Strafrecht overig
Conclusie AG. Medeplegen van oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, begaan door…
Parket bij de Hoge Raad, 15 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:970 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-970
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 5 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/02230
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:970
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Medeplegen van oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, begaan door rechtspersoon. Volgens AG falen de bewijsklachten. Tweede middel over bewezenverklaarde medeplegen betreft volgens AG geen middel i.dz.v. de wet. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 juni 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:1915Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:970
Hoge Raad · 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1618
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02230
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 5 juni 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000219-22) – na partiële terugwijzing door de Hoge Raad – veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon (feit 1 primair). Het hof heeft de verdachte wegens dit feit en het medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 5), veroordeeld tot een geldboete van € 21.000.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02204, 24/02228 en 24/02229. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat R. Milo heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in deze zaak (nog) over gaat
De onderhavige zaak handelt over oplichting van woningbouwvereniging [benadeelde] (‘ [benadeelde] ’) en witwassen.
De zaak is voor een tweede keer in cassatie aan de orde. Eerder werd de verdachte bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2020 (parketnr. 20-000415-18) wegens medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon (feit 1 primair) en witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 5), veroordeeld tot een geldboete van € 25.000. De benadeelde partij [benadeelde] werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte werd tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
Bij uitspraak van 1 februari 2022 (rolnr. 20/03246) heeft de Hoge Raad voormelde uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging omdat, kort gezegd, een aantal feitenvaststellingen van het hof met betrekking tot het onder 1 primair bewezenverklaarde niet door (met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide) bewijsmiddelen werd geschraagd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het hof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak ten aanzien van dat feit en de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan en het beroep voor het overige verworpen.
Het hof heeft de zaak voor zover betrekking hebbend op feit 1 ( [project 1] ) en de strafoplegging opnieuw inhoudelijk behandeld ter zitting van 10 april 2024 en vervolgens op 5 juni 2024 arrest gewezen. De verdachte is daarbij ter zake feit 1 primair opnieuw veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon, en voor de bewezenverklaarde feiten tezamen veroordeeld tot de hierboven vermelde straf. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
Het eerste middel klaagt erover dat het bewezenverklaarde inzake [project 1] (feit 1 primair) niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans de bewezenverklaring niet voldoende is gemotiveerd. Het tweede als zodanig aangeduide middel klaagt erover dat met betrekking tot feit 1 primair het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt.
3 De bewijsvoering inzake feit 1 primair (project [project 1] )
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“zij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 23 juni 2005 tot en met 21 maart 2006 in Nederland,
met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid de Woningbouw Vereniging [benadeelde] (" [benadeelde] "),
heeft bewogen tot afgifte van een goed,
te weten van een geldbedrag van euro 2.866.573,67 aan [A] B.V. en/of een ander,
hebbende zij, verdachte, en haar mededaders toen, aldaar, met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:
verdachte en verdachtes mededaders hebben bij de aankoop en verkoop van het project [project 1] te [plaats] een AB-BC-constructie toegepast, waarbij een grote waardesprong in euro's werd gerealiseerd, waarbij [B] B.V. voor circa euro 2.225.000,00 leverde aan [A] B.V. en [A] B.V. vervolgens doorleverde aan [benadeelde] voor euro 2.866.573,67, zulks, terwijl medeverdachte [medeverdachte 1] namens [benadeelde] het project [project 1] te [plaats] ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen kopen van het bedrijf [B] B.V./ [C] B.V.
en
medeverdachte [medeverdachte 1] heeft geld in privé ontvangen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]
en
medeverdachte [medeverdachte 1] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [benadeelde] ten aanzien van het project [project 1] te [plaats] en het geldelijke belang van [benadeelde] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de prijsopdrijvende rol van medeverdachten [verdachte] B.V. en/of [A] B.V. bij het project [project 1] te [plaats]
en
aldus doende heeft medeverdachte [medeverdachte 1] zich met betrekking tot het project [project 1] te [plaats] tegenover de Raad van Commissarissen van [benadeelde] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder,
waardoor [benadeelde] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag.”
De bewezenverklaring berust op 60 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest van het hof. De bewijsoverwegingen van het hof, zoals opgenomen in het arrest, luiden als volgt:
“Het oordeel van het hof
Algemene bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Volgens bestendige jurisprudentie is voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vereist dat iemand door het aanwenden van een (of meer) oplichtingsmiddel(en), zijnde het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid of van listige kunstgrepen dan wel een samenweefsel van verdichtsels, wordt bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Daarbij dient de verdachte het oogmerk te hebben gehad om zich of een ander door het aanwenden van het (de) oplichtingsmiddel(en) wederrechtelijk te bevoordelen.
Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Dat het bij de strafbaarstelling van oplichting gaat om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken, brengt mee dat aldus niet slechts het vertrouwen wordt beschermd van die ander tegen vermogensnadeel dat hij lijdt, maar ook meer algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen.
Met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen - het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels - is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht als misdrijf met een strafmaximum van, kort gezegd, vier jaren gevangenisstraf.
De in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben betrekking op gedragingen die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn. Daardoor kunnen concrete uitwerkingen van deze oplichtingsmiddelen onderling samenhang vertonen en elkaar overlappen. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebezigd. In zo een geval kan dit gedrag als het bezigen van meer dan één oplichtingsmiddel worden tenlastegelegd en bewezenverklaard; daarbij behoeft de strafrechter niet te kiezen uit die oplichtingsmiddelen omdat die keuze voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is.
In de onderhavige zaak staan, gelet op het vonnis van de rechtbank, ter zake van het tenlastegelegde feit in het bijzonder twee oplichtingsmiddelen centraal: het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen. Bij het aannemen van een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, waarbij die onjuiste voorstelling van diens hoedanigheid in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij listige kunstgrepen gaat het in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.
Bewegen tot bepaalde handelingen
Naast het hanteren van (een) oplichtingsmiddel(en) is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel 'beweegt' tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Ten slotte is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat de verdachte iemand door zo een oplichtingsmiddel heeft bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Daarbij moet de verdachte ten minste hebben beseft dat zijn gedragingen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich brengen dat het strafbare feit wordt begaan. Zogenoemd ‘voorwaardelijk opzet' is daarbij niet voldoende. Met andere woorden: het handelen van de verdachte moet, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebrengen dat de ander door hem zou (kunnen) worden bewogen tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed.
Bijzondere bewijsoverwegingen
Algemeen
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Medeverdachte [medeverdachte 1] was ten tijde van de bewezenverklaarde periode, meer bepaald reeds tevoren vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur-bestuurder van woningbouwvereniging [benadeelde] (hof: hierna ook afwisselend nog genoemd 'woningbouwvereniging' en ‘ [benadeelde] '). In die functie was het zijn taak om registergoederen/vastgoedprojecten te acquireren. Aan hem was ter zake van dit acquireren door de raad van commissarissen van [benadeelde] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was om dat te doen en zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen namens [benadeelde] registergoederen te verwerven tussen 2004 en 2008 was begrensd tot € 4.500.000,00.
Tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen van [benadeelde] , die blijkens de statuten van de woningbouwvereniging als taak had toezicht te houden op de directeur, legde [medeverdachte 1] uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. [medeverdachte 1] informeerde de raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur tijdig de voor de uitoefening van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was de directeur daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijk of gewenst was. In de notitie ’werkafspraken inzake verwerving/vervreemding' d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de raad van commissarissen per bijeenkomst informeert over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de acquisitie van nieuwe projecten helemaal bij medeverdachte [medeverdachte 1] lag en dat hij, [medeverdachte 1] , de afspraken over de prijs maakte. Na acquisitie werd dan het managementteam (hof: MT) van [benadeelde] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren ieder bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [D] B.V. en verdachte ( [verdachte] B.V.). Beiden waren tevens via de eigen vennootschappen voor 50% aandeelhouder/bestuurder van [E] B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van [A] B.V. (hof: hierna ook genoemd [A]). Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [medeverdachte 2] bezig met planontwikkeling en handel in vastgoed, waarbij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor deze vennootschap verder geen personeel werkzaam was.
De rol van [A] B.V.
Het hof stelt voorop dat uit de gebezigde bewijsmiddelen geconcludeerd kan worden dat de medeverdachte [medeverdachte 3] uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Die zogenoemde douceurtjes werden naar het oordeel van het hof in ieder geval gedeeltelijk uit de door [A] (en daarvoor [verdachte] BV) op projecten gemaakte winst betaald.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
[medeverdachte 3] heeft tegenover de verbalisanten van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst, Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: ILT) verklaard dat hij vanaf het eerste project uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan [medeverdachte 1] , dat de hoogte van die geldbedragen afhankelijk was van het resultaat van het project en dat hij bang was dat een deal met [benadeelde] niet door zou gaan als hij [medeverdachte 1] geen geldbedragen gaf. Deze verklaring heeft [medeverdachte 3] spontaan, uit zichzelf en zonder enige beperking afgelegd toen hem werd gevraagd naar de reden waarom [medeverdachte 1] in het kader van het project [project 1] naar hem. [medeverdachte 3] , had verwezen. Dat [medeverdachte 3] bij het afleggen van die verklaring onder ongeoorloofde druk stond, is niet gebleken. In dat kader wijst het hof erop dat [medeverdachte 3] tegenover de verbalisanten van de ILT heeft verklaard dat hij zijn geweten zuiver wilde maken. Voorts heeft [medeverdachte 3] tegenover de rechter-commissaris in die verklaring volhard.
Hoewel [medeverdachte 3] zijn eerdere verklaring tegenover de ILT bij de rechter-commissaris heeft afgezwakt met betrekking tot het aantal keren dat hij de betalingen aan [medeverdachte 1] zou hebben gedaan (het betrof slechts vier of vijf keer en was geen gewoonte) en de periode heeft beperkt (uiterlijk tot 2006) waarover dat zou zijn gebeurd, acht het hof deze afzwakking niet geloofwaardig. In dat verband merkt het hof op dat [medeverdachte 3] bij zijn eerdere verklaring tegenover de verbalisanten van de ILT uit zichzelf heeft verklaard over de betalingen aan [medeverdachte 1] en de achtergrond daarvan en dat hij daarbij, noch in de tijdsperiode, noch in het aantal keren, enige beperking heeft aangebracht. Gelet op die eerdere verklaring bij de ILT had het naar het oordeel van het hof meer voor de hand gelegen dat [medeverdachte 3] deze beperkingen dan direct zou hebben aangebracht, nu hij ook zichzelf met deze verklaring belastte. Ook de redenen die [medeverdachte 3] op heeft gegeven waarom hij gestopt zou zijn met de betalingen (zijn vrouw was het er niet mee eens, het volgen van een opleiding in real estate) overtuigen het hof niet, mede bezien in combinatie met het volgens [medeverdachte 3] uitblijven van enige reactie van de zijde van [medeverdachte 1] op het beweerdelijk stoppen van de betalingen, nu ook nadien de samenwerking is voortgezet. (Zoals door [medeverdachte 3] ter terechtzitting in eerste aanleg is verklaard.) Dit deel van de verklaring van [medeverdachte 3] staat bovendien in schril contrast met de douceurtjes in de vastgoedwereld waarover [medeverdachte 3] heeft verklaard, de gegroeide gewoonte om [medeverdachte 1] onafhankelijk van het resultaat te belonen, de bij [medeverdachte 3] levende angst dat de deals niet door zouden gaan als hij niet zou betalen, de vraag van [medeverdachte 1] om geld en de omstandigheid dat [A] ook in en na 2006 nog door [medeverdachte 1] werd aanvaard als contractpartij voor woningbouwvereniging [benadeelde] . Daar komt nog bij dat de verklaring van [medeverdachte 3] , inhoudende dat aan [medeverdachte 1] geldbedragen zouden zijn betaald, past bij het in de bewijsmiddelen opgenomen overzicht van contante geldopnamen van de in Nederland bekende bankrekeningen van [medeverdachte 3] en de samenloop met de ontmoetingen tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Daarbij merkt het hof op dat [medeverdachte 3] in dat verband tevens heeft verklaard dat hij ook contante geldbedragen meenam uit Zwitserland, zoals het hof begrijpt uit zijn verklaring: dito ten behoeve van [medeverdachte 1] . Deze Zwitserse geldopnamen zijn niet meegenomen in het overzicht.
Voorts is het hof van oordeel dat ook de zakenpartner van [medeverdachte 3] , wijlen [medeverdachte 2] , betrokken is geweest bij het toeschuiven van geldbedragen aan [medeverdachte 1] en dat zulks niet uiterlijk in 2006 is gestopt zoals medeverdachte [medeverdachte 3] het bij de rechter-commissaris heeft willen doen voorkomen. Daartoe wijst het hof op de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] over de intensieve en volledige samenwerking tussen beiden, het overzicht van de contante geldopnamen door beiden en hun ontmoetingen met [medeverdachte 1] . Met name de gang van zaken rond de ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 juli 2011 sterkt het hof in het oordeel dat ook [medeverdachte 2] nauw betrokken is geweest bij de betalingen aan [medeverdachte 1] . Zo had [medeverdachte 2] op 25 juli 2011 om 12.00 uur een afspraak met [medeverdachte 1] , op welk tijdstip [medeverdachte 2] per se over een contant geldbedrag van € 12.500,00 wilde kunnen beschikken. Naar het oordeel van het hof is er geen andere reden aannemelijk geworden waarom [medeverdachte 2] op dat moment over het geld wilde kunnen beschikken anders dan dat hij dit geldbedrag - zoals gewoonlijk - aan [medeverdachte 1] wilde kunnen overhandigen. Voorts speelt bij de overtuiging van het hof een belangrijke rol dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] tegenover de verbalisanten van de ILT geen vragen heeft willen beantwoorden over de wetenschap van [medeverdachte 2] over het toeschuiven aan [medeverdachte 1] van de geldbedragen. Als [medeverdachte 2] inderdaad niet van de douceurtjes af had geweten dan valt niet in te zien waarom [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] daar niet direct openheid van zaken over hebben willen geven. En ten slotte overweegt het hof nog dat aan de vrijspraak van het project [project 2] (feit 4) andere overwegingen ten grondslag lagen en deze niet raakten aan de conclusie dat door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] jarenlang aan [medeverdachte 1] (projectgerelateerd) geldbedragen zijn toegeschoven
De positie van medeverdachte [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [benadeelde]
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat medeverdachte [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [benadeelde] gedurende de bewezenverklaarde periode een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de raad van commissarissen.
Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] een vergaande bevoegdheid had tot acquireren van registergoederen/projecten, dat hij daarbij zelf de onderhandelingen voerde en dat hij solistisch te werk ging, waardoor [benadeelde] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [benadeelde] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl [medeverdachte 1] zich ook dan met de uitvoering van de projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Het was de taak van [medeverdachte 1] als directeur-bestuurder om de raad van commissarissen, al dan niet achteraf, te informeren over diens acquisities. Voorts had [medeverdachte 1] een grote invloed op de agenda van de vergadering van de raad van commissarissen en was hij verantwoordelijk voor de selectie van stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde [medeverdachte 1] het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De raad van commissarissen was hierdoor afhankelijk van [medeverdachte 1] voor wat betreft de informatie die de commissarissen kregen over acquisities en lopende projecten.
Dat medeverdachte [medeverdachte 1] in bepaalde gevallen was gemandateerd om zelfstandig beslissingen te nemen, neemt niet weg dat hij op grond van de/het van toepassing zijnde statuten, reglement en werkafspraken was gehouden om de raad van commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat woningbouwvereniging [benadeelde] mogelijk in financiële zin tevens profijt heeft gehad van het door medeverdachte [medeverdachte 1] gevoerde beleid, doet er niet aan af dat hij een voor hem, [medeverdachte 1] , gunstige financiële omstandigheid heeft gecreëerd waarin de raad van commissarissen door hem kennelijk onvoldoende in staat was gesteld controle te houden op [medeverdachte 1] bestuurlijk optreden.
Project [project 1]
AB-BC-constructie project ‘ [project 1] ’
Uit de gebezigde bewijsmiddelen maakt het hof het volgende op.
[B] B.V./ [C] B.V. heeft omstreeks 2004/2005 het postkantoor aan de [project 1] te [plaats] aangekocht. De gemeente [plaats] heeft in onderhandelingen met [B] B.V./ [C] B.V. verzocht om ook het naastliggende gebied van het postkantoor met daarop een sporthal mee te nemen in de ontwikkeling van appartementen. [B] B.V./ [C] B.V. heeft vervolgens architectenbureau [F] - met welk architectenbureau gemeente [plaats] had ingestemd - een studie uit laten voeren naar de mogelijkheden op deze locatie. Omdat het project te groot werd en zij de risico's wilden delen heeft [B] B.V./ [C] B.V., in de persoon van [betrokkene 1] , contact gezocht met aannemersbedrijf [G] B.V. uit [plaats] .
[G] B.V. heeft ten behoeve van het project de sporthal kunnen kopen door te onderhandelen met het bedrijf [H] , een bedrijf waarmee aannemersbedrijf [G] B.V. regelmatig zaken deed en welk bedrijf een optie had op de sporthal.
Op enig moment heeft [betrokkene 1] , na overleg met aannemersbedrijf [G] , contact gezocht met woningbouwverenigingen in [plaats] en [plaats] . [betrokkene 2] , directeur van woningbouwvereniging [I] , heeft [betrokkene 1] op zijn beurt doorverwezen naar woningbouwvereniging [benadeelde] waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] de directeur was. [betrokkene 1] heeft vervolgens contact gezocht met [medeverdachte 1] en op 23 juni 2005 hadden zij, [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] , een afspraak bij [medeverdachte 1] op kantoor. Daar heeft [betrokkene 1] het plan aan [medeverdachte 1] gepresenteerd en heeft hij gevraagd of [benadeelde] bereid was om het plan geheel of gedeeltelijk over te nemen. [medeverdachte 1] heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij het project geheel over wilde nemen, dat hij zijn eigen architect wilde kiezen en dat hij zelf wilde ontwikkelen. Voorts heeft [medeverdachte 1] tijdens dat gesprek het telefoonnummer van [medeverdachte 3] aan [betrokkene 1] gegeven met de boodschap dat [betrokkene 1] de zaak verder moest regelen met [medeverdachte 3] . Toen [betrokkene 1] vervolgens op 24 augustus 2005 telefonisch contact zocht met [medeverdachte 3] en aangaf dat hij het nummer van [medeverdachte 3] van [medeverdachte 1] had gekregen, ging [medeverdachte 3] hier direct op in en was het voor [betrokkene 1] duidelijk dat [medeverdachte 3] wist dat hij zou gaan bellen.
[betrokkene 1] en [medeverdachte 3] hebben vervolgens een afspraak gemaakt. Tijdens die afspraak heeft [betrokkene 1] kennis gemaakt met [medeverdachte 2] , de zakenpartner van [medeverdachte 3] , die altijd aanwezig was bij de besprekingen. [betrokkene 1] heeft het plan, dat kant en klaar was en waar de gemeente [plaats] reeds mee had ingestemd, tijdens die afspraak gepresenteerd aan [medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] .
[medeverdachte 3] handelde op voorgaande momenten onder de naam van de verdachte. Blijkens correspondentie die hierna in het kader van de onderhandelingen - onder meer over de prijs van het project - heeft plaatsgevonden (DOC.193, DOC.008/11, DOC.008/12 en DOC.008/16) heeft [medeverdachte 3] bij die onderhandelingen steeds gehandeld uit naam van verdachte ' [verdachte] B.V.'. [medeverdachte 3] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [medeverdachte 3] -Hoebink zodat het handelen van [medeverdachte 3] aan verdachte kan worden toegerekend.
[medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] hebben op 8 november 2005 een bod gedaan op het project [project 1] , welk bod op 18 november 2005 is besproken door [betrokkene 1] enerzijds en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] anderzijds. Tijdens die onderhandelingen heeft [medeverdachte 3] verklaard dat er geen garantie gesteld hoefde te worden omdat woningbouwvereniging [benadeelde] garant zou staan. Dit laatste is door [medeverdachte 3] als vertegenwoordiger van [verdachte] B.V. bevestigd door de brief met daarin een korte samenvatting van de overeenkomst tot koop van het project ' [project 1] ' van [B] B.V./ [C] B.V. voor akkoord te tekenen. De koop van de opstallen 'postkantoor' en ‘sporthal' is op 9 december 2005 definitief geworden na de bevestiging van [medeverdachte 3] dat aan de voorwaarden voor de aankoop was voldaan. Op 8 februari 2006 heeft [verdachte] B.V. zich teruggetrokken als koper, voor wie [A] B.V. - die na het aangaan van de koopovereenkomst is opgericht op 22 december 2005 - als koper in de plaats is gekomen. Ten slotte heeft [A] B.V. (hof: partij B) het project ' [project 1] ' met de opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' op 14 maart 2006 gekocht van [B] B.V./ [C] B.V. (hof: partij A) voor een bedrag van € 2.225.000.
Eveneens op 8 november 2005 - en aldus op dezelfde dag als het bod van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op het project van [betrokkene 1] - hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een brief gestuurd aan medeverdachte [medeverdachte 1] waarin de bieding van [medeverdachte 1] ter hoogte van € 2.700.000 werd bevestigd. [medeverdachte 1] heeft deze brief als directeur van [benadeelde] voor akkoord ondertekend. Vervolgens is het project ' [project 1] ' met opstallen 'postkantoor' en 'sporthal' op 14 maart 2006 door [A] B.V. (hof: partij B) geleverd aan woningbouwvereniging [benadeelde] (hof: partij C), waarbij na verrekening van de kosten voor acquisitie een bedrag van de rekening van [benadeelde] is afgeschreven van € 2.866.573,67.
Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het project [project 1] te [plaats] op 23 juni 2005 direct door [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] is aangeboden, dat [medeverdachte 1] alstoen meteen zijn interesse kenbaar heeft gemaakt en dat [medeverdachte 1] [betrokkene 1] op zijn beurt heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 3] om de zaken verder te regelen, zodat [medeverdachte 1] - achter de schermen en niet kenbaar voor de raad van commissarissen van [benadeelde] - invulling en uitvoering kon geven aan een AB-BC-constructie samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Daarbij wijst het hof in het bijzonder nog op de verklaring van getuige [getuige 2] , directeur van aannemersbedrijf [G] B.V. Uit diens verklaring volgt dat [getuige 2] er, ondanks dat hij al contact had met [medeverdachte 1] in het kader van het project [project 3] (zie feit 3), niet aan heeft gedacht om over het project [project 1] contact op te nemen met woningbouwvereniging [benadeelde] , dat zij dat gescheiden wilden houden en dat het plan daarnaast meer bij [betrokkene 1] lag. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard dat de heren van [B] B.V. contact hadden gezocht met [benadeelde] over het postkantoor en heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij over het project [project 1] werd gebeld door de heren van [B] B.V., welke verklaringen steun bieden aan hetgeen [betrokkene 1] hierover heeft verklaard. Anders dan de verdediging heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van [betrokkene 1] als gebezigd voor het bewijs, nu het hof niet vermag in te zien welk belang [betrokkene 1] (zou kunnen) hebben bij het onjuist en niet naar waarheid verklaren over hoe een en ander is gelopen voor wat betreft zijn contacten met eerst [medeverdachte 1] en nadien [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (en in het verlengde daarvan de vennootschappen, waaronder verdachte). De belangen van de verdachten in de onderhavige strafzaak bij het ontzenuwen van diens verklaringen zijn evident, maar die pogingen slagen niet.
Voor de stelling van de verdediging, dat [medeverdachte 3] al eerder, dus voordat [betrokkene 1] contact opnam met [medeverdachte 1] , in het kader van het project [project 3] had gehoord over het project [project 1] en dat reeds op die grond geen sprake kan zijn geweest van ‘tussenschuiven', is naar het oordeel van het hof - anders dan de verklaring van [medeverdachte 3] hierover - geen steun te vinden in het dossier.
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de zogenoemde waardesprong te rechtvaardigen was.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene volgt dat [A] B.V. het project uiteindelijk van [B] B.V./ [C] B.V. heeft gekocht voor een bedrag van € 2.225.000, en het vervolgens diezelfde dag voor een bedrag van € 2.866.573,67 heeft doorverkocht aan woningbouwvereniging [benadeelde] . Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat er door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] dan wel in hun verlengde de vennootschappen [verdachte] BV en/of [A] B.V. werkzaamheden zijn verricht die deze prijsstijging kunnen rechtvaardigen. Daarbij overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er reeds een ontwikkelstudie c.q. voorbereid plan van architectenbureau [F] lag, dat er overeenstemming was met de gemeente over de ontwikkeling van het project [project 1] , de gemeente voorts te kennen had gegeven medewerking te zullen verlenen aan de verkoop van de sporthal en de omstandigheid dat aannemersbedrijf [G] B.V. de sporthal reeds had gekocht na onderhandeling met een haar bekende partij. Er lag, kortom, al een plan gereed voor het project [project 1] en het betrof voor [medeverdachte 3] , aldus [medeverdachte 3] , en [medeverdachte 2] louter een echt handelsproject, waar zij op ontwikkelgebied niets mee hebben gedaan. Dat zijdens de verdachten is getracht die toch stevige en duidelijke uitspraak later in de procedure teniet te doen door alsnog veronderstelde ontplooide activiteiten door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] B.V. en/of [A] B.V. voor dit project te berde te brengen, activiteiten die zouden zijn ontplooid aan de voorkant, overtuigt het hof niet. Ook hetgeen [medeverdachte 2] hierover heeft verklaard, brengt het hof niet tot een ander oordeel. En bij het uitblijven van een overtuigende redengevende verklaring vermag het hof dan ook niet in te zien waarom het door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aanvaarde aanbod van [betrokkene 1] , niet rechtstreeks door [medeverdachte 1] ten behoeve van [benadeelde] had kunnen worden aanvaard. Gelet op het voorgaande is de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , inhoudende dat [A] bij het project onmisbaar was omdat woningbouwvereniging [benadeelde] zelf geen ontwikkelmogelijkheden had, alles behalve aannemelijk geworden. Daarbij wijst het hof ten slotte nog op de verklaring van getuige [getuige 1] , mede MT-lid van [benadeelde] , inhoudende dat op het moment dat [medeverdachte 1] de onderhandelingen voerde er vaak nog geen plan lag. Hieruit leidt het hof af dat het ontbreken van een plan voor [medeverdachte 1] kennelijk geen belemmering hoefde te vormen om een dergelijk project rechtstreeks van een aanbieder te kopen.
In dit kader wijst het hof er voorts op dat [medeverdachte 3] tijdens het verhoor bij de ILT nog heeft verklaard dat hij en [medeverdachte 2] in (het hof begrijpt: bij de verwerving/acquisitie van) het project [project 1] geen noemenswaardige werkzaamheden hebben verricht anders dan dat zij gebeld zijn door de heren van [B] B.V. (hof: [betrokkene 1] ). Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij niet nauw bij dit project betrokken is geweest en dat er door hen geen externe kosten zijn gemaakt. Ten slotte betrekt het hof bij dit oordeel dat [medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] door getuigen worden beschreven als handelaren in onroerend goed en niet als projectontwikkelaars, dat getuigen de rol van [A] in deze niet begrepen nu [benadeelde] zelf de kennis en expertise had om onroerend goed te verwerven en er ten slotte geen financieel risico bij [A] lag. Het hof concludeert dan ook dat de hoogte van de door [A] ontvangen betalingen onverklaarbaar en disproportioneel was, bezien vanuit de belangen van [benadeelde] .
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het vorenomschreven handelen kan worden aangemerkt als ’oplichting' als bedoeld in artikel 326 Sr.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof concludeert zoals hiervoor vermeld dat het (min of meer kant en klare) project [project 1] aanvankelijk door [betrokkene 1] direct aan [medeverdachte 1] is aangeboden, dat op geen enkele aannemelijke wijze is gebleken dat de rol van [A] - dat pas, nadat de koop tussen [verdachte] B.V. en [B] B.V./ [C] B.V. begin december 2005 al rond was, is opgericht - oftewel die van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] onmisbaar was voor het ontwikkelen van het project [project 1] en dat [medeverdachte 1] dit project aldus, in zijn rol als directeur-bestuurder van [benadeelde] , direct van [betrokkene 1] had kunnen kopen. Zoals hiervoor overwogen bekleedde [medeverdachte 1] een sleutelpositie die hem in staat stelde om [A] ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) bij de aankoop van het project [project 1] een rol te geven en deze vennootschap ( [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) via een AB-BC-constructie te bevoordelen.
Nu [medeverdachte 1] op zijn beurt van meet af aan ten stelligste ontkent dat hij [A] B.V. heeft ‘tussengeschoven’, kan daaruit louter worden afgeleid dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen niet heeft geïnformeerd over dit ‘tussenschuiven’. Dat dit (informeren) niet is gebeurd, spreekt naar het oordeel van het hof ook voor zich, omdat niet is gebleken van een daarvoor redengevende verklaring die de belangen van [benadeelde] dient, terwijl deze wel door de raad van commissarissen van [medeverdachte 1] zou mogen worden verlangd. Het hof kan [medeverdachte 1] daarin wel volgen, want als hij die informatie had verstrekt, had hij die raad ook over diens beweegredenen dienen te informeren. En daar gaat het hier nu net om. Dan had [medeverdachte 1] de raad van commissarissen ook moeten uitleggen/informeren waarom hij, [medeverdachte 1] , niet zelf namens [benadeelde] de onderhandelingen met [betrokkene 1] heeft gedaan voor het project [project 1] - hetgeen volgens [betrokkene 1] zonder meer had gekund - maar [medeverdachte 1] [betrokkene 1] naar [medeverdachte 3] (toen als bestuurder van [verdachte] BV, later aldus [A] ) heeft verwezen voor het ’afregelen' hiervan. Vanuit financiële overwegingen, bezien vanuit de belangen van [benadeelde] , zou een AC-constructie immers zonder meer voor de hand hebben gelegen, temeer nu [betrokkene 1] ervan overtuigd is dat [benadeelde] dan goedkoper uit zou zijn geweest. [medeverdachte 1] is evenwel verre van die onderhandelingen en een dergelijke AC- constructie gebleven, naar is gebleken aldus om hem moverende financiële overwegingen.
Het hof concludeert dat [medeverdachte 1] aan de raad van commissarissen van [benadeelde] een onvolledig beeld heeft geschetst van deze acquisitie door de raad van commissarissen vooraf noch achteraf erover te informeren dat [benadeelde] het project [project 1] ook zonder tussenkomst van [A] had kunnen verwerven. [betrokkene 1] had het hem immers gepresenteerd en aangeboden. Dat dit informeren vooraf niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken. Ook achteraf heeft [medeverdachte 1] de raad van commissarissen hieromtrent niet geïnformeerd. Het kan dan ook niet anders, omdat het gezien al het hiervoor overwogene voor zich spreekt, dat deze informatie door [medeverdachte 1] is verzwegen voor de raad van commissarissen om hem moverende redenen, zijn eigen financiële belangen. Gezien zijn directeursfunctie/bestuurdersrol had het daarentegen wel op zijn weg gelegen de raad van commissarissen te informeren. In die hoedanigheid was hij immers gehouden de raad van commissarissen die informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst was. Gelet op de hiermee gemoeide financiële belangen van [benadeelde] is het vanzelfsprekend dat dit vermoeden bij [medeverdachte 1] heeft bestaan, maar hij daarmee niets heeft gedaan. Het door [benadeelde] meer betaalde, de winst van [A] , is immers terechtgekomen bij [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] en op basis van de bewijsmiddelen concludeert het hof dito - via de gewoonlijke douceurtjes, gerelateerd aan de verdiensten van dit project- bij [medeverdachte 1] . Indien de raad van commissarissen was geïnformeerd, zouden zij hebben ingegrepen door minst genomen [medeverdachte 1] hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Immers, zoals uit de bewijsmiddelen volgt, zou met het verschaffen van deze informatie aan de raad van commissarissen diens dagen bij [benadeelde] zijn geteld en zou dit een bom onder het project [project 1] hebben gelegd.
[medeverdachte 1] heeft zo bij de raad van commissarissen de indruk doen/laten bestaan dat bij de aankoop van het project [project 1] de (financiële) belangen van [benadeelde] op een zo goed mogelijke wijze werden gediend, terwijl hij ten nadele van [benadeelde] verzweeg dat hij en zijn partners in dezen - waaronder ook de verdachte - een persoonlijk financieel belang hadden bij die AB-BC-constructie. Hoewel de bewijsmiddelen op dit punt voor zich spreken, heeft [medeverdachte 1] ook het ontvangen van de douceurtjes van meet af aan stellig ontkend. Dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen over die douceurtjes niet heeft geïnformeerd, terwijl dit vanzelfsprekend relevant te achten informatie voor die raad betrof, spreekt dan ook voor zich.
Gelet op dit alles oordeelt het hof dat medeverdachte [medeverdachte 1] in een nauwe en bewuste samenwerking met onder andere [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] alsmede aan hen gelieerde vennootschappen (waaronder verdachte), met het oogmerk om zich en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het door [medeverdachte 1] aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbare en integere bestuurder/directeur door middel van de hiervoor door het hof opgesomde verschillende misleidende feitelijke handelingen rondom de aankoop van het project aan de [project 1] te [plaats] , een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor woningbouwvereniging [benadeelde] is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 2.866.573,67.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof dan ook buiten twijfel af dat woningbouwvereniging [benadeelde] door het aannemen van een valse hoedanigheid door [medeverdachte 1] in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en de vennootschappen en de door hen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr, te weten een geldbedrag van € 2.866.573,67 op de rekening van [A] B.V. Het hof wijst daarbij nog in het bijzonder op de verklaringen van de leden van de raad van commissarissen, inhoudende dat zij, als zij hadden geweten dat [medeverdachte 1] geld toegeschoven kreeg, niet akkoord zouden zijn gegaan met projecten. Zou [medeverdachte 1] de raad van commissarissen over zijn handelen wel volledig hebben geïnformeerd, dan staat naar het oordeel van het hof aldus vast dat de raad van commissarissen zou hebben ingegrepen en de aankoop van dit project niet op deze wijze zou hebben plaatsgevonden.
Dat de verdachten deze handelingen hebben verricht met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, volgt eveneens uit al het vorenoverwogene. Het kan dan ook niet anders dan dat zij ten tijde van hun handelen hebben beseft dat hun gedragingen als noodzakelijk en dus door hen gewild gevolg met zich brachten dat door hun bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte en/of zijn medeverdachten geen listige kunstgrepen hebben toegepast, nu het toepassen van een AB-BC-constructie als zodanig en het louter verzwijgen door [medeverdachte 1] van relevante informatie jegens de Raad van Commissarissen van [benadeelde] en in dit geval ook de combinatie van beide zoals tenlastegelegd niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.”
4 Het eerste middel
Het eerste cassatiemiddel komt met een aantal klachten op tegen het oordeel van het hof dat [benadeelde] is opgelicht, mede tegen de achtergrond van hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht.
Het middel klaagt in de eerste plaats dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer volgt dat [benadeelde] het project ook rechtstreeks en tegen een aanzienlijk lager bedrag had kunnen verwerven.
Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom dit het geval is geweest. Die overwegingen komen er in het kort op neer dat [betrokkene 1] het project [project 1] in eerste instantie heeft aangeboden aan de medeverdachte [medeverdachte 1] (directeur-bestuurder van [benadeelde] ), dat [medeverdachte 1] daarbij kenbaar maakte dat hij het project in zijn geheel wilde overnemen en [betrokkene 1] heeft verwezen naar de medeverdachte [medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] , vervolgens zonder bedrijfseconomische reden een aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gelieerde onderneming (te weten: eerst de verdachte, later [A] B.V.) is tussengeschoven, waarna [benadeelde] het project voor een hoger bedrag heeft overgenomen van deze onderneming van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] (de AB-BC-constructie).
Welke van de feitelijke vaststellingen van het hof in dit verband niet door enig bewijsmiddel wordt geschraagd wordt in het middel niet toegelicht, en vermag ik na lezing van in het bijzonder de bewijsmiddelen 8 en 43 tot en met 60 ook niet zonder meer in te zien. In zoverre is geen sprake van een stellige en duidelijke cassatieklacht. Daarvoor is immers vereist dat het cassatiemiddel aangeeft waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn.
Om diezelfde reden valt ook de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is geweest van oplichting niet begrijpelijk is in het licht van hetgeen door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, niet aan te merken als een cassatieklacht. Daarvoor volstaat niet het weergeven van en enkel verwijzen naar (onderdelen) van het pleidooi in hoger beroep, zonder toe te lichten waarom de naar aanleiding daarvan gegeven overwegingen van het hof niet toereikend zijn. In het bijzonder merk ik op dat het hof in zijn arrest heeft uiteengezet waarom het hof van oordeel is dat geen sprake is geweest van werkzaamheden door de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en/of [A] B.V. die de prijsstijging rechtvaardigen (p. 14 arrest hof). Het cassatiemiddel licht niet toe waar deze overwegingen – gezien wat is aangevoerd door de verdediging – te kort zouden schieten. Op gelijke voet is de niet nader toegelichte klacht dat het hof zijn oordeel nader had moeten motiveren in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd over “de mate van transparantie” te ongericht om als een stellige en duidelijke klacht in cassatie te kunnen gelden.
Verder wordt in het middel gesteld dat nadere motivering behoeft waarom de “douceurtjes” die door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor verschillende projecten aan [medeverdachte 1] werden toegeschoven redengevend zijn voor de bewezenverklaring van oplichting, nu – zo begrijp ik althans in het licht van het gelijkluidende verweer in hoger beroep – het bestaan van die douceurtjes niet in de weg heeft gestaan aan de vrijspraak voor feit 4 (oplichting bij het project [project 2] ) in (kennelijk) het eerdere arrest van het hof van 5 oktober 2020 in de zaak van de medeverdachten [medeverdachte 3] (de verdachte zelf is reeds in eerste aanleg door de rechtbank vrijgesproken van dit feit). Die klacht kan niet leiden tot cassatie, reeds omdat de vrijspraak van feit 4 en de daaraan ten grondslag gelegde motivering in het eerdere arrest van het hof in de zaak van een medeverdachte niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen. Ten overvloede merk ik op dat de weging door het hof van het bewijsmateriaal voor oplichting met betrekking het project [project 2] – welke weging in dat geval in de zaak van de medeverdachte heeft geresulteerd in een vrijspraak – geenszins betekent dat binnen de weging van het bewijsmateriaal met betrekking tot het project [project 1] de douceurtjes geen rol van betekenis hebben kunnen spelen in het bewijs voor oplichting.
Het middel faalt.
5 Het tweede als zodanig aangeduide middel
Het tweede ‘middel’ klaagt met betrekking tot feit 1 primair over de bewezenverklaring van het ‘medeplegen’ van dat feit door de verdachte. In de toelichting op het middel wordt volstaan met een citaat uit hetgeen door de raadsman in hoger beroep bij pleidooi is aangevoerd, waarna zonder enige invulling wordt geponeerd dat in het licht van dat pleidooi de overwegingen van het hof ter zake tekortschieten en niet worden gedragen door de bewijsmiddelen. Het middel stelt slechts dat van enige “op het oogmerk van oplichting gerichte actie van de verdachte en de medeverdachten” niets zou blijken uit de bewijsmiddelen.
De klacht in cassatie blijft daarmee hangen in algemeenheden en wordt op geen enkele manier in verband gebracht met de uitgebreide overwegingen van het hof over de betrokkenheid van de verdachte bij de door het hof als oplichting aangemerkte handelingen. Uit die overwegingen volgt dat de bestuurder/aandeelhouder van de verdachte (tevens medeverdachte) [medeverdachte 3] uit naam/als vertegenwoordiger van de verdachte heeft gehandeld bij de onderhandelingen en voorgenomen overeenkomst tot koop door de verdachte van het project [project 1] van [B] B.V./ [C] B.V., terwijl volgens het hof dit ‘tussenschuiven’ van de verdachte (later vervangen door [A] B.V.) onderdeel was van de bewezenverklaarde oplichting. Waarom uit de overwegingen van het hof en/of de bewijsmiddelen in dit verband niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt en/of de overwegingen van het hof daaromtrent niet toereikend zouden zijn, wordt in de schriftuur niet concreet toegelicht.
Daarmee is geen sprake van een duidelijke en stellige klacht in cassatie over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Daarvoor is immers vereist dat het cassatiemiddel aangeeft waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn.
6 Conclusie
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede als zodanig aangeduide middel betreft geen middel als bedoeld in de wet en moet om die reden onbesproken blijven.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat op 11 juni 2024 beroep in cassatie is ingesteld. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde geldboete dient te leiden. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG