt het hof niet. De enkele omstandigheid dat het gaat om een relatief klein UN-kenmerk ten opzichte van een relatief groot voorwerp rechtvaardigt niet de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een geschrift. Dergelijke eisen over de omvang en verhouding van de tekens versus de het voorwerp waarop die zijn aangebracht volgen niet uit de wet of jurisprudentie. De grootte van de tekens ten opzichte van het voorwerp waarop die zijn aangebracht, is dan ook niet van doorslaggevende betekenis.
De verdediging stelt verder dat een UN-kenmerk op een vat gelijk kan worden gesteld met een chassisnummer ingeslagen in een motorblok en dat, nu de Hoge Raad in 1931 oordeelde (Hoge Raad 15 juni 1931, NJ 1933, p. 49) dat een chassisnummer niet (nooit) als een geschrift kan worden aangemerkt, ook het UN-kenmerk op een vat niet als zodanig kan worden aangemerkt. Dit behoeft echter wat het hof betreft niet tot een andere uitkomst te leiden. De Hoge Raad heeft in vorengenoemd arrest bepaald dat een in een auto aangebracht chassisnummer geen geschrift in de zin van artikel 225 Sr kan zijn. Wil enige duurzame vastlegging van leesbare tekens als geschrift in de zin van artikel 225 Sr kwalificeren, dan zal er sprake moeten zijn van ‘een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’. Aan dit laatste vereiste voldoet een chassisnummer niet. Het gaat daarbij immers om een nummer bedoeld ter identificatie van het chassis van het voertuig. Bij een UN-kenmerk gaat het om een combinatie van cijfers en letters die niet dient ter identificatie van een vat, verschillende vaten kunnen immers hetzelfde UN-kenmerk hebben, maar om een opschrift dat informatie geeft over de kwaliteit van het vat en de wijze van productie. Op de bewijsbestemming van het opschrift op de vaten gaat het hof hierna nog verder in.
Voor zover ten slotte het hier aan de orde zijnde keurmerk ook zou kunnen kwalificeren als een merk in de zin van artikel 219 Sr, maakt dit niet dat geen sprake meer kan zijn van een geschrift in de zin van artikel 225 Sr. Daarvoor is relevant dat artikel 219 Sr geen lex specialis is ten opzichte van artikel 225 Sr. Het hof komt overigens door de wijze van ten laste leggen en nu het primaire feit bewezen zal worden verklaard, niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van handelen in strijd met artikel 219 Sr.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de vaten met UN-kenmerken die in de tenlastelegging zijn genoemd telkens kunnen worden aangemerkt als een geschrift in de zin van artikel 225 Sr.
Bewijsbestemming
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vaten met de daarop aangebrachte UN-kenmerken geen bewijsbestemming hebben, nu dit UN-kenmerk geen garantie biedt. Dit verweer wordt verworpen. In het ADR staat dat door middel van een kenmerk, waaronder UN-kenmerken, op de verpakking wordt aangegeven dat deze verpakking overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met (hoofdstuk 6 van) het ADR voor zover dit betreft de fabricage (onderdeel 6.1.3 van het ADR). In onderdeel 6.1.3.14 van het ADR staat ook dat met het aanbrengen van de kenmerken volgens 6.1.3.1 wordt bevestigd dat de in serie vervaardigde verpakkingen overeenkomen met het goedgekeurde ontwerptype en dat aan de voorwaarden, genoemd in de goedkeuring, is voldaan. De UN-kenmerken op de verpakking geven dus aan dat de verpakking overeenkomt met het ontwerptype dat onder meer met succes de hydraulische druktest heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met het ADR wat betreft de fabricage. Verschillende afnemers van de vaten hebben daarnaast verklaard dat de UN-kenmerken voor hen van groot belang zijn omdat zij voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gebruik moeten maken van de specifiek voor de te vervoeren stof vereiste vaten met UN-kenmerk, waaronder de in de tenlastelegging genoemde vaten. De afnemers ontleenden dus vertrouwen aan de UN-kenmerken op de vaten en mochten dat ook doen. De onderhavige geschriften zijn dan ook bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.”
Het juridisch kader
Over de betekenis van de term ‘geschrift’ als bedoeld in art. 225 Sr houdt de memorie van toelichting op het wetsontwerp in dat dit “alle in letter- of cijferschrift gestelde stukken [omvat]”. Door minister Modderman werd daarbij opgemerkt dat het geen verschil uitmaakt of de letters, cijfers “enz.” gesteld zijn door de hand ofwel door de drukpers, “of welk ander werktuig ook.” Uit de gebruikte bewoordingen, zo schrijft ook Bakker in zijn dissertatie in 1985, kan worden afgeleid dat de wetgever een ruime uitleg van de term ‘geschrift’ voor ogen heeft gehad. Zo ook Hofstee in Noyon/Langemeijer/Remmelink, door wie wordt opgemerkt dat het begrip ‘geschrift’ in de meest uitgebreide betekenis genomen moet worden. “Het gaat (…) om de weergave van (letter- en cijfer)tekens en niet zo zeer om de vorm waarin of de manier of materie waarop die tekens zijn vastgelegd.”
“Schrift”, zo valt in Noyon/Langemeijer/Remmelink verder te lezen, “veronderstelt kenbaarheid uit tekens (…) op een stuk materie, meestal papier, maar het kan ook linnen, hout, metaal enz. zijn”. Het moet gaan om gegevens die zijn vastgelegd en enige tijd – al dan niet met gebruikmaking van een hulpmiddel – te ‘lezen’ moeten zijn. Bakker komt tot de volgende algemene criteria: i) er moet sprake zijn van materie, waarop of waarin – al dan niet met behulp van enigerlei hulpmiddel – tekens zijn aangebracht, ii) de weergave van die tekens moet (redelijk) duurzaam zijn, iii) de tekens moeten – al dan niet met behulp van enigerlei hulpmiddel – gelezen kunnen worden en iv) er moet sprake zijn van een voor begrip vatbare gedachtenuiting.
De door de wetgever gewenste ruime uitleg en de door Bakker geformuleerde criteria (met name die onder ii) en iii)) komen terug in de rechtspraak van de Hoge Raad. Ik wijs in de eerste plaats op HR 15 januari 1991, NJ 1991/668, waaruit volgt dat ook een computerbestand als geschrift in de zin van art. 225 Sr kan worden aangemerkt. Ten aanzien van het digitale bestand had het hof vastgesteld, zoals het volgens de Hoge Raad ook had kunnen doen, dat dit bestand “bestond uit met enige duurzaamheid op een magneetschijf vastgelegde gegevens (…), welke op tamelijk eenvoudige wijze leesbaar konden worden gemaakt”. Uitgaande van die vaststelling, zo oordeelt de Hoge Raad, had het hof het computerbestand, als vastgelegd op een magneetschijf, terecht aangemerkt als een geschrift in de zin van art. 225 Sr (rov. 5.2 en 5.3).
In de uitleveringszaak HR 2 oktober 1994, NJ 1995/228 werd de verzoeker ervan verdacht dat hij meerdere douane- en vervoersdocumenten valselijk had afgestempeld, met valse (nagemaakte) stempels. In het kader van de vraag of aan het dubbele strafbaarheidsvereiste werd voldaan, schreef toenmalig AG Meijers in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest dat een stempel als een geschrift in de zin van art. 225 Sr kan worden aangemerkt, aangezien dit een voorwerp is “met, om nogmaals Remmelink, t.a.p. te citeren, ‘tekens (letters, cijfers, enz.) op een stuk materie, meestal papier, maar het kan ook linnen, hout, metaal, enz. zijn’”. De Hoge Raad volgde hem daarin en overwoog:
“5.3.3 Blijkens de wetsgeschiedenis is de betekenis van het woord 'geschrift' in art. 225 Sr ruim op te vatten. Een stempel als drager van leestekens, letters en/of cijfers enz., kan worden aangemerkt als een geschrift in de zin van art. 225 Sr (…).”
Ook in recentere wetsgeschiedenis en rechtspraak komt tot uitdrukking dat de term ‘geschrift’ in art. 225 Sr (zeer) ruim dient te worden opgevat. Zo wordt dit begrip in de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel naar aanleiding van het kaderbesluit betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (PbEG L 149) gedefinieerd als “een weergave van al dan niet dadelijk leesbare tekens die in min of meer duurzame vorm zijn vastgelegd.” Het begrip ‘tekens’ dient daarbij ruim te worden opgevat, zo houdt de memorie van toelichting verder in. Ook een codesysteem dat met behulp van een decoderingssysteem kan worden gelezen valt hieronder. Dat betekent, zo brengt de Hoge Raad tot uitdrukking in zijn arrest van 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1174, dat ook een uit een streepjescode en voorzien van een getallenreeks bestaande barcode(sticker) kan worden aangemerkt als een ‘geschrift’ als bedoeld in art. 225 Sr.
De bespreking van het middel
Het hof heeft overwogen dat de op de in de tenlastelegging genoemde vaten aangebrachte UN-kenmerken bestaan uit leesbare tekens, letters en cijfers, die op permanente wijze – en daarmee in duurzame vorm – in het vat zijn geperst. Het hof heeft verder tot uitdrukking gebracht dat, bij de vraag of sprake is van een ‘geschrift’ als bedoeld in art. 225 Sr, de grootte van de tekens ten opzichte van de omvang van het voorwerp waarop die tekens zijn aangebracht niet van doorslaggevende betekenis is, omdat uit de wet noch uit de jurisprudentie volgt dat aan een dergelijke verhouding eisen worden gesteld.
Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de in de tenlastelegging genoemde vaten telkens kunnen worden aangemerkt als een geschrift in de zin van art. 225 Sr, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de onder 5.3 en 5.7 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt, zoals ook door de Hoge Raad in zijn arrest van 2 oktober 1994 expliciet overwogen, dat de wetgever een ruime opvatting van het de term ‘geschrift’ voor ogen heeft gestaan. De wetsgeschiedenis noch de rechtspraak geeft daarbij aanleiding te veronderstellen dat de wetgever deze term – anders dan voor wat betreft de duurzaamheid en leesbaarheid van tekens – op enigerlei wijze heeft willen beperken. Integendeel: zowel voor wat betreft de (inhoud van) de tekens als voor wat betreft de wijze en (de vorm van) het materiaal waarop de tekens zijn aangebracht, zijn vergaande vormen toegelaten en is van een letterlijke interpretatie van het woord ‘geschrift’ geenszins sprake. Een geschrift in de zin van art. 225 Sr is niet denkbaar zonder materie waarop tekens zijn aangebracht, maar die materie is niet de kern van het ‘geschrift’. Dat zijn de tekens. Zij zijn het die de betekenis hebben en daardoor vals of vervalst kunnen zijn en een bewijsbestemming kunnen hebben.
