Strafrecht overig
Economische zaak. Opzettelijk illegaal lozen van afvalwater vanuit voormalige mestkelder in bermsloot, art…
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1754 · Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1754
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/04250
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1754
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Economische zaak. Opzettelijk illegaal lozen van afvalwater vanuit voormalige mestkelder in bermsloot, art. 6.2 Waterwet. Bewijsklacht opzet. Heeft verdachte bewust aanmerkelijke kans aanvaard op lozen van verontreinigd water?
Hof heeft geoordeeld dat kans dat zich in voormalige mestkelder nog mestresten bevinden en dat die resten bij vermenging met water loskomen en oplossen, aanmerkelijk is. Uit ’s hofs bewijsvoering kan, mede in het licht van wat namens verdachte daarover is aangevoerd, echter niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.
Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:774Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1754
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04250 E
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 12 november 2024, nummer 21-004050-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op, kort gezegd, het lozen van verontreinigd water.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 27 maart 2020, te [plaats] , in de gemeente [plaats] , opzettelijk stoffen, te weten afvalwater, heeft gebracht in een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:
a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en
b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en
c. artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was, immers heeft hij,
verdachte, vanuit een (oude) mestkelder, (zuurstofloos) afvalwater met een slang in de bermsloot, welke is aangesloten op waterloop [codering] ( [waterloop] ) gepompt.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van overtreding van Waterschap [A] , proces-verbaalnummer (...), d.d. 15 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , beide buitengewoon opsporingsambtenaar domein milieu, welzijn en infrastructuur, p. 1-3, voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisanten:
Overtredingsgegevens / waarneming
Datum: 27-03-2020
Omstreeks: 16:45 uur
Plaats: [plaats]
Gemeente: [plaats]
(...)
Op vrijdag 27 maart 2020 omstreeks 15.30 uur kregen wij een melding dat aan de [a-straat] te [plaats] ter hoogte van [a-straat 1] bruin water werd geloosd vanuit een blauwe buis/slang op het oppervlaktewater. Omstreeks 16.30 uur waren wij ter plaatse. Wij zagen op de talud van de bermsloot ter hoogte van [a-straat 1] te [plaats] een blauwe slang liggen. Wij zagen bruin visueel verontreinigd water vanuit de slang komen. De bermsloot is aangesloten op waterloop [codering] ( [waterloop] ), en is dus een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de waterwet.
De mate van geleidbaarheid geeft een indicatie van de vervuiling van het water. De Ph was 8,0. Vervolgens vulden wij een emmer met het water uit de blauwe slang. Wij namen een ABC-monster van dit afvalwater.
De man kwam aanlopen en stelde zich voor als [verdachte] , de eigenaar. Ik, [betrokkene 2] , hoorde hem zeggen: De kelder onder de voormalige veestal is volgelopen met regenwater. Wij willen deze als hemelwateropvang gaan gebruiken, maar voor de aansluiting van de buizen moet eerst het niveau in de kelder worden verlaagd. [verdachte] schoof een de ijzeren putdeksel aan de kant. In de mestkelder lag een dompelpomp, die het water middels een blauwe slang wegpompte naar de sloot. Ons was ook bekend dat voor afpompen van dergelijk afvalwater naar oppervlaktewater geen vergunning wordt verleend.
Wij hadden een ABC-monster genomen. Het monster A hebben wij verzegeld en verzonden naar laboratorium [B] in [plaats] .
Analyse uitslag
De analyse uitslag geeft aan dat het afvalwater betreft, dat sterk zuurstof onttrekkend water is, en wat reeds zuurstofloos is. Daarnaast bevat het afvalwater veel chloride, zwavel, fosfor en gebonden stikstof en ammonium. De analyse-uitslag is in de bijlage opgenomen. De parameters komen overeen met mest in een zeer verdunde vorm.
2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een analyserapport, opgenomen als bijlage op p. 13 van het hiervoor aangehaalde proces-verbaal:
[afbeelding]
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, d.d. 30 maart 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :
U raadsheer-commissaris vraagt mij of ik me de voorwaarden van de verkoop nog herinner. Bij de mestkelder is het een standaardverhaal, die moeten leeg zijn bij oplevering. Hier is ook leeg opgeleverd, daar was ik bij toen het opgeleverd werd. De mestkelder is dan ‘zuigleeg’. Dat was toen de term. Er kan een dikke fractie bezinksel achterblijven. Ik ben zelfstandige, ik heb een kantoor aan huis, ik doe zakelijk vastgoed, onteigeningswerk. U vraagt mij of ik bij dit huis alleen heb gewerkt. Ja. Alleen als aankoopmakelaar. U vraagt mij of ik me kan herinneren wat de afspraken waren voor de oplevering van het huis in kwestie. Schoon, ontruimd, en de kelders zuigleeg. Dat is een standaardafspraak die ik maak bij dit soort opleveringen, dat is door de jaren heen niet veranderd. Je krijgt nooit alles uit een gierkelder. Als de kelder aan de voorkant leeg hebt, dan kan er achter afhankelijk van de lengte van de kelder achterin nog wel 25 centimeter staan, dat kun je niet zien. Gemiddeld kan er 10 tot 15 centimeter in staan. Dit is ook afhankelijk van het verloop van de vloer van de kelder. Daar gaan kopers vervolgens mee akkoord.
4. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden op 29 oktober 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
Om de watertoevoer in stand te houden moest ik een aansluiting maken en daarvoor moest ik het waterpeil in de kelder laten zakken. Ik pompte daarom water vanuit de voormalige mestkelder en loosde dat in de sloot.”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam heeft gebracht. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte, nadat hij de pomp had aangesloten, slechts helder water uit de kelder zag komen. Dat het water later, nadat verdachte was weggelopen, kennelijk donkerder van kleur is geworden en verontreinigende stoffen bleek te bevatten, maakt dat niet anders. Verdachte wist ook niet dat zich ergens in de mestkelder nog resten van mest bevonden die het in de kelder verzamelde regenwater konden bevuilen. Bij de oplevering in 2002 heeft verdachte ook niet van de makelaar vernomen dat de kelders zuigleeg waren, dan wel is aan hem niet uitgelegd dat zuigleeg betekent dat er nog 10 tot 15 centimeter mest op de bodem van de kelder kon liggen. Bovendien moet de zware mest zich op de bodem van de kelder hebben bevonden. Er was daarom ook geen sprake van een aanmerkelijke kans dat er mest met het regenwater zou meekomen. Van voorwaardelijk opzet is daarom ook geen sprake.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van de door de raadsvrouw gevoerde verweren overweegt het hof als volgt: Verdachte is in 2022 (de Hoge Raad begrijpt: 2002) in een landelijke omgeving komen te wonen, waar mestkelders een bekend verschijnsel zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij water heeft opgepompt uit de voormalige mestkelder en dat hij dit in de sloot heeft geloosd. Naar het oordeel van het hof is de kans dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten bevinden en dat die, bij vermenging met water, loskomen en oplossen aanmerkelijk. Dat volgt ook uit de verklaring van makelaar [betrokkene 3] , die op verzoek van de verdediging bij de raadsheer- commissaris is gehoord. Uit die verklaring volgt dat het zuigleeg opleveren de standaardafspraak is bij opleveren. Omdat een mestkelder nooit helemaal leeg te krijgen is, betekent dit dat er een dikke fractie bezinksel achterblijft, gemiddeld nog 10 tot 15 centimeter mest. Door de kelder (gedeeltelijk) leeg te pompen en het water af te voeren op de sloot zonder daarop toezicht te houden, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat hij verontreinigd water loosde aanvaard.
Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte ook was gericht op het niet hebben van een vergunning staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Voor een bewezenverklaring van opzet bij economische delicten is niet vereist dat de dader opzet had op de wederrechtelijkheid van zijn handelen.
Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte opzettelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam heeft gebracht, terwijl geen daartoe strekkende vergunning en/of vrijstelling was verleend.”
Het hof heeft geoordeeld dat de kans dat zich in een voormalige mestkelder nog mestresten bevinden en dat die resten bij vermenging met water loskomen en oplossen, aanmerkelijk is. Uit de bewijsvoering van het hof kan, mede in het licht van wat namens de verdachte daarover is aangevoerd, echter niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.