Strafrecht overig
Valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd) door UN-kenmerken aan te brengen op…
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1758 · Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1758
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/00383
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1758
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd) door UN-kenmerken aan te brengen op vaten die vereiste testen niet met goed gevolg hebben doorstaan, art. 225.1 Sr. 1. Kunnen vaten met UN-kenmerken worden aangemerkt als “geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen” a.b.i. art. 225.1 Sr? 2. Verhoudt art. 219 Sr zich tot art. 225 Sr als bijzondere strafbepaling tot algemene strafbepaling a.b.i. art. 55.2 Sr? 3. Strafmotivering (geldboete van € 750.000). Kon hof bij bepalen van straf betrekken dat verdachte onderdeel is van internationaal bedrijf en jaaromzet en nettoresultaat van internationaal bedrijf mede bepalend achten voor hoogte van opgelegde geldboete, nu deze omstandigheden niet ttz. aan de orde zijn gekomen?
Ad 1. Hof heeft vastgesteld dat UN-kenmerken bestaan uit leesbare tekens, letters en cijfers, die zijn ingeperst in vat. D.m.v. UN-kenmerk op verpakking wordt aangegeven dat verpakking overeenkomt met ontwerptype dat met succes vereiste beproevingen heeft doorstaan en dat verpakking overeenkomt met toepasselijke regels. Voor afnemers van vaten zijn UN-kenmerken van groot belang omdat zij voor vervoer van gevaarlijke stoffen gebruik moeten maken van specifiek voor te vervoeren stof vereiste vaten met UN-kenmerk, waaronder in tll. genoemde vaten, zodat vaten bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. Oordeel van hof dat stalen vat met daarin UN-kenmerk geperst “geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen” is, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is gelet op voorgaande toereikend gemotiveerd.
Ad 2. Als feit in meer dan 1 strafbepaling valt, dan wordt o.g.v. art. 55.1 Sr slechts 1 van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij zwaarste hoofdstraf is gesteld. Als echter voor feit dat in algemene strafbepaling valt bijzondere strafbepaling bestaat, komt o.g.v. art. 55.2 Sr alleen bijzondere strafbepaling in aanmerking.
Hof heeft geoordeeld dat art. 219 Sr geen bijzondere strafbepaling is t.o.v. artikel 225 Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Art. 219 Sr bevat immers niet alle bestanddelen van art. 225 Sr, terwijl er geen dwingende aanknopingspunten zijn voor opvatting dat art. 219 Sr moet worden beschouwd als bijzondere strafbepaling t.o.v. art. 225 Sr.
Ad 3. Hof, dat verdachte aanmerkt als onderdeel van internationaal bedrijf, heeft jaaromzet en nettoresultaat van internationaal bedrijf bij strafoplegging betrokken. Gelet op p-v’s van tz. in eerste aanleg en in hoger beroep, zijn daar geen stukken aan de orde gekomen waaruit die gegevens kunnen worden afgeleid. Zonder nadere motivering is strafoplegging niet begrijpelijk.
Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging. CAG: anders t.a.v. strafmotivering.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:565Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1758
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00383
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2024, nummer 23-000420-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V. ,
gevestigd in [plaats] ,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten D.R. Doorenbos en T. Tepaske bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring genoemde vaten met UN-kenmerken kunnen worden aangemerkt als “geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen” als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 2 primair ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij (voorheen als [A] B.V.) op 21 maart 2012 te [plaats] ,
vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,
immers heeft zij, verdachte, telkens valselijk, in strijd met de waarheid, een UN kenmerk, te weten
UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 en
UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 en
UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,
op die vaten aangebracht,
terwijl uit herhaalde beproevingen met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3 en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR was gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij die UN kenmerken behorende ontwerptypen,
zulks telkens met het oogmerk om die vaten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht
Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of een vat waarop een UN-kenmerk is aangebracht een geschrift is in de zin van artikel 225 Sr.
Een geschrift is een weergave van al dan niet dadelijk leesbare tekens die in min of meer duurzame vorm zijn neergelegd (conclusie mr. E.J. Hofstee ten behoeve van het zogenoemde barcode-arrest, ECLI:NL:PHR:2016:476). Voor zover relevant haalt Hofstee in zijn conclusie het volgende aan uit Noyon/Langemeijer/Remmelink ten aanzien van een geschrift:
“Het geschrift moet in de meest uitgebreide betekenis genomen worden. In deze zin ook de memorie van toelichting bij art. 225: geschrift omvat alle in letter- of cijferschrift gestelde stukken, en minister Modderman in de Tweede Kamer: het maakt geen verschil of de letters, cijfers enz. gesteld zijn door de hand of vel door de drukpers of door welk ander werktuig ook. Dus ook de kerfstok – het bewijsmiddel van het oude art. 1924 BW voor kleine leveranties – zou hieronder kunnen vallen. De wetsgeschiedenis geeft derhalve steun aan de opvatting dat het begrip ‘geschrift’ extensief moet worden geïnterpreteerd; het gaat immers om de weergave van (letter en cijfertekens en niet zo zeer om de vorm waarin of de manier of materie waarop die tekens zijn vastgelegd. Deze door de wetgever gewenste ruime uitleg is in de doctrine en de rechtspraak gevolgd.
(...)
De vorm waarin of de manier waarop ‘tekens’ zijn vastgelegd, is dus niet van groot belang. Wel relevant is dat die vastlegging een zekere duurzaamheid heeft: Dat ligt in ‘geschrift‘ besloten, al stelt de Hoge Raad daaraan gezien zijn arrest van 1991 (hof: HR 15 januari 1991, NJ 1991/668 geen hoge eisen. Het moet dus gaan om gegevens die zijn ‘vastgelegd en enige tijd – al dan niet met gebruikmaking van een hulpmiddel – te ‘lezen’ moeten zijn. Schrift – in de meer letterlijke betekening van het woord – veronderstelt kenbaarheid uit tekens (letters, cijfers enz.) op een stuk materie, meestal papier maar het kan ook linnen, hout, metaal enz. zijn en tegenwoordig dus ook een computerscherm of het scherm van een mobiele telefoon.”
In aanvulling op het vorenstaande slaat het hof nog acht op een ander door Noyon/Langemeijer/Remmelink genoemd voorbeeld van de door de doctrine en rechtspraak gevolgde door de wetgever gewenste ruime uitleg van ‘geschrift’; een stempel kan ook als zodanig worden aangemerkt (HR 4 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1115, NJ 1995/228).
Het hof is van oordeel dat een stalen vat met daarop aangebracht een UN-kenmerk kan worden aangemerkt als een geschrift in vorenbedoelde zin. De UN-kenmerken bestaan uit leesbare tekens, letters en cijfers, die in duurzame vorm zijn neergelegd, namelijk ingeperst op permanente wijze in het vat. Dit is overigens ook conform het vereiste van het ADR dat elke verpakking, bestemd voor het gebruik volgens het ADR, moet zijn voorzien van kenmerken, die duurzaam en leesbaar zijn en die op een zodanige plaats en in een zodanige grootte in verhouding tot de verpakking zijn aangebracht, dat zij gemakkelijk zichtbaar zijn (randnummer 6.1.3.1 van het ADR).
De stellingen van de verdediging dat een stalen vat met daarop een UN-kenmerk niet kan worden aangemerkt als geschrift omdat dit taalkundig niet gezien wordt als een geschrift en omdat een vat een gebruiksvoorwerp is, worden door het vorenstaande weerlegd. Ook de stelling dat de stalen vaten in kwestie niet kunnen kwalificeren als geschriften in de zin van artikel 225 Sr omdat het voorwerp in kwestie (het vat) de leesbare tekst daarop domineert, volgt het hof niet. De enkele omstandigheid dat het gaat om een relatief klein UN-kenmerk ten opzichte van een relatief groot voorwerp rechtvaardigt niet de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een geschrift. Dergelijke eisen over de omvang en verhouding van de tekens versus de het voorwerp waarop die zijn aangebracht volgen niet uit de wet of jurisprudentie. De grootte van de tekens ten opzichte van het voorwerp waarop die zijn aangebracht, is dan ook niet van doorslaggevende betekenis.
De verdediging stelt verder dat een UN-kenmerk op een vat gelijk kan worden gesteld met een chassisnummer ingeslagen in een motorblok en dat, nu de Hoge Raad in 1931 oordeelde (Hoge Raad 15 juni 1931, NJ 1933, p. 49) dat een chassisnummer niet (nooit) als een geschrift kan worden aangemerkt, ook het UN-kenmerk op een vat niet als zodanig kan worden aangemerkt. Dit behoeft echter wat het hof betreft niet tot een andere uitkomst te leiden. De Hoge Raad heeft in vorengenoemd arrest bepaald dat een in een auto aangebracht chassisnummer geen geschrift in de zin van artikel 225 Sr kan zijn. Wil enige duurzame vastlegging van leesbare tekens als geschrift in de zin van artikel 225 Sr kwalificeren, dan zal er sprake moeten zijn van ‘een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’. Aan dit laatste vereiste voldoet een chassisnummer niet. Het gaat daarbij immers om een nummer bedoeld ter identificatie van het chassis van het voertuig. Bij een UN-kenmerk gaat het om een combinatie van cijfers en letters die niet dient ter identificatie van een vat, verschillende vaten kunnen immers hetzelfde UN-kenmerk hebben, maar om een opschrift dat informatie geeft over de kwaliteit van het vat en de wijze van productie. Op de bewijsbestemming van het opschrift op de vaten gaat het hof hierna nog verder in.
Voor zover ten slotte het hier aan de orde zijnde keurmerk ook zou kunnen kwalificeren als een merk in de zin van artikel 219 Sr, maakt dit niet dat geen sprake meer kan zijn van een geschrift in de zin van artikel 225 Sr. Daarvoor is relevant dat artikel 219 Sr geen lex specialis is ten opzichte van artikel 225 Sr. Het hof komt overigens door de wijze van ten laste leggen en nu het primaire feit bewezen zal worden verklaard, niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van handelen in strijd met artikel 219 Sr.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat de vaten met UN-kenmerken die in de tenlastelegging zijn genoemd telkens kunnen worden aangemerkt als een geschrift in de zin van artikel 225 Sr.
Bewijsbestemming
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vaten met de daarop aangebrachte UN-kenmerken geen bewijsbestemming hebben, nu dit UN-kenmerk geen garantie biedt. Dit verweer wordt verworpen. In het ADR staat dat door middel van een kenmerk, waaronder UN-kenmerken, op de verpakking wordt aangegeven dat deze verpakking overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de beproevingen heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met (hoofdstuk 6 van) het ADR voor zover dit betreft de fabricage (onderdeel 6.1.3 van het ADR). In onderdeel 6.1.3.14 van het ADR staat ook dat met het aanbrengen van de kenmerken volgens 6.1.3.1 wordt bevestigd dat de in serie vervaardigde verpakkingen overeenkomen met het goedgekeurde ontwerptype en dat aan de voorwaarden, genoemd in de goedkeuring, is voldaan. De UN-kenmerken op de verpakking geven dus aan dat de verpakking overeenkomt met het ontwerptype dat onder meer met succes de hydraulische druktest heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met het ADR wat betreft de fabricage. Verschillende afnemers van de vaten hebben daarnaast verklaard dat de UN-kenmerken voor hen van groot belang zijn omdat zij voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gebruik moeten maken van de specifiek voor de te vervoeren stof vereiste vaten met UN-kenmerk, waaronder de in de tenlastelegging genoemde vaten. De afnemers ontleenden dus vertrouwen aan de UN-kenmerken op de vaten en mochten dat ook doen. De onderhavige geschriften zijn dan ook bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.
Valselijk opgemaakt
De verdediging stelt voorts dat geen sprake kan zijn van een vals geschrift omdat de verdachte bevoegd was het UN-kenmerk te gebruiken. Aan de omstandigheid dat de in de tenlastelegging genoemde vaten de druktest niet doorstonden, kan niet de conclusie worden verbonden dat deze vaten niet overeenkwamen met het ontwerptype. Het hof volgt dit standpunt niet. Uit de te bezigen bewijsmiddelen volgt dat negen van de negentien op 22 maart 2012 inbeslaggenomen vaten van de productielijnen 2573, 1572 en 1086 zijn getest en dat géén van deze vaten de druktest heeft doorstaan. Uit de administratie over 2010 en 2011 - voor zover nog aanwezig - blijkt ten aanzien van de vereiste periodieke beproevingen van de monsters uit de productielijnen 2573, 1572 en 1086, dat géén van deze herhaaldelijke beproevingen succesvol was. Hieruit volgt een beeld dat de geproduceerde vaten van deze drie productielijnen structureel niet voldeden aan de druktest, waar het goedgekeurde ontwerptype wel voldeed. Dit beeld wordt bevestigd door de verklaring van [getuige], voormalig kwaliteitsmedewerker bij de verdachte, die verklaart dat van de typen waar Y op stond, de vaten de hydraulische test nooit haalden in de jaren 2009, 2010 en 2011.
(...)
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat gedurende een langere periode sprake was van een bestendig productieproces waarbij de geproduceerde vaten de periodiek hydraulische drukproeven niet doorstonden. Niet gebleken is dat naar aanleiding van de mislukte testen en/of de kennis van de problemen met de druktest/het productieproces, binnen de rechtspersoon structureel maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de geproduceerde vaten wel aan de hydraulische druktest zouden voldoen.”
De tenlastelegging onder 2 primair is toegesneden op artikel 225 lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden “geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
Artikel 225 lid 1 Sr luidt:
“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De UN-kenmerken bestaan uit leesbare tekens, letters en cijfers, die zijn ingeperst in het vat. Door middel van het UN-kenmerk op de verpakking wordt aangegeven dat deze verpakking overeenkomt met een ontwerptype dat met succes de vereiste beproevingen heeft doorstaan en dat de verpakking overeenkomt met de regels die binnen het verband van de Verenigde Naties zijn vastgesteld in het Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route (ADR), dat in Nederland is geïmplementeerd in het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Voor afnemers van de vaten zijn de UN-kenmerken van groot belang omdat zij voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gebruik moeten maken van de specifiek voor de te vervoeren stof vereiste vaten met UN-kenmerk, waaronder de in de tenlastelegging genoemde vaten, zodat de vaten bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. Het oordeel van het hof dat een stalen vat met daarin een UN-kenmerk geperst een ‘geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’ is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op het voorgaande toereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel faalt.
3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat artikel 219 Sr zich tot artikel 225 Sr niet verhoudt als een bijzondere strafbepaling tot een algemene strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr.
Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:
“2. primair
zij (voorheen als [A] B.V.)
op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 te [plaats] ,
vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen,
zijnde (telkens) geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,
valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,
immers heeft zij, verdachte, (telkens) valselijk, in strijd met de waarheid, een UN kenmerk, te weten
UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of
UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of
UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,
op die vaten aangebracht, terwijl uit herhaalde beproeving(en) met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3 en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR was gebleken dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij dat/die UN kenmerk(en) behorende ontwerptype(n),
zulks (telkens) met het oogmerk om die vaten als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
2. subsidiair
zij (voorheen als [A] B.V.)
op één of meer tijdstip(pen)
in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2012 te [plaats] ,
op vaten bestemd voor opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen
valselijk
(een) UN kenmerk(en), te weten
UN 1A2/Y1.4/140/12/NL/GEF 2573 081 of
UN 1A2/Y1.2/100/12/NL/GEF 1572 081 of
UN 1A2/Y1.3/140/12/NL/GEF 1086 081,
zijnde (telkens) andere dan de in de artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen op die goederen moeten of kunnen worden geplaatst,
heeft geplaatst,
immers was gebleken uit krachtens genoemde wet voorgeschreven herhaalde beproeving(en) met inwendige druk als bedoeld in voorschrift 6.1.5.1.3 en de voorschriften van 6.1.5.5 van het ADR dat deze vaten niet overeenkwamen met het bij dat/die UN kenmerk(en) behorende ontwerptype(n)
zulks (telkens) met het oogmerk om die vaten te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof het/de daarop geplaatste merk(en) echt en onvervalst waren.”
De volgende bepalingen zijn van belang.
“1. Valt een feit in meer dan één strafbepaling, dan wordt slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
2. Indien voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt een bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.”
- Artikel 219, geplaatst in Titel XI (“Valsheid in zegels en merken”) van Boek 2 (“Misdrijven”) van het Wetboek van Strafrecht:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
1°. hij die andere dan de in de artikelen 217 en 218 bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hun verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valselijk plaatst of echte vervalst, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren;
2°. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goederen of hun verpakking merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;
3°. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hun verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daarvoor bestemd waren.”
- Artikel 225 lid 1, geplaatst in Titel XII (“Valsheid met geschriften, gegevens en biometrische kenmerken”) van Boek 2 (“Misdrijven”) van het Wetboek van Strafrecht:
“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Als een feit in meer dan één strafbepaling valt, dan wordt op grond van artikel 55 lid 1 Sr slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Als echter voor een feit dat in een algemene strafbepaling valt ook een bijzondere strafbepaling bestaat, komt op grond van artikel 55 lid 2 Sr alleen die bijzondere strafbepaling voor toepassing in aanmerking.
Het hof heeft geoordeeld dat artikel 219 Sr geen bijzondere strafbepaling is ten opzichte van artikel 225 Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Artikel 219 Sr bevat immers niet alle bestanddelen van artikel 225 Sr, terwijl er geen dwingende aanknopingspunten zijn voor de opvatting dat artikel 219 Sr moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling ten opzichte van artikel 225 Sr.
Het cassatiemiddel faalt.
4 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de strafoplegging van het hof, onder meer omdat het hof bij het bepalen van de straf kennelijk heeft betrokken dat de verdachte onderdeel is van [C] en dat – terwijl dit niet op de terechtzitting aan de orde is gekomen – de jaaromzet en het nettoresultaat van [C] mede bepalend zijn geweest voor de hoogte van de opgelegde geldboete.
Het hof heeft ten aanzien van de geldboete onder meer overwogen:
“De economische kamer van de rechtbank Rotterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 40.000,00.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 55.000,00.
De verdediging heeft voor het geval het hof overgaat tot een veroordeling gevraagd artikel 9a Sr toe te passen.
(...)
De verdachte heeft UN-kenmerken op vaten aangebracht en deze vaten op de markt gebracht, terwijl zij wist dat de vaten niet door de hydraulische druktest kwamen. Door het aanbrengen van de kenmerken heeft de verdachte ten onrechte het vertrouwen gewekt dat deze vaten geschikt waren voor het verpakken en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Het gebruik van dergelijke vaten die niet aan de eisen voldoen kan ernstige gevolgen hebben voor mens en milieu. Bovendien doet de handelwijze van de verdachte afbreuk aan het vertrouwen dat men mag stellen in een dergelijk UN-kenmerk. Dit zijn buitengewoon ernstige feiten. Ook in hoger beroep heeft de verdachte de laakbaarheid van haar handelen niet onder ogen gezien, integendeel: haar proceshouding en haar lakse optreden toen zij de tekortkomingen constateerde en daarop opmerkzaam werd gemaakt, wijst er eerder op dat de verdachte ervoor heeft gekozen – kennelijk louter uit bedrijfseconomische motieven – lang door te gaan met het verboden gedrag.
Bij het bepalen van de straf weegt het hof verder mee dat de verdachte een grote en belangrijke speler is op de internationale markt waar het gaat om het produceren van industriële verpakkingen voor onder meer gevaarlijke stoffen. De verdachte is onderdeel van [C] , een internationaal bedrijf dat zich richt op de productie en verkoop van industriële verpakkingen. De vestiging in [plaats] bestaat sinds 1993 en is de grootste stalen vaten fabriek ter wereld. De verdachte draagt dan ook een grote verantwoordelijkheid waar het betreft het op de markt brengen van vaten conform de gestelde eisen. Het hof rekent het handelen van de verdachte haar zwaar aan.
Over 2022 was de jaaromzet van [C] ruim 6 miljard US Dollar en bedroeg het nettoresultaat ruim 375 miljoen US Dollar. Voor een onderneming als de verdachte is naar het oordeel van het hof een geldboete zoals gevorderd een te gering strafrechtelijk signaal. Hetgeen hiervoor is overwogen in ogenschouw genomen, acht het hof een veel hogere geldboete dan ook aangewezen. Het hof zal ondanks dat er sprake is van meer dan één gepleegd strafbaar feit zich beperken tot het opleggen van de maximale geldboete voor één feit, zijnde € 780.000,00. Toepassing van artikel 9a Sr is gelet op de hoedanigheid van de verdachte, haar opstelling, en de aard en hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten, niet aan de orde. Dat het bewezenverklaarde feit uit 2012 is, maakt naar het oordeel van de rechtbank (de Hoge Raad begrijpt: het hof) niet dat een lagere geldboete dan wel het achterwege blijven van de oplegging van enige straf aan de orde zou zijn.”
Het hof, dat de verdachte aanmerkt als onderdeel van [C] , heeft de jaaromzet en het nettoresultaat van [C] bij de strafoplegging betrokken. Gelet op de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, zijn daar echter geen stukken aan de orde gekomen waaruit die gegevens kunnen worden afgeleid. Zonder nadere motivering is de strafoplegging niet begrijpelijk.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
5 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.