Tegen die achtergrond zie ik niet in waarom de verhouding tussen de omvang van de tekens en de omvang van de materie, zoals die zich in de onderhavige zaak voordoet, (wel) aan de kwalificatie van ‘geschrift’ als bedoeld in art. 225 Sr in de weg zou moeten staan. Het lijkt mij dat tekens die de uitspraak doen dat een vat voldoet aan een beschreven stel eisen zelfs bij voorkeur op dat vat zelf worden aangebracht. Dat de Hoge Raad in een arrest van 15 juni 1931, NJ 1933/49 heeft geoordeeld dat “een enkel nummer, ingeslagen in een onderdeel van een motor” nooit een geschrift in de zin van art. 225 Sr kan zijn, maakt dat niet anders.
Het middel faalt in zoverre.
Datzelfde geldt voor de klachten die zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de als geschrift aangemerkte vaten ‘bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen’. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daaronder dient te worden verstaan: een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Het geschrift moet, in de woorden van Bakker, van zodanige aard zijn dat deze in de maatschappij als drager van vertrouwenwekkende informatie is of wordt aanvaard. De aard van het geschrift zou ertoe moeten kunnen leiden dat de onwaarheid als waar zou moeten worden aangenomen. Het gaat om geschriften die daadwerkelijk feiten bevatten waarop men in het maatschappelijk verkeer wil (of wel moet) afgaan en waarop men zijn eigen plannen en handelingen baseert.
Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd dat en waarom onder meer afnemers vertrouwen ontleenden – en dat ook mochten doen – aan de UN-kenmerken die door de verdachte op de in de tenlastelegging genoemde vaten zijn aangebracht. Het heeft daartoe onder meer tot uitdrukking gebracht dat:
- uit het ‘Accord europeen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route’ (ADR) volgt dat door middel van een dergelijk kenmerk op de verpakking wordt aangegeven dat deze i) overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de hydraulische druktest heeft doorstaan en ii) voldoet aan de (kwaliteits)eisen die het ADR aan de fabricage van die verpakking stelt;
- de afnemers voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen gebruik moeten maken van specifiek voor die stoffen vereiste vaten met UN-kenmerk, waaronder de in de tenlastelegging genoemde vaten, zodat dergelijke kenmerken voor hen van groot belang zijn.
Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de onderhavige geschriften bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Hieruit volgt ten slotte dat ook de klacht faalt, inhoudende dat het hof ten onrechte de pleegdatum van 21 maart 2012, de productiedatum van de vaten, bewezen heeft verklaard omdat pas daarna is gebleken dat deze vaten de druktest niet doorstonden. Uit de bewijsvoering, waaronder de druktesten op enkele van de inbeslaggenomen vaten, volgt immers dat de vaten niet voldeden aan het ontwerptype en dat dat ook zo was toen de tekens op 21 maart 2012 op de vaten werden aangebracht.
Het middel faalt dan ook in zijn geheel.
6 Het vierde middel
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat art. 219 Sr niet moet worden beschouwd als lex specialis ten opzichte van art. 225 Sr. De klacht komt erop neer dat de strafbepaling van art. 219 Sr zich ten opzichte van art. 225 Sr verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling als bedoeld in art. 55 lid 2 Sr, zodat volgens de steller van het middel uitsluitend eerstgenoemde bepaling had mogen worden toegepast.
Het juridisch kader
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die andere dan de in de artikelen 217 en 218 bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hun verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valselijk plaatst of echte vervalst, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren.”
“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
- Art. 55 Sr:
“1. Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
2. Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”
Het volgende dient te worden vooropgesteld. Naast de ‘logische specialiteit’, een specialiteitsverhouding waarbij de bijzondere strafbepaling (de ‘specialis) alle bestanddelen bevat van de algemene strafbepaling (de ‘generalis’) plus nog één of meer andere, wordt ook ‘systematische specialiteit’ erkend. Bij die categorie is weliswaar geen sprake van een letterlijke bestanddelenoverlap in vorenbedoelde zin, maar wordt op grond van het wettelijk stelsel en de bedoeling van de wetgever desondanks een specialis generalis-verhouding aangenomen.
De Hoge Raad neemt dit type specialiteitsverhouding niet vaak aan. De standaardmotivering is dan dat de vermeende specialis niet alle bestanddelen van de vermeende generalis bevat, terwijl de wetsgeschiedenis geen (dwingende) aanknopingspunten bevat voor de opvatting dat de eerstgenoemde niettemin moet worden beschouwd als zo’n bijzondere strafbepaling. De systematische specialiteit betreft een uitzonderingscategorie waarvan alleen sprake kan zijn als dat als de onmiskenbare bedoeling van de wetgever moet worden aangenomen ofwel als dat noodzakelijk is om te voorkomen dat de onmiskenbare bedoeling van de wetgever wordt doorkruist. Een goed (doch inmiddels pijnlijk) voorbeeld daarvan betreft de door De Hullu en Van Kempen aangehaalde HR 9 februari 1988, NJ 1988/613. In de betreffende zaak had het hof de bewezenverklaarde ontuchtige gedragingen van de verdachte – die binnen het huwelijk hadden plaatsgevonden en mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer – gekwalificeerd onder het oude, subsidiair ten laste gelegde, art. 246 Sr. In het oude art. 242 Sr, dat primair ten laste was gelegd, was immers alleen verkrachting ‘buiten echt’ strafbaar gesteld. De Hoge Raad oordeelde dat art. 242 (oud) Sr ten opzichte van art. 246 (oud) Sr als een bijzondere bepaling in de zin van art. 55 lid 2 Sr heeft te gelden. Had de Hoge Raad anders geoordeeld, dan zou de onmiskenbare bedoeling van de wetgever (om dergelijke gedragingen binnen het huwelijk niet strafbaar te stellen) worden doorkruist.
Een meer recent voorbeeld van een zaak waarin de Hoge Raad een systematische specialiteit aannam betreft HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1627. Het ging in die zaak om de vraag of art. 231 Sr ten opzichte van art. 225 Sr kan worden aangemerkt als een bijzondere strafbepaling in de zin van art. 55 lid 2 Sr. De Hoge Raad beantwoordde die vraag bevestigend en verwees daarbij naar de wetsgeschiedenis, waaruit hij onder meer de volgende passages had geciteerd:
“Bij dit wetsvoorstel is tegelijkertijd van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 231, tweede lid, Sr twee frauduleuze gedragingen strafbaar te stellen die ook al strafbaar zijn op basis van artikel 225 Sr. Deze gedragingen met identiteitsbewijzen kunnen nu, gelet op de verhouding tussen artikel 231 Sr en 225 Sr (...), ook voor zover deze betrekking hebben op reisdocumenten, met behulp van artikel 225, eerste lid, Sr respectievelijk artikel 225, tweede lid, Sr strafrechtelijk worden aangepakt. Het gaat hier om het opzettelijk gebruiken van een valselijk opgemaakt of vals identiteitsbewijs of reisdocument en het afleveren van een identiteitsbewijs of reisdocument waarvan degene die het document aflevert, weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het document vals of vervalst is. Als dit wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, zullen die gedragingen op basis van artikel 231 Sr kunnen worden aangepakt en niet langer op basis van artikel 225 Sr.
(…)
Doordat artikel 231 Sr een specialis vormt ten opzichte van artikel 225 Sr, is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55, tweede lid, Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit.”
Uit dit citaat volgt ontegenzeggelijk dat de door de Hoge Raad aangenomen specialis generalis-verhouding de bedoeling van de wetgever is geweest. Een andersluidende uitspraak zou, evenals bij de onder 6.4 besproken zaak, die bedoeling hebben doorkruist.
Een relatief recent voorbeeld van een zaak waarin de Hoge Raad een systematische specialiteit niet aannam, betreft HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:228. In die zaak werd aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of art. 197b Sr zich tot art. 197a lid 2 Sr verhoudt als een bijzondere strafbepaling tot een algemene strafbepaling in de zin van art. 55 lid 2 Sr. De Hoge Raad oordeelde dat – anders dan AG Hofstee in zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest – art. 197b Sr niet alle bestanddelen van art. 197a lid 2 Sr bevat, terwijl de wetsgeschiedenis geen dwingende aanknopingspunten bevat voor de opvatting dat art. 197b Sr niettemin moet worden beschouwd als zo’n bijzondere strafbepaling. Daarbij nam de Hoge Raad mede in aanmerking dat:
“in die wetsgeschiedenis weliswaar tot uitdrukking is gebracht dat “de artikelen 197b en 197c voortaan als een geprivilegieerd delict moeten worden beschouwd ten opzichte van artikel 197a”, maar dat die opmerking is gemaakt in de context van de – negatief beantwoorde – vraag of ook aanpassing van het strafmaximum in artikel 197b Sr was aangewezen, en dat mede gelet daarop die opmerking tegen de achtergrond van die wetsgeschiedenis als geheel, onvoldoende dwingend is om aan te nemen dat artikel 197b Sr een bijzondere strafbepaling vormt ten opzichte van artikel 197a lid 2 Sr. Zo wordt in de betreffende memorie van toelichting over de context van artikel 197b Sr ook opgemerkt dat het een bepaling betreft met “een geheel andere achtergrond”.”
