Strafrecht overig

Conclusie AG. Bezit kinderporno (art. 240b (oud) Sr), ontucht plegen met een minderjarige tussen de leeftijd…

Parket bij de Hoge Raad, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
28 september 2026
Zaaknummer
24/03867
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:929
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Bezit kinderporno (art. 240b (oud) Sr), ontucht plegen met een minderjarige tussen de leeftijd van 12 en 16 jaar (art. 245 (oud) Sr), ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige beneden de leeftijd van 16 jaar (art. 247 (oud) Sr), verkrachting (art. 242 (oud) Sr), feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 (oud) Sr). Twee middelen namens de verdachte voorgesteld. M1: klacht over het oordeel dat een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van aangever heeft bestaan en over het gebruik van zijn verklaring voor het bewijs. M2: klacht over het gebruik van schakelbewijs. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel ziet op (de motivering van) de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot schadevergoeding. Alle middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO).

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 oktober 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:3273
  2. Conclusie A-G · 29 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:929

  3. Hoge Raad · 3 november 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1763

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03867

Zitting 29 september 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 11 oktober 2024 (parketnr. 20-002960-20) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
1. “een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd”;

2. “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt , ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”;

3. “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”;

4. “verkrachting, meermalen gepleegd”;

5. “feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd”,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 maanden, met aftrek van de tijd overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft voorts beslissingen genomen over enkele inbeslaggenomen voorwerpen en over de vorderingen van twee benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest nader omschreven.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.B.A. Acda, advocaat in Roermond, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

1.3

Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel heeft betrekking op het ondervragingsrecht ten aanzien van getuige [getuige 1] . Dit middel heeft – zo begrijp ik – betrekking op de feiten 2, 3 en 4. Het tweede middel komt op tegen het gebruik van schakelbewijs ten aanzien van feit 5. Het namens de benadeelde partij [benadeelde] voorgestelde middel ziet op de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot schadevergoeding.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaard dat:

“2.

hij in de periode van [geboortedatum] 2008 tot en met 21 oktober 2012 op een of meerdere plaatsen in België en te [plaats] , in de gemeente [...] , meermalen met [getuige 1] (geboren op [geboortedatum] 1996), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [getuige 1] , hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de anus van die [getuige 1] geduwd/gebracht en zijn penis in de mond van die [getuige 1] geduwd/gebracht, terwijl die [getuige 1] , aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij in de periode van [geboortedatum] 2008 tot en met 21 oktober 2012 op een of meerdere plaatsen in België en te [plaats] , in de gemeente [...] , meermalen met [getuige 1] (geboren op [geboortedatum] 1996), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontucht hieruit dat hij, verdachte,

- die [getuige 1] heeft gekust en

- die [getuige 1] heeft afgetrokken en

- die [getuige 1] heeft gepijpt en

- zich heeft laten aftrekken door die [getuige 1] en

- zich anaal heeft laten penetreren door die [getuige 1] , terwijl die [getuige 1] aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd;

4.

hij in de periode van [geboortedatum] 2012 tot en met 10 juni 2017 te [plaats] , in de gemeente [...] , meermalen door andere feitelijkheden en/of bedreiging met andere feitelijkheden

[getuige 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [getuige 1] , hebbende verdachte

- zijn penis in de anus van die [getuige 1] geduwd/gebracht en

- zijn penis in de mond van die [getuige 1] geduwd/gebracht en

- zich laten aftrekken door die [getuige 1] en

- zich anaal laten penetreren door die [getuige 1] en

- die [getuige 1] afgetrokken en

- die [getuige 1] gepijpt en

bestaande die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met die andere feitelijkheden hierin dat hij, verdachte,

- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en van het psychische en/of emotionele overwicht dat hij, verdachte, (als pleegvader) had op die [getuige 1] en
- misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat die [getuige 1] in hem, verdachte, als pleegvader had en
- die [getuige 1] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en
- zich dominant en/of dwingend en/of controlerend en/of agressief heeft opgesteld ten opzichte van die [getuige 1] en
- een situatie heeft doen ontstaan waaraan die [getuige 1] zich niet kon onttrekken en waarin die [getuige 1] zich niet kon verzetten en (aldus) voor die [getuige 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

5. hij in de periode van 1 december 2016 tot en met 10 juni 2017 te [plaats] , in de gemeente [...] , meermalen, door een andere feitelijkheid, [benadeelde] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het betasten van de billen en de penis en de ballen en de anus van die [benadeelde] en bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,
- die [benadeelde] (meermalen) thuis heeft uitgenodigd waarbij alcohol en/of verdovende middelen werden gebruikt en
- die [benadeelde] (meermalen) heeft gemasseerd en
- daarbij op die [benadeelde] is gaan zitten en
- daarbij onverhoeds de billen en de penis en de anus en de ballen van die [benadeelde] heeft betast en

- (meermalen) seksueel getinte opmerkingen heeft gemaakt tegen die [benadeelde] en

- misbruik heeft gemaakt van de vertrouwensband tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en/of misbruik heeft gemaakt van het feit dat hij, verdachte, docent was op de school waar die [benadeelde] leerling was en

- misbruik heeft gemaakt van het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [benadeelde] en het psychische en/of emotionele overwicht dat hij, verdachte, op die [benadeelde] had.”

2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Feiten 2, 3, 4 en 5

5. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [getuige 1] d.d. 20 juni 2017 (pg. 510 t/m 513), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

(pg. 511)

Toen ik ongeveer 11 jaar of 12 jaar was heb ik mijn pleegvader leren kennen via chat. Hij nam mij in vertrouwen. We hadden afspraakjes. We praatten ook over seksuele activiteiten.

Een jaar verder hadden we nog steeds afspraakjes, dat was ongeveer twee keer per week. Ik had het heel erg moeilijk. Toen kwam [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) op bezoek en heb ik gevraagd of ik bij hem mocht komen wonen. In het begin mocht ik op mijn eigen kamer slapen, en daarna moest ik bij hem in bed slapen. Er gebeurde dan ook seksuele activiteiten.

Het ergste wat er gebeurde was dat hij constant controle over me wilde hebben. Hij wil me volledig in de hand houden. Hij wil een (het hof begrijpt: eens) per week seks hebben en is nu ook met speeltjes bezig.

V: Wanneer was de eerste keer seksuele activiteit tussen jou en [verdachte] ?

A: De eerste keer was toen ik 12 of 13 jaar was in de auto. De laatste keer was juni 2017.

V: Waar vonden de seksuele handelingen plaats?

A: In het begin in de auto, in een parkje, in de bosjes, in een hotel. Het was altijd hetzelfde parkje omdat daar niemand kwam, dit is in België. En toen ik bij hem in ging wonen, was het in zijn bed, op de bank, buiten, in de jacuzzi, op de diepvries, in de keuken, in de douche, eigenlijk verdeeld over het hele huis.

V: We komen terug op de eerste keer. Wat was toen de seksuele activiteit?

A: Kussen.

(pg. 512).

De eerste keer was kussen, trekken en pijpen. Hij bij mij en ik bij hem.

V: Toen je bij hem ging wonen, waar bestonden die seksuele activiteiten uit?

A: Wat eerst gebeurde, trekken, pijpen maar ook anaal, bij mij en bij hem. Ik bij hem anaal en hij bij mij anaal. Anaal deed bij mij altijd pijn. Het laatste jaar werd hij veel agressiever in de seksualiteit. Als ik niet wilde dan dramde hij door. Hij wachtte dan tot ik sliep en dan deed hij het in mijn slaap. Hij wilde ook controle over mij.

6. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2017 (pg. 516 t/m pg. 526), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van aangever [getuige 1] :

(pg.516)

Pleegdatum: Periode tussen het 12e levensjaar van [getuige 1] (ongeveer 2009),
en begin juni 2017

Achternaam: [getuige 1]

Voornamen: [getuige 1]

Geboren: [geboortedatum] 1996

V = Vraag van de verbalisanten

A = Antwoord van aangever

(pg. 517)

V: Waarvan doe je aangifte

A: Ik heb een relatie gehad met een oudere man. Toen ik 12 jaar oud was heb ik contact met hem gekregen. Ik vroeg of ik bij hem kon gaan wonen. Hij werd op een gegeven moment mijn pleegvader en ik kreeg een relatie met hem. Dit betreft [verdachte] .

(pg. 518)

V: Wat is er precies gebeurd?

A: Ik had seksafspraken met [verdachte] . We maakten samen afspraken waarin er seksuele handelingen gebeurden. Later toen ik bij hem kwam wonen had ik een eigen kamer maar daar had ik niets aan. Ik sliep altijd boven bij hem op de slaapkamer en als ik beneden wilde slapen deed hij daar moeilijk over. Dit was toen de kinderen van hem uit huis gingen. De laatste jaren werden zijn handelingen ook heftiger. Soms wilde ik niet maar bleef hij gewoon doorgaan en had ik geen keus.

V: Hoe oud was je toen je hem leerde kennen?

A: Ik was twaalf/dertien jaar.

V: Waar is het gebeurd?

A: In het begin gebeurde het in België. We hebben ook seks gehad. Dit was in de auto. Het gebeurde ook in een hotel en buiten in het bos. Het gebeurde later ook bij hem thuis in [plaats] . Dit was overal in het huis:

V: Wanneer is het gebeurd?.

A: Van mijn 12e/13e tot aan mijn 15e gebeurde het in België, Toen ik vanaf mijn 15e bij hem kwam wonen gebeurde het bij hem thuis. Dit heeft tot ongeveer twee maanden geleden geduurd.

V: Hoe vaak is het gebeurd?
A: In België had ik ongeveer drie afspraken per maand met hem. In Nederland gebeurde het bijna elke dag.

V: Welke seksuele handelingen zijn er gebeurd?

A: Alles.

Opmerking verbalisant: aangever is zichtbaar geëmotioneerd.

V: Kun je ons nu vertellen welke seksuele handelingen er zijn gebeurd?

A: Wat er in België en in Nederland is gebeurd waren dezelfde seksuele handelingen. Het werd de laatste jaren in Nederland heftiger en soms gebruikten we ook viagra en hulpmiddelen in bed. We deden ook sowieso aan ‘fieken en blazen’. In het begin in België was het trekken en blazen. Dit was altijd samen. In Nederland gebeurde dit ook maar er gebeurde meer. We deden ook aan fieken. Ook probeerde hij me altijd te kussen.

Met trekken bedoel ik trekken aan een lul. Hij deed dit bij mij. In het begin zat hij gewoon aan mij en toen begon het. Ik liet het over me heen komen. Ik wist niet dat dit niet normaal was. In het begin stapte ik bij hem in de auto. Hij deed dan mijn broek half uit en maakte mijn riemen los. Hij ging me dan aftrekken. Dan zei hij dat ik hetzelfde bij hem moest doen. Ik moest aan zijn lul trekken tot hij klaar kwam. Hij zei tegen mij dat ik er met niemand over mocht praten.

De eerste keer blazen deed hij bij mij. Met blazen bedoel ik dat hij zijn mond vult met mijn lul. Hij ging dan zuigen aan mijn lul. Ik voelde hier niets bij. Ik durfde niets te zeggen.

De eerste keer fieken lukte het niet. Dat deed pijn. Het bleef ook later pijn doen. Later moest ik het bij hem doen. Ik vond het niet chill en deed vaak mijn ogen dicht. Hij wilde het ook altijd bij mij doen. Met fieken bedoel ik neuken. Dus zijn lul in mijn kont. Ik lag dan plat op mijn buik op het bed. Hij ging dan half op mij zitten en probeerde zijn lul in mij te stoppen. Ik zag en voelde dat dit zijn lul was. Als het wel lukte ging hij met zijn lul op en neer. Het deed echt ziekelijk veel pijn en ik had ook vaak bloed.

(pg. 520)

Ik moest het ook vaak bij hem doen. Dit gebeurde overal in huis, op de slaapkamer, in de badkamer, op de bank, in de jacuzzi.

Het begon vaak met trekken en blazen en op een gegeven moment pakte [verdachte] dan glijmiddel of olie en dan moest ik mijn lul bij hem erin stoppen.

Vanaf mijn 18e ging hij ruwer met me om tijdens de seksuele handelingen. Hij probeerde het veel vaker. Als ik het niet wilde probeerde hij het toch. Het werd steeds zieker en ruwer en heftiger.

V: Wanneer zijn de seksuele handelingen gestopt?

A: Ongeveer 8 weken terug. Ik wilde het niet meer en ben gaan vluchten.

(pg. 522)

A: Jeugdzorg heeft er voor gezorgd dat [verdachte] mijn pleegvader werd. Dit wilde [verdachte] ook. [verdachte] zorgde voor mij en regelde alles.

(pg. 524)

V: Hee heb jij aan hem duidelijk gemaakt dat je dit niet wilde?

A: Dan zei ik tegen hem dat ik het niet wilde. Alleen hij probeerde het toch altijd en bleef drammen. Hij kreeg toch altijd zijn zin en ik deed het toch maar weer. Ik kon ook nergens anders heen.

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2019, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] (proces-verbaalnummer PL2300 2017098901-25):

Op verzoek van de officier van justitie heb ik het geluidsfragment beluisterd. Ik herken de inhoud van het geluidsfragment. Ik heb het geluidsfragment uitgewerkt. Op het geluidsfragment herken ik de stem van [getuige 1] en ik herken de stem van [verdachte] .

Aanduiding wie wat zegt

D: [getuige 1]

G: [verdachte]

D: ik vind het gewoon moeilijk man, snapje dat

G: ja, je begint er nu over na te denken, over vroeger

D: Ja, vanaf mijn 12e

D: Maar ik denk echt dat onze relatie gewoon nooit slim is geweest toen, kijk nou wat er van kan komen

G: Ja, waarom

D: Als die uitkomt dan zit je 8 jaar in de gevangenis

G; Ja, jaah, ja

D: Ik snap eigenlijk niet dat je het met kinderen kon. Als je kijkt ben je gewoon pedofiel.

G: Ik heb nooit iets met kinderen gehad
D: Ja, je hebt met mij gehad.
G: Alleen met jou

G: Ja, omdat zich dat toevallig voordeed

D: En ben ik het enigste kind wat je hebt gehad?

G: Ja, ja dat moet je geloven.

G: Je moet sowieso niet praten. [getuige 1] ik heb je dat toen ook altijd gezegd.

G: En ik heb je vanaf begin af aan gezegd dat ik jou, op de een of andere manier heb ik me vrij snel aan jou gehecht.

D: Je bent altijd zo wazig, achterdochtig, opdringerig

G: Ja dat is de laatste tijd

D: Ja ook met seks ben je agressiever enzo, gewelddadig, en ik zeg ook vaak genoeg nee en dan G: Niet gewelddadig

D: Nee, wel zo van die gewelddadige eu snap je wat ik bedoel?

G: Ja

D: He, en als ik nee zeg dan blijf je toch doorzetten

G: Ja maar dat is over

D: Nee maar dat stoort me echt veel, als ik dat niet wil en dan wil ik dat niet en toch ga je door, snap je wat ik bedoel

G: Ja

8. Een kennisgeving van inbeslagneming (pg. 514 t/m 516), voor zover opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] :

(pg 514)

Beslagene

Achternaam: [getuige 1]

Voornamen: [...]

Goednummer PL2300-2017098091-953988

Object : Telefoon

Merk/type: Huawei

9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2020, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] (pv17-0353-002):

In november 2019 heb ik op verzoek van het onderzoeksteam een aanvraag in behandeling genomen om de authenticiteit van geluidsbestanden te onderzoeken. Ik heb de bestanden ontvangen van het onderzoeksteam, vervolgens op een USB-stick gezet. De USB-stick dient als transport medium en heeft als SIN nummer AAKY3834NL.

10. Een geschrift als bedoeld in artikel 339, eerste lid onder 5 Sv, te weten een authenticiteitsonderzoek: onderzoek naar manipulatie in drie opnames d.d. 30 juli 2020 door het NFI (pg. 3 t/m 20):

(pg.5)

De op USB-stick ontvangen geluidsbestanden (SIN AAKY3834NL) zijn digitaal gekopieerd naar een server van het NFI. Het onderzoeksmateriaal bestaat daarnaast uit een mobiele telefoon van het merk Huawei, type P8 (SIN AANM 8306NL)

(pg. 15)

Er zijn uit de resultaten van analyses van de kloktikken geen indicaties voor manipulatie gevonden. De resultaten stroken ermee dat de opname geen onderbrekingen in tijd bevat.

(pg. 17)

De te onderzoeken opnames zijn aangetroffen op het interne geheugen van de telefoon (SIN AANM8306NL) en zijn identiek aan de eerder overgelegde opnames.

De opnames bevatten twee opname-artefacten die stroken met de bewering dat de opnames zijn gemaakt met een Huawei P8-telefoon. De metadata-velden, de (ongewijzigde) filenaam van B1 en de aanwezigheid van twee opnamekanalen stroken ook hiermee. De hoorbare telefoongeluiden, en het stoppen van de opname als de telefoon wordt opgenomen, stroken met de bewering dat de opnames met de telefoon zijn gemaakt. Alle drie de opnames bevatten op enig moment dezelfde tikkende klokgeluiden, wat de stelling ondersteunt dat alle opnames in dezelfde woning zijn gemaakt.

Het merendeel van de bevindingen vormt steun voor de stelling dat de opnames een integrale weergave zijn van gesprekken die hebben plaatsgevonden.

(pg.18)

Vraag 1: zijn de drie bestanden die in het vooronderzoek zijn geleverd (SIN AAKY 3834NL) terug te vinden op de mobiele telefoon met SIN AANM8306NL? Indien aangetroffen, zijn de bestanden op de mobiele telefoon identiek aan de bestanden geleverd in het vooronderzoek?

Antwoord: Ja, de bestanden zijn aangetroffen in het geheugen van de telefoon (Met SIN AANM8306NL). Deze zijn identiek aan de bestanden die zijn geleverd op 1 november 2019 op SIN-AAKY3834NL.

(pg. 19)

De hypothesen:

Hypothese 1: Het betwiste materiaal is niet gemanipuleerd.

Hypothese 2: Het betwiste materiaal is gemanipuleerd.

Antwoord: De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 2 december 2020, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

[getuige 1] is bij mij komen wonen toen hij 14,5 jaar oud was. Ik was zijn pleegvader maar ik was meer zijn mentor.

Het gesprek dat door [getuige 1] is opgenomen, gaat over hoe lang ik hem ken.

12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2023, opgemaakt door de raadsheer-commissaris:

Op 28 november 2023 heeft onder leiding van de raadsheer-commissaris het verhoor plaatsgevonden van de getuige:

[getuige 1] .

Dit verhoor heeft plaatsgevonden in een speciaal daarvoor ingerichte verhoorstudio. Het verhoor heeft plaatsgevonden aan de hand van voormelde, vooraf bij de verhoorstudio ingediende onderzoeksvragen van de raadsman en de raadsheer commissaris.

Het verhoor is twee keer tussentijds onderbroken geweest, kort gezegd omdat de getuige te emotioneel werd. De raadsheer-commissaris heeft zich uiteindelijk genoodzaakt gezien om het verhoor voortijdig te beëindigen vanwege de gemoedstoestand van de getuige.

Nadat twee vragen over seks werden gesteld heeft de getuige geëmotioneerd de verhoorkamer verlaten. De getuige stond letterlijk te trillen als een rietje, over zijn hele lichaam.

De getuige heeft rond 15:18 uur weer de verhoorkamer gelaten. De getuige stond toen weer enorm te trillen.

Nadat de getuige vraag 6 had beantwoord over hoe hij zijn relatie met verdachte zou omschrijven, heeft hij wederom de verhoorkamer verlaten. De getuige zat ineengedoken op de grond en huilde. Hij trilde weer hevig over zijn hele lichaam. Het ging duidelijk niet goed met de getuige.

13. Het proces-verbaal van verhoor getuige van de raadsheer-commissaris d.d. 6 januari 2022, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :

Opmerking raadsheer-commissaris: de getuige wordt zeer emotioneel en zegt dat hij het niet meer trekt en verzoekt om het verhoor te pauzeren. De raadsheer-commissaris neemt waar dat het inderdaad niet goed gaat met de getuige.

14. Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 19 januari 2022:

De raadsheer-commissaris heeft van de advocaat van getuige [getuige 1] informatie ontvangen waaruit samengevat het volgende blijkt. Op 6 januari 2022, de dag van het getuigenverhoor, is ten aanzien van [getuige 1] een crisismaatregel genomen inhoudende een crisisopname. Een psychiater heeft verklaard dat getuige [getuige 1] na zijn verhoor zodanige herbelevingen kreeg dat een crisisopname onvermijdelijk was, en dat [getuige 1] suïcidaal gedrag vertoonde. Gelet op voorgaande is de raadsheer-commissaris van oordeel dat de gezondheid en het welzijn van de getuige door het afleggen van een (verdere) verklaring bij de raadsheer-commissaris in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris (verder) te kunnen ondervragen.

15. Het proces-verbaal van bevindingen (pg. 657 t/m 659) d.d. 23 juni 2017, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

(pg. 658)

[getuige 1] ging even roken en vroeg of ik zijn whatsapp gesprekken met [verdachte] wilde lezen. Ik las dat [verdachte] steeds wilde weten waar en met wie [getuige 1] was. Ik las dat [getuige 1] zich steeds moest verantwoorden over allerlei zaken. Ik las dat [verdachte] steeds hartjes stuurde en dat hij [getuige 1] miste. Ik las ook dat hij vroeg wanneer [getuige 1] in zijn bed kwam liggen.

16. Een geschrift als bedoeld in artikel 339 eerste lid onder sub 5 Sv, te weten een verslag verbatim studioverhoor (pg. 1 t/m 32) d.d. 28 november 2023, voor zover inhoudende:

(pg. 2)

Met de letter G wordt in deze verslaglegging bedoeld, de getuige.

Met de letter V wordt in deze verslaglegging bedoeld, de verhoorster.

(pg. 20).

V: Je hebt destijds aan de politie een geluidsfragment laten horen waarop jij en [verdachte] te horen zijn.

(pg. 22)

V: Dus waarmee had je het dan opgenomen

G: Mijn telefoon. Een Huawei P8.

(pg. 22)

G: Ik wou toch wel bewijs hebben. In de slaapkamer is het begonnen. Eerst van de slaapkamer naar de keuken, woonkamer.

(pg. 27)

V: Want je had opgenomen op je telefoon. Hoe heb je dat dan gedaan?

G: Die had ik in mijn binnenzak van een vest.

V: En op welk moment heb je ’t dan aangezet.

G: Ik heb ‘m gewoon aangezet en dan onder het gesprek in mijn zak gestoken eigenlijk.

(pg. 30)

V: Van de opname of met het terugluisteren heb je dan misschien nog het verhoor of het gesprek ingekort?

G: Nee

17. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [benadeelde] d.d. 15 juni 2017 (pg. 537 t/m pg. 541), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 1] :

(pg. 537)

- [verdachte] maakte opmerkingen van seksuele aard.

- Hij was ook handtastelijk en deed aanrakingen die niet gepast waren

- [benadeelde] bedoelt dat [verdachte] bijvoorbeeld zei: ‘soms vind ik het jammer dat je niet een beetje gay bent’.

(pg. 538)

- [verdachte] wel eens zijn benen heeft aangeraakt en zijn kont.

- [verdachte] gaf [benadeelde] wel eens een massage en hij dan lager ging met zijn handen.

- [verdachte] heeft toen zijn penis aangeraakt en wilde kijken of het niet echt wat deed met [benadeelde] .

- [benadeelde] op zijn rug lag en [verdachte] zijn penis vast pakte.

- [benadeelde] toen de handen van [verdachte] heeft weggeduwd.

- [verdachte] ook de billen van [benadeelde] heeft aangeraakt.

- [verdachte] had een jacuzzi en [benadeelde] heeft daar ook ingezeten.

- [benadeelde] en [verdachte] vaak met elkaar in de jacuzzi hebben gezeten.

- Met drinken bedoelt [benadeelde] bier en wijn, wodka cola, apfelkorn.

- [verdachte] en [benadeelde] ook wel eens waterpijp rookte met wiet.

- Het is begonnen in december 2016.

- [verdachte] toonde wel interesse voor de penis van [benadeelde] .

- [verdachte] heeft toen ook aan de penis van [benadeelde] gezeten.

(pg. 539)

- [verdachte] heeft zijn macht misbruikt als leraar tegen [benadeelde] .

(pg. 540)

Wanneer is het gebeurd: tussen 2016 en 10 juni 2017.

18. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 augustus 2017 (pg. 548 t/m 545), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van getuige [benadeelde] :

(pg. 548)

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord getuige

(pg. 549)

V: Waar ken je [verdachte] van?
A: [verdachte] was begeleider bij een Italië reis. [verdachte] was de begeleider van mijn groepje.

(pg. 550)

V: Wat deed jij bij [verdachte] thuis?

A: Waterpijp roken, alcohol drinken, muziek luisteren en praten met elkaar.

A: [verdachte] had een jacuzzi gekocht. Daar zaten we vaker in.

(pg. 551).

A: Later merkte ik dat [verdachte] mij aantrekkelijk vond.

A: Hij maakte de opmerking: ‘jammer dat je niet gay bent’.

V: Hoe zit het met aanrakingen tussen jou en [verdachte] ?

A: Die kwamen vooral vanuit de kant van [verdachte] .

V: Wat voor aanrakingen waren het? A: Als ik op mijn rug lag raakte hij mijn billen aan, en een keer met zijn hand tussen mijn billen. [verdachte] zat dan op mij. [verdachte] kwam langs de penis en ging via de pijp van de onderbroek naar mijn penis en raakte mijn penis aan met zijn hand.

(Pg. 552)

Een andere keer had ik geen onderbroek aan en pakte [verdachte] mijn penis vast met zijn hand.

19. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 28 december 2017 (pg. 699 t/m 704), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van aangever [benadeelde] :

(pg. 699)

V: vraag verbalisanten

O: opmerking verbalisanten

A: antwoord aangever

(pg. 701)

A: [getuige 1] vond het lastig om er over te praten. Hij vertelde dat hij met [verdachte] in bed moest slapen. Hij vertelde verder dat hij met [verdachte] de afspraak had dat, als een van de twee het zou vertellen, dat zij dan beide zelfmoord zouden plegen. [getuige 1] vertelde dat hij geen vriendin mocht hebben van [verdachte] . Dat deed mij denken aan dat [verdachte] altijd kritiek had als ik met een meisje om ging.

(pg. 703)

V: We begrijpen dat [verdachte] jou heeft aangeraakt en heeft vastgepakt bij je penis en balzak en aan je anus heeft gevoeld.

A: Ja, dat klopt. Ik verwachtte het niet. Het gebeurde plotseling terwijl hij op mij zat.

(pg. 704)

A: Ik was wel geshockeerd. Ik heb geprobeerd om zijn handen weg te duwen.

20. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [benadeelde] door de raadsheer-commissaris (pg. 1 t/m 5), belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 6 januari 2022, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [benadeelde] voornoemd:

(pg. 3)

Ik weet me nog een massage te herinneren waarbij ik naakt op het bed van [verdachte] lag op mijn rug en dat hij toen met zijn handen mijn penis en ballen vastpakte. Ik heb toen zijn handen vastgepakt en weggehaald. Ik heb zijn handen van mijn geslachtsdeel afgehaald. Bij andere massages lag ik op mijn buik en is hij in mijn onderbroek gegaan. Ik weet nog dat hij bij een van de massages toen ik op mijn buik lag met zijn duim over mijn anus is gegaan. Ik denk dat ik op dat moment bevroor van de stress. Omdat het ook zo onverwachts was.

Het klopt dat er verschillende massages hebben plaatsgevonden en dat mijn geslachtsdeel meerdere keren is aangeraakt. Hij heeft één keer met zijn handen mijn geslachtsdeel en ballen omsloten.

21. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 11 augustus 2017 (pg. 555 t/m 561), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van [getuige 2] :

(pg. 555)

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord getuige [getuige 2]

(pg.556)

V: Waar ken je [verdachte] van?

A: Ik heb bij hem in de tweede klas van de Havo gezeten. Ik had ook langere tijd contact met hem gehad.

(pg. 557)

V: Op welke manier hadden jullie contact met [verdachte] ?

A: [benadeelde] (het hof begrijpt: aangever [benadeelde]) en ik kwamen wat vaker bij [verdachte] thuis. Ik weet dat [benadeelde] daar vaker kwam. We gingen ook een uur in de jacuzzi.

A: Ik weet dat [benadeelde] en [verdachte] tussen september en de kerst van 2016 wat meer contact hadden samen. In de laatste week van de kerstvakantie had ik ook via whatsapp contact met [verdachte] . Die gesprekken waren wel wat ongemakkelijk, vond ik. [verdachte] stuurde berichten met daarbij rare smiley icoontjes met een kloppend hart.

Een tijd na dit gesprek (februari 2017) ben ik voor de twee keer naar [verdachte] gegaan om wiet te roken en in de jacuzzi te gaan.

O: Wij zien in de telefoon van [getuige 2] de door hem genoemde berichten. De berichten zijn vanaf februari 2017. [verdachte] schrijft ook over ‘sexy [getuige 2] ”.

(pg. 558)

A: Ik zag dat [verdachte] bij [benadeelde] ook wel eens zijn hand op het bovenbeen legde.

(pg. 559)

V: Wat weet je over het contact tussen [verdachte] en [benadeelde] ?.

A: Ik weet dat ze wat closer waren.

V: Wat weet je nog meer?

A: [benadeelde] heeft mij gezegd dat [verdachte] hem ooit een massage heeft gegeven.

A: [verdachte] en zijn pleegzoon [getuige 1] waren ook heel hecht met elkaar. Ik zag dat als [verdachte] hem een knuffel gaf als [getuige 1] kwam of weg ging.

22. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 november 2017 (pg. 650 t/m 656), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] :

(pg. 651)

Door ons verbalisanten werden de telefoon bekeken. In de prepaid telefoon van [verdachte] hebben wij whatsappberichtjes tussen [verdachte] en jonge jongens gelezen. Wij zag in deze berichten de namen [getuige 2] (het hof begrijpt: getuige [getuige 2]) en [benadeelde] (het hof begrijpt: aangever [benadeelde]) staan. In de berichtjes tussen [benadeelde] en [verdachte] lazen wij het volgende: ‘Sjat, emoji met hartjes, kom je vanavond gezellig langs, blijf je vanavond slapen, ik verheug me op vanavond, tot vanavond 19:30 uur’. Wij lazen dat de berichtjes midden in de nacht waren verstuurd.

(pg. 653)

Op 10 juni 2017 zijn wij (verbalisanten) naar het adres van [verdachte] gereden. Wij zagen dat [verdachte] wilde wegrijden met zijn motor. Hem aangesproken. Hem nogmaals gevraagd naar zijn avond en met wie hij had afgesproken. Hij gaf aan dat hij met [getuige 2] en [benadeelde] had afgesproken. Dat ze bij hem thuis dan naar muziek zouden gaan luisteren en wat wiet zouden roken.

23. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 2 december 2020, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik heb [benadeelde] wel eens gemasseerd. Ik heb zijn billen aangeraakt. Ik heb met olie zijn rug gemasseerd. [benadeelde] had een onderbroek aan. Ik was leraar op de school waar hij zat.

24. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 oktober 2017 (pg. 528 t/m 536), voor zover inhoudende als weergave van de verklaring van aangever [getuige 1] :

(pg. 528)

V = Vraag van de verbalisanten

A = Antwoord van aangever

(pg. 535)

A: Hij kon nooit genoeg krijgen van die jacuzzi. Er kwam een jongen langs in die tijd. Hij zat toen ook met die jongen in de jacuzzi. [verdachte] en die jongen zaten naast elkaar op de bank als ik thuis kwam. Die jongen heet [benadeelde] (het hof begrijpt: aangever [benadeelde]). Die jongen kwam best vaak bij [verdachte] .

V: Waren er nog andere jongens die over de vloer kwamen?

A: [getuige 2] (het hof begrijpt: getuige [getuige 2]).”

3 Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld

Het eerste middel

3.1

Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad tot het ondervragen van de getuige [getuige 1] . Dat zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn in het licht van het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 23 november 2023. Nu de verklaringen van [getuige 1] desondanks voor het bewijs zijn gebezigd, terwijl deze “sole and decisive” zijn voor de bewezenverklaring en geen adequate compensatiemaatregelen voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid voor de verdediging aanwezig zijn geweest, zou sprake zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM.

De bewijsoverwegingen van het hof

3.2

Het arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in over het ondervragingsrecht ten aanzien van de getuige [getuige 1] :

“Bewijsoverwegingen

(…)

Behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid ex artikel 6 EVRM

Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot het horen van de getuige heeft kunnen uitoefenen.

Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt het volgende. Op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring - daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd - te toetsen en aan te vechten. De enkele omstandigheid dat een getuige de aan hem gestelde vragen niet (volledig) beantwoordt omdat hij - al dan niet vanwege tijdsverloop - onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot wat aan de verdachte is tenlastegelegd, heeft waargenomen of ondervonden, brengt niet mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken (vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679, NJ 2016/471).

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier het volgende vast.

Aangever [getuige 1] is eerst gehoord tijdens het informatief gesprek zeden op 20 juni 2017 en vervolgens heeft hij een verklaring afgelegd tijdens het verhoor op 28 juni 2017 alsmede op 12 oktober 2017. Aangever is vervolgens op 6 januari 2022 gehoord bij de raadsheer- commissaris. Dit verhoor is na enkele vragen afgebroken gelet op de gemoedstoestand van de getuige. Daarna is aangever [getuige 1] nogmaals gehoord, ditmaal in een studio, op 28 november 2023. Voorafgaand aan het studioverhoor dat plaatsvond op 28 november 2023 heeft de verdediging vragen ingediend bij de raadsheer-commissaris. Dit verhoor is na enkele onderbrekingen tevens voortijdig beëindigd gelet op de gemoedstoestand van de getuige. Weliswaar zijn niet alle door de verdediging opgestelde vragen aan de getuige gesteld tijdens het studioverhoor, maar het verhoor is evenmin direct afgebroken. Er zijn meerdere pogingen geweest om de vragen aan de getuige te stellen en de verhoorder heeft uiteindelijk ook een deel van de vragen kunnen stellen. Getuige [getuige 1] heeft daar ook antwoord op gegeven, De getuige is voornamelijk bevraagd over hoe hij de verdachte heeft leren kennen en bij hem is komen wonen, over het tenlastegelegde ten aanzien van [benadeelde] en over de geluidsopname. Voorts zijn de tenlastegelegde handelingen ten aanzien van getuige [getuige 1] zijdelings door de getuige genoemd. Naar het oordeel van het hof waren dit blijkens de door de verdediging ingediende vragen ook een aantal kernpunten waar de verdediging de getuige over wilde bevragen. Het hof is van oordeel dat de verdediging dan ook in voldoende mate: in staat is geweest om de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) aangever te toetsen. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin een mogelijkheid tot ondervraging volledig heeft ontbroken. Concluderend is er sprake geweest van een. effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid.”

Een nadere omschrijving van het eerste middel

3.3

Het eerste middel bevat de klacht dat ten onrechte is geoordeeld dat de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad tot het (doen) ondervragen van de getuige [getuige 1] . Daarbij wordt niet bestreden dat de getuige twee keer onder regie van de raadsheer-commissaris is gehoord en tijdens het tweede (studio)verhoor een deel van de vragen van de verdediging ook daadwerkelijk is gesteld en beantwoord. Voor de steller van het middel is het euvel erin gelegen dat de verdediging desondanks “niet alle kernpunten” van haar vragenlijst beantwoord heeft gezien, omdat beide verhoren voortijdig zijn beëindigd met het oog op de gemoedstoestand van de getuige.

3.4

In het verlengde daarvan wordt geklaagd over het gebruik voor het bewijs van de getuigenverklaring, gelet op – kort gezegd – het gewicht van die verklaring in het geheel van de bewijsconstructie en de afwezigheid van maatregelen ter compensatie voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid. Op grond daarvan wordt het standpunt ingenomen dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de procedure als geheel niet beantwoordt aan de eisen van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.

Het beoordelingskader

3.5

Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Dit betekent in het algemeen dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring – daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd – te toetsen en aan te vechten. De opvatting dat slechts dan van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid sprake is indien alle door of namens de verdediging gestelde vragen door de getuige zijn beantwoord, is onjuist.De enkele omstandigheid dat een getuige de aan hem gestelde vragen niet (volledig) beantwoordt omdat hij – al dan niet vanwege tijdsverloop – onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot wat aan de verdachte ten laste is gelegd, heeft waargenomen of ondervonden, brengt evenmin mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken. Daarvan moet worden onderscheiden de situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen. In dat geval ontbreekt wel een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging.

De bespreking van het eerste middel

3.6

Het oordeel van het hof over het bestaan van een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat, hoewel tijdens het studioverhoor inderdaad niet alle vragen van de verdediging zijn gesteld dan wel beantwoord, dit blijkens de vooropstelling onder randnummer 3.5 voor een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid ook niet is vereist. In dat verband wijs ik er verder op dat de vragen die wel zijn gesteld en beantwoord het grootste deel van de door de verdediging ingediende vragen betreft. De opmerking van de steller van het middel dat de verdediging ten aanzien van de belangrijkste elementen van de tenlastelegging – waarmee blijkens de toelichting wordt gedoeld op de beweerdelijke seksuele handelingen, de leeftijd waarop dit zou hebben plaatsgevonden alsmede de betrouwbaarheid van de getuige – geen vragen heeft kunnen stellen, kan ik niet helemaal volgen. De niet-gestelde vragen hadden daarop geen betrekking. Weliswaar heeft de getuige niet verklaard over details van het seksuele contact tussen de getuige en de verdachte (de vragen gaven daar ook niet direct aanleiding toe), maar de getuige heeft in reactie op andersoortige vragen wel meer in algemene zin (opnieuw) te kennen gegeven dat hij door de verdachte seksueel is misbruikt. De wel gestelde en beantwoorde vragen bestreken bovendien verschillende met de ten laste gelegde feiten verband houdende onderwerpen, waarvan de beantwoording relevant was voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuige. Ik hecht er op dit punt ook aan te benadrukken de getuige heeft geprobeerd naar beste kunnen antwoord te geven op de vragen van de verdediging, dat de verdediging gedurende het studioverhoor live heeft meegekeken en -geluisterd, waardoor zij steeds heeft kunnen waarnemen wat het effect was van bepaalde onderwerpen en vragen op de gemoedstoestand van de getuige en dat het die gemoedstoestand is geweest die verdere beantwoording van vragen onmogelijk maakte. Van enige onwil bij de getuige is kortom niet gebleken. Al met al heeft het hof mijns inziens kunnen oordelen dat de verdediging in voldoende mate in staat is geweest om de betrouwbaarheid (van de verklaringen van) de getuige te toetsen.

3.7

Het middel faalt.

4 Het tweede middel dat namens de verdachte is voorgesteld

Het tweede middel

4.1

Het tweede middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde, meer in het bijzonder tegen het gebruik van de constructie van schakelbewijs.

4.2

Voor de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen van feit 5 verwijs ik naar de weergave daarvan onder randnummers 2.1 en 2.2.

De bewijsoverwegingen van het hof

4.3

Het hof heeft in het kader van feiten 2 t/m 4, die tegen [getuige 1] zijn gepleegd, een en ander over schakelbewijs overwogen dat van belang is voor de bespreking van het middel (over feit 5):

“Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat schakelbewijs als dergelijk steunbewijs kan dienen. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de rechter de bewezenverklaring mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt ‘schakelbewijs’ genoemd. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en dat het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest.

Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen beide ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeId, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.

Hef hof stelt vast dat het handelen van de verdachte in de zaak van aangever [getuige 1] op essentiële punten overeenkomt en kenmerkende gelijkenissen vertoont met het handelen in de zaak van aangever [benadeelde] . Weliswaar zijn niet alle gedragingen vergelijkbaar, evenmin de periode en de ernst van het misbruik, wel betreft het een gelijksoortige manier waarop de verdachte met deze jonge jongens een vertrouwensband opbouwde en die vervolgens misbruikte. Het waren jongens die van een leeftijd waren waarop zij zich gemakkelijker lieten beïnvloeden door een volwassen persoon en waarbij door onder andere jacuzzigebruik, muziek en gesprekken een amicale sfeer werd gecreëerd en aan die jongeren alcohol en drugs werden verstrekt. Dit schakelbewijs levert naar het oordeel van het hof steunbewijs op voor het bewijs dat de verdachte de door aangever [getuige 1] beschreven handelingen heeft verricht. Het verweer van de raadsman dat er geen sprake is van overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen wordt dan ook verworpen.”

4.4

In aanvulling daarop is specifiek over feit 5 het volgende in het arrest opgenomen:

“Vaststelling feit 5


Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier het volgende vast. Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat verdachte een leraar was op zijn school en aangever in de periode van 1 december 2016 tot en met 10 juni 2017 regelmatig bij de verdachte thuis kwam. Ze gingen dan in de jacuzzi en dronken alcohol en gebruikten verdovende middelen samen. De verdachte maakte dan regelmatig opmerkingen van seksuele aard richting aangever. Tijdens een massage heeft de verdachte de penis en de ballen van aangever aangeraakt. Ook raakte hij met zijn hand wel eens de billen van aangever aan en ging hij ook een keer met zijn hand tussen de billen. Aangever verwachtte het niet en probeerde zijn handen weg te duwen. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] zagen in de telefoon van de verdachte appgesprekken tussen de verdachte en aangever [benadeelde] , waarin verdachte onder meer het volgende naar aangever [benadeelde] stuurde: ‘Sjat, emoji met hartjes, kom je vanavond gezellig langs, blijf je vanavond slapen, ik verheug me op vanavond’. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met aangever [benadeelde] wel eens bij de verdachte thuis kwam. Aangever [benadeelde] kwam daar vaker en ze gingen ook samen in de jacuzzi. Getuige [getuige 2] heeft gezien dat de verdachte wel eens zijn hand op het bovenbeen van aangever [benadeelde] legde. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij aangever [benadeelde] wel eens masseerde en zijn billen heeft aangeraakt. Aangever [getuige 1] heeft verklaard dat aangever [benadeelde] en getuige [getuige 2] een periode regelmatig zijn langsgekomen in de woning van de verdachte en dat verdachte samen met aangever [benadeelde] wel eens in de jacuzzi zat.

Overwegingen van het hof

Het hof is van oordeel dat uit de aangifte volgt dat de verdachte de eerbaarheid van aangever [benadeelde] feitelijk heeft aangerand. Aangever heeft daarover consistent en gedetailleerd verklaard. Dat aangever niet direct na de pleegperiode aangifte heeft gedaan, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Zijn verklaringen staan bovendien niet op zichzelf maar worden afdoende ondersteund door de appgesprekken tussen de verdachte en aangever waaruit een seksuele sfeer vanuit de verdachte blijkt, alsmede de verklaring van de verdachte dat hij de billen van aangever heeft aangeraakt en de verklaringen van getuige [getuige 2] en aangever [getuige 1] .

Daarnaast is het hof zoals hiervoor overwogen van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [benadeelde] elkaar over en weer ondersteunen. Dit schakelbewijs levert naar het oordeel van het hof steunbewijs op voor het bewijs dat de verdachte de door aangever [benadeelde] beschreven handelingen heeft verricht.

Het hof stelt verder vast dat er sprake is geweest van ‘andere feitelijkheden’, die gelegen waren in het misbruik dat de verdachte heeft gemaakt van het overwicht dat hij op aangever had. Er was een groot leeftijdsverschil en daarnaast was de verdachte een leraar op de school waar aangever leerling was. Aldus is er sprake van misbruik van autoriteit in samenhang met leeftijdsverschil. Bovendien heeft de verdachte telkens onverhoeds gehandeld met de aanrakingen waardoor aangever zich niet heeft kunnen verzetten daartegen. Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van dwang dat voortvloeit uit andere feitelijkheden, waaraan de verdachte zich niet kon onttrekken.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.”

Een nadere omschrijving van het tweede middel

4.5

In het tweede middel wordt de stelling betrokken dat de door het hof aangemerkte gelijkenissen tussen de zaken van [benadeelde] en [getuige 1] niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. In het bijzonder zou ten aanzien van getuige [getuige 1] niet blijken dat hij ook door de verdachte is benaderd “door middel van jacuzzigebruik, muziek en gesprekken in een amicale sfeer”. Daarnaast meent de steller van het middel dat de door het hof als kenmerkend aangeduide overeenkomsten tussen de zaken dermate generiek zijn dat de getuigenverklaring van [getuige 1] niet redengevend kan worden geacht voor de bewezenverklaring van – kort gezegd – de aanranding van getuige [benadeelde] onder feit 5.

Het beoordelingskader

4.6

Met het oog op de bespreking van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De term schakelbewijs wordt gebruikt voor een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De beoordeling van de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs moet plaatsvinden in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan relevant zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen.

De bespreking van het tweede middel

4.7

In het kader van feiten 2 t/m 4 heeft het hof vastgesteld dat het handelen van de verdachte in de zaak van aangever [getuige 1] op essentiële punten overeenkomt en kenmerkende gelijkenissen vertoont met het handelen in de zaak van aangever [benadeelde] . De redenering die het daartoe heeft gehanteerd houdt in dat weliswaar niet alle gedragingen vergelijkbaar zijn, evenmin als de periode en de ernst van het misbruik, maar dat het een gelijksoortige manier betreft waarop de verdachte met deze jonge jongens een vertrouwensband opbouwde en die vervolgens misbruikte. Volgens het hof ging het om jongens die van een leeftijd waren waarop zij zich gemakkelijker lieten beïnvloeden door een volwassen persoon en waarbij door onder andere jacuzzigebruik, muziek en gesprekken een amicale sfeer werd gecreëerd en aan die jongeren alcohol en drugs werden verstrekt. In zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van de – kort gezegd – aanranding van [benadeelde] onder feit 5 heeft het hof voorts opgenomen dat de verklaringen van [benadeelde] en [getuige 1] elkaar over en weer ondersteunen en dit schakelbewijs steunbewijs oplevert voor het bewijs dat de verdachte de door [benadeelde] beschreven handelingen heeft verricht.

4.8

Uit de bewijsoverwegingen begrijp ik dat het hof de kenmerkende gelijkenissen tussen de zaken van [benadeelde] en [getuige 1] heeft gezien in de gelijksoortige manier waarop de verdachte een vertrouwensband opbouwde met jonge jongens, van een leeftijd waarop zij meer vatbaar waren voor beïnvloeding door een volwassene, en daar vervolgens misbruik van maakte. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat in beide gevallen een amicale sfeer werd gecreëerd. Het hof heeft vervolgens aangegeven op welke wijze die amicale sfeer onder andere werd gecreëerd, te weten door jacuzzigebruik, muziek en gesprekken. Uit deze formulering leid ik af dat het hof niet heeft bedoeld dat die drie factoren bij beide jongens een rol hebben gespeeld bij het creëren van een amicale sfeer. Het teweegbrengen van een amicale sfeer heeft het hof mijns inziens als de gemene deler gezien; niet de precieze wijze waarop die tot stand werd gebracht. In zoverre berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest. Dat de verdachte in het contact met beide jongens een amicale sfeer creëerde alvorens tot misbruik is overgegaan, blijkt wel degelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen en wordt door de steller van het middel ook niet bestreden.

4.9

Met betrekking tot de klacht dat de getuigenverklaring van [getuige 1] niet als schakelbewijs kan worden gebruikt omdat de vastgestelde gelijkenissen met de zaak van [benadeelde] niet voldoende onderscheidend zijn, is het volgende van belang. Conform de vooropstelling onder randnummer 4.6 moet de vraag of schakelbewijs (mede) reden geeft voor een bewezenverklaring worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Tegen die achtergrond is het relevant om de door het hof kennelijk voor de bewezenverklaring van feit 5 gebezigde bewijsmiddelen (en overwegingen daaromtrent) nog eens op te sommen:

- De verklaringen van [benadeelde] , waarin is opgenomen dat de verdachte hem – kort gezegd – tijdens massages bij de verdachte thuis zou hebben aangerand en dat zij daar vaak met elkaar in de jacuzzi hebben gezeten.

- De getuigenverklaringen van [getuige 1] , voor zover daarin is opgenomen dat [benadeelde] – waarvan het hof begrijpt dat dit [benadeelde] is – best vaak langs kwam in het huis waar hij met de verdachte woonde, dat de verdachte met die jongen in de jacuzzi zat en dat de verdachte en die jongen naast elkaar op de bank zaten als [getuige 1] thuiskwam;

- De getuigenverklaring van [getuige 2] , waarin is opgenomen dat hij en [benadeelde] – waarvan het hof aanneemt dat het [benadeelde] is - vaker bij de verdachte thuis kwamen en daar in de jacuzzi gingen, en dat [benadeelde] hem heeft verteld dat hij wel eens een massage van de verdachte heeft gekregen;

- Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] en [verbalisant 6] , waarin zij het Whatsapp-contact tussen de verdachte en [benadeelde] beschrijven en waaruit blijkt dat de verdachte in zijn berichten seksuele toespelingen maakt in de richting van [benadeelde] ;

- De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende dat hij [benadeelde] – te weten [benadeelde] - wel eens heeft gemasseerd, zijn billen heeft aangeraakt, dat [benadeelde] een onderbroek aan had en dat hij leraar was op de school waar [benadeelde] zat;

- De getuigenverklaringen van [getuige 1] , voor zover daarin is opgenomen dat hij zelf door de verdachte seksueel is misbruikt, welke verklaring als schakelbewijs is gebruikt.

4.10

Deze opsomming laat zien dat de geschakelde onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] slechts een ondergeschikt deel van de bewijsvoering van feit 5 uitmaken. Tegen die achtergrond is niet onbegrijpelijk dat het hof voor de bewezenverklaring van feit 5 mede redengevend heeft geacht de verklaring van [getuige 1] over het door de verdachte ten aanzien van hem gepleegde seksuele misbruik. In die context acht ik de door het hof beschreven gelijkenissen wel degelijk voldoende onderscheidend. De enkele omstandigheid dat het opbouwen van een vertrouwensband met een jonge jongen voorafgaand aan misbruik vaker voorkomt in zedenzaken, maakt niet dat aan het overeenkomen van dat kenmerk in de zaken van [benadeelde] en [getuige 1] in het geheel geen bewijswaarde mag worden gehecht. Dat maakt dat het middel faalt. Daar komt nog bij dat de overige bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien de bewezenverklaring van feit 5 reeds kunnen dragen, terwijl het middel zich niet richt tegen de bewijsvoering van feit 5 als zodanig. Als gevolg daarvan heeft de steller van het middel hoe dan ook geen belang bij de klacht.

4.11

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Het middel dat namens de benadeelde partij [benadeelde] is voorgesteld

Het middel

5.1

Het namens de benadeelde partij [benadeelde] voorgestelde middel houdt in dat het hof de benadeelde partij ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering, dan wel dat dit oordeel niet toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd.

De overwegingen van het hof

5.2

Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] als volgt beslist:

“De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 8.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

[afbeelding niet beschikbaar]

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2017.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 5 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof is van oordeel dat kostenpost I voldoende onderbouwd is en in voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde. Toewijzing van de kostenpost komt het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal de vordering in zoverre dan ook toewijzen.

Ten aanzien van kostenpost II b, c is het hof van oordeel dat deze kosten geen rechtstreekse materiële schade betreffen nu zij niet bestemd zijn ter voorkoming of beperking van de schade ingevolge artikel 6:96, tweede lid, onder a, BW, noch kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade zoals bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, onder b, BW. Ten overvloede merkt het hof op dat deze kostenposten evenmin voor toewijzing in aanmerking komen als proceskosten, nu de benadeelde partij in het strafproces is bijgestaan door een gemachtigde advocaat. Op grond van het bepaalde in artikel 238, tweede lid, Rv is er in dit geval dan ook geen ruimte om de reiskosten van de benadeelde als proceskosten toe te wijzen. Het hof zal benadeelde partij in dit deel van de vordering (kostenpost II b, c en d) dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Kostenpost II d daarentegen is naar het oordeel van het hof wel toewijsbaar, nu deze voldoende onderbouwd is, rechtstreekse schade betreft en in voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde. Toewijzing daarvan komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het hof zal de vordering in zoverre (kostenpost II c) dan ook toewijzen.

Het toe te wijzen bedrag aan materiële schade (€ 523,61) zal vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2017, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade ad € 5.000,- overweegt het hof als volgt.

Als een slachtoffer als gevolg van een strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt, dan is er sprake van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in de wet. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze' is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Het hof is van oordeel dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 5 bewezenverklaarde feit. Uit het voegingsformulier d.d. 17 april 2019 volgt dat de benadeelde is gediagnosticeerd met PTSS. Daarnaast heeft hij nachtmerries gehad, slaapproblemen en concentratieproblemen.

Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende onderbouwd dat het bewezenverklaarde dermate ingrijpende gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer dat de in artikel 6:106, aanhef en onder B, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Het hof acht het gelet op voorgaande billijk om een bedrag ad € 4.000,- aan immateriële schade toe te wijzen. Voor het overige deel van de vordering is het hof van oordeel dat de behandeling van de gevorderde immateriële schade een nadere bewijslevering zou vergen, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in de vordering worden ontvangen en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2016, zijnde de eerste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.”

Een nadere omschrijving van het middel

5.3

De steller van het middel meent dat de beslissing over de schadepost ‘reiskosten’ niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de overwegingen van het hof daarover tegenstrijdig zouden zijn en uit het arrest niet is af te leiden welke deelposten het hof wel heeft willen toewijzen.

De bespreking van het middel

5.4

Toegegeven kan worden dat de aangehaalde overwegingen over de reiskosten wat warrig zijn. Ik meen evenwel dat het kennelijke misslagen zijn die zich lenen voor verbeterde lezing. Dat baseer ik op het volgende. Zowel uit de daaropvolgende overwegingen als uit het dictum blijkt dat de vordering tot schadevergoeding, wat betreft materiële schade, is toegewezen tot een bedrag van € 523,61. Verder staat vast dat het materiële deel van de vordering in totaal € 600 beliep, bestaande uit medische kosten à € 500 en reiskosten à € 100 (a. psycholoog, b. advocaat, c. rechtbank en d. toekomstig). Het hof heeft de gevorderde vergoeding voor medische kosten integraal toegekend, wat tot de conclusie noopt dat daarnaast alleen de reiskosten in verband met de psycholoog à € 23,61 zijn toegewezen. In het dictum is voorts opgenomen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard in het materiële deel van de vordering. De overwegingen van het hof moeten gelet daarop zo worden gelezen dat de vordering tot vergoeding van reiskosten in verband met de psycholoog (onder a) wordt toegewezen, maar de benadeelde partij niet wordt ontvangen in zijn vordering aangaande de overige reiskosten (onder b t/m d). Als gevolg daarvan komt de feitelijke grondslag in zoverre aan het middel te ontvallen.

5.5

Daarnaast richt de steller van het middel zijn pijlen op de motivering van de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het immateriële deel van de vordering. Van de in totaal gevorderde € 7.500 voor immateriële schade is een bedrag van € 4.000 toegewezen op grond van aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW. Over het resterende deel is geoordeeld dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren vanwege de noodzaak tot nadere bewijslevering. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat a) niet is toegelicht waarom het strafgeding onevenredig zou worden belast, b) niet is gemotiveerd voor welke aspecten van de vordering een nadere bewijslevering zou moeten plaatsvinden, en c) de vordering niet is betwist, om welke reden het hof deze integraal had moeten toewijzen.

5.6

Uit het voorgaande blijkt reeds dat het hof de onevenredige belasting van het strafgeding heeft gezien in de noodzaak tot nadere bewijslevering, om welke reden het argument onder a) niet opgaat. Het argument onder b) veronderstelt een motiveringseis die geen steun vindt in het recht. Het oordeel dat de behandeling van (een deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk acht ik het oordeel van het hof niet. Tot besluit maakt de omstandigheid dat de vordering niet door de verdediging is betwist weliswaar dat van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten ex art. 149 Rv kan worden uitgegaan en de vordering in de regel kan worden toegewezen, maar niet dat de vordering ook zonder meer voor het gehele bedrag moet worden toegewezen. In alle gevallen dient de rechter, nadat is geoordeeld dat een rechtsgrond voor toewijzing van schadevergoeding bestaat, de omvang van de schade te begroten. Dat heeft het hof in het geval van de immateriële schadevergoeding naar billijkheid gedaan, waarbij op een bedrag van € 4.000 is uitgekomen.

5.7

Het namens de benadeelde partij [benadeelde] voorgestelde middel faalt.

6 Slotsom

6.1

De namens de verdachte voorgestelde middelen falen. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt ook. Alle middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Wel wijs ik erop dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM op 18 oktober 2026 zal worden overschreden.

6.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017, rov. 3.4.1. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679, rov. 2.3. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679, rov. 2.4. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017, rov. 3.4.3. Als ik het goed heb geteld, zijn 32 van de in totaal 62 vragen gesteld en beantwoord. Dat betreffen bovendien 21 vragen die geen betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten, maar op feiten waarvan de verdachte de aangever beschuldigt (vragen 42-62). Daarbij ga ik uit van de vragen zoals deze uiteindelijk (met instemming van de raadsman van de verdachte) door de studioverhoorder zijn gesteld dan wel zouden worden gesteld, zoals neergelegd in bijlage 4 bij het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 20 december 2023 over het studioverhoor van de getuige. Dat zijn volgens de steller van het middel “in ieder geval de vragen 6 t/m 9 en 12 en 13, de vragen 3 t/m 5 en 10 en 11 en de vragen over de inbraak, de bankrekening en de creditcard”. Ik merk op dat vraag 6 wel is beantwoord en vraag 3 ook grotendeels. Vgl. p. 10 (van 32) van het “Verslag verbatim studioverhoor”, als bijlage 6 gehecht aan het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 20 december 2023 over het studioverhoor van de getuige In aanvulling op de onderwerpen die door het hof zijn genoemd, kan nog worden gewezen op de positie die de verdachte in het leven van de getuige innam, de aanvankelijke ontkenning van de getuige tegenover de politie dat de verdachte hem heeft misbruikt, en de omstandigheid dat hij daar later van is teruggekomen. Vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455, rov. 3.3.1. Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303, rov. 3.8. De bewijsmiddelen zijn door mij in een andere volgorde gezet dan die waarin ze in het arrest zijn weergegeven. Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:933. Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.8.3 en 2.8.7. Hoewel uit het arrest blijkt dat het hof op 11 oktober 2024 de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen, wijst niets erop dat het bevel gevangenneming op enig moment ten uitvoer is gelegd. Om die reden wordt uitgegaan van de reguliere behandeltermijn in cassatie van twee jaar.