Strafrecht overig
Conclusie AG. Oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, tezamen en in vereniging met…
Parket bij de Hoge Raad, 15 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:943 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-943
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/02204
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:943
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, tezamen en in vereniging met anderen. Volgens AG falen de bewijsklachten van het middel, waaronder klacht over oordeel dat verdachte de “valse hoedanigheid” van betrouwbare en integere directeur/bestuurder heeft aangenomen. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 juni 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1862Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:943
Hoge Raad · 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1593
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02204
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
Bij arrest van 5 juni 2024 is de verdachte – na partiële terugwijzing door de Hoge Raad – door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000221-22) veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting (feit 1 primair). Het hof heeft de verdachte ter zake van dit feit en het medeplegen van oplichting (feit 3), niet-ambtelijke omkoping (feit 6) en witwassen, meermalen gepleegd (feit 7), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof enkele voorwerpen verbeurd verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02228, 24/02229 en 24/02230. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in deze zaak (nog) over gaat
De onderhavige zaak handelt over oplichting van woningbouwvereniging [benadeelde] (‘ [benadeelde] ’), niet-ambtelijke omkoping en witwassen.
De zaak is voor een tweede keer in cassatie aan de orde. Eerder werd de verdachte bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2020 (parketnr. 20-000351-18) wegens medeplegen van oplichting (feit 1 primair en feit 3), niet-ambtelijke omkoping (feit 6) en witwassen, meermalen gepleegd (feit 7), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Het hof had daarnaast een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en de [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte werd tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
Bij uitspraak van 1 februari 2022 (rolnr. 20/03140) heeft de Hoge Raad voormelde uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging omdat, kort gezegd, een aantal feitenvaststellingen van het hof met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde niet door (met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide) bewijsmiddelen werd geschraagd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het hof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien van feit 1 en de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan, en het beroep voor het overige verworpen.
Het hof heeft de zaak voor zover betrekking hebbend op feit 1 ( [a-straat] ) en de strafoplegging opnieuw inhoudelijk behandeld ter zitting van 10 april 2024 en vervolgens op 5 juni 2024 arrest gewezen. De verdachte is daarbij ter zake feit 1 primair opnieuw veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting van [benadeelde] en voor alle bewezenverklaarde feiten tezamen veroordeeld tot de hierboven vermelde straf. Tegen deze uitspraak is door de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
Het eerste middel richt zich met vier deelklachten tegen de bewezenverklaring van feit 1 primair. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
3 De bewijsvoering inzake feit 1 primair (project [a-straat] )
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezenverklaard dat:
“1. primair (Project [a-straat] , project […] )
hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in Nederland,
met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid de Woningbouw Vereniging [benadeelde] (" [benadeelde] "),
heeft bewogen tot afgifte van een goed,
te weten van een geldbedrag van euro 2.866.573,67
aan [A] B.V. en/of een ander,
hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders toen, aldaar met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:
verdachte en verdachtes mededaders hebben bij de aankoop en verkoop van het project [a-straat] te [plaats] een AB-BC-constructie toegepast, waarbij een grote waardesprong in euro's werd gerealiseerd, waarbij [B] B.V. voor circa euro 2.225.000,00 leverde aan [A] B.V. en [A] B.V. vervolgens doorleverde aan [benadeelde] voor euro 2.866.573,67, zulks, terwijl [verdachte] namens [benadeelde] het project [a-straat] te [plaats] ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [B] B.V./ [C] B.V.
en
[verdachte] heeft geld in privé ontvangen van [medeverdachte] en [betrokkene 1]
en
[verdachte] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [benadeelde] ten aanzien van het project [a-straat] te [plaats] en het geldelijke belang van [benadeelde] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [D] B.V. en/of [A] B.V. bij het project [a-straat] te [plaats]
en
aldus doende heeft [verdachte] zich met betrekking tot het project [a-straat] te [plaats] tegenover de Raad van Commissarissen van [benadeelde] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder,
waardoor [benadeelde] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag.”
De bewezenverklaring van feit 1 primair berust op 59 bewijsmiddelen, die in de bijlage bij het arrest zijn opgenomen. De bewijsoverwegingen van het hof, zoals opgenomen in het arrest, luiden als volgt:
“Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 primair tenlastegelegde oplichting. Daartoe is onder meer - op gronden als nader vermeld in de pleitnota, samengevat - aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde feitelijke omstandigheden niet juist zijn en aldus niet met bewijsmiddelen kunnen worden gestaafd. Betwist wordt dat sprake is geweest van listige kunstgrepen en het door de verdachte aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als betrouwbare en integere directeur-bestuurder. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat (partiële) vrijspraak dient te volgen voor het tenlastegelegde oplichtingsmiddel "listige kunstgrepen', nu zwijgen geen actieve handeling is maar een nalaten. Het overige is niet voldoende voor bewezenverklaring van oplichting, nu het bij listige kunstgrepen in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet gaan om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.
Indien het hof wel meent dat een van de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen bewezen kan worden verklaard, heeft de verdediging bepleit dat van oplichting geen sprake kan zijn nu de verdachte het geld zelf, als directeur van [benadeelde] , heeft afgegeven en iemand zichzelf niet kan bewegen tot afgifte. Voorts is ook de raad van commissarissen niet bewogen tot afgifte, aangezien de aankoop van het project [a-straat] volledig binnen het mandaat van de verdachte viel en dit project aldus niet ter goedkeuring aan de raad van commissarissen voorgelegd hoefde te worden.
Het oordeel van het hof
Algemene bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Volgens bestendige jurisprudentie is voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door het aanwenden van een (of meer) oplichtingsmiddel(en), zijnde het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid of van listige kunstgrepen dan wel een samenweefsel van verdichtsels, wordt bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Daarbij dient de verdachte het oogmerk te hebben gehad om zich of een ander door het aanwenden van het (de) oplichtingsmiddel(en) wederrechtelijk te bevoordelen. Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Dat het bij de strafbaarstelling van oplichting gaat om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken, brengt mee dat aldus niet slechts het vertrouwen wordt beschermd van die ander tegen vermogensnadeel dat hij lijdt, maar ook meer algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen.
Met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen - het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels - is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht als misdrijf met een strafmaximum van, kort gezegd, vier jaren gevangenisstraf.
De in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben betrekking op gedragingen die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn. Daardoor kunnen concrete uitwerkingen van deze oplichtingsmiddelen onderling samenhang vertonen en elkaar overlappen. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebezigd. In zo een geval kan dit gedrag als het bezigen van meer dan een oplichtingsmiddel worden tenlastegelegd en bewezenverklaard; daarbij behoeft de strafrechter niet te kiezen uit die oplichtingsmiddelen omdat die keuze voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is.
In de onderhavige zaak staan, gelet op het vonnis van de rechtbank, ter zake van het tenlastegelegde feit in het bijzonder twee oplichtingsmiddelen centraal: het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen. Bij het aannemen van een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, waarbij die onjuiste voorstelling van diens hoedanigheid in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij listige kunstgrepen gaat het in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.
Naast het hanteren van (een) oplichtingsmiddel(en) is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel 'beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Ten slotte is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat de verdachte iemand door zo een oplichtingsmiddel heeft bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Daarbij moet de verdachte ten minste hebben beseft dat zijn gedragingen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich brengen dat het strafbare feit wordt begaan. Zogenoemd 'voorwaardelijk opzet' is daarbij niet voldoende. Met andere woorden: het handelen van de verdachte moet, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebrengen dat de ander door hem zou (kunnen) worden bewogen tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed.
Bijzondere bewijsoverwegingen
Algemeen
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
[verdachte] was ten tijde van de bewezenverklaarde periode, meer bepaald reeds tevoren vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur-bestuurder van woningbouwvereniging [benadeelde] (hof: hierna ook afwisselend nog genoemd ‘woningbouwvereniging' en ‘ [benadeelde] ’). In die functie was het mede zijn taak om registergoederen/vastgoedprojecten te acquireren. Aan hem was ter zake van dit acquireren door de raad van commissarissen van [benadeelde] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was om dat te doen en zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen namens [benadeelde] registergoederen te verwerven tussen 2004 en 2008 was begrensd tot € 4.500.000,00.
Tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen van [benadeelde] , die blijkens de statuten van de woningbouwvereniging als taak had toezicht te houden op de directeur, legde de verdachte uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. Hij informeerde de raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur, en aldus van de verdachte, tijdig de voor de uitoefening van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was hij daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijk of gewenst was. In de notitie ‘werkafspraken inzake verwerving/vervreemding’ d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de raad van commissarissen per bijeenkomst informeert over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.
De verdachte heeft verklaard dat hij vaak de eerste acquisitiegesprekken voerde met marktpartijen, waarna hij vervolgens de beslissing nam of hij namens [benadeelde] met die marktpartij verderging. Na acquisitie werd dan het managementteam (hof: MT) van [benadeelde] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.
Het eerste contact tussen de verdachte enerzijds en medeverdachte [medeverdachte] (hof hierna: [medeverdachte]) en diens zakenpartner [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) anderzijds was volgens de verdachte toen [medeverdachte] en [betrokkene 1] een project aanboden met betrekking tot een school in [plaats] . [medeverdachte] en [betrokkene 1] waren ieder bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [D] B.V. en [E] B.V. Beiden waren tevens via deze eigen vennootschappen voor 50% aandeelhouder/bestuurder van [F] B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van [A] B.V. (hof hierna ook genoemd [A]). Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [betrokkene 1] bezig met planontwikkeling en handel in vastgoed, waarbij [medeverdachte] en [betrokkene 1] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor deze vennootschap verder geen personeel werkzaam was.
De rol van [A] B.V.
Het hof stelt voorop dat uit de gebezigde bewijsmiddelen geconcludeerd kan worden dat [medeverdachte] uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan de verdachte. Die zogenoemde douceurtjes werden naar het oordeel van het hof in ieder geval gedeeltelijk uit de door [A] (en daarvoor [D] BV) op projecten gemaakte winst betaald.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
[medeverdachte] heeft tegenover de verbalisanten van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst, Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: ILT) verklaard dat hij vanaf het eerste project uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan de verdachte, dat de hoogte van die geldbedragen afhankelijk was van het resultaat van het project en dat hij bang was dat een deal met [benadeelde] niet door zou gaan als hij de verdachte geen geldbedragen gaf. Deze verklaring heeft [medeverdachte] spontaan, uit zichzelf en zonder enige beperking afgelegd toen hem werd gevraagd naar de reden waarom de verdachte in het kader van het project [a-straat] [betrokkene 2] naar hem, [medeverdachte] , had verwezen. Dat [medeverdachte] bij het afleggen van die verklaring onder ongeoorloofde druk stond, is niet gebleken. In dat kader wijst het hof erop dat [medeverdachte] tegenover de verbalisanten van de ILT heeft verklaard dat hij zijn geweten zuiver wilde maken. Voorts heeft [medeverdachte] tegenover de rechter-commissaris volhard in zijn verklaring.
Hoewel [medeverdachte] zijn eerdere verklaring tegenover de ILT bij de rechter-commissaris heeft afgezwakt met betrekking tot het aantal keren dat hij de betalingen aan de verdachte zou hebben gedaan (het betrof slechts vier of vijf keer en was geen gewoonte) en de periode heeft beperkt (uiterlijk tot 2006) waarover dat zou zijn gebeurd, acht het hof deze afzwakking niet geloofwaardig. In dat verband merkt het hof op dat [medeverdachte] bij zijn eerdere verklaring tegenover de verbalisanten van de ILT uit zichzelf heeft verklaard over de betalingen aan de verdachte en de achtergrond daarvan en dat hij daarbij, noch in de tijdsperiode, noch in het aantal keren, enige beperking heeft aangebracht. Gelet op die eerdere verklaring bij de ILT had het naar het oordeel van het hof meer voor de hand gelegen dat [medeverdachte] deze beperkingen dan direct zou hebben aangebracht, nu hij ook zichzelf met deze verklaring belastte. Ook de reden die [medeverdachte] heeft opgegeven waarom hij gestopt zou zijn met de betalingen (zijn vrouw was het er niet mee eens) overtuigt het hof niet, mede bezien in combinatie met het gegeven dat ook nadien de samenwerking is voortgezet en er in de zakelijke samenwerking niets is veranderd. (Zoals door [medeverdachte] als getuige bij de rechter-commissaris is verklaard.) Dit deel van de verklaring van [medeverdachte] staat bovendien in schril contrast met de douceurtjes in de vastgoedwereld waarover [medeverdachte] heeft verklaard, de gegroeide gewoonte om de verdachte onafhankelijk van het resultaat te belonen, de bij [medeverdachte] levende angst dat de deals niet door zouden gaan als hij niet zou betalen, de vraag van de verdachte om geld en de omstandigheid dat [A] ook in en na 2006 nog door de verdachte werd aanvaard als contractpartij voor woningbouwvereniging [benadeelde] . Daar komt nog bij dat de verklaring van [medeverdachte] , inhoudende dat aan de verdachte geldbedragen zouden zijn betaald, past bij het in de bewijsmiddelen opgenomen overzicht van contante geldopnamen van de in Nederland bekende bankrekeningen van [medeverdachte] en de samenloop met de ontmoetingen tussen [medeverdachte] en de verdachte. Daarbij merkt het hof op dat [medeverdachte] tevens heeft verklaard dat hij in dit verband ook contante geldbedragen meenam uit Zwitserland, zoals het hof begrijpt uit zijn verklaring: dito ten behoeve van de verdachte. Deze Zwitserse geldopnamen zijn niet meegenomen in het overzicht.
Voorts is het hof van oordeel dat ook de zakenpartner van [medeverdachte] , wijlen [betrokkene 1] , betrokken is geweest bij het toeschuiven van geldbedragen aan de verdachte en dat zulks niet uiterlijk in 2006 is gestopt zoals [medeverdachte] het bij de rechter-commissaris heeft willen doen voorkomen. Daartoe wijst het hof op de verklaringen van [medeverdachte] en zijn zakenpartner [betrokkene 1] over de intensieve en volledige samenwerking tussen beiden, het overzicht van de contante geldopnamen door beiden en de samenloop daarvan met hun ontmoetingen met de verdachte. Met name de gang van zaken rond de ontmoeting tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 25 juli 2011 sterkt het hof in het oordeel dat ook [betrokkene 1] nauw betrokken is geweest bij de betalingen aan de verdachte. Zo had [betrokkene 1] op 25 juli 2011 om 12.00 uur een afspraak met de verdachte, op welk tijdstip [betrokkene 1] per se over een contant geldbedrag van € 12.500,- wilde kunnen beschikken. Naar het oordeel van het hof is er geen andere reden aannemelijk geworden waarom [betrokkene 1] op dat moment over het geld wilde kunnen beschikken anders dan dat hij dit geldbedrag -zoals gewoonlijk- aan de verdachte wilde kunnen overhandigen. Voorts speelt bij de overtuiging van het hof een belangrijke rol dat zowel [medeverdachte] als [betrokkene 1] tegenover de verbalisanten van de ILT geen vragen heeft willen beantwoorden over de wetenschap van [betrokkene 1] over het toeschuiven aan de verdachte van de geldbedragen. Als [betrokkene 1] inderdaad niet van de douceurtjes af had geweten dan valt niet in te zien waarom [medeverdachte] en [betrokkene 1] daar niet direct openheid van zaken over hebben willen geven. En ten slotte overweegt het hof nog dat aan de vrijspraak van het project [G] (feit 4) andere overwegingen ten grondslag lagen en deze niet raakten aan de conclusie dat jarenlang door [medeverdachte] en [betrokkene 1] aan verdachte projectgerelateerd geldbedragen zijn toegeschoven.
De positie van de verdachte binnen woningbouwvereniging [benadeelde]
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte binnen woningbouwvereniging [benadeelde] gedurende de bewezenverklaarde periode een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de raad van commissarissen.
Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een vergaande bevoegdheid had tot acquireren van registergoederen/projecten, dat hij daarbij zelf de onderhandelingen voerde en dat hij solistisch te werk ging, waardoor [benadeelde] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [benadeelde] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl de verdachte zich ook dan met de uitvoering van de projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Het was de taak van de verdachte als directeur-bestuurder om de raad van commissarissen, al dan niet achteraf, te informeren over diens acquisities. Voorts had de verdachte een grote invloed op de agenda van de vergadering van de raad van commissarissen en was hij verantwoordelijk voor de selectie van stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde de verdachte het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De raad van commissarissen was hierdoor afhankelijk van de verdachte voor wat betreft de informatie die de commissarissen kregen over acquisities en lopende projecten.
Dat de verdachte in bepaalde gevallen was gemandateerd om zelfstandig beslissingen te nemen, neemt niet weg dat hij op grond van de/het van toepassing zijnde statuten, reglement en werkafspraken was gehouden om de raad van commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat woningbouwvereniging [benadeelde] mogelijk in financiële zin tevens profijt heeft gehad van het door de verdachte gevoerde beleid, doet er niet aan af dat hij een voor hem, verdachte, gunstige financiële omstandigheid heeft gecreëerd waarin de raad van commissarissen door de verdachte kennelijk onvoldoende in staat was gesteld controle te houden op verdachtes bestuurlijk optreden.
AB-BC-constructie project [a-straat]
Uit de gebezigde bewijsmiddelen maakt het hof het volgende op.
[H] B.V./ [C] B.V. heeft omstreeks 2004/2005 het postkantoor aan de [a-straat] te [plaats] aangekocht. De gemeente [plaats] heeft in onderhandelingen met [H] B.V./ [C] B.V. verzocht om ook het naastliggende gebied van het postkantoor met daarop een sporthal mee te nemen in de ontwikkeling van appartementen. [H] B.V./ [C] B.V. heeft vervolgens architectenbureau [I] - met welk architectenbureau gemeente [plaats] had ingestemd - een studie uit laten voeren naar de mogelijkheden op deze locatie. Omdat het project te groot werd en zij de risico's wilden delen heeft [H] B.V./ [C] B.V., in de persoon van [betrokkene 2] , contact gezocht met aannemersbedrijf [J] B.V. uit [plaats] . [J] B.V. heeft ten behoeve van het project de sporthal kunnen kopen door te onderhandelen met het bedrijf [K] , een bedrijf waar aannemersbedrijf [J] B.V. regelmatig zaken mee deed en welk bedrijf een optie had op de sporthal.
Op enig moment heeft [betrokkene 2] , na overleg met aannemersbedrijf [J] , contact gezocht met woningbouwverenigingen in [plaats] en [plaats] . [betrokkene 3] , directeur van de woningbouwvereniging in [plaats] , heeft [betrokkene 2] op zijn beurt doorverwezen naar woningbouwvereniging [benadeelde] waarvan de verdachte de directeur was. [betrokkene 2] heeft vervolgens contact gezocht met de verdachte en op 23 juni 2005 hadden zij, [betrokkene 2] en de verdachte, een afspraak bij de verdachte op kantoor. Daar heeft [betrokkene 2] het plan aan de verdachte gepresenteerd en heeft hij gevraagd of [benadeelde] bereid was om het plan geheel of gedeeltelijk over te nemen. De verdachte heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij het project geheel over wilde nemen, dat hij zijn eigen architect wilde kiezen en dat hij zelf wilde ontwikkelen. Voorts heeft de verdachte tijdens dat gesprek het telefoonnummer van [medeverdachte] aan [betrokkene 2] gegeven met de boodschap dat [betrokkene 2] de zaak verder moest regelen met [medeverdachte] . Toen [betrokkene 2] vervolgens op 24 augustus 2005 telefonisch contact zocht met [medeverdachte] en aangaf dat hij zijn nummer van de verdachte had gekregen, ging [medeverdachte] hier direct op in en was het voor [betrokkene 2] duidelijk dat [medeverdachte] wist dat hij, [betrokkene 2] , zou gaan bellen. [betrokkene 2] en [medeverdachte] hebben vervolgens een afspraak gemaakt voor 5 september 2005. Tijdens die afspraak heeft [betrokkene 2] kennisgemaakt met [betrokkene 1] , de zakenpartner van [medeverdachte] , die altijd aanwezig was bij de besprekingen. [betrokkene 2] heeft het plan, dat kant en klaar was en waar de gemeente [plaats] reeds mee had ingestemd, vervolgens gepresenteerd aan [medeverdachte] en zijn zakenpartner [betrokkene 1] .
Nadien hebben [medeverdachte] en zijn zakenpartner [betrokkene 1] op 8 november 2005 een bod gedaan op het project [a-straat] , welk bod op 18 november 2005 is besproken door [betrokkene 2] enerzijds en [medeverdachte] en [betrokkene 1] anderzijds. Tijdens die onderhandelingen heeft [medeverdachte] verklaard dat er geen garantie gesteld hoefde te worden omdat woningbouwvereniging [benadeelde] garant zou staan. Dit laatste is door [medeverdachte] , als vertegenwoordiger van [D] B.V., bevestigd door de brief met daarin een korte samenvatting van de overeenkomst tot koop van het project [a-straat] van [H] B.V./ [C] B.V. voor akkoord te tekenen. De koop van de opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' is op 9 december 2005 definitief geworden na de bevestiging van [medeverdachte] dat aan de voorwaarden voor de aankoop was voldaan. Op 8 februari 2006 heeft [D] B.V. zich teruggetrokken als koper, voor wie [A] B.V. - die na het aangaan van de koopovereenkomst is opgericht op 22 december 2005 - als koper in de plaats is gekomen. Ten slotte heeft [A] B.V. (hof: partij B) het project [a-straat] met de opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' op 14 maart 2006 gekocht van [H] B.V./ [C] B.V. (hof: partij A) voor een bedrag van € 2.225.000.
Eveneens op 8 november 2005 - en aldus op dezelfde dag als het bod van [medeverdachte] en [betrokkene 1] op het project van [betrokkene 2] - hebben [medeverdachte] en [betrokkene 1] een brief gestuurd aan de verdachte waarin de bieding van de verdachte ter hoogte van € 2.700.000 werd bevestigd. De verdachte heeft deze brief als directeur van [benadeelde] voor akkoord ondertekend. Vervolgens is het project [a-straat] met opstallen 'postkantoor’ en 'sporthal' op 14 maart 2006 door [A] (hof: partij B) geleverd aan woningbouwvereniging [benadeelde] (hof partij C) waarbij na verrekening van de kosten voor acquisitie een bedrag van de rekening van [benadeelde] is afgeschreven van € 2.866.573.67.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat het project [a-straat] te [plaats] op 23 juni 2005 direct door [betrokkene 2] aan de verdachte is aangeboden, dat de verdachte alstoen meteen zijn interesse kenbaar heeft gemaakt en dat de verdachte [betrokkene 2] op zijn beurt heeft doorgestuurd naar de [medeverdachte] om de zaken verder te regelen, zodat de verdachte -achter de schermen en niet kenbaar voor de raad van commissarissen van [benadeelde] - invulling en uitvoering kon geven aan een AB-BC-constructie samen met [medeverdachte] en [betrokkene 1] .
Daarbij wijst het hof in het bijzonder nog op de verklaring van getuige [L] , directeur van aannemersbedrijf [J] B.V. Uit diens verklaring volgt dat [L] er, ondanks dat hij al contact had met de verdachte in het kader van het project [M] (zie feit 3 waarvoor de verdachte reeds is veroordeeld), niet aan heeft gedacht om over het project [a-straat] contact op te nemen met woningbouwvereniging [benadeelde] , dat zij dat gescheiden wilden houden en dat het plan daarnaast meer bij [betrokkene 2] lag. Voorts heeft medeverdachte [betrokkene 1] verklaard dat de heren van [H] B.V. contact hadden gezocht met [benadeelde] over het postkantoor en heeft [medeverdachte] verklaard dat hij over het project [a-straat] werd gebeld door de heren van [H] B.V., welke verklaringen steun bieden aan hetgeen [betrokkene 2] hierover heeft verklaard.
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de zogenoemde waardesprong te rechtvaardigen was.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene volgt dat [A] B.V. het project uiteindelijk van [H] B.V./ [C] B.V. heeft gekocht voor een bedrag van € 2.225.000 en het vervolgens diezelfde dag voor een bedrag van € 2.866.573,67 heeft doorverkocht aan woningbouwvereniging [benadeelde] . Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er door [medeverdachte] en [betrokkene 1] dan wel in hun verlengde de vennootschappen [D] BV en/of [A] B.V. werkzaamheden zijn verricht die deze prijsstijging kunnen rechtvaardigen. Daarbij overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er reeds een ontwikkelstudie c.q. voorbereid plan van architectenbureau [I] lag, dat er overeenstemming was met de gemeente over de ontwikkeling van het project [a-straat] , de gemeente voorts te kennen had gegeven medewerking te verlenen aan de verkoop van de sporthal en de omstandigheid dat aannemersbedrijf [J] de sporthal reeds had gekocht na onderhandeling met een hem bekende partij. Er lag, kortom, al een plan gereed voor het project [a-straat] en het betrof voor [medeverdachte] , aldus [medeverdachte] , en [betrokkene 1] louter een echt handelsproject, waar zij op ontwikkelgebied niets mee hebben gedaan. Dat zijdens de verdachten is getracht die toch stevige en duidelijke uitspraak teniet te doen door alsnog veronderstelde ontplooide activiteiten door [medeverdachte] . [betrokkene 1] , [D] B.V. en/of [A] B.V. voor dit project te berde te brengen die de waardevermeerdering zouden verklaren, overtuigt het hof niet, nu daarvan niet uit enige objectieve bron is gebleken. En bij het uitblijven van een overtuigende redengevende verklaring vermag het hof dan ook niet in te zien waarom het door [medeverdachte] en [betrokkene 1] aanvaarde aanbod van [betrokkene 2] , niet rechtstreeks door de verdachte ten behoeve van [benadeelde] had kunnen worden aanvaard. Gelet op het voorgaande is de verklaring van de verdachte, inhoudende dat het project dat door [betrokkene 2] werd aangeboden niet compleet was en aldus niet gekocht kon worden door [benadeelde] en aldus [A] bij het project onmisbaar was omdat woningbouwvereniging [benadeelde] zelf geen ontwikkelmogelijkheden had, alles behalve aannemelijk geworden. Daarbij wijst het hof ten slotte nog op de verklaring van [getuige 1] , mede MT-lid van [benadeelde] , inhoudende dat op het moment dat [verdachte] de onderhandelingen voerde er vaak nog geen plan lag. Hieruit leidt het hof af dat het ontbreken van een plan voor [verdachte] kennelijk geen belemmering hoefde te vormen om een dergelijk project rechtstreeks van een aanbieder te kopen.
In dit kader wijst het hof er voorts op dat [medeverdachte] tijdens het verhoor bij de ILT nog heeft verklaard dat [medeverdachte] en [betrokkene 1] in (het hof begrijpt: bij de verwerving/acquisitie van) het project [a-straat] geen noemenswaardige werkzaamheden hebben verricht anders dan dat zij gebeld zijn door de heren van [H] B.V. (hof: [betrokkene 2] ). Ten slotte betrekt het hof bij dit oordeel dat [medeverdachte] en zijn zakenpartner [betrokkene 1] door getuigen worden beschreven als handelaren in onroerend goed en niet als projectontwikkelaars, dat getuigen de rol van [A] in deze niet begrepen nu [benadeelde] zelf de kennis en expertise had om onroerend goed te verwerven en er ten slotte geen financieel risico bij [A] lag. Het hof concludeert dan ook dat de hoogte van de door [A] ontvangen betalingen onverklaarbaar en disproportioneel was, bezien vanuit de belangen van [benadeelde] .
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het vorenomschreven handelen kan worden aangemerkt als ‘oplichting’ als bedoeld in artikel 326 Sr.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof concludeert zoals hiervoor vermeld dat het (min of meer kant en klare) project [a-straat] aanvankelijk door [betrokkene 2] direct aan de verdachte is aangeboden, dat op geen enkele aannemelijke wijze is gebleken dat de rol van [A] - die pas, nadat de koop tussen [D] B.V. en [H] B.V./ [C] B.V. al rond was, begin december 2005 is opgericht oftewel die van [medeverdachte] en [betrokkene 1] onmisbaar was voor het ontwikkelen van het project [a-straat] en dat de verdachte dit project aldus, in zijn rol als directeur-bestuurder van [benadeelde] , direct van [H] B.V./ [C] B.V. ( [betrokkene 2] ) had kunnen kopen.
Zoals hiervoor overwogen bekleedde de verdachte een sleutelpositie die hem in staat stelde om [A] ( [medeverdachte] en [betrokkene 1] ) bij de aankoop van het project [a-straat] een rol te geven en deze vennootschap ( [medeverdachte] en [betrokkene 1] ) via een AB-BC-constructie te bevoordelen.
Voor het hof staat aldus buiten twijfel vast dat de verdachte al deze relevante informatie aan de raad van commissarissen heeft onthouden, nu de verdachte ook van meet af aan ten stelligste ontkent dat hij [A] B.V. heeft ‘tussengeschoven' en het aldus ook alleszins onaannemelijk is dat de verdachte de raad van commissarissen heeft geïnformeerd over dit ‘tussenschuiven'. Dat dit (informeren) niet is gebeurd, spreekt naar het oordeel van het hof ook voor zich, omdat niet is gebleken van een daarvoor redengevende verklaring die de belangen van [benadeelde] dient, terwijl deze wel door de raad van commissarissen van [verdachte] zou mogen worden verlangd. Het hof kan de verdachte in zijn ontkenning overigens wel volgen, want als hij die informatie zou hebben verstrekt, had hij die raad ook over zijn eigen beweegredenen dienen te informeren. En daar gaat het hier nu net om. Dan had de verdachte de raad van commissarissen ook moeten uitleggen/informeren waarom de verdachte niet zelf namens [benadeelde] de onderhandelingen met [betrokkene 2] deed of had gedaan voor het project [a-straat] -hetgeen volgens [betrokkene 2] zonder meer had gekund- en waarom hij [betrokkene 2] naar [medeverdachte] (later aldus [A] ) had verwezen voor het 'afregelen' hiervan. Vanuit financiële overwegingen, bezien vanuit de belangen van [benadeelde] , zou een AC-constructie immers zonder meer voor de hand hebben gelegen, temeer nu [betrokkene 2] ervan overtuigd is dat [benadeelde] dan goedkoper uit zou zijn geweest. De verdachte is evenwel verre van die onderhandelingen en een dergelijke AC-constructie gebleven, naar is gebleken aldus om hem moverende financiële overwegingen.
Het hof concludeert dat de verdachte aan de raad van commissarissen van [benadeelde] een onvolledig beeld heeft geschetst van deze acquisitie door de raad van commissarissen vooraf noch achteraf erover te informeren dat [benadeelde] het project [a-straat] ook zonder tussenkomst van [A] had kunnen verwerven. [betrokkene 2] had het hem immers gepresenteerd en aangeboden. Dat dit informeren vooraf niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken. Ook achteraf heeft de verdachte de raad van commissarissen hieromtrent niet geïnformeerd. Het kan dan ook niet anders, omdat het gezien al het hiervoor overwogene voor zich spreekt, dat deze informatie door de verdachte is verzwegen voor de raad van commissarissen om hem moverende redenen, te weten zijn eigen financiële belangen. Gezien zijn directeursfunctie/bestuurdersrol had het daarentegen wel op zijn weg gelegen de raad van commissarissen te informeren. In die hoedanigheid was hij immers gehouden de raad van commissarissen die informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst was. Gelet op de hiermee gemoeide financiële belangen van [benadeelde] is het vanzelfsprekend dat dit vermoeden bij de verdachte heeft bestaan, maar hij daarmee niets heeft gedaan. Het door [benadeelde] meer betaalde, de winst van [A] , is immers terechtgekomen bij [medeverdachte] , [betrokkene 1] en op basis van de bewijsmiddelen concludeert het hof dito -via de gewoonlijke douceurtjes, gerelateerd aan de verdiensten van dit project- bij de verdachte. Indien de raad van commissarissen was geïnformeerd, zouden zij hebben ingegrepen door minst genomen de verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Immers, zoals uit de bewijsmiddelen volgt, zouden met het verschaffen van deze informatie aan de raad van commissarissen zijn dagen bij [benadeelde] zijn geteld en zou dit een bom onder het project [a-straat] hebben gelegd.
De verdachte heeft zo bij de raad van commissarissen de indruk doen/laten bestaan dat bij de aankoop van het project [a-straat] de (financiële) belangen van [benadeelde] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl hij ten nadele van [benadeelde] verzweeg dat hij en zijn partners in dezen een persoonlijk financieel belang hadden bij die AB-BC-constructie. Hoewel de bewijsmiddelen op dit punt voor zich spreken, heeft de verdachte ook het ontvangen van de douceurtjes van meet af aan stellig ontkend. Dat de verdachte de raad van commissarissen niet over die douceurtjes heeft geïnformeerd, terwijl dit vanzelfsprekend relevant te achten informatie voor die raad betrof, spreekt dan ook voor zich.
Gelet op dit alles oordeelt het hof dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte] alsmede aan hen gelieerde vennootschappen, met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [medeverdachte] en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbare en integere bestuurder/directeur, door middel van de hiervoor door het hof opgesomde verschillende misleidende feitelijke handelingen rondom de aankoop van het project aan de [a-straat] te [plaats] , een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor woningbouwvereniging [benadeelde] is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 2.866.573,67.
In het bijzonder wijst het hof nog op de vertrouwenwekkende aard van de relatie die de verdachte onderhield met (de raad van commissarissen van) woningbouwvereniging [benadeelde] , waarbij hij de stukken voor de onderwerpen op de agenda van de raad van commissarissen verstrekte en deze telkens persoonlijk in de vergaderingen toelichtte, waardoor verdachte de indruk wekte dat hij een compleet beeld van de gang van zaken rond de acquisities schetste, zoals het een betrouwbare en integere directeur/bestuurder betaamt, opdat de raad van commissarissen aan zijn toezichtfunctie kon voldoen.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof dan ook buiten twijfel af dat woningbouwvereniging [benadeelde] door het aannemen van een valse hoedanigheid door verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] , [betrokkene 1] en de vennootschappen en de door hen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr Strafrecht, te weten een geldbedrag van € 2.866.573,67 op de rekening van [A] B.V. Het hof wijst daarbij nog in het bijzonder op de verklaringen van de leden van de raad van commissarissen, inhoudende dat zij, als zij hadden geweten dat de verdachte hiervoor geld toegeschoven kreeg, niet akkoord zouden zijn gegaan met projecten. Zou de verdachte de raad van commissarissen over zijn handelen wel volledig hebben geïnformeerd, dan staat naar het oordeel van het hof aldus vast dat de raad van commissarissen zou hebben ingegrepen en de aankoop van dit project niet op deze wijze zou hebben plaatsgevonden. Dat de verdachten deze handelingen hebben verricht met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, volgt eveneens uit al het vorenoverwogene. Het kan dan ook niet anders dan dat zij ten tijde van hun handelen hebben beseft dat hun gedragingen als noodzakelijk en dus door hen gewild gevolg met zich brachten dat door hun bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte en/of zijn medeverdachten geen listige kunstgrepen hebben toegepast, nu het toepassen van een AB-BC-constructie als zodanig en het louter verzwijgen van relevante informatie jegens de Raad van Commissarissen van [benadeelde] en in dit geval ook de combinatie van beide zoals tenlastegelegd niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.
Conclusie
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft begaan.”
4 Het eerste middel
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht van het eerste middel houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de verdachte door [benadeelde] gemachtigd was om het bewezenverklaarde bedrag af te geven, zodat de verdachte zelf degene is geweest die het bewezenverklaarde bedrag heeft afgegeven en reeds daarom niet kan worden gesteld dat [benadeelde] door oplichting is bewogen tot afgifte van het bewezenverklaarde geldbedrag.
Het middel doelt hier kennelijk op de volgende passages uit de pleitnota van de raadsman:
“[benadeelde] niet bewogen tot afgifte
93. Indien uw hof anders dan de verdediging meent dat de valse hoedanigheid als oplichtingsmiddel kan worden bewezen, komt de vraag aan de orde of [benadeelde] is bewogen tot afgifte van het geldbedrag dat is betaald voor de aankoop van het project [a-straat] .
94. Nu [verdachte] zelfstandig beschikkingsbevoegd was over het geld dat hij dus eigenlijk zelf namens (als directeur) [benadeelde] heeft afgegeven, is de vraag of dit oplichting kan opleveren. Immers kan iemand zichzelf niet bewegen tot afgifte. Oplichting is immers het door middel van oplichtingsmiddelen opwekken van de bereidheid bij een ander om een bepaalde gedraging te verrichtten.
95. De tenlastelegging is volledig toegespitst op [verdachte] zijn handelen jegens de RvC. Echter viel de aankoop van de [a-straat] binnen het mandaat van [verdachte] en kan ook de RvC daardoor niet bewogen zijn tot afgifte.”
Voor oplichting als bedoeld in art. 326 lid 1 Sr is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Daarvan is sprake indien voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van het door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot (kort gezegd) de afgifte van enig goed of het verlenen van een dienst.
De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen woningbouwvereniging [benadeelde] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 2.866.573,67. Uit bewijsmiddel 57 (DOC.1441) volgt dat [benadeelde] het desbetreffende bedrag ook daadwerkelijk heeft betaald (aan [A] ).
De klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het in het middel bedoelde verweer faalt. Ik merk in de eerste plaats op dat het hof in dit verband slechts gehouden is in te gaan op een verweer als sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Voor zover daarvan in dit geval inderdaad gesproken kan worden, moet geconcludeerd worden dat het hof de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van dat standpunt. Het hof heeft immers onder meer overwogen dat het volgens de statuten de taak van de directeur, en aldus van de verdachte, was om tijdig de voor de uitoefening van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en dat de directeur daarbij verplicht was alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijk of gewenst was. Het hof heeft voorts nadrukkelijk overwogen dat het feit dat de verdachte in bepaalde gevallen gemandateerd was om zelfstandig beslissingen te nemen, niet wegneemt “dat hij op grond van de/het van toepassing zijnde statuten, reglement en werkafspraken was gehouden om de raad van commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren”. Het oordeel dat [benadeelde] (mede) door de verdachte is opgelicht – en dus is bewogen tot afgifte van het bewezenverklaarde geldbedrag – heeft het hof blijkens zijn uitgebreide overwegingen (mede) gebaseerd op het feit dat de verdachte in strijd met deze verplichting(en) heeft nagelaten de raad van commissarissen volledig te informeren – in het bijzonder over het feit dat [benadeelde] het project [a-straat] ook zonder tussenkomst van [A] had kunnen verwerven – en hij de raad van commissarissen door de onjuiste voorstelling van zaken niet in staat heeft gesteld in te grijpen. Met andere woorden; dat de verdachte op grond van zijn mandaat in dit geval heeft kunnen handelen, is mede het gevolg van het feit dat hij de raad van commissarissen in strijd met zijn verplichtingen onwetend heeft gehouden. Het enkele bestaan van het mandaat heeft daarom voor het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet in de weg gestaan aan het oordeel dat [benadeelde] door de verdachte is bewogen tot afgifte van het verwervingsbedrag.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
De tweede deelklacht van het eerste middel luidt dat het oordeel van het hof dat [benadeelde] is opgelicht doordat de verdachte voorafgaand en/of (zelfs) na afgifte van het geldbedrag jegens de raad van commissarissen bepaalde feiten en omstandigheden heeft verzwegen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting (althans onbegrijpelijk is), omdat het pas na afgifte van voorwerpen verzwijgen van informatie nooit tot de daaraan voorafgaande afgifte kan hebben geleid.
Het hof heeft overwogen dat “de verdachte aan de raad van commissarissen van [benadeelde] een onvolledig beeld heeft geschetst van deze acquisitie door de raad van commissarissen vooraf noch achteraf erover te informeren dat [benadeelde] het project [a-straat] ook zonder tussenkomst van [A] had kunnen verwerven.” Voor zover de stellers van het middel hierin lezen dat volgens het hof sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte (mogelijk) slechts na de afgifte van het verwervingsbedrag de raad van commissarissen heeft kunnen informeren, berust dit op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers met zoveel woorden overwogen dat gesteld noch gebleken is dat “informeren vooraf niet mogelijk was”. De overwegingen van het hof moeten mijns inziens dan ook aldus worden begrepen dat de verdachte op geen enkel moment waarop dit aangewezen was, omdat de raad van commissarissen op dat moment nog had kunnen ingrijpen – en dus ook niet tussen het moment van acquisitie van het project door [benadeelde] op 8 november 2005 (bewijsmiddel 58) en de feitelijke levering en betaling op 14 maart 2006 (bewijsmiddelen 56 en 57) – de raad van commissarissen heeft geïnformeerd. In zoverre faalt de klacht.
Verder klaagt het middel dat het verzwijgen van feiten/omstandigheden niet kan worden aangemerkt als gedragingen die het oplichtingsmiddel kunnen vormen. Daarvoor zou volgens de stellers van het middel een ‘handelen’ noodzakelijk zijn. Ik merk in de eerste plaats op dat blijkens de bewezenverklaring ook ‘handelen’ – namelijk (kort gezegd) het op poten zetten van de AB-BC-constructie – onderdeel was van de valse hoedanigheid van “betrouwbare en integere directeur/bestuurder” die de verdachte zich heeft aangemeten en die ertoe heeft geleid dat [benadeelde] is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. Verder bestaat de oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid blijkens de bewezenverklaring inderdaad ook uit het door de verdachte ‘verzwijgen’ van relevante informatie jegens de Raad van Commissarissen van [benadeelde] ten aanzien van het project [a-straat] te [plaats] , het geldelijke belang van [benadeelde] , de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [D] B.V. en/of [A] B.V. bij het project [a-straat] te [plaats] . Voor zover het middel berust op de stelling dat het aannemen van een valse hoedanigheid niet mede kan bestaan uit het verzwijgen van relevante informatie vindt het evenwel geen steun in het recht.
De derde deelklacht
De derde deelklacht klaagt over de bewezenverklaring dat de verdachte “een valse hoedanigheid” heeft aangenomen, bestaande uit de hoedanigheid van een “betrouwbare en integere directeur/bestuurder”. Aangevoerd wordt dat het in de functie van directeur/bestuurder plegen van een strafbaar feit iets anders is dan het aannemen van een valse hoedanigheid. Dat de verdachte in zijn functie als directeur/bestuurder [benadeelde] zou hebben benadeeld betekent volgens de stellers van het middel nog niet dat de verdachte bij [benadeelde] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, teneinde daarvan misbruik te maken.
Inderdaad zal het als directeur/bestuurder van een rechtspersoon plegen van een strafbaar feit waarvan de rechtspersoon slachtoffer is, niet zonder meer meebrengen dat die directeur/bestuurder ook de “valse hoedanigheid” van een betrouwbaar en integer bestuurder heeft aangenomen. Dat betekent evenwel niet dat het laatste (oplichting van een rechtspersoon door het aannemen van de valse hoedanigheid van een integere functionaris van die rechtspersoon) strafrechtelijk gezien uitgesloten moet worden geacht.
Bij het aannemen van een valse naam of hoedanigheid gaat het er in de kern om “dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.” Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt in dat kader dat het zich voordoen als ‘bonafide’ deelnemer aan het rechtsverkeer met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant is “als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.” Daaruit volgt dat de enkele presentatie als bonafide/integere persoon of functionaris als zodanig onvoldoende is om van het aannemen een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr te kunnen spreken: er moet meer zijn. Waaruit dat meerdere kan bestaan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat meerdere kan bijvoorbeeld gelegen zijn in het misbruik maken van het in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon, maar bijvoorbeeld ook het verstrekken van onbruikbare contactgegevens of het achterlaten van een (waardeloos) onderpand. In sommige van die gevallen bestaat dat meerdere uit aanwijsbare onwaarheden, bedoeld om de suggestie van het zijn van een ‘bonafide’ deelnemer aan het rechtsverkeer kracht bij te zetten, zoals het achterlaten van onbruikbare contactgegevens, maar dat is niet altijd het geval. Zo concludeerde de Hoge Raad in HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326 dat het oordeel van het hof in die zaak dat sprake was van het aannemen van een valse hoedanigheid niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk, nu uit die gedragingen bleek “dat de verdachte zich telkens in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een belangstellende die voornemens is de hem voor een proefrit ter hand gestelde fiets terug te brengen, waarbij de verdachte kennelijk telkens heeft gehandeld volgens een tevoren bedachte werkwijze, welke werkwijze onder meer heeft bestaat uit het achterlaten van een waardeloos onderpand.” Ook een bewezenverklaring ter zake het (telkens) aannemen van de valse hoedanigheid van werknemer van een (voor de benadeelde bekend en gerenommeerd) bouwbedrijf, waarbij door de verdachte werd ingespeeld op een in het handelsverkeer geldend gedragspatroon, inhoudende dat bedrijven in de gereedschaps- en bouwmaterialenbranche op basis van goed vertrouwen, zonder al te diepgaande controles, overgaan tot de afgifte van goederen, bleef bij de Hoge Raad in stand.
In de onderhavige zaak heeft het hof voor zijn oordeel dat de verdachte een “valse hoedanigheid” heeft aangenomen door zich voor te doen als een betrouwbare en integere directeur/bestuurder in de eerste plaats gewezen op de wijze waarop de functie van directeur-bestuurder intern bij [benadeelde] was georganiseerd (p. 9-10 arrest hof). De verdachte was als directeur-bestuurder bij mandaat van de raad van commissarissen bevoegd registergoederen te verwerven, waarbij vanaf 2004 vooraf toestemming nodig was van de raad van commissarissen vanaf een bedrag van € 4,5 miljoen. Van belang is dat het hof heeft vastgesteld dat “het volgens de statuten de taak van de directeur, en aldus van de verdachte, [was] tijdig de voor de uitoefening van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en […] hij daarbij verplicht [was] alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijk of gewenst was.” Verder heeft het hof in dat kader overwogen dat “[I]n de notitie 'werkafspraken inzake verwerving/vervreemding’ d.d. 14 september 2004 […] vermeld [staat] dat de directeur de raad van commissarissen per bijeenkomst informeert over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.” (zie bewijsmiddelen 14-16). Ik merk op dat de (als bewijsmiddel 16 gebruikte) statuten voorts inhouden dat de directeur tegenover de vereniging gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Ook heeft het hof gewezen (p. 17 arrest hof) op de vertrouwenwekkende aard van de relatie die de verdachte onderhield met de raad van commissarissen, waarbij hij de stukken voor de onderwerpen op de agenda van de raad van commissarissen verstrekte en deze telkens persoonlijk in de vergaderingen toelichtte, waardoor de verdachte de indruk wekte dat hij een compleet beeld van de gang van zaken rond de acquisities schetste (zoals het een betrouwbare en integere directeur/bestuurder betaamt). Dit heeft het hof klaarblijkelijk afgeleid uit onder meer de getuigenverklaring van de leden van commissarissen (bewijsmiddelen18-24). Daaruit volgt onder meer dat de besluitvorming door de raad van commissarissen plaatsvond op basis van (uitgebreide) stukken van “de werkorganisatie”, zoals een financiële doorrekening en bouwkundige beoordeling, die werden toegelicht door de verdachte (bewijsmiddel 18, de getuigenverklaring van RvC-lid [getuige 2] ). Bij een vraag over de haalbaarheid van de projecten kwam er (vanuit de verdachte) een verhaal met onderliggende documenten of een verwijzing naar onderliggende berekeningen. De raad van commissarissen werd daarmee overtuigd om in te stemmen met investeringen (bewijsmiddel 22, de getuigenverklaring van RvC-lid [getuige 3] e.v. [getuige 4] ).
Het hof heeft verder vastgesteld dat in het geval van het project [a-straat] de verdachte de raad van commissarissen juist niet erover informeerde dat [benadeelde] dat project ook zonder de tussenkomst van [A] had kunnen verwerven en bij de raad van commissarissen de indruk heeft doen ontstaan/laten bestaan dat bij de aankoop van dit project de (financiële) belangen van [benadeelde] op een zo goed mogelijk wijze werden gediend, “terwijl hij ten nadele van [benadeelde] verzweeg dat hij en zijn partners in deze een persoonlijk financieel belang hadden bij de AB-BC-constructie.”
Uit de vaststelling van het hof volgt aldus dat aan de functie van directeur/bestuurder bij [benadeelde] de statutaire en in werkafspraken nader uitgewerkte verplichting verbonden was om, kort gezegd, de raad van commissarissen volledig te informeren ten behoeve van de besluitvorming van dit orgaan over voorgenomen of reeds genomen beslissingen van de directeur/bestuurder zelf over de verwerving van registergoederen (vastgoed). De raad van commissarissen was voor die besluitvorming afhankelijk van de input van de directeur/bestuurder. Tevens was de directeur/bestuurder statutair gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Door een functie met dergelijke formeel vastgelegde verplichtingen te aanvaarden, wekt degene die de functie vervult de verwachting zich aan die verplichtingen te conformeren. De verdachte deed het in de praktijk ook voorkomen alsof hij deze verplichtingen (en daarmee de verwachtingen) waar maakte en hij tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen die raad in overeenstemming met zijn verplichtingen volledig informeerde. In werkelijkheid benadeelde hij met zijn handelen de woningbouwvereniging en hield hij cruciale informatie achter voor de raad van commissarissen. Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof van oordeel is dat de verdachte daarmee met betrekking tot zijn functioneren als directeur/bestuurder een bedrieglijke schijn van betrouwbaarheid en integriteit in het leven heeft geroepen, die volgens de overwegingen van het hof eraan heeft bijgedragen dat – ook met betrekking tot het project [a-straat] – de raad van commissarissen de verdachte heeft laten handelen op grond van zijn mandaat om, kort gezegd, vastgoed te acquireren. Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat sprake was van een “valse hoedanigheid” getuigt mijns inziens dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik toereikend gemotiveerd.
Volgens de vierde deelklacht heeft het hof de verdachte (meermalen) de bewijslast opgelegd van de feitelijke onderbouwing van zijn verweer. Uit de toelichting op de deelklacht blijkt dat het daarbij gaat om de overweging(en) van het hof dat niet uit enige objectieve bron is “gebleken” dat door [medeverdachte] en [betrokkene 1] werkzaamheden zijn verricht die de prijsstijging in het geval van [a-straat] zouden kunnen rechtvaardigen en dat het hof bij het uitblijven van een “overtuigende” redengevende verklaring niet vermag in te zien waarom het goed ( [a-straat] ) niet rechtstreeks door de verdachte ten behoeve van [benadeelde] had kunnen worden aanvaard. Dit klemt volgens de stellers van het middel temeer, omdat de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet dwingen tot de door het hof daaruit getrokken gevolgtrekkingen.
Op welke gevolgtrekkingen de stellers van het middel daarbij het oog hebben, blijft in de toelichting in het midden. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt onder meer dat het project [a-straat] door [betrokkene 2] in juni 2005 aan de verdachte als directeur/bestuurder van [benadeelde] is aangeboden, dat de verdachte in dat gesprek (direct) heeft aangegeven dat hij het gehele project wilde overnemen en dat [betrokkene 2] verder zaken moest doen met [medeverdachte] (met wie [betrokkene 2] vervolgens – ook volgens de verklaring van [medeverdachte] (bewijsmiddel 7) – ook contact heeft opgenomen; zie bewijsmiddel 42). Uit de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte] volgt dat [medeverdachte] en [betrokkene 1] geen noemenswaardige werkzaamheden voor het project hebben verricht – “alleen dat wij gebeld zijn door de heren van [H] B.V.” – en dat het om een ‘handelsproject’ ging (bewijsmiddel 7). Uit de door [betrokkene 2] afgelegde verklaring blijkt voorts dat het project ‘klaar’ was, dat de werkzaamheden die volgens de verdediging nog zouden moeten worden verricht, reeds waren verricht en dat tussen de aanbieding door [betrokkene 2] en de overdracht van de locatie geen ontwikkeling heeft plaatsgevonden (bewijsmiddel 42). Uit de door [medeverdachte] afgelegde verklaring(en) blijkt ten slotte onder meer ook dat [medeverdachte] de verdachte vanaf het eerste project in 2004 enveloppen met geld erin heeft gegeven (bewijsmiddel 7). Voorts heeft het hof diverse getuigenverklaringen voor het bewijs gebezigd, ertoe strekkende dat [A] niets ontwikkelde (o.a. bewijsmiddelen 38 en 40).
Het hof heeft in reactie op het verweer van de verdediging dat er in relatie tot het project [a-straat] wel degelijk werkzaamheden zijn verricht en dat het project niet rechtstreeks aan [benadeelde] kon worden geleverd, kort gezegd geoordeeld dat van (de noodzaak tot) die werkzaamheden niet is “gebleken” en “een overtuigende redengevende verklaring” voor, kort gezegd, het tussenschuiven van [D] en/of [A] is uitgebleven. Deze overwegingen geven (slechts) blijk van een beoordeling van (de aannemelijkheid van) het verweer van de verdediging aan de hand van hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt en hetgeen ter onderbouwing door de verdediging is aangevoerd. Van een omkering van de bewijslast door het hof is geen sprake.
De vierde deelklacht faalt.
5 Het tweede middel
Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
Namens de verdachte is op 7 juni 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 juli 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met bijna vijf maanden is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Ambtshalve merk ik in dat kader op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf dient te leiden.
Het middel slaagt.
6 Conclusie
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
Afgezien van de overschrijding van de redelijke termijn die ik onder 5.3 heb aangekaart, heb ik geen gronden aangetroffen waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG