Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2026:798 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-798
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/03492
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:798
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03492
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 12 september 2024 (parketnummer 21-004751-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren waarbij het hof een bijzondere voorwaarde heeft gesteld, en dit met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een telefoon en de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 2.535 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel en daarbij de duur van de gijzeling bepaald op ten hoogste 35 dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel gaat over de bewijsvoering en de spanning met het bewijsminimum. Het tweede middel betreft de kwalificatie van het bewezen verklaarde “het in het bijzijn van elkaar, zichzelf aftrekken” als ontucht in de zin van artikel 247 Sr en de bewijsvoering daarvan.
De bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Met vrijspraak van het ‘seksueel binnendringen’ op 9 maart 2021 (het primair ten laste gelegde), heeft het hof ten laste van de verdachte - subsidiair - bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 9 maart 2021 tot en met 23 maart 2021 te [plaats],
met [benadeelde], geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,
te weten het leggen van zijn, verdachtes, arm om de schouder van die [benadeelde] en daarbij die [benadeelde] de woorden toe te voegen: ‘Je mag hier nog niet weg’,
het over de kleding betasten van het kruis en/of de schaamstreek van die [benadeelde] en
het kussen van de nek en/of op de mond van die [benadeelde] en
het in het bijzijn van elkaar, zichzelf aftrekken.”
5. De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsvoering:
“Vast staat dat de verdachte en [benadeelde] (hierna: [benadeelde]) elkaar via Snapchat hebben ontmoet en dat [benadeelde] bij de verdachte thuis is geweest. De verdachte en [benadeelde] verklaren ook allebei dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden bij de verdachte thuis. Hun verklaringen lopen uiteen als het gaat om hoe vaak zij elkaar hebben ontmoet, welke seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en wanneer dit zou zijn gebeurd.
Het hof zal hierna eerst de inhoud van de relevante bewijsmiddelen weergeven en daarna beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair of het subsidiair tenlastegelegde feit. Daarbij zal het hof zich ook uitlaten over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde].
[benadeelde] heeft verklaard dat hij de verdachte één keer heeft gezien, namelijk op 9 maart 2021. Hij kende de verdachte via Snapchat. Daar deed de verdachte zichzelf voor als een leeftijdsgenoot van [benadeelde]. Op 9 maart 2021 heeft [benadeelde] met de verdachte afgesproken. Hij ging met de verdachte mee naar huis. Bij de verdachte thuis ging [benadeelde] op de bank zitten. De verdachte kwam steeds dichter bij hem zitten. [benadeelde] schoof toen op totdat hij niet meer verder kon omdat hij bij de armleuning van de bank zat. De verdachte deed toen zijn arm om [benadeelde] schouders heen en hij fluisterde: ‘Je mag hier nog niet weg’. Daarna ging de verdachte aan [benadeelde] zitten. Hij zat met zijn hand aan [benadeelde] geslachtsdeel (over de kleding van [benadeelde] heen). Ook heeft hij [benadeelde] in zijn nek gekust. Op een gegeven moment stond de verdachte op en zei hij: ‘Kom’. [benadeelde] liep toen met hem mee naar de slaapkamer. In de slaapkamer deed de verdachte zijn vest, zijn T-shirt en zijn broek uit. Hij begon [benadeelde] daarna uit te kleden. Hij legde [benadeelde] op zijn buik op bed neer en deed toen bij zichzelf een condoom om. Daarna ging de verdachte met zijn geslachtsdeel in [benadeelde] kont. Dit deed heel erg zeer. Het duurde zo’n tien minuten.
De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij als stagiaire werkte in het praktijklokaal op de school van [benadeelde]. Op een gegeven moment zag zij dat [benadeelde] druk bezig was op zijn telefoon. [getuige 1] zag dat hij heel gefrustreerd en boos was. Ook zag ze lichte paniek in zijn ogen. Ze nam [benadeelde] even apart en vroeg wat er aan de hand was. [benadeelde] zei toen dat hij boos was omdat iemand tegen hem had gelogen. Diegene zou hebben gelogen over zijn leeftijd en over wat er was gebeurd. [getuige 1] stelde voor om samen met [benadeelde] naar [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) te gaan (de mentrix van [benadeelde]), om haar te vertellen wat er aan de hand was. [getuige 1] zag dat [benadeelde] angstig was en dat hij tranen in zijn ogen had. Tegen [getuige 2] vertelde hij over de oudere man die hij via Snapchat had, ontmoet.
De getuige [getuige 2], de mentrix van [benadeelde], heeft op 14 april 2021 verklaard dat [benadeelde] sociaal- emotioneel heel jong is. Als hij iets vertelt, kan het zijn waarheid zijn. Zij moet dan doorvragen om te weten wat hij precies bedoelt. Zij heeft dan ook door of deze waarheid overeenkomt met de werkelijkheid of niet. Daar kent zij hem nu wel in. Op een gegeven moment raakte [benadeelde] op school in paniek omdat een persoon contact met hem zocht. [getuige 2] zag dikke tranen bij [benadeelde] en vroeg wat er aan de hand was. [benadeelde] vertelde toen dat er iemand was die contact met hem zocht. Diegene deed zich voor als een vriend van 14 jaar oud. Het zou twee weken geleden zijn gebeurd. De persoon in kwestie; had gevraagd wanneer ze elkaar weer konden zien. [benadeelde] vertelde dat hij het wilde vergeten en dat hij daarom niemand iets had verteld. Er rolden dikke tranen over zijn wangen. Deze emoties had [getuige 2] nooit eerder bij [benadeelde] gezien. Hij huilde heel hard. [getuige 2] wilde weten wanneer het was gebeurd. [benadeelde] zei toen dat het op een schooldag was, een dinsdag. Hij kende de persoon via Snapchat. Vervolgens vertelde [benadeelde] aan [getuige 2] over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden bij de man thuis. Zij heeft gemerkt aan [benadeelde] dat hij opgelucht was, nadat hij het had verteld op school. Achteraf gezien had zij gezien dat hij er de periode ervoor mee rond had gelopen.
De verdachte heeft een andere verklaring afgelegd over de tenlastegelegde feiten dan [benadeelde]. Hij heeft verklaard dat hij verschillende keren met [benadeelde] (die hij via Snapchat kende) heeft afgesproken. De eerste keer dat zij elkaar fysiek hebben ontmoet, was [benadeelde] op bezoek bij zijn tante in [plaats] en hebben zij afgesproken bij het kanaal. Daar hebben ze ongeveer anderhalf/twee uur met elkaar gepraat. De andere keren zag hij [benadeelde] bij hem thuis. Hij verklaarde bij de politie nog dat [benadeelde] in totaal twee keer bij hem thuis is geweest. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft hij echter verklaard dat hij [benadeelde] drie keer thuis zou hebben ontvangen. Tijdens de zitting bij het hof heeft hij desgevraagd verklaard dat hij bij de politie heeft gelogen over het aantal keren dat [benadeelde] bij hem was geweest. Volgens de verdachte waren het de volgende drie keer dat [benadeelde] bij de verdachte thuis is geweest. De eerste keer is [benadeelde] bij de verdachte blijven slapen, nadat [benadeelde] hem had gebeld om in [plaats] op te halen. Hij is toen ’s avonds laat per scooter [benadeelde] gaan ophalen en heeft hem de volgende ochtend weer thuis gebracht, aldus de verdachte. De tweede keer was ergens begin maart 2021. Toen heeft de verdachte [benadeelde] een knuffel en een kus gegeven. Op 23 maart 2021 kwam [benadeelde] opnieuw langs. Hij heeft toen wat zitten praten en op zijn telefoon gekeken. Opeens begon [benadeelde] zichzelf af te trekken. De verdachte ging zichzelf toen ook aftrekken, in het bijzijn van [benadeelde].
Op 23 maart 2021 heeft de verdachte via Snapchat het volgende bericht naar [benadeelde] gestuurd: ‘t was gezellig vndg’.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde] betrouwbaar zijn. Zijn verklaringen worden op essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen. Op onderdelen wordt zijn verklaring ook ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf. Het hof zal daarom de verklaringen van [benadeelde] als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de feiten.
Primair is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij op 9 maart 2021 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de minderjarige [benadeelde], die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde]. Om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te kunnen komen, zal het hof moeten beoordelen of bewezen kan worden dat de seksuele handelingen die in dit feit zijn omschreven zich op of omstreeks 9 maart 2021 hebben afgespeeld.
Mede gelet op de verklaringen van de stagiaire [getuige 1] en mentrix [getuige 2] - die het hof anders leest dan de rechtbank heeft gedaan - kan het hof niet uitsluiten dat de verdachte [benadeelde] op enig moment anaal heeft gepenetreerd, zoals door [benadeelde] is verklaard. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bevestigen de verklaringen van [benadeelde] in die zin dat er in de periode rond maart 2021 iets heel heftigs met hem is gebeurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter niet onomstotelijk dat de anale penetratie en de overige in de tenlastelegging genoemde ontuchtige handelingen op of omstreeks 9 maart 2021, zoals is tenlastegelegd, hebben plaatsgevonden. In dit verband wijst het hof op het Snapchat-bericht van 23 maart 2021 waarin de verdachte tegen [benadeelde] zegt: ‘t was gezellig vndg’. Dit lijkt erop te duiden dat de verdachte en [benadeelde] elkaar (ook) op 23 maart 2021 hebben gezien en laat de mogelijkheid open dat de ontuchtige handelingen waarover [benadeelde] heeft verklaard (waaronder de anale penetratie) op die datum hebben plaatsgevonden. Gelet hierop zal het hof de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.
Subsidiair is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 9 maart 2021 tot en met 23 maart 2021 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [benadeelde]. Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat bewezen is dat de verdachte in voornoemde periode ontuchtige handelingen met [benadeelde] heeft gepleegd. Zoals gezegd, zijn de verklaringen van [benadeelde] authentiek en betrouwbaar. Weliswaar komen zijn verklaringen niet geheel overeen met de verklaringen van de verdachte, maar [benadeelde] en de verdachte verklaren wel allebei over ontuchtige handelingen die (in elk geval) hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode. De verdachte en [benadeelde] hebben allebei verklaard dat de verdachte [benadeelde] een kus heeft gegeven in deze periode. Deze ontuchtige handeling acht het hof dan ook bewezen. [benadeelde] heeft verder verklaard over het leggen van een arm om zijn schouders waarbij de verdachte fluisterde: ‘Je mag hier nog niet weg’ en over het door de verdachte betasten van zijn kruis. Ook deze ontuchtige handelingen acht het hof bewezen, nu het hof de verklaringen van [benadeelde] in zoverre betrouwbaar acht en zijn verklaringen bovendien (deels) worden ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Daarbij komt dat er niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging meer dan één bewijsmiddel hoeft te zijn. Tot slot acht het hof ook bewezen dat de verdachte zichzelf in het bijzijn van [benadeelde] heeft afgetrokken, nu de verdachte deze handeling heeft bekend en het hof geen reden ziet om aan de verklaring van de verdachte op dit punt te twijfelen.
Het hof komt dus tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.”
Het eerste middel
6. Het eerste middel gaat in de kern over de toereikendheid van de bewijsvoering en de vraag of aan het bewijsminimum is voldaan.
Weergave van de klachten
7. Wat betreft het eerste middel onderscheid ik gemakshalve meer deelklachten dan de steller van het middel zelf doet:
(i). Niet is voldaan aan de voorwaarde dat de ontuchtige handelingen “telkens afzonderlijk bewezen [moeten] worden met voldoende wettig bewijs” omdat deze wat betreft “aard, tijd en plaats” uiteenlopen, zoals het hof in feite ook heeft vastgesteld.
(ii). In het bijzonder de verklaring van de aangever dat de verdachte hem in zijn nek heeft gekust, wordt niet gesteund door de verklaring van de verdachte dat hij de aangever een knuffel en een kus op het voorhoofd heeft gegeven. Het eerste zou wellicht ontucht opleveren, maar het tweede (kus op voorhoofd) niet.
(iii). Uit de bewijsvoering kan niet worden afgeleid dat de verdachte de aangever op de mond heeft gekust.
(iv). De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] leveren geen steunbewijs op vanwege het tijdsverloop tussen de ontuchtige gedragingen en de door de getuigen bij aangever waargenomen emoties.
(v). De verklaringen van beide getuigen houden niets in over het door de verdachte leggen van een arm om de schouder van de aangever en het fluisteren “Je mag hier nog niet weg” en het door de verdachte betasten van het kruis van de aangever. De getuigenverklaringen leveren daarvoor geen steunbewijs op.
Bespreking van de klachten
8. De Hoge Raad overwoog anderhalve maand terug:
“Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.”
9. In de voorliggende zaak is het hof in zijn bewijsoverwegingen in het bijzonder ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever. Daarnaast oordeelt het hof dat er “op essentiële onderdelen voldoende steun” te vinden is voor de verklaringen van de aangever, waarbij het hof uitdrukkelijk melding maakt van de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] en de verklaringen van de verdachte zelf, en waarbij het hof de inhoud van de chats klaarblijkelijk in aanmerking heeft genomen. Nu het hof bovendien in ogenschouw neemt “dat er niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging meer dan één bewijsmiddel hoeft te zijn” moet worden aangenomen dat het hof zich uitdrukkelijk rekenschap heeft gegeven van de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan en hij zijn bevestigend antwoord heeft gemotiveerd.
10. Met de onder (i) omschreven deelklacht verdedigt de steller van het middel de opvatting dat ingeval de tenlastelegging een (impliciete) cumulatie betreft van meer separate delicten, de eis van artikel 342 lid 2 Sv gelding heeft voor elk delict afzonderlijk.
11. Ik denk dat de steller van het middel het goed ziet. De wijze waarop het OM de tenlastelegging(en) inkleedt en de delicten daarin rubriceert (een keuze voor hetzij méér enkelvoudige tenlasteleggingen, hetzij één (impliciet) cumulatieve tenlastelegging), heeft m.i. geen invloed op de reikwijdte van de eisen van artikel 342 lid 2 Sv. Hoe de Hoge Raad over deze kwestie oordeelt valt niet heel goed op te maken uit zijn standaardoverwegingen die ik onder randnummer 8 heb geciteerd. Die overwegingen houden in dat “deze bepaling betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan”, zonder dat de Hoge Raad daarbij uitdrukkelijk onderscheid maakt tussen enkelvoudige en cumulatieve tenlasteleggingen. De daaruit sprekende suggestie dat dit onderscheid irrelevant is en dat het bewijsminimum uitsluitend de gehele tenlastelegging bestrijkt ook als daarin meer feiten zijn opgenomen, is volgens mij niet juist. Deze standaardoverweging van de Hoge Raad is namelijk in lijn met de redactie van artikel 342 lid 2 Sv. Die gaat uit van de tenlastelegging van één delict (deze bepaling ziet dus op een enkelvoudige tenlastelegging). Exact overeenkomstig de bewoordingen van artikel 342 lid 2 Sv, vangt de standaardoverweging dan ook aan met (en gaat over) “het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan” (enkelvoud dus, en niet: de ten laste gelegde feiten).
12. Ik ga hier niet dieper op in, omdat de klacht volgens mij überhaupt niet opgaat. Of de (subsidiaire) tenlastelegging in deze zaak nu als enkelvoudig of als cumulatief moet worden beschouwd, het hof heeft zich per ten laste gelegde handeling afgevraagd of daarvoor voldoende steunbewijs bestaat. Het hof sprak vrij van het ‘seksueel binnendringen’ op 9 maart 2021 (het primair ten laste gelegde), maar dat was niet omdat het hof geen geloof hechtte aan de verklaring van de aangever. Het hof acht andere ten laste gelegde handelingen bewezen en bespreekt de bewijsvoering daarvan telkens afzonderlijk, ongeacht of die handelingen tezamen als één (voortgezet) delict of als een samenloop van meer delicten moet worden beschouwd.
13. De overige klachten van het middel doe ik korter af. Ad (iv). De door de getuigen waargenomen emotionele reactie van de aangever, kan ook steunbewijs opleveren als het contact waarover vervolgens wordt verklaard twee weken eerder zou hebben plaatsgevonden.
14. Ad (ii), (iii) en (v). Voor het antwoord op de vraag of aan het bewijsminimum is voldaan voor wat betreft het ten laste gelegde door de verdachte (a) leggen van een arm om de schouder van de aangever, (b) het fluisteren “Je mag hier nog niet weg”, (c) het betasten van het kruis van de aangever, (d) het zoenen in de nek van de aangever en (e) het zoenen op de mond van de aangever, is niet van doorslaggevend belang of de getuigen hebben verklaard dat zij dit woordelijk van de aangever hebben gehoord. De betreffende deelklachten berusten op de onjuiste veronderstelling dat de verklaringen van deze getuigen alleen steunbewijs kunnen bieden voor het onderdeel van de tenlastelegging waarop die verklaringen specifiek (woordelijk) betrekking hebben. Waar het m.i. om gaat is dat de aangifte niet op zichzelf staat, maar dat het steunbewijs de verklaringen van de aangever over de ten laste gelegde handelingen substantieel waarschijnlijker maakt.
15. Uit de bewijsvoering in haar geheel en in samenhang beschouwd blijkt dat de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden in een context die begint met het door de verdachte via Snapchat afspreken met de aangever. Daarbij heeft de toen 43-jarige verdachte zich voorgedaan als een generatiegenoot van de toen 15-jarige aangever. Vervolgens heeft in de woning van de verdachte lichamelijk contact plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever. Dat heeft de verdachte ook met zoveel woorden toegegeven. Het hof heeft overwogen dat de verdachte en de aangever allebei hebben verklaard “dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden bij de verdachte thuis”. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de voor de bewijsvoering gebruikte verklaring van de verdachte dat hij zichzelf is gaan aftrekken in het bijzijn van de aangever nadat de aangever zichzelf (naar zeggen van de verdachte) zou zijn gaan aftrekken. Het bewijs van dit ontremde, op seks gerichte gedrag van de verdachte biedt ook steun(bewijs) aan de bewijsvoering van andere handelingen van de verdachte, zoals het over de kleding heen betasten van het geslachtsdeel van de aangever, het leggen van een arm om de schouder van de aangever en het (voor een vijftienjarige nogal intimiderende) fluisteren “Je mag hier nog niet weg”. Ook de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] bieden steun aan het plaatsvinden van seksuele handelingen in de woning van de verdachte.
16. Het middel faalt in alle onderdelen.
Het tweede middel
17. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het bewezen verklaarde “het in het bijzijn van elkaar, zichzelf aftrekken” ten onrechte heeft gekwalificeerd als ontucht ‘met’ in de zin van artikel 247 Sr.
18. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 247 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging (en bewezenverklaring) voorkomende begrip “ontucht met” is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel in die bepaling heeft.
19. Ter terechtzitting van het hof van 29 augustus 2024 heeft de raadsman van de verdachte in zijn pleitnota naar voren gebracht dat géén sprake is geweest van een voor het plegen van ontuchtige handelingen ‘met’ relevante interactie. De daar overgelegde pleitnota houdt het volgende in (onderstreping in het origineel):
“In de appelmemorie van 17 november 2022 lijkt het Openbaar Ministerie aan de sturen op een veroordeling voor het subsidiair tenlastegelegde op basis van de verklaring van cliënt.
Daarvoor is nodig dat bewezen kan worden dat cliënt ontucht heeft gepleegd met [benadeelde] zoals
in de tenlastelegging is opgenomen overeenkomstig de wettelijke bepaling.
(…)
Cliënt heeft ook alle feitelijke handelingen als omschreven in het subsidiair tenlastegelegde ontkend, met uitzondering van het in het bijzijn van elkaar zichzelf aftrekken.
Daarbij is geen sprake geweest van lichamelijk contact. Er is ook geen sprake geweest van voor het plegen van ontuchtige handelingen relevante interactie (HR 27-10-2020 ECLI:NL:HR:2020:1675 en HR 30-11-2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950).
Cliënt heeft volgens zijn eigen verklaring niets gedaan waardoor het is gekomen tot seksuele handelingen.”
20. Het hof is in zijn arrest niet ingegaan op het ontbreken van lichamelijk contact bij het ten laste gelegde ‘in het bijzijn van elkaar zichzelf aftrekken’.
21. Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat de bewezen verklaarde gedraging zonder twijfel ‘ontuchtig’ is. Ontuchtige handelingen zijn seksuele gedragingen in strijd met de sociaal-ethische norm. In cassatie wordt terecht niet bestreden dat het zichzelf aftrekken door de (toen) 43-jarige verdachte in aanwezigheid van een (toen) 15-jarige jongen seksuele gedragingen in strijd met de sociaal-ethische norm betreffen.
22. De vraag die hier juridisch moet worden beantwoord is echter of de gedragingen kunnen worden aangemerkt als ontucht “met”. In HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1675, overwoog de Hoge Raad:
“dat van het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren als bedoeld in artikel 247 Sr ook sprake kan zijn als geen lichamelijke aanraking tussen de dader en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Of in een zodanig geval de gedraging of gedragingen van de dader - al dan niet in hun onderlinge samenhang bezien - het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer opleveren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt in het bijzonder betekenis toe aan het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre tussen de dader en het slachtoffer enige voor het plegen of dulden van ontucht relevante interactie heeft plaatsgevonden (vgl. HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0950, rov. 3.4). Van een dergelijke situatie zal slechts sprake kunnen zijn in uitzonderlijke gevallen.”
23. In de zaak waarop dit arrest betrekking heeft, bestond de bewezen verklaarde ontucht ‘met’ eruit dat de 47-jarige verdachte een 13-jarig meisje ertoe had bewogen hem naaktfoto’s van zichzelf te sturen. In de zaak waarop het arrest van 30 november 2004 betrekking heeft, bestond de bewezen verklaarde ontucht ‘met’ eruit dat de verdachte (ten tijde van de feiten een man van in de veertig) ongekleed pornografische films had gekeken met telkens een jongen van in het ene geval tussen de tien en veertien jaar, en in het andere geval tussen de elf en vijftien jaar, zichzelf heeft bevredigd waar die betreffende jongen bij was en aan die betreffende jongen zijn geslachtsdeel, dat in erectie verkeerde, heeft getoond. De Hoge Raad overwoog in dat arrest nog dat “uit de gebezigde bewijsmiddelen niet meer [kan] worden afgeleid dan dat de verdachte de minderjarigen zonder daarbij iets van hen te verlangen, met die gedragingen heeft geconfronteerd”.
24. In de voorliggende zaak heeft het hof niet vastgesteld dat het hier gaat om een uitzonderlijk geval en heeft het hof ook geen aan de ontucht voorafgaande interactie vastgesteld tussen aangever en de verdachte die voor het plegen of dulden van ontucht relevant is. Uit wat het hof heeft vastgesteld kan ik niet afleiden dat de verdachte degene is geweest die het initiatief heeft genomen of de aangever op een andere manier tot masturberen heeft gebracht of, indachtig de woorden van de Hoge Raad, dat de verdachte ‘iets’ van hem verlangde. Door voor dit onderdeel van de bewijsvoering gebruik te maken van de verklaring van de verdachte, heeft het hof vastgesteld dat de aangever op 23 maart 2021 bij de verdachte is langsgekomen, de verdachte en de aangever wat met elkaar hebben zitten praten, de aangever op zijn telefoon heeft gekeken en is begonnen zichzelf af te trekken waarna de verdachte ook is begonnen zichzelf af te trekken in het bijzijn van de aangever.
25. Het middel klaagt terecht over de kwalificatie van dit onderdeel van de bewezenverklaring als “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen” en is daarom gegrond. Dit heeft ook gevolgen voor de bewezenverklaring omdat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte “met” de aangever “ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (…) het in het bijzijn van elkaar, zichzelf aftrekken”. Nu “het in het bijzijn van elkaar, zichzelf aftrekken” niet kan worden aangemerkt als “ontucht met” kan dit onderdeel van de bewezenverklaring niet in stand blijven.
26. Daarmee wordt de ernst aangetast van de (resterende) bewezen verklaarde gedragingen, als gevolg waarvan vernietiging van de uitspraak m.i. niet achterwege kan blijven. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat alleen het bewezen verklaarde door de verdachte “over de kleding betasten van het kruis en/of de schaamstreek van die [benadeelde] en het kussen van de nek en/of op de mond van die [benadeelde]” kan worden aangemerkt als “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen”.
Slotsom
27. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zodat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG