Strafrecht overig
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Medeplegen…
Parket bij de Hoge Raad, 6 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:950 · Parket bij de Hoge Raad · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-950
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/01121
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:950
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Onderzoek Rykiel. Aanbieden online kansspelen in Nederland zonder vergunning. Medeplegen gewoontewitwassen (feit 3) en opzetheling (feit 7). M1 richt zich met negen falende deelklachten tegen verwerping hof van verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending vertrouwensbeginsel. M2 bevat tevergeefs voorgestelde bewijsklachten over oordeel hof dat verdachte wist dat vastgoed uit misdrijf afkomstig was (feit 3) en dat creditcarduitgaven en gebruik boot de opbrengst van door misdrijf verkregen goederen betrof (feit 7). M3 klaagt over strafoplegging en faalt eveneens. M4 klaagt terecht over schending inzendtermijn. Ook ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft hoogte aan verdachte opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping beroep voor het overige. Samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120, en 24/01126.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01121
Zitting 6 oktober 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000022-19), wegens
- onder 3 “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken”; en;
- onder 7 “opzetheling”,
veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis en met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr (volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag).
Er bestaat samenhang met de zaken 24/000921, 24/00946, 24/00947, 24/01045, 24/01117, 24/01118, 24/01119, 24/01120 en 24/01126. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Samenhang bestaat eveneens met de zaken 24/01115 en 24/01116, waarin het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak
De zaak tegen de verdachte maakt deel uit van het onderzoek Rykiel. Dat onderzoek had – blijkens het bestreden arrest – betrekking op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland, hetgeen in strijd is met de Wet op de kansspelen (hierna: Wok), en de route van het geld dat daarmee werd verdiend. Tijdens het onderzoek is in kaart gebracht welke (internationale) rechtspersonen en natuurlijke personen hierbij een rol hebben gespeeld. Het hof heeft vastgesteld dat de organisatie achter het aanbieden van de gokspellen werd geleid door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Voordat ik overga tot bespreking van de middelen zal ik hier kort en in grote lijnen stilstaan bij een aantal relevante vaststellingen van het hof en daarnaast bij de samenhang tussen de verschillende feiten voor zover dat relevant is voor de bespreking van de middelen. Daarbij merk ik op dat het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de bewezenverklaring berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Uit het arrest van het hof kan worden opgemaakt dat in de tenlastegelegde periode op de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 3] , [internetsite 4] , [internetsite 5] , [internetsite 6] en [internetsite 7] kansspelen werden aangeboden, gericht op Nederlandse consumenten. Het opzettelijk (online) aanbieden van kansspelen in Nederland zonder vergunning is een misdrijf op grond van de Wok en de Wet op de economische delicten en daarmee strafbaar (hierna: WED). Dit betekent dat inkomsten die met deze kansspelen zijn gegenereerd, afkomstig zijn uit een misdrijf. De spelers van online kansspelen legden geld in door betalingen via creditcard, sms, Ideal of anderszins. De inkomsten uit kansspelen werden onder meer gebruikt om spelers uit te betalen en de bedrijfsvoering te bekostigen. Zo werden de inkomsten gebruikt om de rechtspersonenstructuur van [medeverdachte 1] , waaronder zijn persoonlijke holding, van inkomen te voorzien/te financieren. Een groot deel van de inkomsten vond zijn weg naar de verdachten uit het onderzoek Rykiel, aan hen gelieerde rechtspersonen en familieleden.
De verdachte uit de onderhavige zaak werkte als compliance officer en salesmanager voor een van de bedrijven van [medeverdachte 1] . Ze was ook getrouwd met [medeverdachte 1] en woonde met hem samen in een woning met een waarde van 1,8 miljoen euro, die deels bekostigd is met de inkomsten van online kansspelen. Omdat de verdachte langdurig en structureel gebruik heeft gemaakt van die woning en zodoende gebruik heeft gemaakt van een voorwerp dat afkomstig is van misdrijf, heeft het hof haar veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 3).
Verder heeft de verdachte volgens het hof geprofiteerd van de inkomsten die [medeverdachte 1] indirect uit online kansspelen heeft ontvangen. Zo heeft zij gebruik gemaakt van een boot in Spanje, die door haar echtgenoot was gekocht. Daarnaast heeft zij met een creditcard die aan de bankrekening van [medeverdachte 1] gekoppeld was ruim € 180.000,- uitgegeven. Het hof heeft de verdachte ten aanzien daarvan veroordeeld voor opzetheling (feit 7).
3 De middelen
Het eerste middel klaagt over de verwerping van een verweer over het vertrouwensbeginsel. Het tweede middel bevat klachten over de wetenschap van de verdachte die vereist is voor een bewezenverklaring van feit 3 en feit 7. Het derde middel ziet op de strafoplegging. Tot slot wordt in het vierde middel geklaagd over een schending van de inzendtermijn.
4 Het eerste middel
Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Het middel valt uiteen in negen deelklachten.
Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd
In de eerste plaats merk ik op dat de verdachte in hoger beroep werd bijgestaan door dezelfde raadslieden als [medeverdachte 1] . Bij pleidooi is verwezen naar het door dezelfde raadslieden in de zaak van [medeverdachte 1] gevoerde verweer met betrekking tot (onder meer) het vertrouwensbeginsel. Het hof heeft op gelijke wijze als in de zaak van [medeverdachte 1] – gereageerd op dat verweer. In cassatie worden de verdachte en [medeverdachte 1] bijgestaan door dezelfde advocaten. Het eerste middel dat is in de onderhavige zaak is ingediend is inhoudelijk gelijk aan het vierde middel dat in de samenhangende zaak [medeverdachte 1] is ingediend. Mijn bespreking van dit middel in de onderhavige zaak is daarom inhoudelijk gelijk aan die in de zaak van [medeverdachte 1] (zaaknr. 24/01118).
Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2023 (bij pleidooi) en 4 december 2023 (bij dupliek) hebben de raadslieden van de [medeverdachte 1] het hof verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens een schending van het vertrouwensbeginsel. In de onderhavige zaak is zoals gezegd verwezen naar het verweer zoals dat is gevoerd in de zaak van [medeverdachte 1] .
In de kern is het volgende aangevoerd. Door de verdediging wordt niet ter discussie gesteld dat in de tenlastegelegde pleegperiode (en daarna) sprake was van een verbod op het aanbieden van (online) kansspelen zonder vergunning, en evenmin dat de verdachte van het verbod op de hoogte was. Er is echter voor 1 april 2012 (de oprichtingsdatum van de Kansspelautoriteit, hierna: Ksa) nooit iemand strafrechtelijk aangesproken op het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen. Een bestendige praktijk, die jarenlang voortduurt, is volgens de verdediging bij uitstek geschikt om tot gerechtvaardigd vertrouwen te leiden. Dat vertrouwen werd bevestigd en versterkt in gesprekken die in aanloop naar de oprichting van de Ksa plaatsvonden tussen de overheid en kansspelaanbieders, waarna het voor een ieder duidelijk was dat niet zou worden opgetreden tegen het aanbieden van kansspelen via het internet, zolang het aanbod zich niet al te opzichtig op de Nederlandse markt zou richten. Het vertrouwen werd wederom verstevigd door en na oprichting van de Ksa op 1 april 2012. In de eerste plaats omdat de wetgever kenbaar maakte dat het primaat van de handhaving van illegale kansspelen niet bij het strafrecht zou liggen, maar bij het bestuursrecht. En voorts omdat aan aanbieders die niet voldeden aan door de Ksa opgestelde prioriteringscriteria, kenbaar werd gemaakt dat (voorlopig) niet opgetreden zou worden door de Ksa. Bij brief van 22 januari 2013 heeft de Ksa schriftelijk bevestigd dat de websites van [A] niet langer aan de prioriteringscriteria voldeden, met de toevoeging dat tegen [A] voorlopig niet zou worden opgetreden.
De verdediging merkt op dat voornoemde (en andere) uitlatingen “misschien niet uit de mond van een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zijn opgetekend”, maar wel uit de mond van de wetgever – terwijl een ieder ervan uit mag gaan dat het openbaar ministerie zich niet distantieert van de wet of van de wetgever. De uitlatingen waaraan de verdachte het vertrouwen ontleende dat niet zou worden gehandhaafd zijn daarnaast afkomstig van de Ksa, die publiekelijk is neergezet en ook zichzelf heeft geafficheerd als dé handhaver van de Wet op de kansspelen. Dat het openbaar ministerie, dat met die uitlatingen van de wetgever en van de Ksa bekend was, bovendien op geen enkel moment publiekelijk of in directe communicatie met aanbieders van online kansspelen een voorbehoud heeft gemaakt, brengt mee dat alle uitlatingen op dit terrein mede aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend.
De verdediging concludeert dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het instellen of voortzetten van de vervolging in strijd was (en: is) met beginselen van een goede procesorde. Dat verweer heeft betrekking op alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten, voor zover die in hoger beroep nog aan de orde zijn. Dat het verweer zo’n omvangrijk bereik heeft, is de consequentie van de vaststelling van de verdediging dat alle beschuldigingen aan het adres van de verdachte een afgeleide zijn van de gestelde overtredingen van de Wet op de kansspelen.
Ik merk hier ook nog op dat bij dupliek door de verdediging van [medeverdachte 1] is aangevoerd:
“Het klopt dat de KSA niet spreekt namens het Openbaar Ministerie. Maar er is ook een persbericht gemaakt, het is in de Tweede Kamer besproken en de staatssecretaris heeft het publiek gemaakt.”
De overwegingen van het hof
Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):
“Regelgeving
De delictsomschrijving in de Wok luidde – voor zover thans van belang – in de tenlastegelegde periode als volgt:
Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden: gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend.
Juridisch kader
Het hof stelt met de rechtbank voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven in de regel niet worden ontleend.
Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, worden zware motiveringseisen gesteld.
(…)
Beoordeling
● Inleiding
Het hof ziet aanleiding om bij de beoordeling van het verweer onderscheid te maken in de periode vóór de oprichting van de Ksa op 1 april 2012 en de periode daarna. Vóór het bestaan van de Ksa kon immers feitelijk slechts via het strafrecht handhavend worden opgetreden tegen illegaal kansspelaanbod. Met de instelling van de Ksa werd een duaal handhavingssysteem mogelijk, waarbij de Wok niet alleen met het strafrechtelijke instrumentarium, maar ook met bestuursrechtelijke sancties gehandhaafd kon worden. De beoordeling van de verweren dient in onderling verband en samenhang te worden beschouwd. Bij de beoordeling daarvan heeft het hierboven geschetste juridische kader als uitgangpunt te gelden.
● Ad 2a. Schending van het vertrouwensbeginsel?
Periode vóór 1 april 2012
Uit het rapport ‘Nieuwe ronde, nieuwe kansen’ dat op 20 november 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, blijkt dat vanwege capaciteitsproblemen bij het justitieel apparaat niet altijd werd opgetreden tegen overtredingen van de Wok. Deze situatie werd als ongewenst ervaren. Daarom zijn door het kabinet enkele beleidswijzigingen aangekondigd in de aanpak van illegaal kansspelaanbod. Daarbij is ingezet op een intensivering van de handhaving onder meer door een gecombineerd en integraal handhavingstraject. In dit verband werd medio 2001 onder meer het Projectbureau kansspelen ingesteld.
Het ingezette traject, dat na afkondiging zonder onderbrekingen is voortgezet, heeft geleid tot daadwerkelijke aanpak van (fysiek) kansspelaanbod. Waar het de handhaving van illegaal kansspelaanbod via het internet betreft, zijn brieven aan aanbieders verzonden waarbij zij erop werden gewezen dat de Wok werd overtreden en welke consequenties daaraan verbonden waren en dat strafrechtelijk kon worden opgetreden indien het aanbod van kansspelen niet werd gestaakt. Het resultaat daarvan was dat meer dan de helft van de aan de aangeschreven aanbieders en tussenpersonen gelieerde websites onbereikbaar, niet langer actief, of aangepast waren.
In het dossier Rykiel is een aantal waarschuwingsbrieven opgenomen. Het hof wijst op brieven van het Ministerie van Justitie (Projectbureau kansspelen) gericht aan:
- [medeverdachte 1] op 5 februari 2007;
- [A] op 8 september 2008, 12 februari 2009, 2 en 3 maart 2009;
- [B] op 23 december 2009, 11 mei 2010, 30 september 2011, 25 november 2011 en 13 januari 2012.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat geen sprake was van een situatie waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat er niet door het Openbaar Ministerie zou worden vervolgd. Dergelijk vertrouwen kon ook niet worden ontleend aan ontwikkelingen gericht op een toekomstige liberalisering van de kansspelmarkt, noch aan ontwikkelingen in jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (waaronder het door de verdediging aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juni 2010, zaak C203/08, ECLI:EU:C:2010:307 (Sporting Exchange Ltd / ‘Betfair’ tegen Minister van Justitie)), nu deze ontwikkelingen niet zagen op een ongeclausuleerd toestaan van het aanbieden van kansspelen via internet, zonder enige regulering of handhaving van overheidswege. Het gegeven dat, voor zover bekend, geen aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd, is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een situatie waarin het hiervoor bedoelde vertrouwen is gewekt. Er is geen sprake geweest van aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.
Periode na 1 april 2012
Na oprichting van de Ksa is voorrang gegeven aan de aanpak van kansspelen aangeboden op internet. Omwille van capaciteits- en doelmatigheidsredenen heeft de Ksa prioriteringsbeleid opgesteld. Dit beleid houdt in dat aanbieders die zich prominent op de Nederlandse markt richtten het eerst in aanmerking kwamen voor handhaving. Om te bepalen of een aanbieder zich op Nederland richtte, zijn drie prioriteringscriteria ontwikkeld. Indien een aanbieder voldeed aan een of meer van de hierna genoemde criteria, richtte de Ksa zich bij handhaving op deze aanbieder. De focus van de Ksa kwam daarmee te liggen op de aanbieder:
- waarvan de website, waarop het kansspel gespeeld werd, eindigde op .nl en/of
- waarvan de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was, en/of
- die reclame maakte via radio, televisie of in geprinte media reclame gericht op de Nederlandse markt.
Over het prioriteringsbeleid is een persbericht uitgebracht. Tevens zijn in 2012 onderzoeken gestart naar illegaal aanbod van kansspelen op internet en zijn verschillende aanbieders – ditmaal door de Ksa – schriftelijk gewaarschuwd. Het hof wijst in dit verband op de brief gericht aan [B] d.d. 8 juni 2012. In deze brief is duidelijk uiteengezet wat het prioriteringsbeleid inhield. Voorts zijn in 2013 twee bedrijven die online kansspelen aanboden daadwerkelijk door de Ksa beboet, hetgeen bij openbaar boetebesluit bekend is gemaakt.
Het hof concludeert dat geen sprake was van een door de Ksa gevoerd gedoogbeleid en dat aanbieders die niet (meer) onder de prioriteringscriteria vielen, niet zonder meer gevrijwaard waren van handhavend optreden. De omstandigheid dat de kans op handhaving kleiner is, omdat een aanbieder van online kansspelen zonder vergunning niet (meer) aan de prioriteringscriteria voldoet, maakt van het prioriteringsbeleid nog geen gedoogbeleid.
Dat aanbieders, als onderdeel van het gevoerde prioriteringsbeleid, een termijn werd gegund om aan de gestelde criteria te voldoen en dat aanbieders op de hoogte zouden worden gebracht van wijzigingen in die criteria, maakt dat niet anders.
Dat er sprake zou zijn van gedogen, kan evenmin worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ksa – op aanvraag – brieven heeft verstrekt aan aanbieders van online kansspelen, waarin onder meer werd medegedeeld dat zij niet (langer) voldeden aan de prioriteringscriteria. Ook aan [B] is via [betrokkene 1] een dergelijke brief, gedateerd 22 januari 2013, verstrekt. Door de verdediging is betoogd dat deze brief als ‘gedoogbrief’ moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof was van een ‘gedoogbrief’ geen sprake, nu in die brief tevens is opgenomen de zinsnede: ‘Kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria, zijn daarmee niet legaal. Tegen deze aanbieders zal slechts in het kader van de prioriteitstelling (voorlopig) niet opgetreden worden.’ Derhalve kon ook hieraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat handhaving niet zou plaatsvinden, laat staan dat dat vertrouwen zich zou kunnen uitstrekken tot handhavingsbeslissingen van andere instanties dan de Ksa, zoals het Openbaar Ministerie.
Dat sprake zou zijn van een bestuurlijk gedoogbeleid kan ook niet worden afgeleid uit de contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie. Deze contacten – in de vorm van georganiseerde bijeenkomsten en workshops – vonden in het licht van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand plaats. Daarbij werd slechts – al dan niet op verzoek van verscheidene aanbieders zelf – van gedachten gewisseld over de toekomstige wetgeving en de mogelijkheden van het aanbieden van online gokspellen in Nederland. Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden. Daarbij merkt het hof nog op dat een algeheel verbod op kansspelen zonder vergunning ook na eventuele wetswijziging het uitgangspunt blijft. Het wetsvoorstel Kansspelen op afstand beoogt slechts het reguleren van kansspelen op afstand (via internet) en het verder moderniseren van het kansspelbeleid.
Bovendien is, in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013, nimmer (volledig) aan de prioriteringscriteria voldaan. Bij controle van enkele websites is immers geconstateerd dat na het verkrijgen van die brief verschillende websites weer of nog steeds in de Nederlandse taal werden aangeboden, het spelaanbod op de websites was voorzien van keuzeknoppen in de Nederlandse taal en de speluitleggen bij de aangeboden spellen in de Nederlandse taal waren opgesteld. Voor zover er gedoogbeleid zou bestaan, zou dat dus niet kunnen worden ingeroepen.
Ten slotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het Openbaar Ministerie, in de periode na 1 april 2012, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging uit zou blijven.
Verklaringen getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep
Het vorenstaande vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] , van 14 oktober 2010 tot 9 maart 2015 staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, belast met onder meer de kansspelportefeuille, en mr. [getuige 2] , advocaat (niet zijnde de raadsman van een van de verdachten), gespecialiseerd in het kansspelrecht.
Beide getuigen zijn uitvoerig gehoord over de vraag of op enig moment sprake is geweest van een (bestuurlijk en/of strafrechtelijk) gedoogbeleid. Uit hun verklaringen blijkt – samengevat – het volgende. In 2011 heeft het toenmalige kabinet, mede ingegeven door (jurisprudentiële) ontwikkelingen binnen de Europese Unie, het voornemen opgevat om de regels omtrent kansspelen wezenlijk te veranderen, onder meer door regulering van de online kansspelmarkt. Bij de gedachtevorming daarover zijn welwillende aanbieders van kansspelen, dat wil zeggen aanbieders van kansspelen die bereid waren zich aan de regels te houden, betrokken. In dit verband hebben vanaf 2011 gesprekken plaatsgevonden tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in het wetsvoorstel Kansspelen op afstand.
Tijdens die gesprekken is aan de orde gekomen dat als aanbieders van kansspelen zich tijdens de transitiefase naar de inwerkingtreding van de Wet op de kansspelen zouden houden aan de voorwaarden dat geen kansspelen zouden worden aangeboden in de Nederlandse taal en er geen (grootschalige) reclame zou worden gemaakt voor die kansspelen, zij na de inwerkingtreding van die wet zouden kunnen meedingen naar een vergunning. Tegen aanbieders van online kansspelen die zich aan deze voorwaarden hielden zou door het (Bureau Kansspelen van het) Ministerie van Veiligheid en Justitie terughoudend bestuurlijk worden gehandhaafd.
Na de instelling van de Ksa op 1 april 2012 zijn er prioriteringscriteria opgesteld. Naast de twee genoemde voorwaarden kwam er een derde: de websites van de op internet aangeboden kansspelen mochten niet de extensie ‘.nl’ hebben. Aanbieders van online kansspelen die zich conformeerden aan deze criteria zouden geen prioriteit krijgen bij de bestuurlijke handhaving door de Ksa. Het primaat van de handhaving lag namelijk bij de Ksa.
Het Openbaar Ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het Openbaar Ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het Openbaar Ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.
Uit de verklaringen van de beide getuigen blijkt voorts dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het Openbaar Ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria.
Kortom, uit de verklaringen van deze twee getuigen blijkt niet dat vervolging is ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof merkt hierbij op dat het Openbaar Ministerie niet heeft deelgenomen aan de genoemde gesprekken en dat als er al door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) zouden zijn gedaan met de strekking dat niet (verder) strafrechtelijk zou worden vervolgd, aan dergelijke uitlatingen (of gedragingen) niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Wel had de Minister van Veiligheid en Justitie op grond van het bepaalde in art. 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie een bijzondere aanwijzing aan het Openbaar Ministerie kunnen geven tot het niet (verder) vervolgen, maar van die bevoegdheid is geen gebruik gemaakt.
Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake.
De persoonlijke opvatting van [getuige 1] , dat aanbieders van online kansspelen die zich tijdens de transitiefase hielden aan de voorwaarden en later de prioriteringscriteria er op basis van de gesprekken op mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd, maakt dit oordeel niet anders.”
Het juridisch kader bij het eerste middel
Bij de beoordeling van de klachten is het juridisch kader zoals door de Hoge Raad weergegeven in een arrest van 26 april 2016 van belang:
“3.2. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109).
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002).
Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.)”
Voor wat betreft de toepassing van het vertrouwensbeginsel wijs ik op een aantal uitspraken van de Hoge Raad. In de zaak die leidde tot HR 17 december 1985, NJ 1986/591 m.nt. Th.W. van Veen werd het bedrijf DSM vervolgd wegens overtreding van de Wet chemische afvalstoffen. Het bedrijf zou melamineslik hebben gestort in een zuurteervijver en aldus afvalstoffen in of op de bodem hebben gebracht. Het hof stelde vast dat de verdachte een ontheffing had aangevraagd van het verbod tot het verrichten van de in de Wet chemische afvalstoffen verboden handelingen. De minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne had daarop afwijzend beslist. Deze beschikking werd op 1 december 1981 aan de verdachte toegezonden. De beschikking hield onder meer in dat zij van kracht werd zodra de beslissing op het beroepschrift onherroepelijk was geworden. De verdachte stelde beroep in tegen de beschikking. Van overheidswege werd bij of na voormelde brief van 1 december 1981 en voor de periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft geen bezwaar gemaakt tegen storting van melamineslik in de in de tenlastelegging genoemde zuurteervijver. Dat leidde het hof tot het oordeel “dat dit beleid, zoals de verdachte dit mocht opvatten, een voor geen misverstand vatbare en onvoorwaardelijke toezegging van de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiene inhield dat gedurende de periode dat het beroep tegen de afwijzende beschikking nog hangende was, dat wil zeggen in de in de telastelegging onder 1 primair genoemde periode, tegen voortzetting van de door de Wet chemische afvalstoffen verboden stortingen 'geen stappen zouden worden ondernomen, zolang niet van het tegendeel blijk werd gegeven'.” Daaraan verbond het hof de conclusie dat de officier van justitie niet kon worden ontvangen in zijn vervolging ten aanzien van dit feit, aangezien een strafvervolging onder deze omstandigheden niet verenigbaar is met – kort gezegd – het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad achtte het tegen dit oordeel gerichte middel van de procureur-generaal bij het hof gegrond:
Immers, ook indien moet worden aangenomen, gelijk het hof klaarblijkelijk doet, dat in vorenbedoelde toezegging van de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiene een belofte besloten ligt dat tegen de verdachte ter zake geen strafvervolging zal worden ingesteld, gaat het hof uit van de onjuiste opvatting dat een dergelijke toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan het vertrouwen zou vermogen te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om ter zake alsnog tot strafvervolging tegen de verdachte over te gaan.”
In de zaak die leidde tot HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8737, NJ 2002/535 m.nt. Y. Buruma werd de verdachte verweten dat hij zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting voor het opslaan en/of overslaan van gevaarlijke stoffen in werking had. Omdat aan de verdachte door de burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam wel een gedoogbeschikking was verleend, oordeelde het hof dat niet kon worden bewezen dat de verdachte zonder een aan haar verleende vergunning had gehandeld. Naar aanleiding van een hiertegen gerichte cassatieklacht overwoog de Hoge Raad:
“5.2 Een gedoogbeschikking houdt in dat het orgaan dat de gedoogbeschikking afgeeft gedurende een bepaalde periode onder voorwaarden afziet van het gebruik maken van de bevoegdheid om bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen te hanteren. Deze enkele omstandigheid rechtvaardigt niet het vertrouwen dat het openbaar ministerie zal afzien van de hem ingevolge art. 167, eerste lid, Sv toekomende zelfstandige beslissingsbevoegdheid om tot strafvervolging over te gaan van degene die, hoewel handelend overeenkomstig een hem verleende gedoogbeschikking, een inrichting in werking heeft zonder een vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer. Het oordeel van het Hof, dat inhoudt dat het ook voor de strafrechtelijke handhaving geen verschil maakt of men een gedoogbeschikking dan wel een milieuvergunning heeft, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
In zijn noot onder het arrest schrijft Buruma dat het sinds het onder 4.10 genoemde arrest vaste rechtspraak is “dat een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan het vertrouwen niet vermag te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om tot strafvervolging over te gaan. De vraag of het OM tot vervolging mag overgaan staat dus los van het al dan niet gedogen door niet voor de strafvervolging verantwoordelijke autoriteiten.”
Dan zijn er nog de uitspraken van de Hoge Raad over coffeeshop Checkpoint. Uit de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen leid ik af dat coffeeshop Checkpoint, op enig moment de grootste coffeeshop van het land, sinds 1995 werd gedoogd. Die bestuursrechtelijke beslissing was jarenlang onderwerp van gesprek in het lokale driehoeksoverleg. Op enig moment is door het openbaar ministerie besloten strafvervolging in te stellen wegens overtreding van de gedoogvoorwaarden. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wegens schending van het vertrouwensbeginsel en schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging. De Hoge Raad casseerde en overwoog onder meer:
“2.5.1. Indien die overwegingen aldus moeten worden begrepen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat de verdachte, die ervan kon uitgaan dat het plaatselijke gezag bekend was met het stelselmatige overtreden van de in de gedoogvergunning gestelde voorwaarden, aan het uitblijven van bestuursrechtelijke en (in de periode vóór 1 juni 2007) strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die overtredingen het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de in strijd met de gedoogvoorwaarden begane misdrijven tegen de Opiumwet niet zou worden vervolgd, heeft het Hof miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden niet op één lijn kan worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlating als hiervoor in 2.4.2 bedoeld. Dit wordt niet anders door de enkele omstandigheid dat bij het zogenoemde driehoeksoverleg, waarin het plaatselijke coffeeshopbeleid en de gang van zaken bij Checkpoint werden besproken, ook het Openbaar Ministerie was vertegenwoordigd.”
Na verwijzing verklaarde het hof Amsterdam het openbaar ministerie wederom niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj. Die niet-ontvankelijkverklaring berustte – aldus de Hoge Raad – in de kern op het oordeel dat de verdachte en de medeverdachten “het gerechtvaardigd vertrouwen mochten koesteren” dat de gedoogvoorwaarden, zoals opgenomen in de door de burgemeester op 15 november 2005 afgegeven gedoogverklaring, niet werden overtreden en dat het openbaar ministerie wat betreft het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj dan ook niet tot vervolging zou overgaan. De Hoge Raad casseerde wederom:
“Dit oordeel is niet begrijpelijk, reeds omdat het Hof niet heeft vastgesteld dat dit vertrouwen is gewekt door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen van het Openbaar Ministerie, dan wel door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen die aan het Openbaar Ministerie moeten worden toegerekend. De door het Hof genoemde omstandigheden dat de controles op de naleving van de gedoogvoorwaarden zich - op aangeven van de gemeente - beperkten tot de op de verkoopoppervlakte aanwezige handelsvoorraad en dat door de verdachte tevergeefs is getracht duidelijkheid te verkrijgen omtrent de toelaatbaarheid van het aanhouden van voorraad buiten de verkoopoppervlakte alsmede dat de gemeente en het Openbaar Ministerie ermee bekend waren dat een zeer aanzienlijk deel van de klanten vanuit het buitenland naar Terneuzen kwam, en dat het beleid van de gemeente Terneuzen erop gericht was deze stroom van klanten te reguleren, volstaan daartoe niet.”
De bespreking van het eerste middel
Het vierde middel komt zoals gezegd op tegen de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
Het verweer dat namens de verdachte in hoger beroep is gevoerd is in randnummer 4.4-4.7 samengevat. Ik verwijs daarnaar. Heel kort gezegd komt het erop neer dat 1) vóór 1 april 2012 niemand anders strafrechtelijk is vervolgd voor het aanbieden van kansspelen op internet, 2) de verdachte er (in de aanloop naar en na 1 april 2012) op basis van uitlatingen van de wetgever en Ksa op mocht vertrouwen dat er (voorlopig) niet zou worden opgetreden en 3) deze uitlatingen aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend omdat het openbaar ministerie bekend was met die uitlatingen van de wetgever en de Ksa en bovendien op geen enkel moment publiekelijk of in directe communicatie met aanbieders van online kansspelen een voorbehoud heeft gemaakt.
Bij de verwerping van het verweer heeft het hof onderscheid gemaakt tussen de periode vóór de oprichting van de Ksa op 1 april 2012 en de periode daarna. Ten aanzien van de periode vóór 1 april 2012, waarin slechts strafrechtelijke handhaving mogelijk was, heeft het hof overwogen dat vanaf 2000/2001 beleid is ingezet dat heeft geleid tot een intensivering van de handhaving. Die aanpak heeft geleid tot daadwerkelijke aanpak van (fysiek) kansspelaanbod. Aan aanbieders van illegaal kansspelaanbod zijn brieven verzonden waarin erop werd gewezen dat de Wok werd overtreden, welke consequenties daaraan verbonden waren en dat strafrechtrechtelijk kon worden opgetreden indien het aanbod van kansspelen niet werd gestaakt. Het hof wijst in dat kader op waarschuwingsbrieven die in de periode van 2007 tot en met januari 2012 zijn gericht aan de [medeverdachte 1] , [A] en [B] . Dat brengt het hof tot het oordeel dat geen sprake was van een situatie waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat er niet door het openbaar ministerie zou worden vervolgd. Dergelijk vertrouwen kon ook niet worden ontleend aan ontwikkelingen gericht op een toekomstige liberalisering van de kansspelmarkt of aan ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie. Het gegeven dat er, voor zover bekend, geen andere aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd, is evenmin voldoende om te kunnen spreken van een situatie waarin het hiervoor bedoelde vertrouwen is gewekt. Het hof concludeert ten aanzien van die periode dat er geen sprake is geweest van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.
Wat betreft de periode na 1 april 2012 heeft het hof vastgesteld dat na oprichting van de Ksa voorrang werd gegeven aan de aanpak van kansspelen aangeboden op internet. Omwille van capaciteits- en doelmatigheidsredenen heeft de Ksa prioriteringsbeleid opgesteld, dat inhield dat aanbieders die zich prominent op de Nederlandse markt richtten het eerst in aanmerking kwamen voor handhaving. Het hof heeft geoordeeld dat dit prioriteringsbeleid geen gedoogbeleid was en dat ook aanbieders die niet (meer) onder de prioriteringscriteria vielen, niet zonder meer waren gevrijwaard van handhavend optreden. Daarvoor gebruikt het hof meerdere argumenten. De omstandigheid dat de kans op handhaving kleiner is, omdat een aanbieder van online kansspelen zonder vergunning niet (meer) voldoet aan de prioriteringscriteria, maakt van het prioriteringsbeleid nog geen gedoogbeleid. Dat aanbieders, als onderdeel van het prioriteringsbeleid, een termijn werd gegund om aan de gestelde criteria te voldoen en dat zij op de hoogte zouden worden gebracht van wijzigingen in die criteria, maakt dat niet anders. Dat sprake was van gedogen kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Ksa – op aanvraag – brieven heeft verstrekt aan aanbieders van online kansspelen waarin onder meer werd medegedeeld dat zij niet (langer) voldeden aan de prioriteringscriteria. De brief van 22 januari 2013 die via [betrokkene 1] aan [B] is verstrekt was naar het oordeel van het hof geen ‘gedoogbrief’, omdat in die brief tevens is opgenomen de zinssnede: “Kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria, zijn daarmee niet legaal. Tegen deze aanbieders zal slechts in het kader van de prioriteitsstelling (voorlopig) niet worden opgetreden.” Daarom kon ook hieraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat handhaving niet zou plaatsvinden, laat staan dat dat vertrouwen zich zou kunnen uitstrekken tot handhavingsbeslissingen van andere instanties dan de Ksa, zoals het openbaar ministerie. Dat sprake was van een gedoogbeleid kan ook niet worden afgeleid uit de contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie. Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden. Bovendien is – aldus het hof – in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013 door de organisatie van (onder meer) [medeverdachte 1] nooit (volledig) aan de prioriteringscriteria voldaan, zodat – voor zover er gedoogbeleid zou bestaan – dat dus niet zou kunnen worden ingeroepen. Tenslotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het openbaar ministerie, in de periode na 1 april 2012 toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging zou uitblijven. Dat vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] . Uit de verklaringen van deze twee getuigen blijkt niet dat vervolging is ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd. Het hof merkt daarbij nog op dat het openbaar ministerie niet heeft deelgenomen aan gesprekken tussen de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) enerzijds en welwillende aanbieders van kansspelen anderzijds en dat als er al door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) zouden zijn gedaan met de strekking dat niet (verder) strafrechtelijk zou worden vervolgd, aan dergelijke uitlatingen (of gedragingen) niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Van schending van het vertrouwensbeginsel is daarom geen sprake, aldus het hof.
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht houdt in dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat voor een gehonoreerd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake moet zijn van (aan het openbaar ministerie toe te rekenen) ‘toezeggingen’ of zelfs ‘uitdrukkelijke toezeggingen’, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
In de toelichting op de deelklacht wijzen de stellers van het middel op vier overwegingen uit het arrest, die zouden duiden op een dergelijke (voornoemde) interpretatie van het vertrouwensbeginsel door het hof:
“Er zijn daarbij – in lijn met het gevoerde prioriteringsbeleid – geen toezeggingen gedaan, waaruit kon of mocht worden afgeleid dat er nimmer handhavend zou worden opgetreden.”
“Ten slotte is niet gebleken dat het voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke overheidsorgaan, het Openbaar Ministerie, in de periode na 1 april 2012, toezeggingen heeft gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat vervolging uit zou blijven.”
“Het Openbaar Ministerie is door de staatssecretaris op de hoogte gesteld van voormeld beleid, maar het Openbaar Ministerie heeft niet toegezegd dat het zich aan dat beleid zou conformeren en met het Openbaar Ministerie is ook niet de afspraak gemaakt dat er niet strafrechtelijk zou worden vervolgd.”
“Uit de verklaringen van de beide getuigen blijkt voorts dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het Openbaar Ministerie de uitdrukkelijke toezegging is gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd, ook niet als zij zich zouden houden aan de gestelde voorwaarden en – na 1 april 2012 – de prioriteringscriteria.”
Volgens de stellers van het middel miskennen voornoemde overwegingen dat het vertrouwensbeginsel ook geschonden kan zijn in geval van met uitlatingen ‘gelijk te stellen gedragingen’. Dit standpunt wordt door de stellers van het middel niet nader toegelicht.
Het hof heeft in zijn hiervoor onder randnummer 4.8 weergegeven overwegingen het juiste juridische kader vooropgesteld. Ook in de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft het hof er meermalen blijk van gegeven het juiste kader voor ogen te hebben gehad. In die overwegingen komt immers meermalen terug dat geen sprake is geweest van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan.
Bovendien is het goed de door de stellers van het middel genoemde citaten in hun context te plaatsen. Het eerste citaat komt uit een alinea die gaat over de vraag of sprake zou zijn van een bestuurlijk gedoogbeleid. Het hof overweegt daarin dat in contacten die de Ksa onderhield met vertegenwoordigers van de kansspelindustrie – in lijn met de prioriteringscriteria – geen toezeggingen zijn gedaan waaruit kon of mocht worden afgeleid dat nimmer handhavend zou worden opgetreden. Dat ziet dus op bestuursrechtelijke en niet op strafrechtelijke handhaving. Het tweede citaat is het sluitstuk van de overwegingen van het hof over het beweerdelijke gedoogbeleid. Na de vaststelling door het hof dat geen sprake was van een bestuurlijk gedoogbeleid moet deze overweging mijns inziens zo worden gelezen dat ook van de zijde van het openbaar ministerie geen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen hebben plaatsgehad waarmee het vertrouwen is gewekt dat geen (strafrechtelijke) vervolging zou plaatsvinden. Dat dergelijke uitlatingen wel door het openbaar ministerie zouden zijn gedaan is overigens ook niet aangevoerd. Het derde en het vierde citaat hebben betrekking op verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuigen mr. [getuige 1] en mr. [getuige 2] en hetgeen daaruit kan worden afgeleid en betreffen dus geen oordelen of overwegingen van het hof.
Kortom, een onjuiste rechtsopvatting kan ik in de door de stellers van het middel aangehaalde passages niet ontdekken.
De tweede deelklacht
Met de tweede deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat in de periode vóór 2012 geen sprake was van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen waaruit de verdachte kon afleiden dat er niet tot vervolging zou worden overgegaan. Dat oordeel zou onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn. Dat geldt volgens de stellers van het middel in het bijzonder voor ‘s hofs overweging dat het gegeven dat, voor zover bekend, geen aanbieders van online kansspelen daadwerkelijk zijn vervolgd ‘evenmin voldoende is’ om te kunnen spreken van een situatie waarin het bedoelde vertrouwen is gewekt.
Ik kan de stellers van het middel op dit punt niet volgen. Wat betreft de periode vóór 1 april 2012 wijs ik erop dat het hof heeft vastgesteld dat het in 2000/2001 ingezette beleid ten aanzien van illegaal kansspelaanbod heeft geleid tot de daadwerkelijke aanpak daarvan. Het hof verwijst daarbij naar Kamerstukken II, 2002-2003, 24036 en 24557, nr. 280, p. 12, waarin staat vermeld dat de aanpak van illegale casino’s effect sorteert en er inmiddels bijna zestig illegale casino’s zijn gesloten door toepassing van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke instrumenten. Dat dit – voor zover bekend – geen aanbieders van online kansspelen betrof, heeft het hof klaarblijkelijk niet relevant gevonden. Dat lijkt mij niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Zelfs als dat anders zou zijn stuit deze deelklacht mijns inziens af op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2013 (besproken in randnummer 4.13): het uitblijven van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving kan niet op één lijn worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlating.
De derde tot en met de negende deelklacht
De derde tot en met de negende deelklacht richten zich tegen het oordeel van het hof dat het vertrouwensbeginsel ook in de periode na 1 april 2012 niet is geschonden. Ik zal deze klachten slechts kort bespreken, omdat zij alle afstuiten op het oordeel van het hof dat geen sprake is van door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet (verder) zal worden vervolgd, welk oordeel in lijn is met de kaders die de Hoge Raad in de hiervoor in de randnummers 4.9-4.14 besproken arresten heeft uiteengezet.
Volgens de derde deelklacht getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk, aangezien het hof zijn oordeel te dezen in essentie - althans in te grote mate - baseert op de vaststelling dat geen sprake was van een ‘gedoogbeleid’. Bij de beoordeling van het verweer had centraal behoren te staan a) of sprake was van aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijkgestelde gedragingen, b) of de verdachte daarop heeft vertrouwd en c) of dat vertrouwen gerechtvaardigd was, aldus de stellers van het middel. Zoals ik bij de bespreking van de eerste deelklacht heb aangegeven, is het hof uitgaan van het juiste juridische kader. Dat het hof bij de verwerping van het beroep op het vertrouwensbeginsel veel aandacht heeft besteed aan de vraag of al dan niet sprake was van een gedoogbeleid (of prioriteringsbeleid) is in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. De kern van dat beroep was immers dat sprake was van een gedoogbeleid door de Ksa. Het hof heeft het daarbij bovendien niet gehouden. Het hof heeft óók geoordeeld dat geen sprake was van (door het openbaar ministerie gedane of) aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij de verdachte en/of de medeverdachten het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat niet (verder) zal worden vervolgd.
De vierde deelklacht luidt dat het hof het oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel dient te worden verworpen voorts ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat sprake was van toezeggingen tot niet-vervolging zijdens de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie, zonder vervolgens te beoordelen of die toezeggingen aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend. Deze klacht kan ik niet goed volgen. Nadat het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een gedoogbeleid, heeft het hof overwogen dat uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat op geen enkel moment van de zijde van de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie, medewerkers van de Ksa (in oprichting) en/of het openbaar ministerie de toezegging is gedaan dat niet strafrechtelijk zou worden vervolgd. Aan de vraag naar eventuele toerekening van die (niet bestaande) toezeggingen aan het openbaar ministerie kwam het hof dus niet toe.
De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat de toezeggingen van de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet aan het openbaar ministerie kunnen worden toegerekend, onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor ’s hofs overweging dat uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet blijkt dat vervolging is ingesteld of voortgezet na door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen. Ik verwijs naar de bespreking van de vierde deelklacht: het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een gedoogbeleid en dat door de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie geen toezeggingen tot niet-vervolging zijn gedaan. Daarmee is ook deze deelklacht gedoemd te falen.
Met de zesde deelklacht geraken we wat verder van de kern van het oordeel van het hof. ’s Hofs overweging dat in de periode na de bevestigingsbrief van 22 januari 2013 nimmer (volledig) aan de prioriteringscriteria is voldaan, zodat – voor zover er gedoogbeleid zou bestaan – dit niet kan worden ingeroepen, is onbegrijpelijk gelet op hetgeen namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd, aldus de stellers van het middel. Deze klacht faalt reeds omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Overigens lijkt die overweging mij niet direct onbegrijpelijk, gelet op de verslagen van gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van (nota bene) 22 januari 2013 (bewijsmiddelen 34 en 36), waarin zij het hebben over het terugzetten van de taal op de goksites van het Engels naar het Nederlands, terwijl onderdeel van de prioriteringscriteria was dat werd gekeken of de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was.
De zevende deelklacht luidt dat ’s hofs oordeel dat na 1 april 2012 geen sprake was van een gedoogbeleid en/of dat geen sprake was van uitlatingen of gedragingen waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat [getuige 1] , [getuige 2] en [betrokkene 1] hebben gesteld dat aanbieders van online kansspelen op basis van de gevoerde gesprekken het gerechtvaardigd vertrouwen konden hebben dat van elke vorm van handhaving, dus ook van strafrechtelijke handhaving, zou worden afgezien. Of sprake is van een responsieplichtig verweer kan mijns inziens in het middel blijven. Uit het bestreden arrest volgt immers duidelijk dat het hof de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] anders heeft gewogen dan de verdediging. Het hof ziet in die verklaringen bevestiging voor de vaststelling dat de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of het openbaar ministerie geen toezeggingen hebben gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Dat het hof die verklaringen zo heeft begrepen, is niet onbegrijpelijk. Ik citeer uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2022:
“ [getuige 1] verklaart op vragen van de voorzitter het volgende.
(…)
U vraagt mij of tijdens de gesprekken die zijn gevoerd met aanbieders van kansspelen ook is gezegd dat als zij zich aan de voorwaarden zouden houden, het strafrecht niet in beeld zou komen, dat sprake was een gedoogbeleid. Er is geen gedoogbeleid afgesproken. Er is niet gezegd dat er niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden gehandhaafd. (…)
Ook heb ik gesproken met de procureur-generaal van het Openbaar Ministerie die dit onderwerp in zijn portefeuille had. Ik heb hem uitgelegd welk kansspelbeleid het kabinet voorstond en dat wij niet over de strafrechtelijke handhaving gingen. Het was mij bekend dat strafrechtelijke handhaving ultimum remedium is en dat het vaak volgt na bestuurlijke handhaving. Hij heeft daar kennis van genomen. Wij hebben echter niet afgesproken dat niemand strafrechtelijk zou worden vervolgd. (…)
Er was derhalve geen sprake van expliciet gedogen. Dat is ook nooit toegezegd. Of het kan worden gezien als impliciet gedogen is een waarderingsdiscussie waar ik mij als getuige niet aan waag. (…)
U zegt mij dat ik dus eigenlijk verklaar dat er niet met zoveel woorden sprake was van een gedoogbeleid, maar dat als de aanbieders zich aan de voorwaarden hielden, zij niet vooraan zouden staan bij de handhaving, dat ik contact heb gehad met het Openbaar Ministerie, dat ik daarbij het kabinetsbeleid uiteen heb gezet en dat het Openbaar Ministerie daar derhalve van op de hoogte was. U vraagt mij of de leiding van het Openbaar Ministerie zich daaraan heeft geconformeerd. Dat heeft het Openbaar Ministerie niet gezegd. Het Openbaar Ministerie is onafhankelijk van het kabinet. Wel heeft het Openbaar Ministerie gezegd dat het begrijpt wat de uitgangspunten van het kabinet waren. (…)
U vraagt mij of er door mij of in opdracht van mij een toezegging is gedaan aan één of meer van deze verdachten of via hun raadslieden dat zij niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd. Nee, noch door mij noch in opdracht van mij is een dergelijke toezegging gedaan. (…)
U vraagt mij, als wordt gezegd dat iets mag onder voorwaarden, of dat niet kan worden gezien als een gedoogafspraak. Je kunt dat zien als impliciet gedogen. Ik denk dat je kunt zeggen dat partijen erop mochten vertrouwen dat er niet bestuurlijk of strafrechtelijk zou worden gehandhaafd tegen hen. Ik denk dat ze daaraan gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen. (…)
Ik realiseer mij natuurlijk goed dat het kabinet niet gaat over het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie, maar als je met de Kansspelautoriteit afspreekt dat zij een terughoudend bestuurlijk handhavingsarrangement hanteert ten aanzien van dit soort aanbieders, dan zou het een beetje raar zijn - dat begrijpt iedereen - als ten aanzien van hen dan wel strafrechtelijk zou worden gehandhaafd.
(…)
Op vragen van de voorzitter verklaart [getuige 2] als volgt.
(…)
U vraagt mij of ik bekend ben met het feit dat er op enig moment waarschuwingsbrieven zijn verzonden door de Kansspelautoriteit. Ja natuurlijk. U vraagt mij of ik daarover kan vertellen. Ik vermoed dat u het hebt over de brieven waarover ik zojuist al verklaarde, te weten de brieven die enige tijd na de oprichting van de Kansspelautoriteit door deze werden verstuurd, waarin - samengevat - stond dat mijn cliënten zich moesten houden aan de drie voorwaarden, waarna ze zich niet zouden prioriteren en dan voorlopig niet in aanmerking zouden komen voor handhaving. ‘Voorlopig’ lazen wij, en de hele markt overigens, als woord voor de bühne, want er was een harde afspraak met Justitie dat niet zou worden gehandhaafd. (…)
U zegt mij dat [getuige 1] tevens heeft verklaard dat, op basis van de hele gang van zaken richting de uiteindelijke wetgeving, partijen er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat niet zou worden gehandhaafd als zij zich zouden blijven conformeren en dat dit ook zo naar de advocaten van die partijen werd gecommuniceerd. U vraagt mij of dit een juiste visie is van [getuige 1] . Ja, ik denk het wel. (…) Op dat moment waren wij er inderdaad van overtuigd dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Dat wilde [getuige 1] ook niet; hij wilde een ordentelijke overgang naar een gereguleerde markt. Ik kan dus alleen maar bevestigen wat [getuige 1] volgens u zojuist heeft verklaard.
U vraagt mij of ik contact heb gehad met [betrokkene 1] . Ja, zij heeft mij benaderd met betrekking tot het wel of niet bestuursrechtelijk of strafrechtelijk ingrijpen. Ik ken [betrokkene 1] beroepshalve en ik heb in het verleden contact met haar gehad. Wat wilt u precies weten? U vraagt mij of ook werd gecommuniceerd naar mensen die mij benaderden dat sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen dat er niet zou worden ingegrepen. Ja natuurlijk. Er was een kleine groep advocaten die zich met het Nederlands kansspelbeleid bezighield. Deze advocaten hadden onderling contact en zodoende had ik ook contact met [betrokkene 1] . Ik heb daarover zeker uitvoerig met haar gesproken. Zij wist denk ik heel goed van de hoed en de rand. (…)
Over strafrechtelijke handhaving ging het toen helemaal niet. Het primaat van handhaving zou bij de Kansspelautoriteit komen te liggen. Op het Ministerie van Justitie is tijdens de gesprekken met meel in de mond gesproken over gedogen. Ik heb toen ook gevraagd of sprake was van gedogen. Er werd gezegd dat het geen gedogen genoemd mocht worden, maar dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Er is toen niet gespecifieerd wat voor handhaving dat dan zou zijn. Logischerwijs ging het om bestuursrechtelijke handhaving, nu de Kansspelautoriteit in wisselende samenstelling deelnam aan die gesprekken. Alle partijen die deelnamen aan de
gesprekken liepen naar buiten met het idee dat als zij zich aan de voornoemde voorwaarden zouden houden, gelet op het feit dat de nieuwe wet eraan zat te komen, de kans dat tegen hen werd gehandhaafd buitengewoon klein was. (…)
U, voorzitter, zegt mij dat [getuige 1] als voormalig officier van justitie als geen ander zal weten dat het Ministerie van Justitie niet gaat over het wel of niet strafrechtelijk vervolgen. Daar gingen die gesprekken ook niet over. Het Openbaar Ministerie werd niet betrokken in de discussie. Op dat moment ging het over handhaving in brede zijn en daarmee werd bedoeld de bestuursrechtelijke handhaving. (…)
Wij wilden niet dat er bestuursrechtelijk werd gehandhaafd. Ik heb toen meermalen gesproken met één van de medewerkers van [getuige 1] om te vragen of er niet een telefoontje moest worden gepleegd naar het College van Procureurs-Generaal of het Openbaar Ministerie in het algemeen om af te spreken dat cliënten met rust zouden worden gelaten omdat we nu eenmaal een afspraak hadden. Vervolgens werd daarover niets aan mij teruggekoppeld. Toen de gesprekken op het Ministerie van Justitie plaatsvonden, was mij wel bekend dat [getuige 1] contact had opgenomen met het Openbaar Ministerie. Ik weet overigens niet met wie hij van het Openbaar Ministerie heeft gesproken. Ik weet niet wat er precies is gezegd. (…) Ik ben geen deelgenoot geweest van de gesprekken tussen [getuige 1] en het Openbaar Ministerie, dus ik weet niet wat daar precies is besproken. Ik weet dat wij die vraag hebben gesteld en ik weet dat die gesprekken hebben plaatsgevonden met het Openbaar Ministerie, maar ik kan u dus geen mededelingen doen over de inhoud van die gesprekken.”
In de vaststelling dat de Ksa en de staatssecretaris en/of ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of het openbaar ministerie geen toezeggingen hebben gedaan dat aanbieders van online kansspelen niet strafrechtelijk zouden worden vervolgd ligt logischerwijs besloten dat ook geen sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen in dergelijke toezeggingen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
De achtste deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat aan eventuele door de staatssecretaris, de betrokken ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie en/of medewerkers van de Ksa (in oprichting) gedane uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, omdat aan deze functionarissen geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend. Net als de zesde deelklacht faalt deze klacht reeds omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Voorop staat immers het oordeel van het hof dat van dergelijke uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) geen sprake is. Voor het overige merk ik op dat art. 124 RO bepaalt dat het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, zo bepaalt art. 125 RO, uitgeoefend door – kort gezegd – het College van procureurs-generaal, de advocaten-generaal bij de ressortsparketten en de officieren van justitie. De minister van Veiligheid en Justitie kan ingevolge art. 127 RO algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, maar van die bevoegdheid is – aldus het hof – geen gebruik gemaakt. Op grond van art. 46 lid 2 van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. Het Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, houdende bekendmaking van de taak waarmee de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast (Stcrt. 2012, 24375), houdt niet in dat de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mr. [getuige 1] , in het bijzonder was belast met aangelegenheden betreffende het openbaar ministerie, laat staan het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie. Voornoemd Besluit houdt – overeenkomstig de vaststellingen van het hof – wél in dat [getuige 1] was belast met aangelegenheden betreffende kansspelen. Waarom dat met zich zou brengen dat het oordeel van het hof dat hij niet kan worden aangemerkt als een voor het vervolgingsbeleid verantwoordelijke persoon als gevolg daarvan dan toch onjuist en/of onbegrijpelijk zou zijn, ontgaat mij. Ik verwijs ook naar voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 17 december 1985 (randnummer 4.10), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de opvatting dat een toezegging van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan, in dat geval de minister of staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, het vertrouwen zou vermogen te rechtvaardigen dat het OM zou zijn verstoken van het recht om ter zake alsnog tot strafvervolging tegen de verdachte over te gaan, onjuist is. Ook om deze redenen faalt de deelklacht.
Tegen die achtergrond is ook ’s hofs oordeel dat aanbieders van online kansspelen die zich aan de voorwaarden hielden erop mochten vertrouwen dat niet bestuurlijk en strafrechtelijk zou worden gehandhaafd een ‘persoonlijke opvatting’ is van [getuige 1] , niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zodat ook de negende deelklacht faalt.
Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
5 Het tweede middel
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaringen van feit 3 (gewoontewitwassen) en feit 7 (voordeel trekken uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen goed) onvoldoende met redenen zijn omkleed. Het middel bevat verschillende klachten over het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat (met betrekking tot feit 3) het vastgoed afkomstig was uit enig misdrijf en (feit 7) het de opbrengst van door misdrijf verkregen goederen betrof.
De bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is onder 3 en onder 7 bewezenverklaard dat zij:
“3. in de periode van 1 januari 2010 tot en met mei 2013,
in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers heeft zij, verdachte, en haar mededader toen en daar
krachtens die gewoonte van
- vastgoed met een waarde van EUR 1.800.000,-,
gebruik gemaakt,
terwijl zij verdachte en haar mededader ten aanzien van dat vastgoed wist,
dat dit onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;
7.
in de periode van 1 mei 2010 tot en met mei 2014
in Nederland
uit de opbrengst van enig door [medeverdachte 1] gepleegd misdrijf,
voordeel heeft getrokken, terwijl zij wist, dat het de opbrengst van door
misdrijf verkregen goederen betrof,
immers heeft verdachte
- in bovengenoemde periode meerdere creditcard-aankopen (voornamelijk
uitgaven aan kleding in binnen- en buitenland, (vlieg) reizen, uitgaven in
restaurants in het buitenland en sieraden) met een totale waarde van
EUR 181.604,- gedaan en
- in bovengenoemde periode gebruik gemaakt van een boot in Spanje.”
De overwegingen van het hof
In het kader van de vrijspraak van feit 4 heeft het hof het volgende overwogen:
“Witwassen (zaaksdossiers 02G-I-L-M, feit 4)
Uit misdrijf afkomstig
De vraag die bij alle witwasverdenkingen in het dossier Rykiel moet worden beantwoord, is of de tenlastegelegde geldbedragen gegenereerd zijn met het aanbieden van online kansspelen in Nederland en zo ja, of deze geldbedragen daarmee uit een misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode op de websites [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 3] , [internetsite 4] , [internetsite 5] , [internetsite 6] en [internetsite 7] kansspelen werden aangeboden, gericht op en toegankelijk voor Nederlandse consumenten. Het via internet opzettelijk aanbieden van kansspelen in Nederland is een misdrijf op grond van de Wet op de kansspelen en de WED. Inkomsten die daarmee worden gegenereerd, zijn dus van misdrijf afkomstig. De verdachte was bekend met de herkomst van die inkomsten.
(…)
Conclusie
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat opzettelijke overtreding van de Wok als een strafbaar feit, een misdrijf, kan worden gekwalificeerd. Dit betekent dat het geld dat is verdiend met het opzettelijk in strijd van de Wok aanbieden van online kansspelen, uit misdrijf afkomstig is.
Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 3 en feit 7 als volgt overwogen:
“Bewijsoverwegingen
Algemeen
(…)
Het hof verwijst voor wat betreft de inleiding en de strafbaarheid van de onderliggende feiten naar hetgeen hiervoor reeds staat opgenomen onder het kopje “vrijspraak”. Met dien verstande wordt eveneens naar die overwegingen verwezen voor zover het hof het hierna heeft over de inkomsten uit online kansspelen.
Witwassen (zaaksdossiers 02D-K, feit 3) en voordeel trekken (zaaksdossier 10, feit 7)
Witwashandelingen
Spelers van online kansspelen op voornoemde websites legden geld in door betalingen te doen per creditcard, sms, Ideal of anderszins. Het ingelegde geld werd overgeboekt naar rekeningen die ter beschikking stonden van [C] De inkomsten uit online kansspelen werden onder meer gebruikt om spelers uit te betalen en de bedrijfsvoering te bekostigen. Ook vond een groot deel van de inkomsten zijn weg naar verdachten uit het onderzoek Rykiel, aan hen gelieerde rechtspersonen en familieleden.
De inkomsten uit online kansspelen werden onder meer gebruikt om de rechtspersonenstructuur van [medeverdachte 1] , waaronder zijn persoonlijke holding, van inkomen te voorzien/te financieren. Verdachte was getrouwd met [medeverdachte 1] en bewoonde samen met hem een woning in [plaats] met een waarde van 1,8 miljoen euro, die deels bekostigd is met de inkomsten uit online kansspelen. Verdachte heeft gebruik gemaakt van die woning en zodoende gebruik gemaakt van een voorwerp dat middellijk afkomstig is van misdrijf. Gelet op het langdurige, structurele gebruik van de woning, maakt dat naar het oordeel van het hof sprake is van gewoontewitwassen.
Het hof acht niet bewezen dat verdachte ander vermogen heeft witgewassen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is namelijk niet gebleken dat verdachte enige handeling van betekenis heeft verricht ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen, die in strijd met de Wok zijn verworven en die via Buckaroo en [C] hun weg vonden naar crediteuren, spelers van kansspelen, rechtspersonen, de leidinggevenden van [C] en anderen. Verdachte wordt in zoverre vrijgesproken.
Voordeel trekken
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wel geprofiteerd van de inkomsten die haar echtgenoot [medeverdachte 1] indirect met online kansspelen in strijd met de Wok heeft ontvangen. Zo heeft verdachte gebruik gemaakt van een boot in Spanje, die door haar echtgenoot [medeverdachte 1] is gekocht. Bovendien heeft zij met een creditcard die aan de bankrekening van [medeverdachte 1] gekoppeld was, ruim € 180.000,- uitgegeven aan kleding, etentjes en andere zaken.
Het hof acht niet bewezen dat verdachte heeft geprofiteerd van auto’s die door [medeverdachte 1] zijn bekostigd, noch van een “luxe villa” in Spanje. Verdachte wordt daar dan ook van vrijgesproken.
Opzet/voorwaardelijk opzet
Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de verdachte wel degelijk wist dat de gelden afkomstig waren vanuit inkomsten die indirect afkomstig waren uit online kansspelen die in strijd met de Wok zijn ontvangen. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte, als echtgenote van [medeverdachte 1] , eveneens een rol in zijn bedrijven had. Zij is half oktober 2010 met [medeverdachte 1] gaan samenwonen. [verdachte] is sinds 1 mei 2010 werkzaam bij [D] is op 29 mei 2012 gewijzigd in [E] waar [verdachte] als sales manager & compliance officer, tot aan het faillissement van de [E] , werkzaam is geweest. In haar werk was zij actief betrokken bij de internetsite waarop de online gokspellen werden aangeboden. Zo stuurt zij op 21 december 2011 een mail dat de paytable op bepaalde sites met spoed moeten worden verwijderd omdat de percentages te laag zijn. Of wordt haar een tekst voorgelegd op 26 september 2011 over de tekst op een online gokwebsite. Via het bedrijf waarvoor zij werkte kwamen grote geldsommen binnen waarvan zij ook mee profiteerde gedurende haar huwelijk met [medeverdachte 1] . Verdachte was op de hoogte van het feit dat [C] in feit kansspelen aanbod via online gokwebsites gezien haar werkzaamheden, en [medeverdachte 1] hierin leiding gaf, getuige diverse emails die zij verstuurde. Gezien haar verbondenheid met [medeverdachte 1] en haar werk bij [C] ligt het in de rede dat zij op de hoogte was van het feit dat er sprake was van illegale goksites. Maar in ieder geval stelde zij zich bloot aan de aanmerkelijke kans dat er sprake was van illegale geldstromen waar zij van mee profiteerde nu op grond van de wet op de kansspelen het aanbieden van kansspelen zonder vergunning strafbaar is.
Hetgeen de verdediging thans in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht maakt dat naar
het oordeel van het hof niet anders.”
Voor zover relevant heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 1 oktober 2018 (als opgenomen in het proces-verbaal van de ter terechtzitting van de rechtbank van 17 september 2018 e.v., p. 124-125), voor zover inhoudende
Ik heb ook gebruik gemaakt van de boot van [medeverdachte 1] . Ik was daar geen mede-eigenaar van.
De jongste rechter vraagt mij naar de woning waar ik en [medeverdachte 1] in woonden in [plaats] . Ik heb daar denk ik gewoond van 2010 tot ongeveer 2015.
De jongste rechter vraagt mij naar het gebruik van creditcards. [medeverdachte 1] had een American Express card op zijn naam. Hij vroeg mij heel vaak betalingen voor hem te doen in de privésfeer. Daarom heeft [medeverdachte 1] op een gegeven moment op eigen initiatief een tweede kaart aangevraagd en gekoppeld aan zijn eigen creditcard. Die tweede creditcard stond op mijn naam. De betalingen die ik daarmee verrichtte waren heel divers. Kleding kocht ik er bijvoorbeeld mee. U houdt mij voor dat het om ongeveer € 180.000,- zou gaan in de jaren 2010 tot en met 2013. Het lijkt mij veel, maar het zal ongetwijfeld kloppen. Het geld dat opging aan etentjes waren veelal gezamenlijke uitgaven.
Ik wist dus dat hij [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ] zijn geld verdiende met online business. Ik wist ook dat dat gok gerelateerd was.
(…)
34. Een geschrift, te weten een gespreksverslag van een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van 22 januari 2013 (ZD01, p. 2239-2241), voor zover inhoudende:
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [medeverdachte 1]
[medeverdachte 2] zegt het teken is er al he dat anderen ook allemaal teruggezet hebben. (…)
zegt je ken ook zeggen we doen de spellen eerst, Nee ik zou gewoon het maximale wat mag terugzetten zegt [medeverdachte 2] . Ja het mag eigenlijk allemaal niet zegt [medeverdachte 1] Mh mh zegt [medeverdachte 2] , ow ja hun hebben dat ook dat element, is wel mooi ja. Ja ik heb extreem zegt [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 2] zegt maar ik denk dat de registratie en de betaling dat dat het belangrijkste is. Ja wat jij wil dat gaat echt niet zegt [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt ja maar ik zeg alleen maar wat ik denk, ik denk dat dat betalingensysteem dat dat belangrijk is dat iedereen het snapt in het Nederlands. Mh mh zegt [medeverdachte 1] . Ik denk ook dat we niet moeten overstressen zegt [medeverdachte 1] , ik denk dat we eerst moeten zeggen we gaan vandaag de spellen doen, morgen de dingen doen die we gepland hebben, donderdag de site, zo moet je het doen. [medeverdachte 2] zegt ja we moeten in ieder geval iets doen want zo gaat het niet natuurlijk.
[medeverdachte 1] belt ondertussen naar [betrokkene 2] en voegt hem als derde persoon toe aan het gesprek. [medeverdachte 1] zegt tegen [betrokkene 2] dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] er echt van overtuigd zijn dat er iets moet gebeuren.
[medeverdachte 1] stelt voor om vanavond nog de spellen van [F] terug te zetten in het Nederlands, zowel de betaalde als de niet betaalde en om daarnaast van alle overige spellen alleen de menubalk in het Nederlands te zetten en de rest in het Engels te houden.
[betrokkene 2] herhaalt wat [medeverdachte 1] zei en schrijft op wat [medeverdachte 1] voorstelt.
[medeverdachte 1] zegt dus de gratis [F] spellen en de betaalde [F] spellen gaan de knoppen allemaal weer terug naar Nederlands. Ja zegt [betrokkene 2] . Vraag of dat ze boven bij de gratis spellen in de balk advertisement kunnen zetten, als dat kan is dat mooi meegenomen, als dat niet kan ook niet zegt [medeverdachte 1] . Dan heb je andere spellen die hoef je niet in het Nederlands te vertalen die heb je niet zoals […] en […] of ( […] ) […] ( […] ) […] heb je dat niet, die laat je
gewoon Engelse knoppen, alleen doe je de menubalk doe je in het Nederlands. Ja zegt [betrokkene 2] . En […] laat je [betrokkene 3] even weer de Nederlandse versies terugzetten, dat zou denk ik het meest realistisch zijn als we dat vandaag proberen zegt [medeverdachte 1] .
Want de grootste pijn zat hem erin toen wij die tekst in de spellen hebben gedaan, toen begonnen wij echt veel omzet te verliezen weet je nog zegt [medeverdachte 1] . Ja zegt [betrokkene 2] . Dus daar zit hem denk ik de grootste pijn in de spellen, dus ik wil het echt in stapjes doen en het is niet realistisch om alles te doen vandaag dat realiseer ik me ook.
[medeverdachte 1] herhaalt wat ze hebben afgesproken. [betrokkene 2] zegt ok, ja dan ga ik het zo even met iedereen bespreken. Ja bel mij zo maar terug zegt [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] eens zo vraagt [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt ja zeker, alleen ik zou ja misschien maar goed wat hij net zegt als je alles los doet je misschien problemen veroorzaakt en misschien alles in een keer doen maar dan een dag later.
[medeverdachte 1] zegt ja ik weet het ook niet, ik probeer maar oplossingen te verzinnen. Ik zou het gewoon doorduwen, ik zou het terugzetten in het Nederlands zegt [medeverdachte 2] . Niet alles toch zegt [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 1] zegt de kans dat we dadelijk gruwelijk op onze vingers geslagen worden ( […] ), maar ja dat zien we dan wel weet. Hoezo in de zin van vraagt [medeverdachte 2] . De KSA zegt [medeverdachte 1] , maar ja aan de andere kant ( […] ).
35. Een geschrift, te weten een gespreksverslag van een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 4] van 22 januari 2013 (ZD01, p. 2242-2243), voor zover inhoudende:
Na begroeting zegt [betrokkene 4] , da’s ook nog niet zon gek idee. Daar had ik nog helemaal niet aan gedacht, aan die talen.
[medeverdachte 2] : ja terugzetten gewoon.
(…)
[medeverdachte 2] : Ja maar wij hebben toch een brief gehad voor de goedkeuring van KSA. Dus dat zit allemaal goed. We zetten het gewoon terug en als er dan wat is, ja sorry, foutje met uploaden.
[betrokkene 4] : Zie je dat echt sinds de dag dat het is omgezet dat het in een keer naar beneden loopt?
[medeverdachte 2] : Een keer? Denk dat we de helft omzet hebben.
[betrokkene 4] : ja maar vanaf toen in een keer zeg maar een beetje, dat het toen echt eh down hill is gegaan. [medeverdachte 2] zegt dat het steeds verder naar beneden is gegaan.
36. Een geschrift, te weten een gespreksverslag van een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van 22 januari 2013 (ZD01, p. 2244), voor zover inhoudende:
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [medeverdachte 1]
wil nu weten wat ze moeten doen want hij had net [verdachte] aan de lijn. [medeverdachte 1] twijfelt nu of ze, hij wil niet dat hun klanten ruzie met de KSA krijgen.
zegt dat hij de header en de fooder (fon) die zit bovenin die wil [medeverdachte 1] gewoon Engels houden, de lobby en de spellen kunnen ze Nederlands doen. [medeverdachte 1] denkt dat als ze alleen de spellen in het Nederlands doen dat dat al genoeg is en het valt minder op, als hele teksten Nederlands worden dan valt dat op. [medeverdachte 2] vindt dat daar iets in zit maar stelt wel voor om vandaag gewoon door te zetten. [medeverdachte 1] zegt dat ze het ook door gaan zetten.
(…)
39. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 5] (ZD01, p. 2386-2393), voor zover inhoudende:
V: Wanneer ben je bij [C] begonnen?
A: In 2008/2009 denk ik. Sinds een paar maanden zijn de activiteiten stilgelegd en sta ik niet meer op de loonlijst.
V: Waar werk je nu dan?
A: Ik werk nu bij de [G] . Op mijn salarisstrook staat [G] .
40. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 5] (ZD01, p. 2394-2402), voor zover inhoudende:
V: Waar kwam de inkomende geldstroom van Buckaroo vandaan?
A: Ik weet dat die van de online casino’s afkwamen. Ik wist dat het in strijd was met de Wet op de kansspelen. Dat wist iedereen in het bedrijf.
V: Van welke online casino’s was dit geld afkomstig?
A: De naam die ik ken was [internetsite 1] . Er was er ook nog een met [internetsite 4] nog iets.
(…)
54. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2014, PDHUIJE 79-15 p. 6 – 15 voorzover inhoudende:
Inleiding
[verdachte] staat sinds 14 oktober 2010 ingeschreven op het woonadres [a-straat 1]
te [plaats] . De woning gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] werd op 3 maart 2008
aan [medeverdachte 1] geleverd tegen een koopprijs van€ 1.825.000.
Op 26 april 2011 is [verdachte] in het huwelijk getreden met [medeverdachte 1] . Zij zijn
onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. De huwelijkse voorwaarden zijn ingeschreven
op 4 maart 2011 bij de rechtbank in 's Hertogenbosch. Op 11 oktober 2013 werd het
gezamenlijk kind van [verdachte] en [medeverdachte 1] , [betrokkene 6] , geboren.
Bij raadpleging van de kamer van koophandel is gebleken dat [verdachte] enig
aandeelhouder is van de onderneming genaamd [H] Deze
onderneming is op 16 september 1999 opgericht en is gevestigd aan de [b-straat 1]
te [plaats] . Uit onderzoek is gebleken dat [H] 50% van de
aandelen in handen heeft van [I] De andere 50% van de aandelen zijn in
handen van [D] is de holdingvennootschap
van [medeverdachte 1] .
p. 10
Op 23 april 2013 is een Lovj bevraging bij de Financial lntelligence Unit gedaan inzake
verdachte transacties van [verdachte] .
Uit dit verzoek is gebleken dat [verdachte] op 7 september 2011 een
creditcardbetaling heeft verricht ten bedrage van€ 15.000 bij [J] in
[plaats] . Opvallend is dat uit de bevraging verdachte transacties van [medeverdachte 1]
blijkt dat op 25 februari 2011 en op 12 november 2011 eveneens transacties hebben
plaatsgevonden bij [J] te [plaats] . Deze transacties betroffen
contante aankopen, beiden van€ 16.500.
Vanaf 14 oktober 2010 staat [verdachte] ingeschreven op het adres [a-straat 1]
te [plaats] . Dit betreft de woning van [medeverdachte 1] welke is aangekocht voor een bedrag
van € 1.825.000. Vanaf deze datum heeft [verdachte] een gezamenlijk huishouden
gevoerd met [medeverdachte 1] .
[D]
[verdachte] is sinds 1 mei 2010 werkzaam bij [D]
. is op 29 mei 2012 gewijzigd in [E] waar [verdachte]
als sales manager & compliance officer, tot aan het faillissement van de
[E] , werkzaam is geweest.
Op 13 december 2005 is de vennootschap [K] gekocht door [medeverdachte 1] ,
waarna de statutaire- en handelsnaam op 25 januari 2006 is gewijzigd in [D]
. [D] bezit 50% van de aandelen van [C]
is een onderneming van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en vanaf medio
2008 tevens van [medeverdachte 3] .
Op 29 mei 2012 heeft een naamswijziging plaatsgevonden en is de naam [D]
. gewijzigd in de naam [E]
De feitelijke activiteiten van [D] zijn, vanaf het moment van
naamswijziging in [E] , voortgezet door de op 31 mei 2012
opgerichte vennootschap [L] , met als enig aandeelhouder
[medeverdachte 1] . Ook de aandelen in [C] (50%) zijn op dat moment overgegaan
naar [L]
Uit onderzoek is gebleken dat [D] alleen kan bestaan dankzij de
geldstromen (met criminele herkomst) van [C] Doordat [medeverdachte 1] zijn
uitgaven en manier van leven alleen kan financieren middels zijn loon uit [D]
. en de bij deze vennootschap aangehouden (hypothecaire) leningen en
kredieten in rekening-courant, kan gesteld worden dat [medeverdachte 1] volledig
afhankelijk is van de geldstroom uit [D]
Aangezien [D] op haar beurt alleen kan bestaan dankzij de
geldstromen (met criminele herkomst) van [C] kan gesteld worden dat [medeverdachte 1]
geheel afhankelijk is van de geldstromen (met criminele herkomst) uit [C]
Aangezien [verdachte] inkomsten ontvangt vanuit [D] kan
worden gesteld dat zij voor in ieder geval de jaren 2010 (vanaf 1 mei) en 2011 slechts
inkomsten met een criminele herkomst heeft ontvangen.
p. 11
Alderney Gambling Control Commission
Uit onderzoek Is gebleken dat [verdachte] heeft meegewerkt aan het opstellen,
versturen, beschikbaar stellen en organiseren van correspondentie naar de Alderney
Gambling Control Commission (hierna: AGCC), gevestigd op het Kanaaleiland
Alderney en behorend tot het Verenigd Koninkrijk, met als doel een ‘key individual
Certificate’ voor [medeverdachte 2] te verkrijgen. Uit onderzoek is gebleken dat op 9
augustus 2011 aan [G] een licentie, namelijk een ‘ foreign gambling
associate certificate’ is afgegeven door AGCC.
De betreffende licentie die aan [G] is verstrekt betreft geen
gokvergunning, maar een licentie voor een leverancier van software ten behoeve van
de online gokexploitanten. Uit onderzoek is tevens gebleken dat [medeverdachte 1] vanaf 9
augustus 2012 in het bezit Is van een ‘key individual certificate’ als beleidsbepaler van
[G] Een ‘key individual certificate’ betreft een licentie voor de
beleidsbepalers van de vennootschap met een Alderney licentie.
Uit verklaringen en tapgesprekken kan worden vastgesteld dat [verdachte]
voornoemde werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de AGCC. De
werkzaamheden bestonden uit het coördineren, het opstellen, versturen, beschikbaar
stellen en organiseren van correspondentie naar de AGCC. Hierbij heeft [verdachte]
samengewerkt met de verdachte [betrokkene 8] (werkzaam bij [betrokkene 7]
Belastingadviseurs). Daarbij heeft ze zelf ook correspondentie in de vorm van emailverkeer
gehouden met de Alderney organisatie. Bij het Invullen van de betreffende
aanvraagformulieren (application form) heeft [verdachte] meegewerkt aan het
opzettelijk onjuist, vals en onvolledig informeren van de Alderney organisatie om .
zodoende een licentie te krijgen voor [G] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
. Zo is onder andere uit het onderzoek gebleken dat [medeverdachte 2] een
strafblad heeft hetgeen zij niet in zijn aanvraag heeft opgegeven.
Hieronder zijn verklaringen en tapgesprekken weergegeven die betrekking hebben
over de werkzaamheden en betrokkenheid van de verdachte [verdachte] .
Il' Tapgesprek 4096, dd 24 september 2012 te 10:50 uur.
[medeverdachte 2] wordt gebeld door [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 1] zegt dat ze de eerste week van oktober gaan splitsen of er gaan mensen tijdelijk
van kantoor af. [medeverdachte 1] praat over de verwevenheid van [C] en [N] en dat ze van
elkaar afhankelijk zijn en dat ze dan als partners verplicht zijn om Due Dilligence te
doen. [medeverdachte 1] zegt dat het de laatste is watje wilt dat ze daar mee komen. [medeverdachte 2]
zegt dat hij toch nagekeken wordt. [medeverdachte 1] zegt jij wel, maar dat is daarna.
[medeverdachte 1] zegt dat als ze er achter komen dat hij alles in elkaar heeft getrokken dat
het hem dan strafpunten en zijn licentie kan kosten. [medeverdachte 2] zegt dat hij het snapt. [medeverdachte 1]
zegt dat [verdachte] het gaat regelen en dat [medeverdachte 2] er niks mee mag doen.
p. 12
Tapgesprek 7943, d.d. 23 oktober 2012 te 10:43 uur.
Tapgesprek met [medeverdachte 2] en [betrokkene 7] belastingadviseurs en vraagt
naar [betrokkene 8] . [medeverdachte 2] vraagt of [betrokkene 8] met spoed een email wil sturen naar die man van
Alderney. Ze zijn nu twee weken verder en er is nog niets in gang gezet. [betrokkene 8] Is
met de formulieren bezig en heeft die vandaag of morgen voor het grootste deel klaar.
[medeverdachte 2] vraagt of [betrokkene 8] vandaag al een mail zou willen verzenden dat hij er mee bezig is
en dat binnenkort alle Info wordt toegestuurd. [betrokkene 8] zegt dat dat geen zin heeft omdat hij
niet rechtstreeks met Alderney kan communiceren. Dat moet via [verdachte] lopen omdat
[N] volgens de structuur van Aldemey al bestaat en volledig gecertificeerd is. [betrokkene 8]
zal vandaag nog een bericht aan [verdachte] sturen, zodat zij Aldemey kan berichten dat het
eraan komt.
Tapgesprek 11950, d.d. 5 december 2012 te 17:00 uur
Tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 2] krijgt eerst [verdachte] en dan
[medeverdachte 1] aan de telefoon. [medeverdachte 1] vraagt hoe het zat met Alderney, wat ze daar gezegd
hadden. [medeverdachte 2] zegt dat hij het niet goed begreep. Ze wilde iets meer informatie. [medeverdachte 1]
zegt dat hij [verdachte] even zal geven want zij heeft dat ook gelezen. [verdachte] komt aan de •
telefoon. [verdachte] zegt dat ze dat mailtje van Alderney had gezien maar dat er eigenlijk
niks in staat. Er staat in dat ze een reden voor de due dillegence willen hebben, om te
kijken of iemand een fit en proper persoon is. Dus een eerlijk persoon, het geld wat
Iemand heeft, kan iemand zijn bedrijf wel runnen, is het eerlijk verkregen, noem maar
op. [verdachte] zegt dat ze dan extra vragen gaan stellen omdat zo'n due dillegence
documentatie eigenlijk niet een duidelijk inzicht geeft en dat het makkelijker is om face
to face of via de mail om wat extra verduidelijking te vragen. [verdachte] zegt dat er verder
niks bijzonders in stond, eigenlijk een standaard mail. [verdachte] zegt dat ze zal aanraden
om het per mail te doen. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 2] dus ff via de mail moet reageren dat het
akkoord is. [medeverdachte 2] zegt prima. [verdachte] zegt dat het mailtje sowieso via [medeverdachte 2] moet laten
lopen. [medeverdachte 2] vraagt of [verdachte] het dan typt. [verdachte] doet dat morgen’.
Tapgesprek 20765, d.d. 14 maart 2013 te 10:47 uur
Tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] .
[verdachte] vraagt of [medeverdachte 2] de mail van Alderney heeft gezien. [medeverdachte 2] heeft die nog niet
gezien. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 2] er even naar wil kijken want zij willen met [medeverdachte 2] een
kort gesprekje voeren. [medeverdachte 2] zal de mail bekijken•.
Tapgesprek 25041, d.d. 28 mei 2013 te 21:04 uur.
Tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] .
[medeverdachte 2] vraagt hoe het is afgelopen met de brief. [verdachte] zegt de brief van Aldemey of
[betrokkene 9] (fon)?. [verdachte] zegt dat ze ook met Aldemey heeft gesproken. [verdachte] zegt dat ze
volledige steun krijgen van hun omdat ze een goede relatie hebben met Alderney
omdat ze een open en eerlijke communicatie hebben en dat willen zij ook naar hun
toe doen. Gesprek gaat verder over dat Alderney nu zelf ook een onderzoek moet
(laten) uitvoeren en ze zullen dus op korte termijn naar hun toe komen. Gesprek gaat
verder dat [verdachte] vandaag klanten proactief heeft gemaild en een aantal klanten heeft
gesproken dit om een open communicatie te voeren.
p. 14
Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek naar Zweden zijn de servers van onder
andere [C] in beslag genomen. Op deze servers zijn onder andere de
volgende e-mails aangetroffen.
In een e-mail van 6 september 2011 van ‘ [verdachte] • (e-mailadres
[e-mailadres 1] ) aan • [betrokkene 10] ’ ( [e-mailadres 2] )
en een cc aan [medeverdachte 1] ( [e-mailadres 3] ) staat onder andere
het volgende vermeld:
‘op verzoek van [medeverdachte 1] , moet [internetsite 1] op een aparte server komen te
staan, buiten de AGCC licentie om.
Voor iedere klant moeten we een due diligence form invullen en dit willen we niet doen
voor [internetsite 1] .
[medeverdachte 1] heeft mij aangegeven dat hij dit met jou besproken heeft en dat jij weet waar het
over gaat/hoe het uitgevoerd gaat worden’.
Noot verbalisant: met [internetsite 1] wordt [internetsite 1] bedoeld, een van de zeven
online goksites welke door de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]
worden geëxploiteerd.
Op 8 september 2011 reageert ‘ [betrokkene 10] ’ ( [e-mailadres 2] )
naar ‘ [verdachte] ’ (e- [e-mailadres 1] } en een cc aan ‘ [medeverdachte 1]
’ ( [e-mailadres 3] ) en geeft hij onder andere het
volgende aan: ‘Wij gaan dit vandaag voorbereiden en willen morgenvroeg over zijn
met zowel de [O] platformen als […] ’.
Noot verbalisant: met [O] wordt [O] bedoeld.
In een e-mail van 24 september 2011 van ‘ [verdachte] ’ ( [e-mailadres 1] )
aan ‘ [betrokkene 11] ’ [e-mailadres 4] ) met als onderwerp ‘Charity
Donations• staat onder andere het volgende vermeld:
•we hebben besloten toch te doneren aan een engelse partij (een partij welke door
Alderney is aangegeven), aangezien [F] niet zal participeren aan de licentie aanvraag
en we de band met [internetsite 1] zo onduidelijk mogelijk willen houden.’
p. 14
In een e-mail van 21 december 2011 van ‘ [verdachte] ’ ( [e-mailadres 1] )
aan ‘ [betrokkene 10] ’ ( [e-mailadres 2] ) met als onderwerp ‘paytable [internetsite 1] , [internetsite 2] etc
aanpassen’ staat onder andere het volgende vermeld:
‘ovv [medeverdachte 1] bij [internetsite 1] , [internetsite 2] , [internetsite 4] en [internetsite 3] de laatste blz van de paytable
weghalen omdat de percentages heel laag zijn.
Als je het erin laat staan, dan op zn minst de hoogste % vermelden en niet deze’
(…)
56. Het proces-verbaal van bevindingen van de kansspelautoriteit (ZD01, p. 1421-1466), voor zover inhoudende:
In artikel 1 lid 1 onder a van de Wok is bepaald dat het verboden is om
gelegenheid te geven tot deelname aan een kansspel, tenzij daarvoor een
vergunning ingevolge de Wok is verleend. Een dergelijke vergunning voor het
aanbieden van kansspelen via internet op de Nederlandse markt kan niet
verleend worden, aangezien deze mogelijkheid in de Wok niet wordt geboden.
Op dit moment worden kansspelen via internet die (mede) gericht zijn op
Nederland zonder vergunning, en derhalve illegaal, aangeboden.”
De bespreking van het tweede middel
In de toelichting op het middel zijn zes deelklachten geformuleerd die alle betrekking hebben op de verschillende omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht voor het oordeel dat de verdachte wist dat het onder 3 bewezenverklaarde vastgoed afkomstig was uit enig misdrijf en de onder 7 bewezenverklaarde goederen de opbrengst van door misdrijf verkregen goederen betrof. Niet betwist wordt dat die goederen (indirect) afkomstig zijn uit het opzettelijk handelen in strijd met de Wet op de kansspelen en daarmee uit misdrijf. Betwist wordt enkel dat de verdachte hier wetenschap van had. Net als in hoger beroep wordt in cassatie in de kern aangevoerd dat de verdachte niet wist dat de werkzaamheden van [medeverdachte 1] illegaal waren en dat zij er altijd op heeft vertrouwd dat dat niet zo was.
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte wist dat de gelden afkomstig waren uit inkomsten die indirect afkomstig waren uit online kansspelen. Ook oordeelt het hof dat de verdachte zich bloot heeft gesteld aan de aanmerkelijke kans dat sprake was van illegale geldstromen waar zij van mee profiteerde, nu op grond van de Wok het aanbieden van kansspelen zonder vergunning strafbaar is.
Dat de verdachte wetenschap had van het feit dat er online kansspelen werden aangeboden, blijkt rechtstreeks uit de bewijsvoering van het hof. Uit bewijsmiddel 10 volgt dat de verdachte heeft verklaard dat zij wist dat [medeverdachte 1] zijn geld verdiende met ‘online business’ en dat dat ‘gok gerelateerd’ was. Daarnaast blijkt uit bewijsmiddel 54 dat de verdachte in haar correspondentie met medeverdachten heeft gesproken over verschillende van de websites waarop door de organisatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gokspellen werden aangeboden. Dat de verdachte (formeel) niet bij [C] werkte is daarvoor niet relevant, zodat de eerste deelklacht faalt.
Vervolgens is de vraag of het hof ook heeft kunnen oordelen dat de verdachte - nu de gokspellen in strijd met de Wet op de kansspelen (en dus: illegaal) werden aangeboden -bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij meeprofiteerde van illegale geldstromen. Het hof heeft bij dit oordeel de volgende omstandigheden redengevend geacht:
- De verdachte had, als echtgenote van [medeverdachte 1] , een rol in zijn bedrijven.
- Zij is half oktober 2010 met [medeverdachte 1] gaan samenwonen.
- Vanaf 1 mei 2010 was zij werkzaam bij Inter [D] , welk bedrijf op 29 mei 2012 is gewijzigd in [E] , waar de verdachte als sales manager en compliance officer tot aan het faillissement van de [E] werkzaam is geweest.
- In haar werk was ze actief betrokken bij de internetsites waarop de online gokspellen werden aangeboden. Zo stuurt ze op 21 december 2011 een mail dat de paytable op bepaalde sites met spoed moeten worden verwijderd omdat de percentages te laag zijn en wordt haar op 26 september 2011 een tekst voor op een online gokwebsite voorgelegd.
- Via het bedrijf waarvoor zij werkte kwamen grote geldsommen binnen.
- De verdachte was op de hoogte van het feit dat [C] kansspelen aanbood via online gokwebsites, gelet op haar werkzaamheden en het feit dat [medeverdachte 1] hierin leiding gaf, zo getuigt uit diverse e-mails die zij verstuurde.
Uit bewijsmiddel 54 volgt verder nog dat de verdachte betrokken is geweest bij de aanvraag van een ‘key individual certificate’ bij Alderney Gambling Control Commission voor [medeverdachte 2] . Verder heeft de verdachte mails verstuurd waarin zij aan anderen communiceert dat [internetsite 1] (kennelijk refererend aan een van de gokwebsites) op een aparte server moet komen te staan buiten de Alderley Gambling Control Commission licentie om omdat ze voor iedere klant een ‘due dilligence’ form moeten invullen en ze dit niet willen doen voor [internetsite 1] . In een andere mail schrijft de verdachte dat “we de band met [internetsite 1] zo onduidelijk mogelijk willen houden”. Deze mails zijn overigens aangetroffen op – zo begrijp ik – een server van [C] en de verdachte communiceert via het mailadres [e-mailadres 1] .
Dat het hof op basis van het voorgaande heeft aangenomen dat de verdachte ten minste op de koop heeft toegenomen dat sprake was van illegale geldstromen waarvan zij meeprofiteerde, omdat het aanbieden van kansspelen zonder vergunning in strijd met de Wok is, acht ik niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd. Daarbij acht ik ook van belang dat de verdachte zich gedurende een aantal jaren kennelijk vanuit haar functie als ‘compliance officer’ – iemand die zich doorgaans bezighoudt met de vraag of geldende wet- en regelgeving binnen een organisatie wordt nageleefd – begaf op het speelveld van de geldende regelgeving voor het aanbieden van gokspellen. Daarnaast blijkt uit de inhoud van de mails die de verdachte heeft verstuurd dat zij kennelijk zicht had op wat er op de gokwebsites gebeurde en zich daarmee ook actief bemoeide. De tweede tot en met de zesde deelklacht stuiten daarop af.
Het tweede middel faalt.
6 Het derde middel
Het derde middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk en/of strijdig met de strafmotivering is.
Het hof heeft de verdachte wegens het bewezenverklaarde (medeplegen van gewoontewitwassen en opzetheling) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis en met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft deze strafoplegging – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – als volgt gemotiveerd:
“Alles overziende acht het hof in beginsel het opleggen van een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, passend en geboden. Met een andere straf kan niet worden volstaan.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop het navolgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Reeds in eerste aanleg is door de rechtbank vastgesteld dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn een aanvang heeft genomen op 19 mei 2014, de dag waarop de verdachte in verzekering werd gesteld. De rechtbank heeft vervolgens de procesgang in eerst aanleg uiteengezet, en geconstateerd dat, met inachtneming van de uitspraakdatum van 20 december 2018, het recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn van 24 maanden is geschonden en dat deze termijn met een periode van 2 jaren is overschreden.
Ten aanzien van dit verloop in hoger beroep oordeelt het hof als volgt.
De verdediging heeft op 3 januari 2019 hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. Het hof doet bij arrest van heden, 11 maart 2024, einduitspraak. In hoger beroep is de behandeling dus niet afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding bedraagt ruim 38 maanden.
In hoger beroep hebben de eerste regiezittingen plaatsgevonden op 19 april 2021 en 10 mei 2021, op welke zittingen beslissingen zijn genomen ten aanzien van de vele -door de verdediging- ingediende onderzoekswensen waarna op de zitting van 27 januari 2022 allereerst getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, en daarna -op verzoek van de verdediging- nog een veertiental getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris hebben plaatsgevonden. Nadien is op de zittingen van 15 mei 2023 en 19 juni 2023 door het hof beslist op het verzoek van de verdediging tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag. De inhoudelijke behandeling heeft vervolgens een aanvang genomen op 27 november 2023, waarna zeven zittingsdagen zijn gevolgd, waarbij in het belang van alle verdachten, sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken.
Het hof is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding in eerste aanleg en in hoger beroep gedeeltelijk rechtvaardigen, met name gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, die onderdeel uitmaakt van de megazaak Rykiel, en het gegeven dat er sprake was van zeventien verdachten met bijbehorende raadslieden waardoor het plannen van de inhoudelijke behandeling lastig was.
Al met al zal het hof, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer opleggen. Het hof zal aan haar een taakstraf opleggen voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof waardeert daarbij een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.”
De stellers van het middel betogen dat de overweging van het hof dat “aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf [zal worden opgelegd]”, onbegrijpelijk is en dat aannemelijk – althans niet uitgesloten – is dat het hof heeft bedoeld aan de verdachte geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Deze overweging maakt deel uit van de overwegingen van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is over de aan een overschrijding van de redelijke termijn te verbinden rechtsgevolgen het volgende af te leiden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels daaromtrent zijn niet te geven. Als strafvermindering geldt behalve de oplegging van een straf die minder hoog is dan de straf die zou zijn opgelegd ook de oplegging van een straf die op grond van art. 9 Sr als minder zwaar moet worden aangemerkt, of die in (gedeeltelijk) voorwaardelijke vorm is opgelegd. Het staat de rechter eveneens vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM.
Met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle op de strafoplegging en strafmotivering verdient het opmerking dat in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn de rechter in zijn uitspraak behoort aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
In de onderhavige zaak heeft het hof in de strafmotivering zowel aangegeven welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, als ook welke straf nu (bij overschrijding van de redelijke termijn) wordt opgelegd. Het hof is helder over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd: zowel in de strafmotivering als in het dictum staat geschreven dat aan de verdachte een taakstraf voor de duur van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis wordt opgelegd. Waarom het hof overweegt dat het aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer zal opleggen, is mij niet helemaal duidelijk. Mogelijk betreft het een verschrijving. Die overweging zou mijns inziens pas onbegrijpelijk worden als het hof de verdachte vervolgens wél een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt. Daarvan is geen sprake.
Het derde middel faalt.
7 Het vierde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat zijn ingezonden door het hof.
Namens de verdachte is op 22 maart 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 oktober 2025 binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim elf maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat van een bijzonder voortvarende afdoening in cassatie geen sprake meer zal (kunnen) zijn.
Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Het voorgaande moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
8 Slotsom
Het eerste, het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.
Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven dan zoals die hiervoor onder 7 zijn weergegeven, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de aan de verdachte opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G