Strafrecht overig
Onderzoek Messina. Medeplegen invoer van 400 kilogram cocaïne, art. 2.A Opiumwet. Niet beslist op ttz. in…
Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1759 · Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1759
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/00337
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1759
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Messina. Medeplegen invoer van 400 kilogram cocaïne, art. 2.A Opiumwet. Niet beslist op ttz. in hoger beroep gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van getuige, op de grond dat verzoek enkel is gedaan t.a.v. het onder 1 subsidiair tlgd. (medeplegen voorbereidingshandelingen invoer van cocaïne), terwijl hof onder 1 primair tlgd. (medeplegen invoer van cocaïne) bewezen acht.
Verzoek dat verdediging heeft gedaan, is verzoek tot horen van getuige a.b.i. art. 315 jo. 328 Sr. Op zo’n verzoek is uitdrukkelijke beslissing vereist. Dat geldt ook als verzoek voorwaardelijk is gedaan en daaraan gestelde voorwaarde is vervuld. Uit pleitnota volgt dat verdediging het verzoek heeft gedaan i.h.k.v. zowel onder 1 subsidiair tlgd. als onder 1 primair tlgd. Hof heeft verdachte veroordeeld voor het onder 1 primair tlgd. en heeft verklaring van getuige voor bewijs gebruikt. Daarom is, anders dan hof heeft geoordeeld, aan verzoek verbonden voorwaarde vervuld.
Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00329, 25/00383 P, 25/00384, 25/00386, 25/00460 E, 25/00461 P en 25/00521 en met 25/00436 P en 25/00520 P (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, betrokkene n-o).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 30 januari 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:268Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:792Hoge Raad · 27 oktober 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1759
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00337
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2025, nummer 23-001260-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat K. Canatan bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging met uitzondering van de onttrekking aan het verkeer van de boksbeugels, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat deze ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op een voorwaardelijk verzoek dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan om een getuige te horen.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 25 november 2024 en latere data heeft de raadsman van de verdachte daar op 12 december 2024 het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Feit 1 - subsidiair tenlastegelegde
Ook al heb ik bij het primaire tenlastegelegde het (voorwaardelijk) opzet niet uitdrukkelijk besproken (al valt dat uiteraard onder het medeplegen zodat alles dat ik hierna bepleit ook uitdrukkelijk op het primaire feit ziet), maar ik meen dat dit een grotere rol speelt bij de voorbereidingshandelingen, omdat de gedragingen in de feitsomschrijving alleen dan redengevend kunnen zijn voor het bewijs als zij tot doel dienden om de genoemde Opiumwet delicten voor te bereiden of te bevorderen en in zoverre moeten die handelingen dus een misdadig doel hebben gehad waar cliënt op zijn minst voorwaardelijk opzet op moet hebben gehad. Nu juist daarin schiet het bewijs tekort. Ik bespreek de verschillende gedragingen mede in dit licht.
(...)
- een of meer (actie)telefoons aangeschaft en/of overhandigd waarmee overleg gevoerd kon worden en/of
Dit ziet kennelijk op de aanschaf van de drie telefoons in Haarlem op 2 februari 2019 en de overdracht van één daarvan aan de chauffeur. Voor beide gedragingen ontbreekt het bewijs. Allereerst blijkt alleen dat de nummers geactiveerd zijn in de omgeving van de winkel van aanschaf, maar niet door wie en wanneer de telefoons en simkaarten zijn gekocht. De telefoonwinkel heeft dat immers niet geregistreerd terwijl de eigenaar geen herkenning heeft gedaan. Uit de enkele aanwezigheid in de omgeving van de telefoonwinkel kan de aanschaf in elk geval niet worden afgeleid, terwijl ook niet eens duidelijk is of dit rond de openingstijden van de winkel was. Ook van een overdracht van één van de telefoons aan de chauffeur blijkt niet. [betrokkene 1] heeft zelf verklaard de telefoon op 31 januari 2019 te hebben gekregen van een Marokkaanse man, die zou gestuurd zijn door [betrokkene 2] (Map F, p. 1220, 1221 en 1225). Volgens diens vrouw [betrokkene 3] is [betrokkene 1] overigens benaderd door ene [betrokkene 4] (map O, p. 175 e.v.) om de vrachtwagen naar een loods te brengen om te worden gelost. Zij kent cliënt, maar ontkent dat hij die [betrokkene 4] is. Clients voornaam is ook [verdachte] , niet [betrokkene 4] .
De verbalisant die het telecom-onderzoek heeft verricht vermeldt op basis van een pintransactie bij een Shell tankstation in IJmuiden op 2 februari 2019 om 22:36 uur dat niet uit te sluiten is dat cliënt verantwoordelijk is voor de overdracht van de telefoon (p. 121), maar dat is uiteraard geen sluitende bewijsconstructie. Bovendien is net zo goed niet uit te sluiten dat de medeverdachte dit heeft gedaan.
Als de telefoon bovendien op 2 februari 2019 is aangeschaft, dan kan die nooit op 31 januari 2019 aan [betrokkene 1] gegeven zijn. In zoverre is dan ook sprake van innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering in het vonnis (zie in bewijsmiddel 44 de verklaring van [betrokkene 1] ) en in feite ook het denatureren van de verklaring van [betrokkene 1] aangezien hij het dus over andere personen heeft dan cliënt.
Conclusie: Er is gewoonweg niet vast te stellen wie de telefoon aan [betrokkene 1] heeft gegeven.
- contact onderhouden met de chauffeur van de vrachtwagen waarin de cocaïne vervoerd werd en/of
Zoals gezegd blijkt niet wie er contact heeft onderhouden met [betrokkene 1] , omdat onbekend is wie de gebruiker was van [accountnaam], maar belangrijker nog, het bewijs ontbreekt hoe dit contact het gronddelict voorbereidt of ondersteunt. Bovendien impliceert dit ook betrokkenheid van de chauffeur, terwijl hij niet (althans nog niet) vervolgd is en hij in zijn latere verhoor (na zijn aanhouding) kennelijk de status van getuige heeft gekregen. Het bevreemdt nogal om dan aan cliënt een rol toe te dichten accessoir aan die van een getuige. Dat meermalen contact is tussen de privé telefoons van cliënt en [betrokkene 1] kan in dit verband niet redengevend zijn, omdat dit enerzijds ligt voor de datum van de (verlengde) invoer, maar ook hiervoor weer geldt dat zonder inzicht in de communicatie op geen enkele manier beredeneerd kan worden dat dit betrekking heeft op het tenlastegelegde als niet bekend is wat de inhoud was van de communicatie. Daarbij is ook relevant dat [betrokkene 1] en cliënt kennissen zijn zodat uit onderling contact niet noodzakelijkerwijs een misdadig doel is af te leiden.
Mocht uw Hof een verklaring van [betrokkene 1] gebruiken voor het bewijs en/of het eerdere onderlinge contact tussen de telefoons van [betrokkene 1] en cliënt (zie blad 7 vonnis) redengevend voor het bewijs achten, dan wens ik [betrokkene 1] als getuige te horen over diens verklaringen en vooral over van wie hij de telefoon heeft gekregen en waar de onderlinge contacten uit hebben bestaan met die telefoon, maar ook het onderlinge contact tussen zijn telefoon en die van cliënt.
(...)
Conclusie
Het openbaar ministerie mag het dus allemaal erg verdacht vinden, maar de bewijsvoering ontstijgt in deze zaak nooit het niveau van een verdenking en dan kan maar één uitspraak de uitkomst zijn en dat is een integrale vrijspraak voor beide alternatieven onder 1.”
De uitspraak van het hof houdt in:
“Het eerst bij pleidooi in hoger beroep gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] is enkel gedaan ten aanzien van het onder 1, subsidiair tenlastegelegde. Nu het hof het onder 1, primair ten laste gelegde bewezen acht, komt het reeds daarom niet toe aan de beoordeling van dit verzoek.”
Het verzoek dat de verdediging heeft gedaan, is een verzoek tot het horen van een getuige als bedoeld in artikel 315 in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering. Op zo’n verzoek is een uitdrukkelijke beslissing vereist. Dat geldt ook als het verzoek voorwaardelijk is gedaan en de daaraan gestelde voorwaarde is vervuld.
Uit de pleitnota die onder 2.2.1 is weergegeven, volgt dat de verdediging het verzoek heeft gedaan in het kader van zowel het onder 1 subsidiair tenlastegelegde als het onder 1 primair tenlastegelegde. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het onder 1 primair tenlastegelegde en heeft een verklaring van de getuige [betrokkene 1] voor het bewijs gebruikt. Daarom is, anders dan het hof – zoals weergegeven onder 2.2.2 – heeft geoordeeld, de aan het verzoek verbonden voorwaarde vervuld.
Het cassatiemiddel slaagt.
3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel niet nodig.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, met uitzondering van de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen boksbeugels;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.