Dat een systematische specialiteit door de Hoge Raad niet snel wordt aangenomen valt volgens de Hullu en Van Kempen goed te begrijpen vanuit de beoogde helderheid van de wettelijke regeling waarbij men (ook het OM) in beginsel op de tekst van een strafbepaling moet kunnen afgaan. Ook AG Knigge acht de terughoudende opstelling van de Hoge Raad begrijpelijk, zo brengt hij tot uitdrukking in zijn conclusie voorafgaand aan HR 30 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0476. In die zaak – waar het ging om de vraag of een specialis generalisverhouding bestond tussen de artikelen 285 lid 1 (oud) en 266 Sr enerzijds en art. 285b Sr, dat bedreigd is met hoger strafmaximum dan de artikelen 285 en 266 Sr, anderzijds – wees hij op de in art. 55 lid 1 Sr neergelegde hoofdregel dat de zwaarste strafbepaling dient te worden toegepast als een gedraging onder meerdere strafbepaling valt. In gevallen waarin de specialis ten opzichte van de generalis met een lager strafmaximum is bedreigd, vormt art. 55 lid 2 Sr, welk artikel in dat geval uitsluiting van de zwaarste strafbepaling voorschrijft, een uitzondering op die hoofdregel. Daarvoor moeten dan ook sterke inhoudelijke argumenten kunnen worden aangedragen, aldus Knigge. Hij vervolgt, en daar sluit ik mij bij aan:
“Die uitsluiting moet met andere woorden rationeel zijn, gerechtvaardigd kunnen worden door het specifieke karakter van de lichtere strafbepaling. Dat is eerst het geval indien het oordeel van de wetgever over de strafwaardigheid van het gepleegde feit, zoals dat in de specifieke strafbaarstelling tot uitdrukking is gekomen, zou worden doorkruist door de toepassing van de zwaardere strafbepaling.”
Ook in de onderhavige zaak gaat het om een strafbepaling (art. 219 Sr) die met een lager strafmaximum wordt bedreigd dan de vermeende generalis, art. 225 Sr. Ter onderbouwing van het standpunt dat tussen deze twee strafbepalingen een specialis generalis-verhouding bestaat, wijst de steller van het middel op Hofstee in Noyon/Langemijer/Remmelink die in het commentaar op art. 225 Sr schrijft “op systematische gronden” aan te willen nemen dat uitsluitend art. 219 Sr toepasselijk is als valsheid ten aanzien van merken tevens het valselijk opmaken van een geschrift als bedoeld in art. 225 Sr oplevert. Dat argument acht ik niet overtuigend, nu hieruit nog niet blijkt dat het de onmiskenbare bedoeling van de wetgever is geweest deze specialis generalis-verhouding aan te nemen.
Bakker deelt dit standpunt evenmin. Dat tussen art. 219 Sr en art. 225 Sr een dergelijke specialiteitsverhouding bestaat is volgens hem reeds uitgesloten omdat niet alle merken tevens geschrift zijn in de zin van art. 225 Sr. Dat geldt bijvoorbeeld voor merken die bestaan uit een enkel teken dat voornamelijk een signaalfunctie heeft en niet bestemd is om gelezen te worden, zoals een zilvermerk. In de gevallen dat een merk wel tevens als geschrift in de zin van art. 225 Sr aangemerkt zou kunnen worden, dient volgens Bakker (daarom) eendaadse samenloop te worden aangenomen, zodat art. 225 Sr dient te worden toegepast. In diezelfde lijn ook Pompe in zijn noot onder HR 15 juni 1931, NJ 1933/49, waarin hij stelt: “waren merken tevens geschriften in de zin der wet, dan zou b.v. art. 217, 1° Sr. naast art. 225 Sr. geheel overbodig zijn.”
De bespreking van het middel
Het hof heeft geoordeeld dat art. 219 Sr geen lex specialis is ten opzichte van art. 225 Sr. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat art. 219 Sr – dat sinds de invoering daarvan in 1886 in een andere titel dan art. 225 Sr is geplaatst en ten opzichte van laatstgenoemde strafbepaling door de wetgever is aangeduid als “andere soort(…) valschheid” – niet alle bestanddelen van art. 225 Sr bevat en dat door de steller van het middel geen argumenten zijn aangedragen die tot de conclusie dienen te leiden dat het de onmiskenbare bedoeling van de wetgever is geweest om art. 219 Sr ten opzichte van art. 225 Sr als bijzondere tot algemene strafbepaling in de zin van art. 55 lid 2 Sr aan te merken. Ook zelf heb ik daartoe geen aanknopingspunten aangetroffen.
Het middel faalt.
7 Het vijfde middel
Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen. Het richt zich meer in het bijzonder tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de geproduceerde vaten de druktest niet haalden.
Het hof heeft over het bewezenverklaarde opzet het volgende overwogen:
“Opzet
Niet ter discussie staat dat het aanbrengen van het UN-kenmerk op de vaten die in geschil zijn een gedraging is die aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze handeling is onderdeel van het productieproces en werd verricht door personen die in dienst waren van de verdachte. Het past daarom in de normale bedrijfsvoering van de verdachte. De handelingen zijn de verdachte bovendien dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf: vaten met een UN-kenmerk vertegenwoordigen een hogere economische waarde voor de verdachte dan vaten zonder dat kenmerk.
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de vaten door deze te voorzien van het UN-kenmerk, terwijl die vaten de hydraulische druktest niet doorstonden. De verdachte was ervan op de hoogte dat de geproduceerde vaten de druktest niet haalden, zo blijkt uit de testresultaten over de jaren 2010 en 2011 - voor zover nog aanwezig - en uit de verklaringen van [getuige] en [betrokkene 7] . De over die jaren uitgevoerde audits waaraan de verdachte refereert, maken die wetenschap niet anders. Zoals hiervoor is overwogen is niet gebleken dat naar aanleiding van de mislukte testen en/of de kennis van de problemen met de druktest/het productieproces, binnen de rechtspersoon structureel maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de geproduceerde vaten wel aan de hydraulische druktest zouden voldoen. Evenmin is bij de bevoegde instantie gemeld dat de periodiek geteste vaten uit de productielijn - anders dan het ontwerptype - niet voldeden aan de druktest. Uit deze feitelijke gang van zaken leidt het hof af dat de verdachte opzet had op het valselijk opmaken van de vaten.”
Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen (verder) vastgesteld dat:
- uit de ADR en de Tüv richtlijn 01 – welke richtlijn gedurende de doorzoeking in het kantoor van de [afdeling 1] ( [afdeling 1] ) door “teamleider [afdeling 2] en lab [afdeling 1] ” uit eigen beweging aan de doorzoekende verbalisant is overhandigd – volgt dat iedere maand per productielijn een hydraulische drukproef moet worden uitgevoerd (bewijsmiddel 9);
- de (destijds) bij de verdachte in dienst zijnde medewerker wiens functie betrekking had op kwaliteitsaspecten, dhr. [getuige] , heeft verklaard dat de Y-vaten de hydraulische druktest nooit haalden en dat hij zijn manager en productieleider daarvan op de hoogte stelde (bewijsmiddel 6);
- [getuige] verder heeft verklaard dat ingenieurs bij de [afdeling 1] die voor het bedrijf waren belast met het testen conform de richtlijn hem hebben verteld dat de Yvaten nog nooit de hydraulische test hebben gehaald en dat ook zij weigerden de testrapporten te tekenen als de tests niet goed waren, dat er niks gebeurde als de vaten werden afgekeurd en dat de vaten gewoon door geproduceerd werden (bewijsmiddel 6);
- uit inbeslaggenomen testresultaten over de jaren 2010 en 2011 volgt dat de in de bewezenverklaring genoemde typen vaten (eindigend op 1086, 1572 en 2573) de druktest niet haalden (bewijsmiddel 5).
Het mede hierop gebaseerde oordeel van het hof – de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van [betrokkene 7] om redenen vermeld onder 4.9 en 4.10 daargelaten – dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte ervan op de hoogte was dat de geproduceerde vaten de druktest niet haalden, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
8 Het zesde middel
Het middel richt zich tegen de strafmotivering en zal ik bespreken als vier afzonderlijke deelklachten. Voordat ik de deelklachten bespreek, geef ik eerste de strafmaatoverwegingen van het hof weer.
Het hof heeft in het bestreden arrest de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
“Oplegging straf
De economische kamer van de rechtbank Rotterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 40.000,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van €55.000,00.
De verdediging heeft voor het geval het hof overgaat tot een veroordeling gevraagd artikel 9a Sr toe te passen.
Beoordeling hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft UN-kenmerken op vaten aangebracht en deze vaten op de markt gebracht, terwijl zij wist dat de vaten niet door de hydraulische druktest kwamen. Door het aanbrengen van de kenmerken heeft de verdachte ten onrechte het vertrouwen gewekt dat deze vaten geschikt waren voor het verpakken en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Het gebruik van dergelijke vaten die niet aan de eisen voldoen kan ernstige gevolgen hebben voor mens en milieu. Bovendien doet de handelwijze van de verdachte afbreuk aan het vertrouwen dat men mag stellen in een dergelijk UN-kenmerk. Dit zijn buitengewoon ernstige feiten. Ook in hoger beroep heeft de verdachte de laakbaarheid van haar handelen niet onder ogen gezien, integendeel: haar proceshouding en haar lakse optreden toen zij de tekortkomingen constateerde en daarop opmerkzaam werd gemaakt, wijst er eerder op dat de verdachte ervoor heeft gekozen - kennelijk louter uit bedrijfseconomische motieven - lang door te gaan met het verboden gedrag.
Bij het bepalen van de straf weegt het hof verder mee dat de verdachte een grote en belangrijke speler is op de internationale markt waar het gaat om het produceren van industriële verpakkingen voor onder meer gevaarlijke stoffen. De verdachte is onderdeel van [C] , een internationaal bedrijf dat zich richt op de productie en verkoop van industriële verpakkingen. De vestiging in Rotterdam Europoort bestaat sinds 1993 en is de grootste stalen vaten fabriek ter wereld. De verdachte draagt dan ook een grote verantwoordelijkheid waar het betreft het op de markt brengen van vaten conform de gestelde eisen. Het hof rekent het handelen van de verdachte haar zwaar aan.
Over 2022 was de jaaromzet van [C] ruim 6 miljard US Dollar en bedroeg het nettoresultaat ruim 375 miljoen US Dollar. Voor een onderneming als de verdachte is naar het oordeel van het hof een geldboete zoals gevorderd een te gering strafrechtelijk signaal. Hetgeen hiervoor is overwogen in ogenschouw genomen, acht het hof een veel hogere geldboete dan ook aangewezen. Het hof zal ondanks dat er sprake is van meer dan één gepleegd strafbaar feit zich beperken tot het opleggen van de maximale geldboete voor één feit, zijnde € 780.000,00. Toepassing van artikel 9a Sr is gelet op de hoedanigheid van de verdachte, haar opstelling, en de aard en hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten, niet aan de orde. Dat het bewezenverklaarde feit uit 2012 is, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een lagere geldboete dan wel het achterwege blijven van de oplegging van enige straf aan de orde zou zijn.”
De eerste deelklacht houdt in dat het hof in zijn straftoemetingsbeslissing zich ten onrechte buiten het kader van de tenlastelegging en de bewezenverklaring heeft begeven door te overwegen dat de verdachte “ervoor heeft gekozen - kennelijk louter uit bedrijfseconomische motieven - lang door te gaan met het verboden gedrag”, terwijl de bewezenverklaring enkel betrekking heeft op één dag.
Bij de beoordeling van deze deelklacht is van belang dat het de rechter op zichzelf vrij staat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit
- wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en – in een geval als het onderhavige waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen – op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of
- wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel
- wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Langs de weg van de “omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan” wordt ruimte geboden om niet in de tenlastelegging opgenomen feiten bij de straftoemeting te betrekking. Zo heeft de Hoge Raad in verband met het grootschalig bezit van kinderporno geoordeeld dat het grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kan betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Het grootschalige karakter dient dan wel op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden. Eenzelfde soort redenering heeft de Hoge Raad gebruikt bij grootschalige fiscale fraude. In het onderhavige geval gaat het niet zozeer om de grootschaligheid van het gepleegde feit, maar om de periode waarbinnen de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden. Mij komt het voor dat ook in die situatie de rechter bij de straftoemeting in aanmerking kan nemen dat het aannemelijk is geworden dat de verboden gedraging langere tijd heeft plaatsgevonden, ook al heeft de bewezenverklaring betrekking op een kortere periode.
De tenlastelegging van het onder 2 primaire feit houdt samengevat in dat de verdachte op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 vaten valselijk heeft opgemaakt door in strijd met de waarheid een UNkenmerk, te weten UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081, op die vaten aan te brengen terwijl was gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij dat/die UN-kenmerk(en) behorende ontwerptype(n). Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de toevoeging 081 achter de UN-kenmerken in de tenlastelegging tot uitdrukking brengt dat het gaat om de vaten van productie dag 81, te weten 21 maart 2012. De feitelijk omschreven gedragingen in de tenlastelegging hebben derhalve enkel betrekking op de op 21 maart 2012 geproduceerde vaten.
De bewezenverklaring houdt - kort gezegd - in dat de verdachte op 21 maart 2012 vaten valselijk heeft opgemaakt door op die vaten UN keurmerken aan te brengen terwijl was gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij die UN-kenmerken behorende ontwerptypen. Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat bij de doorzoeking negentien vaten in beslag zijn genomen en dat per productielijn drie vaten zijn geselecteerd om de hydraulische druktest te ondergaan. Uit die test bleek dat geen van de negen geteste vaten de test met goed gevolg doorstond. Het hof heeft verder vastgesteld dat in de fabriek van de verdachte documenten in beslag zijn genomen, waaronder gegevens over soortgelijke testen die in verschillende maanden in de jaren 2010, 2011 en 2012 zijn uitgevoerd en dat daarbij specifiek is gekeken naar dezelfde UN-kenmerken als de negen geteste vaten. Uit de van die kenmerken nog beschikbare testresultaten over 2010 en 2011, in totaal dertien, blijkt dat geen van de geteste vaten de hydraulische druktest met goed gevolg heeft doorstaan. Het hof heeft in het kader van de bewijsoverwegingen overwogen dat hieruit een beeld volgt dat de geproduceerde vaten van deze drie productielijnen structureel niet voldeden aan de druktest.
Het hof heeft in verband met de strafoplegging overwogen dat de verdachte de laakbaarheid van haar handelen niet onder ogen heeft gezien en haar lakse optreden toen zij de tekortkomingen constateerde en daarop opmerkzaam werd gemaakt, er eerder op wijst dat de verdachte ervoor heeft gekozen – kennelijk louter uit bedrijfseconomische motieven – lang door te gaan met de verboden gedragingen. Het hof heeft zich daarbij kennelijk gebaseerd op de vaststelling dat uit de testresultaten van 2010 en 2011 volgt dat dertien van de geteste vaten de hydraulische druktest niet heeft doorstaan. Het hof heeft dat kennelijk beschouwd als omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan. Dat oordeel is in het licht van het bovenstaande niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats vanwege de vrijheid van de strafrechter bij de keuze van de op te leggen straf en de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Ook de partiele vrijspraak van de verdachte voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op de periode van 1 januari 2010 tot 21 maart 2012 maakt de overweging van het hof niet onbegrijpelijk, nu de tenlastelegging enkel betrekking had op de negen op 21 maart 2012 in beslag genomen en geteste vaten.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte de ontkennende proceshouding van de verdachte strafverzwarend heeft meegewogen. De stellers van het middel voeren in dat verband aan dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte het verweer dat zij geen opzet had op het bewezenverklaarde niet had mogen voeren en dat het strafverzwarend meewegen van de ontkennende houding van de verdachte in strijd is met art. 6 en art. 7 EVRM.
Deze deelklacht mist feitelijke grondslag voor zover het tot uitgangspunt neemt dat het hof de ontkennende proceshouding van de verdachte strafverzwarend heeft meegewogen. Het hof heeft bij de bepaling van de straf niet de ontkennende houding van de verdachte in aanmerking genomen. Het hof heeft wel meegewogen en mee kunnen wegen dat de verdachte ook in hoger beroep de laakbaarheid van haar handelen niet onder ogen heeft gezien en haar lakse optreden toen zij de tekortkomingen constateerde.
De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht houdt in dat het hof bij de strafoplegging ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is medegedeeld. In dat verband wijzen de stellers van het middel erop dat het hof bij de bepaling van de straf de jaaromzet en het nettoresultaat van [C] in 2022 heeft meegewogen, terwijl ter terechtzitting van het hof niet is gesproken over [C] of over de betreffende jaarcijfers.
Bij de beoordeling van deze klacht stel ik voorop dat van de feiten en omstandigheden die door de rechter worden gebruikt ter motivering van de straf ter terechtzitting moet zijn gebleken. Niet naleving van dit voorschrift van art. 350 Sv levert een vormverzuim op. Wordt in de strafmotivering rekening gehouden met een gedingstuk dat niet is voorgelezen of waarvan de korte inhoud ter terechtzitting is medegedeeld, dan is dat reden om de strafoplegging te vernietigen. Maar behalve met wat rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, mag de rechter bij de strafoplegging ook rekening houden met andere factoren.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan ik inderdaad niet opmaken dat de jaarcijfers van [C] , of een stuk met deze gegevens, aan de orde zijn gesteld. De vraag is echter welk belang wordt gediend bij vernietiging en terugwijzing van de strafoplegging. Ik zal dit toelichten.
Ik begrijp de bestreden strafmaatoverweging van het hof zo dat het tot uitdrukking heeft geprobeerd te brengen dat zij de in eerste aanleg opgelegde geldboete gelet op onder meer de omvang van het concern waar de verdachte onderdeel van is en de (voorbeeld)rol van dit concern bij de productie van verpakkingen voor en dus het vervoer van gevaarlijke stoffen, een te gering strafrechtelijk signaal is. Daarbij heeft het hof onder meer gewezen op de jaarcijfers van [C] en op het feit dat de vestiging in Rotterdam Europoort sinds 1993 bestaat en de grootste stalenvatenfabriek ter wereld is. Het hof oordeelt daarbij dat de verdachte dan ook een grote verantwoordelijkheid draagt waar het betreft het op de markt brengen van vaten conform de gestelde eisen.
De stellers van het middel voeren aan dat de naam van de entiteit [C] . Is en dat niet duidelijk is waar het hof zijn informatie over [C] vandaan heeft. In het dossier bevindt zich geen enkel stuk waaruit zou kunnen blijken wat de jaaromzet en het nettoresultaat van [C] . over 2022 zou zijn. Het hof zou volgens de stellers van het middel de informatie derhalve hebben moeten ontleend aan enigerlei buitenlandse bron en dat het onduidelijk is welke buitenlandse bron het hof heeft geraadpleegd. In dat verband houdt de toelichting onder meer in:
“Uit de cijfers van de beursgenoteerde entiteit [C] in de VS heeft gedeponeerd bij de SEC blijkt reeds dat het getal dat het hof noemt als nettoresultaat over 2022 feitelijk niet correct is.
In het Annual Report van [C] over 2022 dat is gedeponeerd bij de SEC als Form 10-K wordt een nettoresultaat van USD 383,5 miljoen vermeld, dus niet de 375 miljoen die het hof noemt.”
Hieruit volgt dat de stellers van het middel van een hoger nettoresultaat uitgaan dan dat hof bij de bepaling van de straf tot uitgangspunt heeft genomen. Om die reden zie ik geen belang bij het vernietigen en terugwijzen van de zaak vanwege het acht slaan op gegevens die niet ter zitting zijn besproken of op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is medegedeeld.
De derde deelklacht kan niet tot cassatie leiden.
De vierde deelklacht houdt in dat dat het hof niet zozeer de verdachte – een kleine Nederlandse BV – maar vooral [C] – heeft willen bestraffen. In dat verband voeren de stellers van het middel aan dat [C] niet in het onderzoek is betrokken, nooit als verdachte is aangemerkt en niet terecht heeft gestaan en zich niet heeft kunnen verweren.
Ook deze deelklacht faalt. Het stond het hof vrij om bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboete rekening te houden met de omstandigheid dat de verdachte een onderdeel is van [C] . Anders dan de stellers van het middel betogen heeft het hof daarmee niet een ander dan de verdachte bestraft of willen bestraffen. De vergelijking met de in de toelichting op de deelklacht genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak G.I.E.M. S.r.l. e.a. tegen Italië gaat dan ook niet op. In die zaak waren onder vier rechtspersonen eigendom geconfisqueerd, hetgeen door het EHRM wordt aangemerkt als een ‘penalty’, zonder dat zij partij waren geweest bij een gerechtelijke procedure. In de zaken tegen de rechtspersonen ontbrak enige procedurele vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid, aangezien zij niet waren vervolgd of anderszins partij zijn geweest bij een gerechtelijke procedure. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de verdachte de schuld wegens een strafbaar feit door het hof vastgesteld en is aan de verdachte een straf opgelegd. Aan [C] heeft het hof geen ‘penalty’ opgelegd. Het hof heeft enkel bij de bepaling van de straf in aanmerking genomen dat de verdachte onderdeel uitmaakt van het concern [C] .
De vierde deelklacht faalt en daarmee faalt het zesde middel.
9 Afronding
Alle middelen falen. Het eerste tot en met het derde middel en het vijfde en zesde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 7 februari 2024. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde geldboete moet leiden.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstraf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG