Strafrecht overig

Conclusie AG. Valsheid in geschrift (art. 225 Sr). Intellectuele valsheid. Kan een banksaldo-overzicht als…

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
28 augustus 2026
Zaaknummer
24/04127
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:825
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Valsheid in geschrift (art. 225 Sr). Intellectuele valsheid. Kan een banksaldo-overzicht als ‘vals’ worden beschouwd als het banksaldo overeenkomt met het werkelijke saldo? De bewijsbestemming van het geschrift had betrekking op het aantonen van eigen middelen, zodat het overleggen daarvan moet worden beschouwd als een mededeling over eigen middelen. Nu het overgrote deel van het banksaldo niet tot de eigen middelen behoorde, maar slechts tijdelijk aan de bankrekeninghouder(s) ter beschikking was gesteld om de bank te misleiden (ter verkrijging van een hypothecaire lening), getuigt het oordeel van het hof dat sprake is van ‘valselijk opmaken’ niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81 RO).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 oktober 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:3395
  2. Conclusie A-G · 1 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:825

  3. Hoge Raad · 22 september 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1508

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04127

Zitting 1 september 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 30 oktober 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000185-22) wegens 1. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van oplichting”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 110 uren.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S. Weening, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 De zaak in het kort

2.1

Naar de vaststellingen van het hof heeft zich in de onderhavige zaak het volgende voorgedaan. [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is in januari 2016 in dienst getreden als technisch directeur bij [voetbalclub 1] B.V. (hierna: [voetbalclub 1] ). [medeverdachte] eiste daarvoor aanvankelijk een salaris van € 12.000,- bruto per maand, zodat hij zou voldoen aan de financiële voorwaarden voor het verkrijgen van een bepaalde hypothecaire lening. Omdat [voetbalclub 1] hem een dergelijk salaris niet kon bieden, is afgesproken dat [medeverdachte] een salaris van € 7.000,- bruto per maand vanuit [voetbalclub 1] zou ontvangen en dat de verdachte, die als lid van de raad van commissarissen van [voetbalclub 1] aan de salarisonderhandelingen deelnam, de overige € 5.000,- uit zijn privévermogen aan [medeverdachte] zou schenken. Kort daarna raakten de verdachte en [medeverdachte] ervan op de hoogte dat in het kader van de hypotheekaanvraag uitsluitend acht zou worden geslagen op inkomsten uit dienstverband en met deze schenkingen dus geen rekening zou worden gehouden.

2.2

Enkele weken na zijn indiensttreding heeft [medeverdachte] bij ABN AMRO Bank N.V. een hypotheekaanvraag gedaan. Ten behoeve van die aanvraag heeft hij onder meer een werkgeversverklaring en een salarisspecificatie overgelegd die betrekking zouden hebben op een dienstverband tussen [A] B.V. – het bedrijf waarvan de verdachte enig directeur en aandeelhouder is – en [medeverdachte] . Daarnaast heeft de verdachte (via [stichting] , waarvan hij bestuurder is) een bedrag van € 100.000,- naar de rekening van [medeverdachte] overgeboekt, dat door [medeverdachte] binnen enkele dagen weer werd teruggestort. Het door [medeverdachte] in de tussentijd opgemaakte banksaldo-overzicht werd eveneens aan de bank overgelegd. Dit overzicht en de salarisspecificatie zouden volgens het hof valselijk zijn opgemaakt.

3 Het middel

3.1

Het middel heeft betrekking op feit 1 en klaagt over het oordeel van het hof dat het in de bewezenverklaring genoemde banksaldo-overzicht valselijk is opgemaakt. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn, nu dit overzicht in overeenstemming was met het bedrag dat op dat moment in werkelijkheid op de betreffende bankrekening stond. Het geschrift zelf zou daarom niet vals zijn. Wel zou dit kunnen worden gezien als vorm van bedrog, aldus de steller van het middel.

3.2

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“1.

hij op tijdstippen in de periode van 15 oktober 2015 tot en met 30 juni 2016 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een salarisspecificatie over januari 2016 afkomstig van [A] / [A] BV op naam van [betrokkene 1] (DOC-011, dossierpagina 100476)

en/of

- een overzicht van het saldo van de betaal- en spaarrekeningen van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] bij de ING-bank (DOC-007, dossierpagina 100472),

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door in strijd met de waarheid op/in dat geschrift een dienstverband te fingeren en/of de eigen financiële middelen hoger voor te stellen dan in werkelijkheid het geval was, telkens met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;”

3.3

Deze bewezenverklaring berust onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 april 2019 (V-005-01) pg. 100146-100164, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 3] :

Dossierpagina 100151

Opmerking verbalisanten:

Uit bij ons beschikbare gegevens is naar voren gekomen dat [medeverdachte] in de periode januari 2016 tot en met augustus 2017 in dienst was bij [voetbalclub 1] in de functie van technisch directeur.

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u verklaren over de salarisonderhandelingen met [medeverdachte] aangaande zijn functie als technisch directeur voor [voetbalclub 1] ?

Antwoord gehoorde:

[verdachte] en ik hebben de onderhandelingen in oktober 2015 gevoerd. [medeverdachte] gaf toen aan dat hij een bruto salaris wilde van € 12.000 per maand. Niet ongebruikelijk in de sector maar wel voor een club als [voetbalclub 1] . [medeverdachte] had zijn connecties met [voetbalclub 2] , ik zat er voor de continuïteit van de club, we wilden [medeverdachte] graag hebben maar € 12.000 bruto per maand was voor een club als [voetbalclub 1] niet verantwoord en stond ook niet in verhouding tot het salaris van een algemeen directeur. [verdachte] heeft toen aangeboden dat als hij [voetbalclub 1] kon helpen, hij dit graag wilde doen. Uiteindelijk is besloten dat [medeverdachte] vanuit [voetbalclub 1] een bruto maandsalaris zou ontvangen van € 7.000 en dat [verdachte] dit aan zou vullen met bruto € 5.000. Die aanvulling zou [verdachte] doen in de vorm van een zogenaamde handgift vanuit zijn privévermogen.

[verdachte] kwam al meteen met het voorstel van de handgift en ik was blij dat we [medeverdachte] binnen konden halen. [medeverdachte] heeft van [voetbalclub 1] een arbeidsovereenkomst gekregen met een bruto maandsalaris van € 7.000,-. [verdachte] heeft voor de rest gezorgd. Bij mijn weten is er voor die handgift van [verdachte] aan [medeverdachte] nooit iets vastgelegd tussen hen.

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 mei 2019 (V-001-01), pg. 100077-100091, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] :

Dossierpagina 100080

Wat betreft mijn arbeidsrelatie bij [A] heb ik een werkgeversverklaring en de loonspecificatie januari 2016 opgevraagd bij [betrokkene 4] of [verdachte] .

Uit de berekening die [betrokkene 5] voor mij had gemaakt kwam naar voren dat ik zeker € 144.000 aan bruto jaarsalaris moest kunnen overleggen om de gewenste hypotheek te kunnen verkrijgen.

Ik had een salariseis van € 12.000 per maand en zij, [verdachte] en [betrokkene 3] , zijn met het idee gekomen dit te splitsen naar € 7.000 en € 5.000.

Dossierpagina 100083

Zoals al eerder verklaard, ik had inderdaad in eerste instantie een salariseis van € 12.000 bruto per maand. Voor mij was het belangrijk dat ik een maandsalaris had van € 12.000 bruto. Ik kwam immers terug werken in Nederland en wilde een huis kopen op basis van die € 12.000 per maand.

Dossierpagina 100090

Vraag verbalisanten:

Waarom ontving u een bedrag van € 100.000 van [stichting] en werd ditzelfde bedrag weer binnen enkele dagen teruggestort naar de rekening van [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

Op het moment dat ik voor de aanvraag van de hypothecaire lening een bewijs nodig had van vermogen had ik nog geen beschikking over deze € 100.000. [verdachte] was bereid om een bedrag van € 100.000 naar mijn rekening over te maken zodat ik een overzicht van vermogen met een saldo van ongeveer € 100.000 kon tonen en aan de bank kon verstrekken. De afspraak met [verdachte] was dat ik het bedrag binnen enkele dagen zou terugstorten op zijn rekening, dat heb ik ook gedaan.

3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juni 2019 (V-001-02), pg. 8 100092-100104, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] :

Dossierpagina 100097

Opmerking verbalisanten:

Tijdens uw verhoor op 14 mei 2019 hebben wij u vragen gesteld omtrent de verkrijging van € 100.000 van [stichting] op uw privérekening en de vrijwel directe terug storting van dit bedrag vanaf uw privérekening naar de rekening van [stichting] . Wij hielden u voor dat nadat dit bedrag op uw privérekening was binnengekomen maar voordat u het bedrag weer terugstortte eerst een overzicht is vervaardigd waarop een saldo van iets meer dan € 100.000 aan spaargeld zichtbaar is (DOC-007). Over dit overzicht verklaarde u dat dit overzicht door u verstrekt was aan [betrokkene 5] om aan de voorwaarden van de hypotheek te kunnen voldoen zodat u aan kon tonen dat u eigen geld had. Ook verklaarde u dat [verdachte] bereid was deze overboeking te doen.

Dossierpagina 100098

Vraag verbalisanten:

Wat is uw reactie op de verklaring van [verdachte] ?

Antwoord gehoorde:

Ik blijf bij mijn verklaring van 14 mei 2019 wat betreft die overboeking van €100.000 en over hetgeen [verdachte] verklaard heeft moet u bij [verdachte] zijn.

U vraagt me of [verdachte] wel op de hoogte was van het feit dat ik een saldo overzicht zoals getoond in DOC-007 nodig had om aan de voorwaarden voor mijn hypotheekaanvraag te voldoen, mijn antwoord daarop is ja [verdachte] was hiervan op de hoogte.

(…)

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 juni 2019 (V-001-03) pg. 100108-100118, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 1] :

Dossierpagina 100110

Ik heb me na het verhoor van 3 juni 2019 nog verbaasd over het feit dat [verdachte] tegenover jullie verklaard zou hebben dat onze relatie tussen november en eind december 2015 verslechterd was. Het feit dat hij in januari 2016 nog mijn woning wilde kopen zodat ik aan de voorwaarden van de hypotheekaanvraag kon voldoen alsook dat ik hem in maart 2016 had uitgenodigd voor het etentje als bedankje voor de hulp bij de hypotheekaanvraag, een uitnodiging welke hij geaccepteerd heeft, het etentje is er geweest, spreken dit in mijn ogen tegen.

Dossierpagina 100112

Vraag verbalisanten:

Wat kunt u verklaren over de vergoeding welke u ontving voor uw functie als Technisch directeur bij [voetbalclub 1] ?

Antwoord gehoorde:

Zoals eerder verklaard kreeg ik maandelijks voor mijn werkzaamheden als Technisch Directeur bij [voetbalclub 1] , € 7.000 bruto en van [verdachte] € 5.000 bruto. Het bedrag van [verdachte] kreeg ik netto in contanten en was ongeveer € 3.500 per maand.

U vraagt me hoe de vergoeding welke ik van [verdachte] kreeg door mij fiscaal verantwoord was. [verdachte] heeft me op een bepaald moment in 2016 gezegd dat hij de vergoeding welke hij me betaalde niet via [A] liep maar dat hij mij dit als een schenking vanuit privé betaalde. Toen heb ik hem gevraagd hoe dit fiscaal zat, hij gaf toen aan dat dit voor hem belastingvrij kon omdat hij in België woont ik heb dit als kennisgeving aangenomen en het voor mij ook als een gift beschouwd.

(…)

11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 mei 2019 (V-003-01), pg. 100119-100133, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Dossierpagina 100121

Vraag verbalisanten:

Wij hebben u zojuist de verdenkingen medegedeeld. Begrijpt u de verdenkingen? Wat is uw eerste reactie hierop?

Antwoord gehoorde:

Ik begrijp de verdenking. Uit eigen wetenschap zeg ik u dat ik op verzoek van [medeverdachte] om hem te helpen met een hypotheek een collega van mijn kantoor heb gevraagd om dat te regelen en deze medewerker heeft dit opgepakt. Op uw vraag wie die medewerker is, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Vraag verbalisanten:

Wat is uw rol binnen [A] B.V.?

Antwoord gehoorde:

Ik ben enig directeur. Ik ben enig aandeelhouder en enig verantwoordelijke.

(…)

12. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 mei 2019 (G-006-01), pg. 100041-100050, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 5] :

(…)

Vraag verbalisanten:

Wat is de reden dat bij de hypotheekaanvraag van [medeverdachte] en [betrokkene 2] een saldo betaal- en spaarrekeningen ING Bank (DOC-007) is overlegd? Welke invloed had dit document op de hoogte van de te krijgen hypothecaire lening?

Antwoord gehoorde:

Dit heeft te maken gehad met het aantonen van de eigen middelen. Hij had minimaal 14.650 euro aan eigen middelen nodig voor het verkrijgen van de hypotheek.

Dossierpagina 100045

Opmerking verbalisanten:

Wij tonen u de email (DOC-085) d.d. 21-10-2015 van [betrokkene 4] aan [betrokkene 6] onderwerp "checklist". In deze mail staat onder meer dat [medeverdachte] aanvankelijk € 144.000 per jaar zou verdienen als technisch directeur bij [voetbalclub 1] maar dat dit om redenen € 84.000 per jaar is geworden. Verder is in deze email te lezen dat [verdachte] [medeverdachte] over een periode van 3 jaar € 3.000 per maand zou schenken wat neer zou komen op een totale schenking van € 108.000. [betrokkene 4] vraagt in deze mail of gesteld kan worden dat de schenking van 3000 netto = 5000 bruto een verdienste van 12.000 is. Tevens vraagt hij wat de schenking zal doen aan het totaal voor de aankoop.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over dit bericht?

Antwoord gehoorde:

Schenkingen worden niet meegenomen voor de bepaling van de hypotheek. Ik heb gezegd dat ik hier niks mee kan. Ik heb de mail met [betrokkene 6] besproken. Vervolgens heb ik [betrokkene 4] gebeld dat ik niks kon met een maandelijkse schenking van € 3000. Ik heb gezegd dat ik uitsluitend met inkomsten uit dienstverband rekening kan houden.

(…)

19. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 maart 2019 (G-003-01), pg. 100015-100023, voor zover - en waar nodig zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte [betrokkene 7] :

(…)

Op het aanvraagformulier (DOC-030 4/4) zie ik dat de financieringsbehoefte € 814.650 is. Het gewenste hypotheekbedrag is € 800.000. Omdat het gewenste hypotheekbedrag lager is dan de financieringsbehoefte wordt door ABN AMRO een bewijs van inbreng eigen middelen gevraagd. In dit geval zou dit minimaal € 14.650 moeten zijn, [medeverdachte] heeft middels het door u getoonde afschrift met documentcode DOC-007 aangetoond over ruim € 100.000 aan eigen middelen te beschikken. Indien [medeverdachte] die € 14.650 niet aantoonbaar had kunnen maken, hadden wij de hypotheek niét kunnen verstrekken. Dit ter toetsing waar hij de eigen middelen vandaan heeft.”

3.4

Het hof heeft ten aanzien van het bewijs – voor zover hier relevant – verder nog het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen

(…)

Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen dat op 17 december 2015 een bedrag van € 100.000,- vanaf de rekening van [stichting] is gestort op de ING-rekening van [medeverdachte] en zijn vrouw. Hierbij was vermeld de omschrijving "conf.afspraak [verdachte] ". [medeverdachte] heeft toen een saldo overzicht aangemaakt van zijn betaal- en daaraan gekoppelde spaarrekening met daarop een vermogen van ruim € 100.000,- (€ 100.406,37). Diezelfde dag nog en de volgende dag werd in totaal € 99.900,- afgeschreven naar [stichting] en enkele dagen later nogmaals een bedrag van € 100,-. De verdachte was ervan op de hoogte dat [medeverdachte] een saldo overzicht nodig had om aan de voorwaarden voor zijn hypotheekaanvraag te voldoen. Aldus hebben [medeverdachte] en de verdachte, wederom met het oog op het verkrijgen van de hypotheek door [medeverdachte] , de ABN AMRO Bank N.V. willen (doen) voorspiegelen dat [medeverdachte] over voldoende eigen vermogen beschikte, hetgeen eveneens een van de door de ABN AMRO Bank N.V. gestelde voorwaarden/eisen was voor het verkrijgen van een hypotheek.

Het hof gaat er in weerwil van het ter zake gevoerde verweer vanuit dat de storting van € 100.000,- in ieder geval op instructie van dan wel door de verdachte zelf heeft plaatsgevonden. De verdachte had hier wel degelijk weet van. Dat de verdachte hier geen weet van zou hebben gehad, dan wel dat [betrokkene 4] zulks uit eigener beweging zou hebben gedaan, wordt in de eerste plaats weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder door de verklaringen van [medeverdachte] en [betrokkene 4] . [medeverdachte] heeft immers gedetailleerd verklaard dat hij dit met de verdachte heeft besproken en dat de verdachte bereid was om een bedrag van € 100.000,- naar zijn rekening over te maken, zodat hij op die manier een saldo van ongeveer € 100.000,- kon aantonen aan de bank. Met de verdachte heeft [medeverdachte] afgesproken om het bedrag binnen een aantal dagen terug te storten, hetgeen ook is gebeurd. [betrokkene 4] heeft bij de FIOD verklaard dat voor zover hij het zich kan herinneren, hij het echt niet heeft gedaan. Verder sloot [betrokkene 4] zijn FIOD-verhoor af met de mededeling dat hij het van belang vond om te zeggen dat hij alles in opdracht van de verdachte heeft gedaan. Ter zitting in hoger beroep verklaarde de inmiddels onherroepelijk vrijgesproken [betrokkene 4] als getuige dat hij het wel had gedaan; hij had die € 100.000,- overgemaakt naar [medeverdachte] , maar had de verdachte niet om diens toestemming gevraagd. Wat daarvan ook zij, volgens de verdachte konden maar een beperkt aantal medewerkers van [A] , te weten [betrokkene 4] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en de verdachte zelf, geld van [stichting] overmaken, maar niet zonder een paraaf van de verdachte. Het ligt aldus voor de hand dat het of de verdachte of [betrokkene 4] is geweest, nu voor een van de anderen geen enkel aanknopingspunt in het dossier wordt gegeven. Indien het niet de verdachte maar [betrokkene 4] is geweest, kan naar het oordeel van het hof de omschrijving bij de overschrijving evenwel niet anders worden geïnterpreteerd dan dat deze plaatsvond conform de afspraak met verdachte en daarmee in opdracht van de verdachte. Precies zoals [betrokkene 4] altijd handelde, zoals hij herhaalde malen expliciet bij de FIOD heeft verklaard. Een en ander is bovendien volledig in lijn met het helpen van [medeverdachte] door de verdachte bij het regelen van de financiering voor de hypotheek van diens woning in [plaats] . Ook daarbij was [betrokkene 4] vanaf het begin door de verdachte betrokken. Het hof merkt ten slotte in dit verband nog op dat het hof het buitengewoon ongeloofwaardig acht dat [betrokkene 4] een dergelijk groot bedrag zonder opdracht, laat staan zonder instemming en medeweten van de verdachte, eigener beweging en daartoe overreed door [medeverdachte] , op rekening van [medeverdachte] zou overboeken. Dat [betrokkene 4] zulks heeft verklaard onder ede, maakt zijn verklaring niet minder ongeloofwaardig, nu het er alle schijn van heeft dat hiermee een uiterste poging lijkt te zijn gedaan om de verdachte uit de wind te houden. Die poging is niet geslaagd. Het was de verdachte die [medeverdachte] had toegezegd hem te voorzien van een bewijs van eigen middelen en of de verdachte zelf het geld heeft overgeboekt of dat de verdachte dat heeft laten doen door neef [betrokkene 4] , maakt voor het verwijt aan verdachtes adres geen verschil. De vlieger van ik wist nergens van, gaat gelet op al het hiervoor overwogene niet op.

In dit verband is door de verdediging overigens aangevoerd dat het saldo-overzicht van de bankrekening van [medeverdachte] niet valselijk is opgemaakt omdat het saldo-overzicht een feitelijke weergave was van het saldo op de bankrekening van [medeverdachte] op dat moment.

Ter beoordeling van het verweer stelt het hof het volgende voorop.

Hoewel de raadsman terecht opmerkt dat het saldo op het overzicht overeenstemde met het werkelijke saldo op de rekening, gaat hij daarmee eraan voorbij dat het valselijk opmaken van een geschrift kan worden onderscheiden in twee soorten valsheid, te weten intellectuele en materiële valsheid. Onder intellectuele valsheid verstaat het hof het opmaken van een geschrift dat (inhoudelijk) niet de waarheid bevat. Met materiële valsheid wordt gedoeld op het onbevoegd opmaken van een geschrift, hetgeen vooral geschiedt middels het zetten van een valse handtekening. Met de raadsman concludeert het hof dat van een materiële valsheid hier geen sprake is. Anders oordeelt het hof evenwel ter zake van de intellectuele valsheid.

Van een intellectuele valsheid is sprake indien in de inhoud van het geschrift vermeldingen worden opgenomen of nagelaten (omissie), waardoor de inhoud van het geschrift niet meer met de waarheid strookt. De lezer van het geschrift krijgt verkeerde informatie over de werkelijkheid, wat ertoe leidt dat het vertrouwen in de waarachtigheid van het geschrift wordt geschonden. De waarheid wordt als het ware vermomd en het hof dient in dit verband na te gaan of de waarheidsvermomming, hier een nadeel kon veroorzaken dan wel een voordeel dat men niet zou hebben verkregen zonder de valsheid.

In het licht van bovenstaande vooropstelling overweegt het hof als volgt.

Met het tijdelijk overschrijven van het geldbedrag van € 100.000,- was het de bedoeling van [medeverdachte] om na de overschrijving, blijkens het saldo-overzicht, een eigen vermogen voor te wenden van € 100.000,-. Aldus is sprake van het valselijk opmaken van het saldo-overzicht, meer specifiek van intellectuele valsheid. [medeverdachte] heeft hiermee immers door overlegging aan de ABN AMRO Bank N.V. het willen doen voorkomen alsof hij eigen vermogen had van meer dan € 100.000,-, terwijl dit geldbedrag € 100.000,- in feite toebehoorde aan de Stichting en louter ter ‘misleiding’ voor korte tijd aan [medeverdachte] ter beschikking was gesteld. Naar het oordeel van het hof hebben zowel [medeverdachte] als de verdachte opzet gehad op het valselijk opmaken van het saldo-overzicht, nu [medeverdachte] aan de verdachte heeft gevraagd om het geldbedrag van € 100.000,- op diens rekening te storten, zodat [medeverdachte] een saldo-overzicht kon verkrijgen, met daarop een vermogen van meer dan € 100.000,-, welk overzicht hij nodig had om aan de voorwaarden te voldoen voor de financiering van diens woning in [plaats] . Derhalve heeft [medeverdachte] diens financiële status valselijk opgemaakt dan wel op laten maken. Hierbij had [medeverdachte] bovendien het oogmerk op het gebruik van het vervalste geschrift, nu hij dit saldo-overzicht wilde gebruiken voor het bewijs van eigen vermogen van meer dan € 100.000,-, waarbij het hof opmerkt dat dit stuk daartoe ook feitelijk is aangewend.

Dat het saldo-overzicht dateert van 17 december 2015 en aanvankelijk door [medeverdachte] is aangemaakt om te worden verstrekt in het kader van een andere (eerdere) hypotheekaanvraag bij de Rabobank, doet aan het voorgaande niet af. Uit de bewijsmiddelen en het bovenstaande volgt immers dat de verdachte met het (laten) overboeken van € 100.000,- van de rekening van de Stichting naar de bankrekening van [medeverdachte] het opzet had om [medeverdachte] behulpzaam te zijn bij het rondkrijgen van een hypotheek voor [medeverdachte] voor de aanschaf van de woning en het daarmee voldoen aan de vereisten van de bank. Dat de ABN AMRO Bank B.V. uiteindelijk niet financieel is benadeeld, zoals nog ten verwere is aangevoerd, doet evenmin af aan het vorenstaande, nu een mogelijk of eventueel nadeel ten gevolge van de valsheid volstaat en bovendien, [medeverdachte] het voordeel van hypotheekverstrekking heeft genoten, wat hij mogelijk zonder dit vermogen niet zou hebben genoten.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich telkens als medepleger schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - valsheid in geschrifte, door het opmaken van valse/vervalste stukken (feit 1), het gebruik maken van die stukken, door het indienen daarvan bij de ABN AMRO Bank N.V. (feit 2) en oplichting van de ABN AMRO Bank N.V., doordat die hierdoor is bewogen tot het verstrekken van een hypotheek aan [medeverdachte] (feit 3 primair). Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat bij alle bewezenverklaarde feiten telkens sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer medeverdachte(n). Verdachtes bijdrage was bovendien van voldoende gewicht om te kunnen spreken van het telkens medeplegen. De verdachte was van het meet af aan op de hoogte van en betrokken bij de hypotheekaanvraag van [medeverdachte] en hij wist van diens wens om de woning in [plaats] te kopen, en het lag in verdachtes hand om [medeverdachte] hierbij behulpzaam te zijn. Het is de verdachte geweest die aanvankelijk de constructie van een schenking heeft bedacht, om vervolgens, toen bleek dat die constructie niet mogelijk bleek, uit te komen bij een fictief dienstverband. In dat verband is op instructie van de verdachte een arbeidsovereenkomst voor [medeverdachte] bij verdachtes bedrijf opgesteld, waarvan moet worden vastgesteld dat die nimmer de werkelijkheid heeft weerspiegeld, op grond waarvan nadien een valse werkgeversverklaring en een valse salarisspecificatie zijn opgesteld. Het was voorts van meet af aan zonneklaar dat deze constructie en deze stukken dienden voor de onderbouwing van een hypotheekaanvraag en dat deze stukken door [medeverdachte] via [B] zouden worden aangeboden aan de ABN AMRO Bank N.V., zulks ter verkrijging van de hypotheek. Het verkrijgen van die hypotheek was het uiteindelijke doel dat door [medeverdachte] en de verdachte in gezamenlijkheid is nagestreefd en het daartoe aanbieden van al die stukken vormde dan ook het sluitstuk van de door de verdachte en [medeverdachte] bedachte constructie. Derhalve acht het hof medeplegen ter zake van feit 3 primair bewezen.

Al hetgeen hiervoor is overwogen bezien in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof tot de conclusie dat de verdachte aldus strafrechtelijk verwijtbaar heeft bijgedragen aan de onderbouwing van de hypotheekaanvraag van [medeverdachte] en zijn vrouw door zich schuldig te maken aan de drie bewezenverklaarde delicten.

De verweren falen in al hun onderdelen.”

Het juridisch kader

3.5

Art. 225 lid 1 Sr luidt als volgt:

“Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

3.6

Waar het bij ‘vervalsen’ in de zin van dit artikel gaat om een handeling met betrekking tot reeds geschreven tekst, gaat het bij ‘valselijk opmaken’ om het opstellen van een nieuw, vals geschrift (of wordt een geschrift dat nog niet af was valselijk voltooid). ‘Valselijk opmaken’ wordt in twee categorieën onderscheiden. De eerste betreft materiele valsheid, waarbij een persoon – vaak door het zetten van een valse handtekening – het wil doen voorkomen alsof het geschrift van een ander afkomstig is dan van degene die het in werkelijkheid heeft opgemaakt. Het zal daarbij veelal gaan om een onbevoegde die wil voorwenden dat het geschrift is opgemaakt door iemand die daartoe wel bevoegd is. De tweede categorie betreft intellectuele valsheid. Bij die vorm van valsheid is het geschrift weliswaar door (een) daartoe bevoegde pers(o)on(en) opgemaakt, maar stemt de inhoud daarvan niet overeen met de werkelijkheid.

3.7

In de parlementaire geschiedenis worden als voorbeelden van intellectuele valsheid genoemd “wanneer een niet-ambtenaar (…) in een geschrift iets anders stelt dan hem is opgegeven” en “onware opgaven in koopmansboeken; de koopman die valsch boekt, schept zich zoo een titel, een bewijs”. Een ander voorbeeld deed zich voor in het al oude HR 26 juni 1933, ECLI:NL:HR:1933:12 (NJ 1933/1640), waarin een notaris ten behoeve van effectenbezitters valse notariële verklaringen opmaakte omtrent de aankoopdata van bepaalde effecten. Hoewel de notaris bevoegd was de betreffende geschriften op te stellen, verklaarde hij daarin iets wat onjuist was. Voor een recenter voorbeeld kan worden gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 21 april 2020. In die zaak was op facturen vermeld dat sprake was van “adviesdiensten” dan wel “advieswerkzaamheden”, terwijl het in werkelijkheid ging om bemiddelingsvergoedingen.

3.8

Bakker schrijft, en daar sluit ik mij bij aan, dat het bij de ratio van art. 225 Sr past om intellectuele valsheid onder het bereik van dat artikel te laten vallen. Het belang dat met die bepaling wordt beschermd is het vertrouwen dat in de maatschappij in bepaalde stukken wordt gesteld. Dat vertrouwen berust niet alleen op de ‘echtheid’ van het geschrift (in die zin dat op het ‘origineel’ geen wijzigingen zijn aangebracht door een onbevoegde en dat het bovendien daadwerkelijk is opgemaakt door degene die het volgens het geschrift heeft opgemaakt), maar berust er tevens op dat het betreffende geschrift inhoudelijk de waarheid bevat. De vraag wat precies onder die ‘waarheid’ moet worden verstaan, kan mijns inziens niet los worden gezien van de context waarin het betreffende geschrift wordt gebruikt en, meer in het bijzonder, van zijn bewijsbestemming. Niet voor niks spreekt art. 225 Sr van een geschrift ‘dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen’. Het komt mij voor dat de invulling van ‘de waarheid’ daarom (mede) afhankelijk is van het feit dat het geschrift dient te bewijzen.

3.9

Relevant in dat kader is onder meer de zaak die leidde tot HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354 (hierna: het diergeneesmiddelenarrest). In die zaak werden door de verdachte bepaalde diergeneesmiddelen geleverd, die op de bijbehorende facturen niet met hun werkelijke naam maar met een algemene omschrijving (veelal “paardenverzorgingsmiddelen”) werden aangeduid. Volgens het hof leverde dat valsheid in geschrift op. AG Knigge concludeerde tot vernietiging en overwoog daartoe onder meer dat het erom gaat hoe een aanduiding als “paardenverzorgingsmiddelen” op bedoelde facturen in het maatschappelijk verkeer – in dat geval: door de controlerende ambtenaren – pleegt te worden verstaan. Als uit die aanduiding bij controle pleegt te worden afgeleid dat het in casu niet om de aflevering van diergeneesmiddelen gaat, kan die aanduiding als een (opzettelijke) onwaarheid worden aangemerkt. Als die aanduiding echter ‘slechts’ met zich brengt dat de controlerende ambtenaren niet na kunnen gaan of sprake is van diergeneesmiddelen, is van een onjuiste voorstelling van zaken volgens Knigge geen sprake.De Hoge Raad volgt Knigge niet en laat het arrest van het hof in stand. Hij overweegt als volgt:

“5.5. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat [bedrijf A] wat betreft de aan de daarin genoemde afnemers geleverde producten op de in verband daarmee opgemaakte facturen verhulde wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks door in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die facturen te vermelden, terwijl de verdachte daaraan feitelijk leiding gaf. Nu, naar uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid, dit verhullen geschiedde met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan, moet dit verhullen in een geval als het onderhavige, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr.”

3.10

Anders dan Knigge acht de Hoge Raad niet doorslaggevend of de betreffende aanduiding door de controlerende ambtenaren zo wordt verstaan dat het niet gaat om de aflevering van diergeneesmiddelen of gemedicineerde voeders (terwijl dat in werkelijkheid wel het geval was). De Hoge Raad achtte met name van belang dat door de betreffende aanduiding verhuld werd wat daadwerkelijk werd geleverd, met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan. Die redenering raakt direct aan de bewijsbestemming van de geschriften in die zaak. Die bewijsbestemming had het hof volgens Knigge immers ontleend aan het door de overheid noodzakelijk geachte toezicht op de handel in diergeneesmiddelen en de in dat kader voorgeschreven regels waaraan de administratie van personen en bedrijven die met dergelijke middelen in aanraking komen moeten voldoen. Door het handelen van de verdachte werd dat toezicht (opzettelijk) gefrustreerd. Of onder de betreffende aanduiding ook diergeneesmiddelen of gemedicineerde voeders zouden kunnen vallen – en de aanduiding letterlijk genomen mogelijk dus correct was – doet daar niet aan af. Vermeden moet worden, zo schrijft AG Aben in zijn conclusie voorafgaand aan HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:299, “dat de opsteller van een geschrift door (meestal taalkundige) spitsvondigheden straffeloos wegkomt met misleiding.” De vorm waarin die misleiding zich voordoet doet minder ter zake. Dat kan door het vermelden van een leugen, maar bijvoorbeeld (dus) ook door het achterhouden van informatie die – in de context van de bewijsbestemming – essentieel is om een getrouw beeld van de werkelijkheid te krijgen, terwijl ook dat zich steeds in een andere vorm kan voordoen.

3.11

Ten slotte merk ik op dat een valselijk opgemaakt geschrift met een materiële of intellectuele valsheid onderdeel kan zijn van de oplichtingsmiddelen van een geval van bedrog als bedoeld in art. 326 Sr. Dat neemt niet weg dat de wetgever in de genoemde bescherming van het vertrouwen in geschriften reden heeft gezien voor de afzonderlijke strafbaarstelling van art. 225 lid 1 Sr.

Bespreking van het middel

3.12

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte het daar genoemde banksaldo-overzicht “valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door in strijd met de waarheid op/in dat geschrift (…) de eigen financiële middelen hoger voor te stellen dan in werkelijkheid het geval was”. Met “eigen middelen” wordt gedoeld op middelen die [medeverdachte] beschikbaar had om daadwerkelijk aan te wenden voor de financiering van zijn woning (bewijsmiddel 19).

3.13

Ten aanzien van de bewijsbestemming van dit banksaldo-overzicht heeft het hof vastgesteld dat dit geschrift (volgens [medeverdachte] ) had te gelden als “bewijs (…) van vermogen” (bewijsmiddel 2) en dat dit (volgens de via de verdachte ingeschakelde hypotheekadviseur [betrokkene 5] ) aan de bank is overgelegd in verband met “het aantonen van eigen middelen” (bewijsmiddel 12). Dat betekent dat de inhoud van dit geschrift – als het gaat om een beoordeling daarvan in het licht van art. 225 Sr – dient te worden verstaan als een mededeling over de eigen middelen van de betreffende bankrekeninghouder(s) en (dus) niet, zoals de steller van het middel kennelijk betoogt, over de omvang van de betreffende bankrekening.

3.14

Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte ervan op de hoogte was dat [medeverdachte] voor de aanvraag van de hypothecaire lening een bewijs nodig van een toereikend eigen vermogen (bewijsmiddel 3 (en 11)) en dat [medeverdachte] op dat moment nog geen beschikking had over de € 100.000,- die de verdachte vervolgens op diens rekening heeft gestort (bewijsmiddel 2). Dit laatste was de verdachte bereid te doen om [medeverdachte] in de gelegenheid te stellen een banksaldo van ongeveer € 100.000 aan de bank te tonen, onder de voorwaarde dat [medeverdachte] dit bedrag binnen enkele dagen terug zou storten (bewijsmiddel 2).

Dit zeer tijdelijk van de verdachte geleende geld heeft het hof, niet onbegrijpelijk, niet aangemerkt als eigen middelen die [medeverdachte] ter beschikking staan om aan te wenden voor de financiering van zijn woning. Dit brengt mee dat [medeverdachte] een banksaldo-overzicht ‘heeft opgemaakt‘ dat geen weergave is van eigen middelen als hier bedoeld.

3.15

Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat [medeverdachte] met de overlegging van het banksaldo-overzicht een eigen vermogen van meer dan € 100.000,- heeft willen doen voorkomen, terwijl dit geldbedrag van € 100.000,- in feite aan (de stichting van) de verdachte toebehoorde en louter ter ‘misleiding’ voor korte tijd aan [medeverdachte] ter beschikking was gesteld. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat door de verdachte en [medeverdachte] is verhuld wat op het moment van die overlegging het daadwerkelijke eigen vermogen van [medeverdachte] was, zulks met het opzet om door de bank gestelde voorwaarden te omzeilen. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van het valselijk opmaken van het banksaldo-overzicht, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanvulling op het voorgaande nog in aanmerking dat de door de verdachte en [medeverdachte] achtergehouden informatie over de herkomst van de op het banksaldo-overzicht weergegeven € 100.000,- voor de bank essentieel was om een waarheidsgetrouw beeld te vormen van het eigen vermogen van [medeverdachte] dat mede bepalend was voor de verstrekking van de lening en dat dit geschrift bestemd was te bewijzen.

3.16

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4 Afronding

4.1

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.2

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:GHSHE:2024:3395. Die handeling kan volgens Bakker bestaan uit: een gedeelte van de tekst verwijderen, iets in de tekst wijzigen of iets aan de tekst toevoegen. Zie F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 80. F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 80 en J.P. Cnossen, in: T&C Strafrecht, aant. 18 bij art. 225 Sr (actueel t/m 15-04-2026). F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 82-84. E.J. Hofstee, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, aant. 4.3 (actueel t/m 14-01-2017). H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 253. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:577 (81 RO). na een conclusie van toenmalig AG Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2020:44. Zie in dit verband ook HR 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32 (art. 81 RO) en met name de conclusie van AG Frielink voorafgaand aan dit arrest (ECLI:PHR:2022:1088). F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 85. Conclusie AG Knigge van 22 januari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB6354, randnr. 25. Idem, randnr. 24. Conclusie AG Aben van 7 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:29, randnr. 29. Idem. Naast het vermelden van een (te) algemene omschrijving in facturen (Diergeneesmiddelenarrest en HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:299) valt daaronder bijvoorbeeld ook het oningevuld laten van bepaalde rubrieken op een inkomstenformulier (HR 10 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4369, NJ 1975/461; HR 22 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5899, NJ 1978/20 en HR 9 oktober 1979, ECLI:NL:PHR:1979:AC1038, NJ 1980/47).