Strafrecht overig
Herziening. Snelheidsovertreding, art. 21.a RVV 1990. Aangevoerd wordt dat aanvrager bij eerder arrest van…
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1755 · Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1755
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/01713
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1755
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herziening. Snelheidsovertreding, art. 21.a RVV 1990. Aangevoerd wordt dat aanvrager bij eerder arrest van hof in andere zaak is veroordeeld voor hetzelfde feit als waarvoor aanvrager bij arrest in deze zaak is veroordeeld (ne bis in idem), art. 457.1.c Sv. Is aanvrager 2 maal veroordeeld voor hetzelfde feit, nu hij op 1 weg 2 verkeersborden heeft genegeerd en voor beide overtredingen is gedagvaard?
Om redenen vermeld in CAG moet wat in aanvraag wordt aangevoerd, worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv en is aanvraag gegrond. Omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat ‘s hofs arrest zal worden vernietigd en OvJ alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard in vervolging, zal HR deze verwijzing achterwege laten en OvJ n-o verklaren in vervolging.
HR verklaart OvJ n-o in vervolging.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:904Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1755
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 26/01713 H
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2026, nummer 21-000010-25, ingediend door de advocaat Y. Finani,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de aanvrager.
1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank – de aanvrager bij arrest van 19 januari 2026 voor overtreding van het bepaalde bij artikel 21, aanhef en onder a, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) geldboete en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden.
2 De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat de aanvrager bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 9 september 2025 in de zaak met parketnummer 21-002310-24 is veroordeeld voor hetzelfde feit als waarvoor de aanvrager bij het onder 1 genoemde arrest in de zaak met parketnummer 21-000010-25 is veroordeeld. Als het hof dat het arrest heeft gewezen waarvan herziening wordt verzocht met de onherroepelijke veroordeling bekend was geweest, zou dat hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de aanvrager.
3 De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening, tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2026 en van de uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 25 november 2024, en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de aanvrager ter zake van het tenlastegelegde.
4 Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Wat in de aanvraag wordt aangevoerd, moet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. De aanvraag is daarom gegrond. Omdat na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zal zijn dan dat het arrest van het hof van 19 januari 2026 zal worden vernietigd en de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging, zal de Hoge Raad deze verwijzing achterwege laten en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2026 in de zaak met parketnummer 21-000010-25 tegen de aanvrager;
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 25 november 2024 in de zaak met parketnummer 96-104189-24 tegen de aanvrager;
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de aanvrager voor het in de zaak met parketnummer 96-104189-24 tenlastegelegde.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.