Strafrecht overig

Zedenzaak. Ontucht met minderjarig pleegkind, meermalen gepleegd (art. 245 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr)…

Hoge Raad, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
24/03867
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1763
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zedenzaak. Ontucht met minderjarig pleegkind, meermalen gepleegd (art. 245 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr), verkrachting, meermalen gepleegd (art. 242 (oud) Sr) en feitelijke aanranding van eerbaarheid, meermalen gepleegd (art. 246 (oud) Sr). 1. Ondervragingsrecht t.a.v. getuige. Kon hof oordelen dat verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad tot ondervragen van getuige, nu tijdens studioverhoor niet alle vragen van verdediging zijn gesteld en beantwoord? 2. Bewijsklacht gebruik van schakelbewijs. 3. Schriftuur benadeelde partij t.a.v. schadepost “reiskosten” en immateriële schade. Kon hof de b.p. gedeeltelijk n-o verklaren in zijn vordering?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 oktober 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:3273
  2. Conclusie A-G · 29 september 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:929
  3. Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1763

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03867

Datum 3 november 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 oktober 2024, nummer 20-002960-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.B.A. Acda bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte en de benadeelde partij zijn voorgesteld

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.