Strafrecht overig
Conclusie AG. Rijden onder invloed van middelen (art. 8 lid 5 WVW 1994). Het hof heeft verzuimd de tijd die…
ECLI:NL:PHR:2026:837 · Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-837
Zaakgegevens
Op 1 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2026
- Datum publicatie
- 31 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/03835
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:837
Samenvatting
Conclusie AG. Rijden onder invloed van middelen (art. 8 lid 5 WVW 1994). Het hof heeft verzuimd de tijd die het rijbewijs al ingetrokken is geweest af te trekken van een (voorwaardelijke) ontzegging motorrijtuigen te besturen. Belang bij cassatie bij een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel door de rechter die de uitspraak heeft gedaan. AG gaat n.a.v. de vaststellingswetten van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in op de reikwijdte en de aard van de herstelbeslissing en op de verhouding tussen de herstelbeslissing en het rechtsmiddel van cassatie.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03835
Zitting 1 september 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is, met gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 januari 2024, bij arrest van 4 oktober 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-000233-24) wegens "overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren, te vervangen door twintig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
2 Het middel
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in het dictum te bevelen dat de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingevorderd is geweest in mindering zal worden gebracht op de opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Daartoe wordt aangevoerd dat het in mindering brengen van die tijd wel was beoogd, gelet op hetgeen de voorzitter blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bij het uitspreken van het mondeling arrest heeft overwogen, namelijk: “dat bij de bepaling van de oplegging van de voorwaardelijke ontzegging zes maanden, de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest bij de eventuele tenuitvoerlegging daarvan in mindering wordt gebracht.” Gelet op die overweging hebben de stellers van het middel de voorzitter op 27 november 2025 schriftelijk verzocht een herstelarrest te wijzen teneinde het dictum aan te passen. Blijkens de processtukken heeft dat verzoek evenwel niet geleid tot een herstelbeslissing, als gevolg waarvan het onderhavige cassatieberoep is ingesteld. Volgens de stellers van het middel getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat het niet gehouden was tot het wijzen van een herstelarrest van een onjuiste rechtsopvatting.
3. Aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en van het middel voorafgaande beschouwingen
Begin dit jaar zijn de vaststellingswetten voor een nieuw Wetboek van Strafvordering tot stand gekomen en in het Staatsblad gepubliceerd. In dit nieuwe wetboek zal voor het eerst ook een regeling zijn opgenomen voor het wijzen van herstelbeslissingen door rechtbanken en hoven. Tot de invoering van deze regeling is de mogelijkheid voor deze feitenrechter om evidente misslagen in zijn eigen beslissingen te corrigeren gebaseerd op rechtspraak van de Hoge Raad. De totstandkoming van de wettelijke regeling is voor mij aanleiding om de stand van zaken op te maken van deze rechtspraak en nader in te gaan op de verhouding tussen de mogelijkheid van een herstelbeslissing en het rechtsmiddel van cassatie.
Daartoe zal ik eerst ingaan op de ontstaansgeschiedenis en de reikwijdte van de herstelbeslissing, zowel in de rechtspraak als in de voorgestelde wettelijke regeling, gevolgd door enkele nadere beschouwingen. Ten slotte ga ik in op de vraag in hoeverre nog belang bestaat bij de beoordeling van een cassatiemiddel dat is gericht tegen een misslag die ook door een herstelbeslissing kan worden verbeterd.
De opkomst van herstelbeslissingen in het strafrecht
Het wijzen van herstelbeslissingen heeft de laatste jaren een zekere opmars gemaakt. Dat is bijzonder, omdat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat Nederland van oudsher kent tot gevolg heeft dat een rechterlijke beslissing in beginsel alleen haar kracht verliest wanneer een hogere rechter deze beslissing vernietigt nadat (door een procespartij) een rechtsmiddel is aangewend. Als geen rechtsmiddel beschikbaar is, heeft de uitspraak onherroepelijk rechtskracht. Binnen dat gesloten systeem is in beginsel dus geen plaats voor herstelarresten of herstelbeslissingen waarmee een rechterlijke vergissing kan worden verbeterd. Ik zeg in beginsel, omdat de Hoge Raad in 2001 voor het eerst de buitenwettelijke mogelijkheid heeft aanvaard om in (exceptionele) gevallen misslagen in zijn eigen arresten te herstellen. Een mogelijkheid die zich een kleine tien jaar later heeft uitgebreid naar het aanvaarden van de begrensde bevoegdheid van de feitenrechter tot het wijzen van een herstelbeslissing voor eigen vonnissen en arresten. Gelet op het buitenwettelijke karakter zijn de contouren voor het wijzen van herstelbeslissingen in de loop van de jaren getrokken in de rechtspraak van de Hoge Raad.
In de literatuur en de rechtspraktijk gaf dit rechtersrecht niet alleen aanleiding tot bijval en/of het kraken van kritische noten, maar gaf ook aanleiding tot een oproep aan de wetgever om “de herstelmogelijkheid van de strafrechter een plaats te geven in het Wetboek van Strafvordering”. Een oproep waaraan de wetgever blijkens de memorie van toelichting bij artikel 4.6.1 en 4.6.2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: NSv) gehoor heeft gegeven. Zo wordt in de memorie van toelichting overwogen: “De regeling van de herstelbeslissingen in het zesde en laatste hoofdstuk is nieuw. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is de mogelijkheid van een herstelbeslissing in het geval van een kennelijke fout enkele jaren geleden al geopend. De regeling verankert deze mogelijkheid in de wet en brengt haar tevens meer in lijn met de regeling die in het burgerlijk procesrecht gecreëerd is”.
De rechtspraak van de Hoge Raad en de regeling in het nieuwe wetboek
De Hoge Raad heeft in HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478 het volgende overwogen over herstelbeslissingen van de feitenrechter:
“Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak.
Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten.
Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8778, NJ 2012/249). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak.”
Art. 4.6.1 NSv maakt het mogelijk dat een feitenrechter een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, verbetert. Deze bepaling luidt als volgt:
“1. De rechtbank verbetert op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in haar vonnis die zich voor eenvoudig herstel leent, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.
2. De rechtbank verbetert op verzoek van de benadeelde partij een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.
3. De rechtbank gaat niet tot de verbetering over dan na de officier van justitie en zo mogelijk de verdachte in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Indien de verbetering de beslissing op haar vordering betreft, wordt de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Deze gelegenheid behoeft niet te worden geboden als een procespartij door het ontbreken daarvan niet in haar belangen wordt geschaad.
4. In het vonnis wordt vermeld op welk vonnis de verbetering betrekking heeft. De verbetering wordt op een door de rechtbank te bepalen dag uitgesproken. De artikelen 4.3.20, eerste en tweede lid, 4.3.26, eerste en tweede lid, en 4.3.29 zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De officier van justitie brengt het vonnis na ondertekening ter kennis van de verdachte. Indien de verbetering de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft, brengt hij het vonnis eveneens ter kennis van de benadeelde partij. Indien de desbetreffende procespartij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, zendt de officier van justitie haar een kennisgeving in een voor haar begrijpelijke taal waarin de inhoud van de verbetering is weergegeven.
6. Indien de tenuitvoerlegging van het vonnis reeds was aangevangen, kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet.”
Deze bepaling is volgens art. 5.4.48 NSv ook van toepassing bij hoger beroep tegen vonnissen, zodat ook hoven herstelbeslissingen kunnen nemen.
Bij vergelijking van deze rechtspraak en de tekst van de komende wet, springt als eerste in het oog dat de reikwijdte van herstelbeslissingen hetzelfde lijkt te zijn. Het gaat steeds om “een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout”. In die zin is sprake van een codificatie van rechtspraak van de Hoge Raad, die op zijn beurt was ontleend aan art. 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Verder valt op dat in de komende wet de correctie van een eigen kennelijke misslag door een herstelbeslissing een verplichting is geworden voor de rechter. De Hoge Raad spreekt slechts over de ‘mogelijkheid’ van een herstelbeslissing, terwijl art. 4.6.1 lid 1 NSv imperatief voorschrijft dat de rechtbank een fout verbetert. Een uitzondering op die plicht bestaat alleen als met de herstelbeslissing geen redelijk belang is gediend.
Waar de Hoge Raad verder het horen van partijen voorafgaand aan het nemen van een herstelbeslissing niet nodig achtte vanwege de duidelijke aard van de te nemen beslissing, neemt de wet het horen wel als uitgangspunt. In de memorie van toelichting wordt gerefereerd aan het algemene procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor en gespeculeerd dat de Hoge Raad geen hoorplicht wilde aannemen vanwege gevreesde problemen met de bereikbaarheid van verdachten. Om die reden wordt de verdachte volgens het derde lid van art. 4.6.1 NSv alleen “zo mogelijk” in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Daarnaast kan van horen worden afgezien als een procespartij daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.
Wat de procedure voor het nemen van een herstelbeslissing betreft, valt verder op dat volgens art. 4.6.1 lid 4 NSv de beslissing ook wordt uitgesproken.
Ten slotte wijs ik erop dat de wet, anders dan de rechtspraak van de Hoge Raad, regelt wie de rechtbank kan verzoeken/vorderen een herstelbeslissing te nemen. Gegeven het onderwerp is dit opvallend. De juistheid van rechterlijke beslissingen is immers niet alleen een particulier, maar ook een algemeen belang. Ik vermoed dat de wetgever principieel een bevoegdheid die een verplichting voor de rechter in het leven roept, alleen beperkt heeft willen toedelen en wel aan de meeste betrokken partijen. Mij lijkt echter dat als bijvoorbeeld een slachtoffer de rechter wijst op een kennelijke fout in de strafoplegging, de rechter dit niet zal negeren, en wellicht ook niet mag negeren als art. 4.6.1 lid 1 NSv zo zou worden uitgelegd dat de rechter verplicht is om kennelijke misslagen ambtshalve te herstellen.
De reikwijdte van de bevoegdheid een herstelbeslissing te nemen
Gelet op het onderliggende systeem van gesloten rechtsmiddelen is er alleen ruimte voor herstel door feitenrechters als het oordeel van de rechter niet wordt gewijzigd en alleen maar de schriftelijke weergave daarvan wordt verduidelijkt. Volgens de Hoge Raad gaat het dus om i) een “onmiddellijk kenbare fout”, waaronder wordt verstaan een “kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout” ii) die zich voor eenvoudig herstel leent. Deze formulering is geïnspireerd door de civiele regeling van art. 31 Rv. Niet alleen de Hoge Raad, maar ook de wetgever zoekt aansluiting bij deze bepaling uit het burgerlijk procesrecht, die civiele rechters de bevoegdheid geeft om “te allen tijde” “een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent” te verbeteren. Aangenomen mag daarom worden dat het begrip “kennelijke fout” op een zelfde manier moet worden ingevuld als in het civiele recht, tenzij de aard van het straf(proces)recht reden zou geven tot een andere uitleg.
Naar burgerlijk recht is van een kennelijke fout sprake “indien voor partijen en derden kenbaar is waarin de fout is gelegen. De fout moet niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn, en voor partijen en derden op het eerste gezicht duidelijk.(…)” In die bewoording zit al een afbakening, in de zin dat de fout evident moet zijn op het eerste gezicht, ook voor derden. Deze overweging kan ook inhouden dat de fout al enkel uit de tekst van het vonnis of arrest moet blijken en dus niet uit andere processtukken of uit de behandeling ter zitting die niet voor willekeurige derden kenbaar of inzichtelijk zijn. Hier komt ik nog op terug.
Een inhoudelijk verkeerde beoordeling van een geschilpunt leent zich niet voor verbetering op grond van art. 31 Rv. Ook kan op grond van art. 31 Rv de motivering van de oorspronkelijke uitspraak niet worden aangevuld. Voor deze en andere ‘omissies’, waarbij dus niet evident sprake is van een kennelijke fout in de zin van art. 31 Rv, is in het civiele recht de “’gewone weg’ van een rechtsmiddel aangewezen”.
Bij nadere analyse valt de ‘kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent’ dus uiteen in twee elementen, namelijk de fout in de beslissing aan de ene kant en de juiste beslissing aan de andere kant. Beide moeten evident zijn. Bij de fout kan het gaan om strijd met het recht, maar meestal zal het een onbegrijpelijk onderdeel zijn van de uitspraak, zoals een inconsistentie. Dat de correcte beslissing voor de hand ligt en niet voor discussie vatbaar is, maakt het vervolgens mogelijk om de fout te herstellen zonder grote ingreep en zonder de oorspronkelijke uitspraak geweld aan te doen. Gelet daarop dekt de term ‘kennelijke fout’ niet helemaal de lading omdat die de nadruk legt op het eerste aspect van het begrip. Woorden als ‘misslag’, ‘vergissing, ‘verrekening’ en ‘verschrijving’ brengen naar mijn mening beter tot uitdrukking dat de rechter een andere bedoeling had, dat wil zeggen dat diens oordeel in werkelijkheid anders was dan in de uitspraak tot uitdrukking is gebracht.
De evidentie van de correcte beslissing bepaalt de grenzen van de herstelbeslissing. Meijer verwoordt die als volgt (met weglating van voetnoten):
“Het moet buiten twijfel staan wat de rechter met de in de uitspraak gebezigde bewoordingen tot uitdrukking beoogde te brengen. Dat is overigens wat anders dan wanneer buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking had moeten brengen. In dat geval is namelijk de juistheid van de rechterlijke beslissing aan de orde. Deze eis brengt mee dat in de uitspraak besloten moet liggen hoe de uitspraak anders had moeten luiden. De mogelijkheid van rectificatie is daarmee beperkt tot die gevallen waarin blijkt dat evident een vergissing is gemaakt die de beslissing onbegrijpelijk of inconsistent maakt. Het is in die gevallen glashelder hoe de echte beslissing moet luiden.”
Ook de belangen die met de figuur van de herstelbeslissing zijn gemoeid, kunnen de reikwijdte daarvan nader bepalen. Aan de invoering van de civiele regeling lagen volgens Bemelmans e.a. blijkens de parlementaire geschiedenis elk geval twee motieven ten grondslag, namelijk dat i) het nemen van een herstelbeslissing efficiënter en minder duur is dan het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel en ii) in omringende landen al een wettelijke mogelijkheid tot herstel bestaat.
Het argument van procesefficiëntie klinkt ook door in de overwegingen van de strafkamer van de Hoge Raad waarin de bevoegdheid tot herstel van kennelijke fouten door feitenrechters in vonnissen en arresten wordt aangenomen. De Hoge Raad overweegt immers dat deze wijze van herstel de voorkeur verdient “omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing”. Een overweging die de Hoge Raad, na de vaststelling dat “het instellen van cassatieberoep niet de enige manier behoeft te zijn om misslagen in de bestreden uitspraak te herstellen”, “in het bijzonder” “als het gaat om ‘een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent (…)”, nadrukkelijk herhaalt binnen de context van het overzichtsarrest over de toepassing van artikel 80a RO. Over de relatie tussen art. 80a RO en herstelbeslissingen kom ik later terug. Hier vermeld ik nog dat efficiëntie wel reden kan zijn om een herstelbeslissing te nemen, maar het begrip herstelbeslissing weinig begrenst. Efficiëntie kan snel op gespannen voet komen te staan met procedurevoorschriften en algemene beginselen, zoals de rechtszekerheid.
Ook de wetgever had met art. 4.6.1 NSv het oog op de efficiëntie. De memorie van toelichting onderkent namelijk dat in bepaalde gevallen “het instellen en behandelen van een rechtsmiddel niet erg efficiënt [is]” en wijst erop dat de rechter die een fout maakt, deze fout “dikwijls ook (graag en snel)” zelf wil herstellen.
Herstelbeslissingen staan echter niet alleen in het perspectief van de efficiëntie van het proces, maar ook in het perspectief van de tenuitvoerlegging van de uitspraak. In zijn arrest van 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478 overweegt de Hoge Raad immers dat de rechter “gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak”. Ook met de hiervoor genoemde overweging dat er “(…) ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor de tenuitvoerlegging vatbare beslissing”, wordt benadrukt dat met deze wijze van herstel ook een juiste (“richtige”) executie van het vonnis en/of arrest wordt gewaarborgd.
De formulering van de Hoge Raad houdt er weliswaar rekening mee dat ook andere belangen betrokken kunnen zijn bij een herstelbeslissing, want spreekt van “mede met het oog op”. Erg voor de hand liggen dergelijke belangen echter niet. Gedacht zou kunnen worden aan het algemene belang dat de schriftelijke, openbare versie van de uitspraak de bedoeling van de rechter juist weergeeft. Dat echter het belang van de juiste executie op de voorgrond staat, volgt ook uit een arrest waarmee de feitenrechter in evidente gevallen de mogelijkheid wordt geboden om “een in een ander onderdeel van zijn uitspraak [MvW: dan het dictum] voorkomende kennelijke fout, te verbeteren, indien hij dat relevant acht, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak.”
Dit belang kan dienen de reikwijdte van de herstelbeslissing nader af te bakenen. Bij fouten die niet de juiste executie ten goede komen, zal minder snel een belang bestaan bij het nemen van een herstelbeslissing. Dat zijn zowel situaties die op geen enkele wijze verband houden met de tenuitvoerlegging van straffen, als situaties waarin duidelijk is dat de tenuitvoerlegging ook zonder herstelbeslissing goed zal verlopen.
Een voorbeeld van dit laatste is het verzuim om in het dictum op te nemen dat op de opgelegde straf de reeds ondergane voorlopige hechtenis in mindering moet worden gebracht volgens art. 27 Sr. De memorie ven toelichting bij art 4.6.1 Sv haalt dit voorbeeld ook aan. De rechtspraak van de Hoge Raad wijst uit dat in cassatie bij een dergelijke ‘onmiddellijk kenbare fout’ niet een voldoende in rechte te respecteren belang bestaat bij de vernietiging van de bestreden uitspraak, omdat het gebrek of de fout ook op een andere (eenvoudige) wijze kan worden hersteld door middel van een herstelbeslissing (door de rechter of rechters die de fout heeft of hebben begaan). De Hoge Raad voegt daar echter nog aan toe dat ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr te bevelen, eveneens onvoldoende in rechte te respecteren belang bestaat. Er is immers sprake van “een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd.”
Op dezelfde wijze geldt dit voor gevallen waarin een rechter heeft verzuimd bij de oplegging van een rijontzegging toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek van de tijd dat een rijbewijs al ingehouden is geweest als bedoeld in art. 179 lid 6 WVW 1994, en ook voor gevallen waarbij de feitenrechter bij de strafoplegging heeft verzuimd ingevolge art. 14d lid 2 Sr (oud) en 14c lid 6 Sr een reclasseringsinstelling de opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de in de bestreden uitspraak omschreven voorwaarden die zijn gesteld bij de voorwaardelijke veroordeling en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Gevallen van eenvoudig herstel
Na deze algemene beschouwingen over de herstelbeslissing zal ik een overzicht geven van de arresten van de Hoge Raad waarin een kennelijke fout aan de orde kwam, ingedeeld naar het soort fout. Daarbij gaat het over het algemeen niet om zaken waarin de feitenrechter een herstelbeslissing heeft gewezen, maar om zaken waarin een kennelijke fout in cassatie aan de orde was ingesteld. Dat het in de ogen van de Hoge Raad gaat om een kennelijke fout wordt dan duidelijk doordat de Hoge Raad dit expliciet vermeldt of doordat de Hoge Raad de fout zelf herstelt.
A. Kennelijke rekenfouten
Volgens de memorie van toelichting komen kennelijke rekenfouten “vooral voor (…) in beslissingen tot het opleggen van een ontnemingsmaatregel, een schadevergoedingsmaatregel of een vordering van de benadeelde partij”. Ter illustratie van een “een rekenfout die ook zou kunnen worden rechtgezet door de rechter die het eindvonnis of eindarrest met de fout heeft gewezen” wijst de memorie van toelichting op HR 8 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1997, NJ 2006/193, m.n.t Keijzer. In die zaak is bewezenverklaard dat de verdachte € 5.108,50 van de benadeelde partij had gestolen. Het hof heeft in afwijking daarvan de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.887,50. Dit was het gevolg van een onjuiste optelling van de in het voegingsformulier gespecificeerde posten. De Hoge Raad oordeelde dat de vordering van de benadeelde partij als gevolg van een kennelijke rekenfout tot een hoger bedrag dan het bewezenverklaarde bedrag was toegewezen en doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af.
Ik wijs verder op HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2634 waarin het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van een kennelijke misslag het totaal van de onder de post "Andere uitgaven" weergegeven bedragen had vastgesteld op een bedrag van fl. 1.658.021,78 in plaats van fl. 1.495.051,69, zodat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, te hoog was vastgesteld. Het hof had een fout gemaakt bij de optelling. De Hoge Raad heeft vervolgens zelf het totale bedrag, en de daaruit voor de betrokkene voortvloeiende verplichting tot betaling aan de Staat, vastgesteld en in zoverre verbeterd.
In HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:655 was ook sprake van een kennelijke rekenfout, maar dan bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat was verkregen uit opiumdelicten. Het hof had vanwege de onbekendheid met de aard van het verhandelde verdovende middel overwogen dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in het voordeel van de verdachte uit zou worden gegaan van een lagere winstmarge. In dat verband bleek uit het bestreden arrest dat de winstmarge op de verkoop van een gram cocaïne € 9,50 en die op de verkoop van een gram heroïne € 16,- was. Blijkens de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel was het hof vervolgens toch uitgegaan van € 16,-. De Hoge Raad corrigeert deze “onmiddellijk kenbare fout” en merkt op dat een misslag als de onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd ook in de zaak van 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1931 als gevolg van een kennelijke misslag op een te hoog bedrag vastgesteld. In die zaak ging het om hennepteelt. De rechtbank had in de door het hof bevestigde beslissing overwogen dat in de kwekerijen in totaal 88 potten zijn aangetroffen waarin hennepplanten zijn geteeld. Uit de bewezenverklaring en uit de berekening van opbrengst van dit feit, bleek echter dat de rechtbank uitging van 92 potten met hennepplanten. Onder verwijzing naar de conclusie van AG Van Kempen, waarin deze voorstelt dat niet de schatting van de omvang de gerealiseerde opbrengst moet worden aangepast, maar de hoogte van de door de verdachte gemaakte kosten, namelijk uitgaande van 92 planten, doet de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag te verminderen met € 61,52. Ook hier overweegt de Hoge Raad dat deze fout zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf.
In HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:1 had het hof als gevolg van een kennelijke misslag bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dit voordeel niet pondspondsgewijs verdeeld over de betrokkene en zijn mededader, terwijl het hof wel overwoog dat: “bij gebrek aan concrete andersluidende aanknopingspunten (…) het hof uit[gaat] van een pondspondsgewijze verdeling. Om die reden zal het hof 50% van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de kwekerij aan de veroordeelde toerekenen.” De Hoge Raad overweegt dat in dat oordeel besloten ligt dat van het totale wederrechtelijke voordeel van € 48.113 het wederrechtelijke voordeel dat de betrokkene heeft verkregen, wordt geschat op € 24.056. Volgens de Hoge Raad is sprake van een kennelijke misslag als gevolg waarvan het hof het totale wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend aan de betrokkene heeft toegerekend. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af door het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting te verminderen. Ook in deze zaak verdient volgens de Hoge Raad opmerking dat sprake is van een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door rechters die op de zaak hebben gezeten. De Hoge Raad merkt in dat verband op dat wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, dat beroep kan worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.
Deze arresten overziend, is alleen bij de ontnemingszaak waarbij het hof verkeerd had opgeteld (randnr. ?3.28) zonder meer sprake van een rekenfout in de eigenlijke betekenis van het woord. Voor de rest gaat het om fouten die betrekking hebben op een berekening en die een inconsistentie bevatten in de uitgangspunten voor die berekening of tussen de uitgangspunten en de uitkomst van die berekening, bv. 92 hennepplanten voor de opbrengst en 88 voor de kosten (randnr. ?3.30). Bij een inconsistentie hoeft niet meteen duidelijk te zijn welke van de twee elkaar tegensprekend elementen van de redenering het zwaarst moet wegen. Hier kiest de Hoge Raad twee keer voor de bewezenverklaring: het gestolen bedrag (randnr. ?3.27) en het aantal hennepplanten (randnr. ?3.30). Een andere keer weegt het als eerste in de motivering geponeerde uitgangspunt zwaarder: dat in het voordeel van de verdachte wordt gehandeld (randnr. 3.29) en dat wordt uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling (randnr. 3.31).
B. Kennelijke schrijffouten
Ter illustratie van een kennelijke schrijffout wijst de memorie van toelichting op HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:251. Het hof had in deze zaak, kort gezegd, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de (materiële) schadevergoeding toegewezen voor een bedrag van € 10,- meer dan de politierechter had gedaan, dit terwijl “de door de benadeelde partij gevorderde schade door de politierechter geheel is toegewezen en de bestreden uitspraak niets inhoudt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat en op welke grond het hof heeft beoogd een hoger bedrag toe te wijzen dan het door de politierechter toegewezen bedrag”. De Hoge Raad oordeelde dat sprake was van een kennelijke vergissing in het dictum, die zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf en verklaart het cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij dat beroep, niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.
Hier is eveneens sprake van een inconsistentie tussen de motivering en het dictum, waarbij het lijkt dat sprake is van de doorwerking van een klassieke typfout.
C. Andere gevallen van een discrepantie tussen een motivering en het dictum
Er zijn meer zaken aan te wijzen waarbij sprake is van een kennelijke fout die tot uitdrukking komt in het dictum, zoals een tegenstrijdigheid tussen de straf die de rechter volgens de motivering van de uitspraak wenst op te leggen en de uiteindelijke beslising. Zo had het hof in HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:850 blijkens het dictum een gevangenisstraf opgelegd van negen maanden, terwijl het hof in zijn strafmotivering met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn uitvoerig had overwogen te komen tot een gevangenisstraf van niet negen, maar acht maanden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof gelet op die motivering “onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen van acht maanden” en doet de zaak zelf af, onder vermelding dat een herstelbeslissing de voorkeur zou hebben gehad.
In HR 28 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1657 was een spiegelbeeldige situatie aan de orde. In die zaak had het hof de verdachte blijkens het dictum van het eindarrest voor het onder 4 bewezenverklaarde feit de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden en wel onvoorwaardelijk. Het dictum hield niet in dat een bijkomende straf of een gedeelte daarvan – onder vermelding van een proeftijd en van daaraan verbonden voorwaarden – niet zal worden tenuitvoergelegd. Blijkens de strafmotivering had het hof echter overwogen “een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie” te vinden. Na dit eindarrest wees het hof vervolgens een herstelbeslissing, om deze fout in de strafmotivering te herstellen. In cassatie (tegen de einduitspraak) was de verdachte niet-ontvankelijk, omdat het beroep te laat was ingesteld. De Hoge Raad overwoog in dat verband dat de “strafmotivering een kennelijke fout bevatte die zich leende voor eenvoudig herstel, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak” en dat dus geen sprake is van een herstelbeslissing waarop de verdachte niet bedacht had hoeven zijn. De overschrijding van de wettelijke termijn waarbinnen het beroep in cassatie tegen de einduitspraak van 25 augustus 201 had moeten worden ingesteld, was om die reden niet verontschuldigbaar.
Bijzonder aan deze zaak is dat de Hoge Raad overwoog dat een herstelbeslissing niet uitsluitend een verbetering van het dictum hoeft te betreffen. Een feitenrechter heeft dus in evidente gevallen ook de mogelijkheid om in een ander onderdeel van zijn uitspraak dan het dictum voorkomende kennelijke fout te verbeteren indien dat relevant is voor de juiste executie van de uitspraak. Dit roept ten eerste de vraag op waarom in dit geval, anders dan in de hiervoor beschreven zaak, niet de motivering doorslaggevend is, maar het dictum. Uit het arrest leid ik af dat dit verband houdt met de mate van (verwachte) detaillering. Waar in de motivering enkel het woord ‘voorwaardelijk’ staat, dat makkelijk een verschrijving kan zijn van ‘onvoorwaardelijk’, missen in het dictum de proeftijd én de voorwaarden, wat kennelijk minder makkelijk per vergissing kan wegvallen. De tweede vraag is waarom een wijziging van de motivering van belang kan zijn voor de juiste executie. Kennelijk wordt ervan uitgegaan dat de met de tenuitvoerlegging belaste instanties niet alleen blind het dictum volgen, maar ook kennisnemen van de gehele uitspraak.
Nog een ander voorbeeld binnen deze categorie C. Het dictum kan ook een ‘onmiddellijk kenbare fout’ bevatten die betrekking heeft op de vordering van de benadeelde partij, zoals het geval was in HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:77. In cassatie werd onder meer geklaagd dat het hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in het dictum heeft vermeld dat sprake is van hoofdelijkheid. De Hoge Raad overweegt dat sprake is van een kennelijke misslag, omdat het hof blijkens de inhoud van het arrest onmiskenbaar heeft bedoeld ook de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen en doet de zaak zelf af onder de vermelding dat een dergelijke fout zich bij uitstek leent voor eenvoudig herstel door het hof zelf.
D. Evidente juridische misslag
In de voorgaande categorieën was in feite steeds sprake van een inconsistentie, dat wil zeggen elementen in de rechterlijke uitspraak die niet met elkaar te verenigen zijn waardoor de uitspraak niet meer begrijpelijk is. Echter ook een beslissing van een rechter die evident in strijd is met een wettelijke bepaling of ander recht (‘evidente juridische misslag’), kan onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent’.
Dat is bijvoorbeeld het geval in zaken zoals HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1552 en HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:628 (jeugdzaak) waarbij een rechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf of jeugddetentie toewijst en op grond van art. 6:6:21 lid 2 Sv (art. 14g leden 1 en 2 Sr (oud)) deze vrijheidsstraf omzet in de tenuitvoerlegging van een taakstraf of werkstraf. De fout in deze zaken was dat de rechter de duur van de vervangende hechtenis of jeugddetentie hoger had vastgesteld dan de oorspronkelijke voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf dan wel het wettelijke maximum aantal aan de taakstraf te verbinden uren vervangende hechtenis (art. 22d lid 3 en 77n lid 2 Sr). De Hoge Raad merkt op dat dit fouten zijn die zich lenen voor een herstelbeslissing. Hij gaat er daarmee kennelijk van uit dat herstel eenvoudig is omdat er, gelet op de evidentie van de misslag, geen discussie zal bestaan over de duur die de vervangende hechtenis of jeugddetentie zou moeten belopen. Daarbij kan wel de kanttekening worden geplaatst dat het juiste aantal uren van de vervangende hechtenis niet rechtstreeks uit de wet volgt en dat dus een interpretatie van de oorspronkelijke uitspraak nodig was. De wet bepaalt immers alleen het maximum van één dag hechtenis per twee uren taak-/werkstraf. De rechter kan dus in beginsel ook minder dagen opleggen. Onder rechters is het echter gebruikelijk om deze één dag per twee uren als maatstaf te gebruiken. Bovendien heeft in de genoemde arresten het hof steeds een hoger aantal dagen opgelegd dan is toegestaan. Daaruit kan worden afgeleid dat de rechter, bij een juiste toepassing van de wet, voor het wettelijke maximum aantal dagen had gekozen.
Een andere ‘evidente juridische misslag’ die zich volgens de Hoge raad leent voor eenvoudig herstel, omdat sprake is van een onmiddellijk kenbare fout, betreft de misslag in de zaak HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1639. In deze zaak had het hof in het geheel verzuimd om de duur van de vervangende hechtenis te bepalen. Het hof had blijkens de bestreden uitspraak de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren en verder overwogen dat die taakstraf “indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis”. Dit, terwijl art. 22d Sr voorschrijft dat de rechter bij het opleggen van een taakstraf de duur van de vervangende hechtenis dient te bepalen. De Hoge Raad stelt vast dat sprake is van een onmiddellijke kenbare fout, die zich voor een herstelbeslissing had geleend, en doet de zaak zelf af door te bevelen dat de vervangende hechtenis twintig dagen beloopt. De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat de rechter bij het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis de in de rechtspraak gangbare maatstaf zou hebben gebruikt.
Een volgend voorbeeld komt naar voren in HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1098. In cassatie werd geklaagd dat het hof in strijd met art. 57 lid 1 Sr bij meerdaadse samenloop niet één vrijheidsstraf had opgelegd voor het bewezenverklaarde poging tot diefstal (feit 1) en belediging van een opsporingsambtenaar (feit 2). Het hof achtte, alles afwegende, “oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen, (…), alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden”, hetgeen ook tot uitdrukking kwam in twee afzonderlijke vermeldingen van straffen in het dictum, bestaande uit een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk strafdeel. De Hoge Raad nam vervolgens in aanmerking dat het bewezenverklaarde meer dan één misdrijf oplevert en dat het hof in strijd met het bepaalde van art. 57 Sr twee losse straffen heeft opgelegd. In dit concrete geval was echter volgens de Hoge Raad sprake van een onmiddellijk kenbare fout. Het hof had immers “onmiskenbaar beoogd een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel 42 dagen, dus 6 weken, beloopt en het voorwaardelijke deel 3 weken met aftrek als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.” De Hoge Raad verstaat aldus dat “de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek overeenkomstig het bepaalde in art. 27, eerste lid, Sr”. Tot slot merkt de Hoge Raad op dat dit ook via een herstelbeslissing had kunnen worden afgedaan.
In HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:859 had het hof de verdachte wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken met aftrek van het voorarrest. Daarnaast had het hof de verdachte veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 750 aan de benadeelde partij en onder aanhaling van artikel 36f Sr aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 750 ten behoeve van de benadeelde partij. Het hof heeft in zijn uitspraak evenwel ten onrechte niet vermeld dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt. Eveneens een onmiddellijk kenbare fout, volgens de Hoge Raad, die de zaak zelf afdoet, met de vermelding dat dit ook via een herstelbeslissing had gekund. Anders dan bij hiervoor beschreven gevallen, volgt de juiste beslissing van het hof hier rechtstreeks voort uit het recht, zonder dat er enige beslisvrijheid was voor het hof.
Een ander geval waarbij kan worden gesproken van een ‘evidente juridische misslag’ in vorenbedoelde zin is wat mij betreft de zaak van HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:594. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk. Aan de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, verbond het hof vervolgens een proeftijd van drie jaren. De duur van deze proeftijd was (evident) in strijd met artikel 14b (oud) Sr zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, omdat die bepaling het wettelijk maximum van de proeftijd in dergelijke gevallen bepaalde op twee jaren. Ook in HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:999 had het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren vastgesteld wat betreft de naleving van de algemene voorwaarde, nu deze - gelet op het in deze zaak eveneens nog geldende art. 14b lid 2 jo. art. 14c lid 1 Sr (oud) - ten hoogste twee jaren kon bedragen. In beide zaken heeft de Hoge Raad de proeftijd zelf op twee jaren gezet en opgemerkt dat deze fouten zich lenen voor een herstelbeslissing. Ook hier merk ik op dat weliswaar het maximum van twee jaren rechtstreeks voortvloeit uit de wet, maar dat het een interpretatie van de oorspronkelijke uitspraak is dat de rechter ook dít maximum heeft willen opleggen.
Geen gevallen van eenvoudig herstel
In de rechtspraak van de Hoge Raad is ook een aantal voorbeelden te vinden van door de feitenrechter opgemaakte stukken die waren bedoeld als herstelbeslissingen, maar die het geschetste kader van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel te buiten gingen. Deze voorbeelden kunnen de reikwijdte van de herstelbeslissing ook verduidelijken.
In HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 had het hof niet alleen de vordering benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, maar daarnaast ook nog eens de verdachte veroordeeld om aan de benadeelde partij een bedrag te betalen, bij niet-betaling te vervangen door een vervangende hechtenis. Dit is een beslissing die evident onjuist is omdat vervangende hechtenis – in deze context – alleen een rol speelt bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad liet toentertijd het herstelarrest, waarin het hof deze fout had verbeterd, buiten beschouwing omdat het gerechtshof, zo overweegt de Hoge Raad, dit herstelarrest niet had mogen wijzen, omdat het niet gaat om ‘een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening’.
Verder casseerde de Hoge Raad in HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490 (ambtshalve), omdat het hof met de “herstelbeslissing” ernstige twijfel had doen ontstaan over de opgelegde vrijheidsstraf. Het hof had door middel van een “herstelbeslissing” de strafoplegging van een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, gewijzigd in een strafoplegging van een gevangenisstraf van tien maanden geheel voorwaardelijk. Uit de motivering van de “herstelbeslissing” volgde dat het hof deze had gegeven omdat na het wijzen van het arrest was gebleken dat niet alle ondergane voorlopige hechtenis van de opgelegde straf kon worden afgetrokken. De herstelbeslissing “strekte ertoe te bereiken hetgeen het hof voor ogen stond”. Ik wijs erop dat deze ‘bedoeling’ om een bepaald resultaat te bereiken, niet moet worden verward met de ‘bedoeling’ van hetgeen op papier was gesteld. Dát was correct gebeurd, alleen bleek dit later op basis van nieuwe informatie voor het hof geen passende straf.
In HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:963, NJ 2014/500 had de voorzitter van het gerechtshof in 2007 geen verlof verleend voor de behandeling van een zaak in hoger beroep als bedoeld in art. 410a Sv. Nadat het Comité voor de Rechten van de Mens zich kritisch over deze beslissing had uitgelaten, heeft de voorzitter in 2010 een “rectificatiebeschikking” opgesteld inhoudende dat de zaak alsnog aanhangig zou worden gemaakt ter terechtzitting. De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van het herstel van een kennelijke fout en verklaarde de verdachte alsnog niet-ontvankelijk in het hoger beroep op basis van de oorspronkelijke verlofbeschikking. In deze zaak is het eveneens duidelijk dat het ging om een gewijzigd oordeel van de voorzitter en niet van de verbetering van een onjuiste weergave van het eerste oordeel.
In HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1217, NJ 2020/420 en HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:932 had het hof steeds achteraf bij “herstelarrest” alsnog beslissingen genomen over de vordering benadeelde partij die in het oorspronkelijke arrest ontbraken. Volgens de Hoge Raad hadden deze herstelarresten geen betrekking op een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Dit zal niet verbazen. Een aanvullend oordeel geven is immers niet het verduidelijken van een al gegeven oordeel. Een dergelijke aanvulling zal overigens onder het komende recht in beginsel wel geoorloofd zijn op grond van art. 4.6.2 lid 1 NSv.
Samenvattend gaat het bij de hier beschreven zaken vooral om gevallen waarin de conclusie voor de hand ligt dat bevoegdheid om herstelbeslissing wordt overschreden. Er is immers geen sprake van de verduidelijking van een eerdere op schrift gesteld oordeel, maar van gewijzigde of aanvullende oordelen. Ik ontwaar geen grijs gebied waarin veel twijfel kan bestaan of een herstelbeslissing tot de mogelijkheden behoort. Dit is alleen anders voor de in randnr. ?3.46 beschreven arrest uit 2010 waarin vervangende hechtenis was verbonden aan de toewijzing van de vordering benadeelde partij. Ik vermoed dat de Hoge Raad, gelet op hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, een dergelijke misslag (die juridisch evident onjuist is) nu wel zou aanmerken als een onmiddellijk kenbare fout die zich leent voor eenvoudig herstel.
Enkele beschouwingen over de herstelbeslissing
Het theoretisch kader en de praktische toepassing overziend, zou ik nog willen ingaan op een aantal aspecten van de herstelbeslissing: het belang bij het nemen ervan, het perspectief van waaruit een kennelijke fout moet worden beoordeeld, de aard van de herstelbeslissing en de rechtsmiddelen tegen een herstelbeslissing.
Zolang het gesloten stelsel van rechtsmiddelen gehandhaafd blijft, kan een herstelbeslissing nooit meer zijn dan de verduidelijking van een reeds gegeven oordeel, die daarin bestaat dat dit oordeel beter op schrift wordt gesteld dan in de oorspronkelijke uitspraak is gedaan. Het vereiste dat het juiste oordeel evident is, stelt zeker dat niet gaat om een ander of nieuw oordeel van de rechter dat afbreuk doet aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en mogelijk niet volgens de regels tot stand is gekomen.
De eis dat glashelder moet zijn wat het juiste oordeel is, roept echter de vraag op naar het nut van de herstelbeslissing. Waarom moet op papier worden gezet wat voor anderen al duidelijk is? Gedacht zou kunnen worden aan een algemeen belang dat schriftelijke weergaven van rechterlijke oordelen geen fouten bevatten, maar een dergelijk belang wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad niet expliciet genoemd. Dat een dergelijk belang doorslaggevend zou zijn, is ook moeilijk te verenigen met art. 4.6.1 lid 1 NSv dat een uitzondering kent op de plicht een kennelijke fout te herstellen, namelijk als daar geen redelijk belang mee is gediend.
Wanneer wordt aangehaakt bij het belang van een juiste tenuitvoerlegging van de uitspraak, komt ook de vraag op waarom de herstelbeslissing nodig is als het juiste oordeel toch evident is. Te meer omdat de Hoge Raad in een aantal situaties heeft geoordeeld dat een herstelbeslissing niet nodig is omdat van een ‘redelijk handelend’ (openbaar) ministerie mag worden verwacht de juiste beslissing ten uitvoer te leggen, bijvoorbeeld wanneer in de uitspraak is vergeten de ondergane voorlopige hechtenis af te trekken van de straf (zie randnrs. ?3.24 en ?3.25). Zijn sommige evidente fouten evidenter dan andere? Of bestaat er misschien een variatie in de persoon voor wie de fout evident is? En daarmee verbonden de kennis die deze persoon heeft of wordt geacht te hebben? Oftewel wie is de maatfiguur?
Hiervoor (randnr. ?3.14) heb ik aansluiting gezocht bij de civiele rechtspraak inhoudende dat een kennelijke fout ook voor derden op het eerste gezicht duidelijk moet zijn. Het perspectief van de derde zorgt voor een objectivering van de beoordeling of sprake is van een kennelijke fout. Het dwingt rechters om na te gaan of de bedoeling die hen steeds voor ogen heeft gestaan, ook voor anderen duidelijk moet zijn geweest. En als het OM en de verdachte van mening verschillen over de vraag of sprake is van een kennelijke fout, dan kan het perspectief van de derde de toetssteen zijn.
Het normerende karakter van deze ‘derde’ brengt mee dat dit niet een concrete, maar een fictieve persoon is. En wel iemand met kennis van zaken. In ieder geval moet deze persoon in staat zijn om een strafrechtelijke uitspraak te begrijpen en kennelijke fouten daarin te ontdekken. Dit zal al enige kennis van het strafrecht vergen. Op het moment dat ook evidente juridische misslagen worden aanvaard als een kennelijk fout die zich leent voor eenvoudig herstel, wordt bij de ‘derde’ volledige kennis van het strafrecht verondersteld.
Zou worden aangenomen dat de ‘derde’ ook kennis heeft van het dossier en de behandeling ter zitting, dan komt een andere categorie van kennelijke fouten in beeld. Naast de inconsistenties binnen de uitspraak, kunnen dan ook inconsistenties tussen de uitspraak en het dossier aanleiding geven tot een correctie. Vanuit efficiëntieoogpunt is dit te verdedigen. Waarom zou een rechtsmiddel moeten worden ingesteld omdat de naam van een benadeelde partij of een het adres van een locatieverbod verkeerd is overgetypt in de uitspraak? De openbaarheid is met een dergelijke herstelbeslissing echter niet gediend. Van buiten kan immers niet meer worden gecontroleerd dat het daadwerkelijk gaat om een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Dit speelt met name bij verbeteringen die in beginsel ook het gevolg zouden kunnen zijn van een ander oordeel van de rechter, bijvoorbeeld als het door de benadeelde partij gevorderde bedrag onjuist wordt overgenomen uit het voegingsformulier en daardoor ook het toegewezen bedrag zou moeten worden verbeterd. Bovendien vermindert de mate waarin een fout als ‘kennelijk’ kan worden aangemerkt, als daarvoor eerst onderzoek zou moeten worden gedaan in het dossier. Ten slotte houdt het begrip ‘derde’ op zichzelf al in dat het gaat om een buitenstaander die niet bij het proces betrokken is geweest.
Mijn conclusie zou dan ook zijn dat als maatfiguur moet worden aangemerkt de zorgvuldige lezer van de uitspraak die wel kennis heeft van het strafrecht, maar niet van het dossier en de behandeling ter zitting.
Dat er een verschil kan zijn tussen hetgeen de fictieve maatfiguur begrijpt en hetgeen de daadwerkelijk betrokkenen bij een zaak concreet begrijpen, maakt dat er belang bestaat bij het nemen van een herstelbeslissing. Bij deze betrokkenen kan worden gedacht aan het slachtoffer/de benadeelde partij (met advocaat) en het algemene publiek dat in meer of mindere mate de zaak heeft gevolgd. Daarnaast zijn er de instanties die met de tenuitvoerlegging van de uitspraak zijn belast, niet alleen het ministerie van Justitie en Veiligheid, maar bijvoorbeeld ook de reclassering die moet toezien op bijzondere voorwaarden, de politie die een locatieverbod moet handhaven en de zorginstelling die de behandeling van de verdachte op zich neemt. Sommige van deze personen zullen het hele dossier kennen en hetgeen op de zitting is behandeld en anderen alleen de uitspraak. Niet uit te sluiten is dat enkele bij de tenuitvoerlegging betrokken instanties ook niet de gehele schriftelijke uitspraak ter beschikking hebben, maar enkel hebben kennisgenomen van een extract van het vonnis of arrest. Alleen als redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat relevante betrokkenen de fout herkennen en daarnaar zullen handelen, ontbreekt een belang bij het nemen van een herstelbeslissing.
Dat een herstelbeslissing moet zien op een ‘kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel’ suggereert dat deze beslissing niet meer is dan een formele handeling zonder een nadere afweging door de rechter. Naar mijn idee is een herstelbeslissing echter meer, namelijk een nieuw rechterlijk oordeel over de inhoud van de oorspronkelijke uitspraak.
De rechter dient immers na te gaan wat de fout is en hoe de beslissing had moeten luiden. Bij de hiervoor weergegeven gevallen van eenvoudig herstel bleek dat daarbij wel degelijk interpretaties en keuzes moeten worden gemaakt. Bij die interpretatie kan bovendien niet altijd worden teruggevallen op duidelijke aanwijzingen in de uitspraak over hetgeen de rechter in het concrete geval heeft bedoeld, maar wordt ervan uitgegaan dat deze rechtmatig, logisch, redelijk en volgens rechterlijke conventies heeft willen handelen. Verder moet de rechter beslissen of het gaat om een fout die niet voor redelijke twijfel vatbaar is en ook voor derden op het eerste gezicht duidelijk is. Ten slotte moet deze afwegen of er een belang bestaat bij het geven van een herstelbeslissing.
Dat het gaat om een rechterlijk oordeel volgt naar mijn idee ook uit de eis dat de herstelbeslissing wordt gegeven door dezelfde rechters als die de uitspraak hebben gedaan. Steun hiervoor zie ik verder in art. 4.6.1 NSv. Dat eist immers in beginsel dat partijen worden gehoord. Dit suggereert een noodzaak tot interpretatie van de oorspronkelijke uitspraak of tot afweging van belangen bij het nemen van de herstelbeslissing waarover meningen kunnen verschillen. Volgens de memorie van toelichting moeten partijen door het horen in staat worden gesteld “na te gaan of het daadwerkelijk om een kennelijke fout in de hiervoor weergegeven betekenis gaat”.
Een herstelbeslissing omvat ook een oordeel over de toepassing van de bevoegdheid een herstelbeslissing uit te vaardigen. Een dergelijk oordeel kan zelf in strijd zijn met de wet, denk aan bevoegdheids- en proceduregebreken, en kan onbegrijpelijk zijn. Desalniettemin staat tegen dit oordeel of tegen de weigering van een herstelbeslissing geen rechtsmiddel open, zo oordeelt de Hoge Raad in HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Dit is ook zo geregeld in het nieuwe wetboek aangezien de wet geen rechtsmiddel openstelt (art. 5.1.1 NSv).
Daarop bestaan echter uitzonderingen. De Hoge Raad overwoog in HR 28 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1657:
“2.2.2
Met betrekking tot de mogelijkheid van controle door de rechter in hoger beroep of in cassatie is het volgende van belang. Tegen de herstelbeslissing (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft ook geen invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de (al dan niet herstelde) uitspraak. Als een herstelbeslissing wordt gegeven, kunnen zich wel bijzondere, de procespartij niet toe te rekenen omstandigheden voordoen die het overschrijden van de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel tegen de (herstelde) uitspraak verontschuldigbaar doen zijn. Daaraan kan in het bijzonder worden gedacht in het geval dat een herstelbeslissing wordt genomen waarin de uitspraak wordt hersteld met een beslissing waarop de procespartij gelet op het hiervoor onder 2.2.1 geschetste kader [de standaardoverweging over herstelbeslissingen, zie randnr. 3.5; MvW] niet bedacht had hoeven te zijn en de procespartij zo spoedig mogelijk na kennisgeving van die beslissing alsnog een rechtsmiddel tegen de (herstelde) uitspraak instelt. Als een herstelbeslissing betrekking heeft op een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel zoals bedoeld in 2.2.1, brengt dat overigens mee dat de procespartij daarop wel bedacht had moeten zijn. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1217.)
In soortgelijke zin vermeldt de memorie van toelichting bij art. 4.6.1 NSv:
“Hoger beroep is bij overschrijding van de termijn die de wet stelt ontvankelijk indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende procespartij in verzuim is geweest. Een ontoelaatbare wijziging in het eindvonnis via een herstelbeslissing kan aanleiding zijn om tot dat oordeel te komen, als die wijziging ernstige twijfel zaait over de inhoud van het vonnis”.
Hoger beroep of cassatie tegen een herstelbeschikking zelf is dus niet mogelijk, maar een (verlaat) rechtsmiddel tegen het oorspronkelijke vonnis of arrest eventueel wel, ter controle of de rechter buiten zijn bevoegdheid is gegaan om een herstelbeslissing te nemen. Dan zal de hogere rechter in ieder geval toetsen of sprake was van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Zo niet, dan heeft de rechter ten onrechte gebruikgemaakt van dit middel. Het ligt minder voor de hand dat dan ook kan worden opgekomen tegen de schending van andere regels, zoals handelen in strijd met de procedurevoorschriften voor de herstelbeslissing.
Samenvattend
Een onmiddellijk kenbare fout, betreft een kennelijke rekenfout, kennelijke schrijffout of een andere kennelijke fout. Deze fout moet zich lenen voor eenvoudig herstel door de rechter(s) die de zaak heeft/hebben beslist. Dat houdt in dat het in de ogen van een derde met kennis van het strafrecht op het eerste gezicht duidelijk is – en niet voor redelijke twijfel vatbaar – waarin de fout is gelegen en wat de rechter in zijn uitspraak wél tot uitdrukking wilde brengen. Een nieuw oordeel en het herstel van een materieel verkeerde beoordeling of een procedurele fout vallen buiten de reikwijdte van deze definitie. Deze en andere fouten, ook fouten die enkele blijken uit het strafdossier of de behandeling ter zitting, kunnen slechts (na het instellen van een rechtsmiddel) door een hogere rechter worden hersteld.
Een herstelbeslissing hoeft zowel onder het huidige als het nieuwe recht alleen te worden genomen als daarmee een redelijk belang is gediend. Gesteld kan worden dat dat redelijk belang volgens de huidige rechtspraak in elk geval ontbreekt bij:
- het verzuim om toepassing te geven aan een wettelijk verplichte aftrek, te denken valt aan:
o het verzuim om toepassing te geven aan de in artikel 27 Sr bedoelde aftrek van het voorarrest;
o het verzuim om toepassing te geven aan de in artikel 179 lid 6 WVW 1994 bedoelde aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte ingevorderd is geweest;
- en ook bij het verzuim in het dictum te vermelden dat de in art. 14d lid 2 Sr (oud), 14c lid 6 Sr (‘nieuw’) of 77aa lid 3 Sr bedoelde opdracht inzake reclasseringstoezicht en –begeleiding is gegeven.
Dit zijn gevallen waarin zowel de fout als de juiste beslissing dwingend volgt uit het geldende recht. Gelet hierop zou wellicht onder deze categorie ook het hiervoor genoemde geval kunnen worden gebracht dat is verzuimd de toewijzing van de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel als alternatieve verplichtingen op te leggen (randnr. ?3.43).
Daarnaast kunnen gevallen en/of categorieën worden onderscheiden van onmiddellijk kenbare fouten waarbij op voorhand denkbaar is dat (enig of veel) belang bestaat bij ‘eenvoudig herstel’ (eveneens niet limitatief), zoals:
- kennelijke rekenfouten in bijvoorbeeld beslissingen tot het opleggen van een ontnemingsmaatregel, een schadevergoedingsmaatregel of een vordering van de benadeelde partij;
- kennelijke schrijffouten;
- andere gevallen van een discrepantie tussen een motivering en het dictum;
- evidente juridische misslag, zoals:
- het bevelen van een vervangende hechtenis waarvan de duur die van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf overstijgt;
- bij de beslissing over de duur van de vervangende hechtenis het bepaalde van art. 22 lid 3 Sr miskennen;
- het verzuim om in het dictum de duur van de vervangende hechtenis te bepalen als bedoeld in art. 22d Sr;
- bij meerdaadse samenloop meer dan één gevangenisstraf opleggen;
- het verzuim om in het dictum bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel te vermelden dat sprake is van alternatieve betalingsverplichting;
- het in strijd met art. 14b (oud) Sr aan de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan strafbaar feit een proeftijd van meer dan de wettelijk gestelde duur van twee jaren verbinden;
- het bij de toewijzing van de vordering benadeelde partij bevelen van vervangende hechtenis ingeval van niet-betalen.
Dit belang is mede gelegen in de procesefficiëntie. In alle gevallen van een kennelijke fout is er reden voor (gedeeltelijke) vernietiging van de uitspraak van de rechter vanwege een gebrekkige motivering of strijd met de wet. De appelrechter en, omdat het gaat om een kennelijke fout, ook de Hoge Raad kunnen de fout vervolgens herstellen. Maar dat is alsof je met een kanon schiet op een mug. Veel tijd en moeite wordt dan besteed aan een punt dat redelijkerwijs niet in geschil is. Bovendien is het gezag van de rechterlijke uitspraak juist gebaat bij het snelle herstel van vergissingen die nu eenmaal menselijk zijn.
Belang bij het rechtsmiddel van cassatie
Die (beoogde) efficiëntie doet de vraag rijzen hoe de herstelbeslissing zich verhoudt tot cassatie als rechtsmiddel. De memorie van toelichting beantwoordt die vraag mijns inziens door te wijzen op het al eerder genoemde overzichtsarrest inzake de toepassing van artikel 80a RO, om vervolgens uit rechtsoverweging 2.2 onder c van dat arrest af te leiden “dat de verdachte die een beroep in cassatie instelt vanwege een fout die ook door een herstelbeslissing kan worden rechtgezet, niet-ontvankelijk kan worden verklaard in zijn cassatieberoep”. De memorie van toelichting maakt vervolgens duidelijk dat aan die stand van zaken “de wettelijke regeling van de herstelbeslissingen (…) een vervolg [geeft].”
Daarbij wil ik voor de volledigheid het volgende toelichten. Art. 80a RO markeert dat een wezenlijk kenmerk van de moderne cassatieprocedure is gelegen in de selectie van zaken die de ‘volle’ aandacht van de Hoge Raad krijgen, waarbij andere zaken met een korte standaardmotivering of een niet-ontvankelijkverklaring worden afgedaan. Dat betekent dat de Hoge Raad ingevolge art. 80a RO “het beroep in cassatie niet-ontvankelijk [kan] verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.”
Dit kan inhouden dat een cassatieklacht die op zichzelf inhoudelijk juist is (en ook voldoet aan de voorwaarden voor het aanwenden van cassatie), wegens ‘klaarblijkelijk onvoldoende belang’ bij cassatie niet-ontvankelijk wordt verklaard. ‘Belang’ is daarbij het sleutelwoord. Wanneer dat belang namelijk ‘niet evident is’ zal in de schriftuur moeten worden toegelicht wat “het concrete, op het geval toegespitste belang [is], bij het ingestelde beroep en dus ook het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.” Wanneer het belang (zonder meer) ontbreekt, omdat bijvoorbeeld het gebrek op een andere wijze valt te verhelpen, zoals door een herstelbeslissing of ingeval een beklagmogelijkheid openstaat bij een andere rechter, is een toelichting “begrijpelijkerwijs niet relevant” en zal “art. 80a RO zonder meer worden toegepast”.
Zoals uit het gegeven overzicht volgt, maakt de Hoge Raad tot nu toe echter zeer beperkt gebruik van deze bevoegdheid. In de meeste gevallen wordt het beroep in cassatie wel ontvankelijk geacht, de fout hersteld en enigszins dwingend opgemerkt dat een herstelbeslissing ook een optie zou zijn geweest. Hierin ligt een duidelijke voorkeur van de Hoge Raad besloten voor het vragen van een herstelarrest boven het instellen van cassatie. Dit wordt nog eens bevestigd in HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:1 (randnr. ?3.31). In dit arrest wordt expliciet overwogen dat als – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, dat beroep kan worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.
Een uitzondering op de beperkte toepassing op van art. 80a RO zijn de hiervoor onder ?3.67 genoemde gevallen waarin de aftrek van het voorarrest of inhouding van het rijbewijs achterwege is gebleven of is verzuimd het reclasseringstoezicht op te dragen. De rechtspraak van de Hoge Raad wijst uit dat in cassatie bij een dergelijke ‘onmiddellijk kenbare fout’ niet een voldoende in rechte te respecteren belang bestaat bij de vernietiging van de bestreden uitspraak, omdat, zoals gezegd, het gebrek of de fout ook op een andere (eenvoudige) wijze kan worden hersteld door middel van een herstelbeslissing (door de rechter of rechters die de fout heeft of hebben begaan). De Hoge Raad voegt daar, zoals ik al eerder benoemde, nog aan toe dat ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr te bevelen, eveneens onvoldoende in rechten te respecteren belang bestaat. Er is immers sprake van “een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd.”
Moet in andere gevallen, waarin kennelijk minder kan worden vertrouwd op de instanties die gaan over de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, het belang van de juiste executie en van de juiste schriftelijke weergave van de beslissing van de rechter, zodanig zwaar blijven wegen dat het beroep in cassatie over een kennelijk fout ontvankelijk is? Gelet op de door mij hiervoor genoemde delen van de memorie van toelichting meen ik dat dat niet het geval is. Daarbij betrek ik dat de wetgever het herstellen van kennelijk fouten juist verplicht stelt voor die gevallen waarin níet erop kan worden vertrouwd dat de tenuitvoerleggingsinstanties zelf de fout herstellen en er dus een “redelijke belang is gediend” met het herstel. Hoewel een dergelijke plicht tot nu toe niet in de rechtspraak van de Hoge Raad is erkend, lijkt mij die wel degelijk besloten te liggen in de opdracht aan de rechter om zijn beslissing, zoals die is bedoeld, schriftelijk vast te leggen.
Een feitenrechter kan, zoals gezegd, ambtshalve tot een herstelbeslissing komen, maar ook op verzoek van het openbaar ministerie of de verdachte. Daarin ligt ook een verantwoordelijkheid voor de procespartij besloten. Die dient zich tot de feitenrechter te richten met het verzoek om een herstelbeslissing.
Een strengere ontvankelijkheidsbeoordeling door de Hoge Raad zou vervolgens op twee wijzen vorm kunnen krijgen. Ten eerste door een verzwaarde plicht tot onderbouwing van het belang in de schriftuur. Verlangd zou kunnen worden dat de steller van het middel uiteenzet dat is verzocht om een herstelbeslissing, maar dat de feitenrechter deze heeft geweigerd of dat deze beslissing nog ontbrak ten tijde van het indienen van de cassatiemiddelen. In dat geval zou het belang dat de juiste beslissing schriftelijk wordt vastgelegd zwaar genoeg kunnen wegen om het beroep in cassatie niet met art. 80a RO af te doen. De tweede mogelijkheid is om een cassatieberoep dat het herstel van een kennelijk fout beoogt, behoudens bijzondere gevallen, niet meer ontvankelijk te achten omdat hetzelfde doel kan worden bereikt met een herstelbeslissing.
Dit laatste zou mijn voorkeur hebben. Aan het idee van een versterkte motiveringsplicht kleeft het nadeel dat daarmee in feite toch een rechtsmiddel wordt opengesteld tegen de (stilzwijgende) weigering een herstelbeslissing te nemen, terwijl dit in het huidige en komende recht nadrukkelijk is uitgesloten. Bovendien is in de loop van de tijd steeds meer duidelijkheid gekomen over de reikwijdte van de herstelbeslissing. Uit het hierboven gegeven overzicht blijkt dat de rechtspraak op dit punt verregaand is uitgekristalliseerd en dat een beperkt aantal categorieën en gevallen kan worden onderscheiden waarin een herstelbeslissing mogelijk is. Dit kan voldoende richtinggevend worden geacht voor feitenrechters. Ten slotte zullen feitenrechters onder het komende recht verplicht zijn over te gaan tot herstel en dit vermindert de noodzaak voor optreden van de cassatierechter nog verder. Onder het huidige recht is deze verplichting niet uitgesproken, maar dat zou wat mij betreft wel passen bij een strengere beoordeling van het belang bij cassatie.
De kans dat de rechter ten onrechte een herstelbeslissing achterwege laat, is daarmee aanmerkelijk verkleind. Het lijkt mij niet noodzakelijk om dan naast de herstelbeslissing in beginsel nog belang bij een regulier rechtsmiddel aanwezig te achten. Dit past bij de emancipatie van de herstelbeslissing van een buitenwettelijke naar wettelijke figuur als aanvulling op het wettelijke stelsel van rechtsmiddelen. Daarbij moet ten slotte niet uit het oog worden verloren dat ook geen cassatie openstaat als de kennelijke fout pas wordt ontdekt na het verstrijken van de termijn voor het instellen van cassatie
Hoe dan ook blijft eventueel controle mogelijk op herstelbeslissingen die de daarvoor gegeven grenzen overschrijden, omdat die beslissing reden kan zijn een verlaat rechtsmiddel tegen de oorspronkelijke uitspraak ontvankelijk te achten (zie hiervoor ?3.64 en ?3.65).
4 Het middel
Met inachtneming van het hier vooropgestelde (en onder verwijzing naar HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1081) kan het middel, dat kort gezegd de klacht bevat dat het hof ten onrechte, ook na te zijn verzocht tot het wijzen van een herstelbeslissing ter zake, geen toepassing heeft gegeven aan art. 179 lid 6 WVW 1994, wegens klaarblijkelijk onvoldoende belang niet tot cassatie leiden.
5 Afronding
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG