Strafrecht overig
Conclusie AG. Voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26 WWM). 1. Falende bewijsklacht. 2…
ECLI:NL:PHR:2026:851 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-851
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 6 september 2026
- Zaaknummer
- 24/04718
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:851
Samenvatting
Conclusie AG. Voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26 WWM). 1. Falende bewijsklacht. 2. Inzendtermijn. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/04826
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04718
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 20 december 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-002136-22) wegens onder 3 – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en een taakstraf van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander als in het arrest omschreven.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (24/04826), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat het voorhanden hebben van een vuurwapen en de bijbehorende munitie niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat
“hij op 16 december 2020 te [plaats] een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool met bijbehorende munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, voorhanden heeft gehad.”
Deze bewezenverklaring steunt op tien bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een bijlage bij het arrest.
Het hof heeft het volgende overwogen:
“Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie is vereist dat de verdachte het wapen en/of munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van "een meerdere of mindere mate" van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen en/of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen en/of munitie dat de verdachte feitelijke macht daarover kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden (zie HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504).
Uitgaande van het hiervoor geschetste beoordelingskader zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het vuurwapen waarmee de [medeverdachte] op 16 december 2020 heeft geschoten, heeft hij gepakt uit de Seat Leon waarvan de verdachte heeft verklaard op dat moment bestuurder en eigenaar te zijn geweest. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij deze auto destijds elke dag gebruikte.
De [medeverdachte] heeft bij de politie op 17 februari 2021 verklaard dat het vuurwapen in de middenconsole lag, bij het voorvakje en de radio.
Voorts zijn bij doorzoeking van de auto van de verdachte op 16 februari 2021 in een (verborgen) ruimte een kapotte houder alsmede houderonderdelen en een zakje met daarin munitiepatronen aangetroffen. De munitie bestond onder meer uit 19 volledige patronen van het kaliber .32 auto en één afgevuurde huls kaliber .32 auto van het fabrieksmerk Winchester Western. De afgevuurde huls komt qua bodemstempel (kaliber en fabrieksmerk) overeen met de huls […] die op de plaats delict – in de buurt van het slachtoffer – is aangetroffen. Deze twee hulzen zijn door het NFI onderzocht. De resultaten van het verrichte onderzoek worden verwacht wanneer de twee hulzen zijn verschoten met één vuurwapen. De afvuursporen in beide hulzen worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een semi-automatisch werkend pistool van het kaliber 7,65mm Browning. Op grond daarvan moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat beide hulzen met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten.
Ook is bij de doorzoeking van de auto van de verdachte op 16 februari 2021 een geldbedrag van in totaal 2600,00 euro aangetroffen, waarvan een groot gedeelte in de (verborgen) ruimte waarin ook de voornoemde kapotte houder alsmede houderonderdelen en het zakje met munitiepatronen zijn aangetroffen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat dit zijn geld was.
Uit de in de auto van de verdachte opgenomen gesprekken tussen [verdachte] , [medeverdachte] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 18 januari 2021 blijkt onder meer dat [medeverdachte] , [verdachte] en [betrokkene 1] bespreken of de aanleiding van een controle door de politie verband houdt met een incident van een maand daarvoor, dus rond het moment dat medeverdachte met een vuurwapen [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) van het leven heeft beroofd. [medeverdachte] geeft vervolgens aan dat de politie niets gaat vinden. [betrokkene 2] merkt op dat de politie de ‘P‘ toch niet heeft en [verdachte] stelt dat hij de ‘P‘ wel heeft schoongemaakt, maar de bullet niet.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat het vuurwapen met daarin munitie zich op 16 december 2020 niet alleen in de directe nabijheid van de verdachte bevond, op een voor de verdachte zichtbare plaats in zijn auto, maar dat die feiten en omstandigheden ook in zeer sterke mate duiden op betrokkenheid van de verdachte bij het in de tenlastelegging genoemde vuurwapen (pistool) met bijbehorende munitie. Nu de verdachte hiervoor geen aannemelijke, hem ontlastende, verklaring heeft gegeven, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewustheid heeft gehad ten aanzien van de aanwezigheid van het pistool met bijbehorende munitie in zijn auto en dat hij daarover ook kon beschikken.
Overigens komt daar nog bij dat [medeverdachte] heeft verklaard dat het pistool niet van hem was en dat iedereen in de auto (en dus ook de verdachte) het wapen heeft gezien.
Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het pistool met bijbehorende munitie dat door [medeverdachte] op 16 december 2020 is gebruikt om op [slachtoffer] te schieten, voorhanden heeft gehad.”
Volgens de stellers van het middel schiet de bewijsvoering te kort nu uit het arrest van het hof volgt dat een ander dan verdachte ( [medeverdachte] ) op de bewezenverklaarde datum het bewezenverklaarde wapen met munitie voorhanden heeft gehad en niet bewezen heeft geacht dat de verdachte op die datum (16 december 2020) het wapen en munitie tezamen en in vereniging met [medeverdachte] voorhanden heeft gehad. Dat zou tegenstrijdig zijn met hetgeen het hof ten aanzien van de wetenschap/bewustheid van de verdachte ten aanzien van het wapen en munitie heeft overwogen.
Ik zie niet in waarom de bewijsvoering om die reden ontoereikend zou zijn. Het enkele feit dat de [medeverdachte] het vuurwapen uiteindelijk uit de auto heeft gepakt en vervolgens heeft gebruikt, sluit immers niet uit dat de verdachte het vuurwapen en de bijbehorende munitie ook op 16 december 2020 voorhanden heeft gehad.
Het hof heeft vastgesteld dat het door de [medeverdachte] gepakte vuurwapen op 16 december 2020 in de middenconsole van de auto lag en dat de verdachte op dat moment bestuurder en eigenaar van die auto was. In die auto zijn later in een (verborgen) ruimte een kapotte houder, een aantal kogelpatronen en een huls gevonden. Op grond van de resultaten van onderzoek door het NFI heeft het hof geconcludeerd dat moet worden aangenomen dat deze huls is verschoten met hetzelfde vuurwapen als de huls die in de buurt van het slachtoffer is aangetroffen. Ook blijkt uit een afgeluisterd gesprek in de auto – ongeveer een maand na het incident op 16 december 2020 – dat onder meer de verdachte en de [medeverdachte] bespreken of de aanleiding van een politiecontrole is gelegen in dat incident. In dat verband heeft de verdachte opgemerkt dat hij de ‘P’ wel heeft schoongemaakt, maar de bullet niet.
Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat deze feiten en omstandigheden in zeer sterke mate duiden op betrokkenheid van de verdachte bij het vuurwapen met bijbehorende munitie. Nu de verdachte hierover geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat de verdachte de bewustheid heeft gehad ten aanzien van de aanwezigheid van het vuurwapen met bijbehorende munitie in zijn auto en dat hij daarover ook kon beschikken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en daarmee is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
3 Het tweede middel
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Namens de verdachte is op 27 december 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 september 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Nu de overschrijding van de redelijke termijn minder dan een maand bedraagt, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4 Slotsom
Het eerste middel faalt. Nu de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken van het bewezenverklaarde feit en in cassatie wordt geklaagd over de bewijsvoering daarvan, ligt afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering niet voor de hand. Het tweede middel slaagt, maar leidt niet tot cassatie.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG