Strafrecht overig
Conclusie AG. Medeplegen van oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, begaan door…
ECLI:NL:PHR:2026:809 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-809
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 26 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/02229
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:809
Samenvatting
Conclusie AG. Medeplegen van oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, begaan door rechtspersoon. Volgens AG falen de bewijsklachten. Tweede middel over bewezenverklaarde medeplegen betreft volgens AG geen middel i.dz.v. de wet. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02229
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 5 juni 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000218-22) – na partiële terugwijzing door de Hoge Raad – veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon (feit 2). Het hof heeft de verdachte wegens dit feit en het medeplegen van witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 4), veroordeeld tot een geldboete van € 40.000.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02204, 24/02228 en 24/02230. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat R. Milo heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in deze zaak (nog) over gaat
De onderhavige zaak handelt over oplichting van woningbouwvereniging [A] (‘ [A] ’) en witwassen.
De zaak is voor een tweede keer in cassatie aan de orde. Eerder werd de verdachte bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2020 (parketnr. 20-000414-18) wegens medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon (feit 2) en witwassen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 4) veroordeeld tot een geldboete van € 50.000. De benadeelde partij [A] werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard. Namens de verdachte werd tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.
Bij uitspraak van 1 februari 2022 (rolnr. 20/03230) heeft de Hoge Raad voormelde uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend – voor zover thans van belang – voor wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging omdat, kort gezegd, een aantal feitenvaststellingen van het hof met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde niet door (met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide) bewijsmiddelen werd geschraagd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het hof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak ten aanzien van dat feit en de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Het hof heeft de zaak voor zover betrekking hebbend op feit 2 ( [project 1] ) en de strafoplegging opnieuw inhoudelijk behandeld ter zitting van 10 april 2024 en vervolgens op 5 juni 2024 arrest gewezen. De verdachte is daarbij ter zake feit 2 opnieuw veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon, en voor de bewezenverklaarde (en strafbare) feiten tezamen veroordeeld tot de hierboven vermelde straf. Tegen deze uitspraak is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
Het eerste middel klaagt erover dat het bewezenverklaarde inzake [project 1] (feit 2) niet uit de bewijsmiddelen volgt, althans de bewezenverklaring niet voldoende is gemotiveerd. Het tweede als zodanig aangeduide middel klaagt erover dat met betrekking tot feit 2 het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt.
3. De bewijsvoering inzake feit 2 ( [project 1] )
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“(eerste cumulatief) (Project " [project 1] ", project 3.9)
zij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 in Nederland
met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid de Woningbouwvereniging [A] (" [A] ")
heeft bewogen tot de middellijke en/of onmiddellijke afgifte van een goed, te weten het betalen van een bedrag van euro 262.000.00 aan [verdachte] B.V.,
hebbende zij, verdachte, en haar mededaders toen, aldaar, met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk als volgt gehandeld:
tussen [A] , [verdachte] B.V., [project 1] B.V. en [B] B.V. werd een "Aanvullende samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [a-straat] ", gedateerd 21 november 2007, gesloten en ondertekend waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [A]
en
tussen enerzijds [A] B.V. en anderzijds [verdachte] B.V. werd een overeenkomst tot koop van aandelen, getekend d.d. 21 december 2007, overeengekomen, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat [A] voornoemd de aandelen van [verdachte] voornoemd in [C] B.V. zou overkopen voor euro 262.500,00
en
dat [A] op 21 december 2007 euro 262.000,00 heeft betaald aan [verdachte] B.V.
en
[medeverdachte 1] heeft geld in privé ontvangen van medeverdachten [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]
en
[medeverdachte 1] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [A] ten aanzien van het [project 1] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en haar medeverdachten en de rol van verdachte bij het [project 1] te [plaats]
en
aldus doende heeft [medeverdachte 1] zich met betrekking tot het [project 1] te [plaats] tegenover de Raad van Commissarissen van [A] valselijk voorgedaan als betrouwbare en integere directeur/bestuurder,
waardoor [A] werd bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag.”
De bewezenverklaring berust op 55 bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest van het hof. De bewijsoverwegingen van het hof, zoals opgenomen in het arrest, luiden als volgt:
“Het oordeel van het hof
Algemene bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Volgens bestendige jurisprudentie is voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr.) vereist dat iemand door het aanwenden van een (of meer) oplichtingsmiddel(en), zijnde het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid of van listige kunstgrepen dan wel een samenweefsel van verdichtsels, wordt bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Daarbij dient de verdachte het oogmerk te hebben gehad om zich of een ander door het aanwenden van het (de) oplichtingsmiddel(en) wederrechtelijk te bevoordelen.
Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Dat het bij de strafbaarstelling van oplichting gaat om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken, brengt mee dat aldus niet slechts het vertrouwen wordt beschermd van die ander tegen vermogensnadeel dat hij lijdt, maar ook meer algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen.
Met het in de wet omschrijven van specifieke oplichtingsmiddelen - het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels - is beoogd het begrip 'oplichting' nader vorm en inhoud te geven. Daarmee wordt bewerkstelligd dat niet iedere vorm van bedrog - bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling - en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht als misdrijf met een strafmaximum van, kort gezegd, vier jaren gevangenisstraf.
De in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben betrekking op gedragingen die niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden zijn. Daardoor kunnen concrete uitwerkingen van deze oplichtingsmiddelen onderling samenhang vertonen en elkaar overlappen. Er kunnen zich dus gevallen voordoen waarin hetzelfde gedrag van de verdachte meebrengt dat meerdere oplichtingsmiddelen zijn gebezigd. In zo een geval kan dit gedrag als het bezigen van meer dan één oplichtingsmiddel worden tenlastegelegd en bewezenverklaard: daarbij behoeft de strafrechter niet te kiezen uit die oplichtingsmiddelen omdat die keuze voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde niet van belang is.
In de onderhavige zaak staan, gelet op het vonnis van de rechtbank, ter zake van het tenlastegelegde feit in het bijzonder twee oplichtingsmiddelen centraal: het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen. Bij het aannemen van een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, waarbij die onjuiste voorstelling van diens hoedanigheid in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij listige kunstgrepen gaat het in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen.
Bewegen tot bepaalde handelingen
Naast het hanteren van (een) oplichtingsmiddel(en) is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel 'beweegt' tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed als bedoeld in artikel 326, eerste lid, van het Sr. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Ten slotte is voor bewezenverklaring van oplichting blijkens artikel 326, eerste lid, Sr vereist dat de verdachte iemand door zo een oplichtingsmiddel heeft bewogen tot de in die bepaling bedoelde handelingen met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Daarbij moet de verdachte ten minste hebben beseft dat zijn gedragingen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich brengen dat het strafbare feit wordt begaan. Zogenoemd ‘voorwaardelijk opzet' is daarbij niet voldoende. Met andere woorden: het handelen van de verdachte moet, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebrengen dat de ander door hem zou (kunnen) worden bewogen tot bijvoorbeeld de afgifte van enig goed.
Bijzondere bewijsoverwegingen
Algemeen
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.
[medeverdachte 1] was ten tijde van de bewezenverklaarde periode, meer bepaald reeds tevoren vanaf 1 oktober 2001, aangesteld als directeur-bestuurder van woningbouwvereniging [A] (hof: hierna ook afwisselend nog genoemd ‘woningbouwvereniging' en ' [A] ’). In die functie was het zijn taak om registergoederen/vastgoedprojecten te acquireren. Aan hem was ter zake van dit acquireren door de raad van commissarissen van [A] een mandaat verleend om registergoederen te verwerven, waarbij hij van 2001 tot 2004 onbeperkt bevoegd was om dat te doen en zijn bevoegdheid om zonder voorafgaande toestemming van de raad van commissarissen namens [A] registergoederen te verwerven tussen 2004 en 2008 was begrensd tot € 4.500.000,00.
Tijdens de vergaderingen van de raad van commissarissen van [A] , die blijkens de statuten van de woningbouwvereniging als taak had toezicht te houden op de directeur, legde [medeverdachte 1] uit welke acquisities waren of zouden worden gedaan. [medeverdachte 1] informeerde de raad van commissarissen diverse malen per jaar aan de hand van een notitie waarin gegevens stonden als aantallen, stichtingskosten, locatie, start van de bouw, bouwperiode, etc. Daarbij was het volgens de statuten de taak van de directeur tijdig de voor de uitoefening van de raad van commissarissen noodzakelijke gegevens te verschaffen en was de directeur daarbij verplicht alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van de raad van commissarissen noodzakelijk of gewenst was. In de notitie "werkafspraken inzake verwerving/vervreemding’ d.d. 14 september 2004 staat vermeld dat de directeur de raad van commissarissen per bijeenkomst informeert over verwervingen en de condities waaronder deze tot stand komen.
[getuige] heeft verklaard dat de acquisitie van nieuwe projecten helemaal bij [medeverdachte 1] lag en dat hij, [medeverdachte 1] , de afspraken over de prijs maakte. Na acquisitie werd dan het managementteam (hof: MT) van [A] bij het project betrokken en werd een projectmanager aangesteld.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren ieder bestuurder en 100% aandeelhouder van respectievelijk [D] B.V. en [E] B.V. Beiden waren tevens via de eigen vennootschappen voor 50% aandeelhouder/bestuurder van [F] B.V., welke vennootschap enig aandeelhouder en bestuurder was van de verdachte ( [verdachte] B.V. (hof: hierna ook genoemd [verdachte] )). Deze laatste vennootschap hield zich volgens de verklaring van wijlen [medeverdachte 2] bezig met planontwikkeling en handel in vastgoed, waarbij [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] feitelijk de gezamenlijke bestuurders waren en er voor de vennootschap verder geen personeel werkzaam was.
De rol van [verdachte] B.V.
Het hof stelt voorop dat uit de gebezigde bewijsmiddelen geconcludeerd kan worden dat [medeverdachte 3] uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan [medeverdachte 1] . Die zogenoemde douceurtjes werden naar het oordeel van het hof in ieder geval gedeeltelijk uit de door [verdachte] (en daarvoor [E] B.V.) op projecten gemaakte winst betaald.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
[medeverdachte 3] heeft tegenover de verbalisanten van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst, Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: ILT) verklaard dat hij vanaf het eerste project uit gewoonte geldbedragen heeft toegeschoven aan [medeverdachte 1] , dat de hoogte van die geldbedragen afhankelijk was van het resultaat van het project en dat hij bang was dat een deal met [A] niet door zou gaan als hij [medeverdachte 1] geen geldbedragen gaf. Deze verklaring heeft [medeverdachte 3] spontaan, uit zichzelf en zonder enige beperking afgelegd toen hem werd gevraagd naar de reden waarom [medeverdachte 1] in het kader van het project [project 3] [betrokkene 1] naar hem, [medeverdachte 3] , had verwezen. Dat [medeverdachte 3] bij het afleggen van die verklaring onder ongeoorloofde druk stond, is niet gebleken. In dat kader wijst het hof erop dat [medeverdachte 3] tegenover de verbalisanten van de ILT heeft verklaard dat hij zijn geweten zuiver wilde maken. Voorts heeft [medeverdachte 3] tegenover de rechter-commissaris in die verklaring volhard.
Hoewel [medeverdachte 3] zijn eerdere verklaring tegenover de ILT bij de rechter-commissaris heeft afgezwakt met betrekking tot het aantal keren dat hij de betalingen aan [medeverdachte 1] zou hebben gedaan (het betrof slechts vier of vijf keer en was geen gewoonte) en de periode heeft beperkt (uiterlijk tot 2006) waarover dat zou zijn gebeurd, acht het hof deze afzwakking niet geloofwaardig. In dat verband merkt het hof op dat [medeverdachte 3] bij zijn eerdere verklaring tegenover de verbalisanten van de ILT uit zichzelf heeft verklaard over de betalingen aan [medeverdachte 1] en de achtergrond daarvan en dat hij daarbij, noch in de tijdsperiode, noch in het aantal keren, enige beperking heeft aangebracht. Gelet op die eerdere verklaring bij de ILT had het naar het oordeel van het hof meer voor de hand gelegen dat [medeverdachte 3] deze beperkingen dan direct zou hebben aangebracht, nu hij ook zichzelf met deze verklaring belastte. Ook de redenen die [medeverdachte 3] op heeft gegeven waarom hij gestopt zou zijn met de betalingen (zijn vrouw was het er niet mee eens, het volgen van een opleiding in real estate) overtuigen het hof niet, mede bezien in combinatie met het volgens [medeverdachte 3] uitblijven van enige reactie van de zijde van [medeverdachte 1] op het beweerdelijk stoppen van de betalingen, nu ook nadien de samenwerking is voortgezet. (Zoals door [medeverdachte 3] ter terechtzitting in eerste aanleg is verklaard.) Dit deel van de verklaring van [medeverdachte 3] staat bovendien in schril contrast met de douceurtjes in de vastgoedwereld waarover [medeverdachte 3] heeft verklaard, de gegroeide gewoonte om [medeverdachte 1] onafhankelijk van het resultaat te belonen, de bij [medeverdachte 3] levende angst dat de deals niet door zouden gaan als hij niet zou betalen, de vraag van [medeverdachte 1] om geld en de omstandigheid dat [verdachte] ook in en na 2006 nog door [medeverdachte 1] werd aanvaard als contractpartij voor woningbouwvereniging [A] . Daar komt nog bij dat de verklaring van [medeverdachte 3] , inhoudende dat aan [medeverdachte 1] geldbedragen zouden zijn betaald, past bij het in de bewijsmiddelen opgenomen overzicht van contante geldopnamen van de in Nederland bekende bankrekeningen van [medeverdachte 3] en de samenloop met de ontmoetingen tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Daarbij merkt het hof op dat [medeverdachte 3] in dit verband tevens heeft verklaard dat hij ook contante geldbedragen meenam uit Zwitserland, zoals het hof begrijpt uit zijn verklaring: dito ten behoeve van [medeverdachte 1] . Deze Zwitserse geldopnamen zijn niet meegenomen in het overzicht.
Voorts is het hof van oordeel dat ook de zakenpartner van [medeverdachte 3] , wijlen [medeverdachte 2] , betrokken is geweest bij het toeschuiven van geldbedragen aan [medeverdachte 1] en dat zulks niet uiterlijk in 2006 is gestopt zoals [medeverdachte 3] het bij de rechter-commissaris heeft willen doen voorkomen. Daartoe wijst het hof op de verklaringen van [medeverdachte 3] en diens zakenpartner [medeverdachte 2] over de intensieve en volledige samenwerking tussen beiden, het overzicht van de contante geldopnamen door beiden en hun ontmoetingen met [medeverdachte 1] . Met name de gang van zaken rond de ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 juli 2011 sterkt het hof in het oordeel dat ook [medeverdachte 2] nauw betrokken is geweest bij de betalingen aan [medeverdachte 1] . Zo had [medeverdachte 2] op 25 juli 2011 om 12.00 uur een afspraak met [medeverdachte 1] , op welk tijdstip [medeverdachte 2] per se over een contant geldbedrag van € 12.500,00 wilde kunnen beschikken. Naar het oordeel van het hof is er geen andere reden aannemelijk geworden waarom [medeverdachte 2] op dat moment over het geld wilde kunnen beschikken anders dan dat hij dit geldbedrag - zoals gewoonlijk - aan [medeverdachte 1] wilde kunnen overhandigen. Voorts speelt bij de overtuiging van het hof een belangrijke rol dat zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] tegenover de verbalisanten van de ILT geen vragen heeft willen beantwoorden over de wetenschap van [medeverdachte 2] over het toeschuiven aan [medeverdachte 1] van de geldbedragen. Als [medeverdachte 2] inderdaad niet van de douceurtjes af had geweten dan valt niet in te zien waarom [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] daar niet direct openheid van zaken over hebben willen geven. En ten slotte overweegt het hof nog dat aan de vrijspraak van het [project 2] (feit 4) andere overwegingen ten grondslag lagen en deze niet raakten aan de conclusie dat door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] jarenlang aan [medeverdachte 1] (projectgerelateerd) geldbedragen zijn toegeschoven.
De positie van [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [A]
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [A] gedurende de bewezenverklaarde periode een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de raad van commissarissen.
Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] een vergaande bevoegdheid had tot acquireren van registergoederen/projecten, dat hij daarbij zelf de onderhandelingen voerde en dat hij solistisch te werk ging, waardoor [A] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [A] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl [medeverdachte 1] zich ook dan met de uitvoering van de projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Het was de taak van [medeverdachte 1] als directeur-bestuurder om de raad van commissarissen, al dan niet achteraf, te informeren over diens acquisities. Voorts had [medeverdachte 1] een grote invloed op de agenda van de vergadering van de raad van commissarissen en was hij verantwoordelijk voor de selectie van stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde [medeverdachte 1] het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De raad van commissarissen was hierdoor afhankelijk van [medeverdachte 1] voor wat betreft de informatie die de commissarissen kregen over acquisities en lopende projecten.
Dat [medeverdachte 1] in bepaalde gevallen was gemandateerd om zelfstandig beslissingen te nemen, neemt niet weg dat hij op grond van de/het van toepassing zijnde statuten, reglement en werkafspraken was gehouden om de raad van commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat woningbouwvereniging [A] mogelijk in financiële zin tevens profijt heeft gehad van het door [medeverdachte 1] gevoerde beleid, doet er niet aan af dat hij een voor hem, [medeverdachte 1] , gunstige financiële omstandigheid heeft gecreëerd waarin de raad van commissarissen door hem kennelijk onvoldoende in staat was gesteld controle te houden op [medeverdachte 1] bestuurlijk optreden.
[project 1]
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het navolgende vast.
Ter zake van het realiseren van woningen, commerciële ruimte en parkeervoorzieningen aan de [a-straat] te [plaats] zijn twee overeenkomsten gesloten tussen aanvankelijk [B] B.V. als ontwikkelaar c.q. aannemer enerzijds en woningbouwvereniging [A] en [D] B.V. als opdrachtgever anderzijds en aanvullend tussen de woningbouwvereniging, [verdachte] B.V., [project 1] B.V. en [B] . Het betreft de ‘Samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [a-straat] 11/15 te [plaats] ' d.d. 19 januari 2006 (hof: hierna telkens SOK) en de ‘Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [a-straat] ' d.d. 21 november 2007 (hof: hierna telkens ASOK). Hierin zijn door de betrokken partijen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het [project 1] en is onder meer contractueel vastgelegd dat aan het einde van het project tussen partijen zou worden afgerekend.
Op 25 april 2007 is in het kader van de ontwikkeling van het [project 1] de werkmaatschappij ‘ [project 1] B.V.' opgericht. De helft van de aandelen [project 1] B.V. werd gehouden door [B] B.V. en de andere helft door [C] B.V., zijnde een houdstermaatschappij waarin [A] B.V. en de verdachte [verdachte] B.V. elk voor 50% aandeelhouder waren. Verdachte en [A] B.V. bezaten dus beide 50% van de aandelen in [C] B.V., die op haar beurt weer 50% van de aandelen in [project 1] B.V. bezat.
Op 21 december 2007 heeft woningbouwvereniging [A] het aandelenpakket [C] B.V. gekocht van [verdachte] B.V. voor een bedrag van € 262.000. Na levering van de aandelen zou het belang van woningbouwvereniging [A] als aandeelhouder in [project 1] B.V. (middels [C] B.V.) van 25% naar 50% stijgen.
Onderstaand volgt een korte samenvatting van de gebeurtenissen voorafgaand aan deze aandelenverkoop.
Uit het intranet van [verdachte] , waarop door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] afspraken met [medeverdachte 1] werden bijgehouden, valt op te maken dat er op 19 november 2007 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 2] tijdens die ontmoeting onder meer ‘onze exit' (het hof begrijpt: van [verdachte] B.V.) zou gaan bespreken. Dat deze ontmoeting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden vindt bevestiging in een declaratieformulier op naam van [medeverdachte 1] dat is aangetroffen bij woningbouwvereniging [A] . Op het formulier is vermeld 'diner d.d. 19 november 2007 + [medeverdachte 2] '.
De volgende dag, op 20 november 2007, is er e-mailcorrespondentie geweest tussen [medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] , kennelijk betrekking hebbend op de verkoop van de aandelen in [C] B.V. In deze e-mailberichten zijn onder meer berekeningen gemaakt van de beoogde winstmarges voor [B] , woningbouwvereniging [A] en [verdachte] B.V. In die e-mailberichten wordt als resultaat voor [A] telkens € 600.000 genoemd, terwijl het genoemde resultaat voor [B] en [verdachte] varieert.
Weer een dag later, op 21 november 2007, is de ASOK ondertekend door partijen, waarbij op nadrukkelijk aandringen van [medeverdachte 1] (handmatig) een voorgecalculeerde brutomarge werd opgenomen en door de betrokken partijen werd geparafeerd. Deze brutomarge werd op € 2.100.000 vastgesteld en werd als volgt verdeeld: € 600.000 voor woningbouwvereniging [A] , € 500.000 voor [verdachte] B.V. en € 1.000.000 voor [B] B.V. Het hof stelt vast dat de in deze verdeling genoemde marges nagenoeg gelijk zijn aan de marges die in de e-mailcorrespondentie tussen [medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] daags tevoren (in de bijlage bij dat e-mailbericht onder kolom C weergegeven) werden genoemd, te weten: € 600.000 voor [A] , € 525.000 voor [verdachte] B.V. en € 1.050.000 voor [B] B.V.
Op 4 december 2007 heeft [medeverdachte 2] , namens [verdachte] B.V., een brief gestuurd naar woningbouwvereniging [A] met daarin het verzoek om het winstdeel ad € 500.000 uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel door middel van aandelenoverdracht in [C] B.V. Het hof merkt op dat het door [medeverdachte 2] genoemde bedrag overeenkomt met de handgeschreven aanvulling in de ASOK .
Naar aanleiding van voornoemde brief van 4 december 2007 heeft [medeverdachte 1] aan [getuige] - op dat moment Hoofd Financiën bij woningbouwvereniging [A] - verzocht om aan de hand van de winstmarges de prijs voor de aandelenoverdracht te berekenen. [getuige] heeft vervolgens voorgesteld om voor de aandelenoverdracht € 187.500 te betalen aan [verdachte] B.V. Uit zijn verklaring aan de ILT van 20 september 2012 blijkt dat hij van mening was dat dit bedrag naar boven kon worden gecorrigeerd op basis van daadwerkelijk behaalde resultaten, maar dat dat resultaat eerst maar eens behaald moest worden. Dit bedrag vond [medeverdachte 1] echter te laag, waarop hij het bedrag eenzijdig heeft verhoogd tot € 262.500. Op 21 december 2007 heeft woningbouwvereniging [A] de aandelen in [C] van [verdachte] B.V. gekocht voor een bedrag van € 262.000.
Op grond van de vorenomschreven feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 3] , zijn zakenpartner [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] reeds voorafgaand aan het sluiten van de ASOK de exit van [verdachte] B.V. hebben besproken, met het kennelijke doel ten behoeve van [verdachte] B.V. een goede prijs voor de aandelen in [C] B.V. te realiseren. De sleutelpositie van [medeverdachte 1] binnen woningbouwvereniging [A] stelde hem in staat om eenzijdig en zonder deugdelijke onderbouwing over te gaan tot de uitkoop van [verdachte] B.V., althans die vennootschap met daarachter [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een geldbedrag te doen toekomen.
[medeverdachte 1] heeft kennelijk naar aanleiding van de vorenbedoelde brief [getuige] de opdracht gegeven een berekening en constructie te bedenken om aan het verzoek van [verdachte] B.V. tot overname van de aandelen gevolg te geven. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de omstandigheid dat [medeverdachte 1] deze vergoeding eenzijdig op € 262.500 heeft gesteld terwijl [getuige] na een berekening tot een aanzienlijk lager bedrag was gekomen opvallend is, nu [medeverdachte 1] uit het dossier naar voren komt als scherpe onderhandelaar bij wie een dergelijke vrijgevigheid, zonder enige nadere onderbouwing, niet past. Van een redengevende en overtuigende verklaring voor het vaststellen van een hogere vergoeding voor die aandelen in [C] B.V. ten nadele van woningbouwvereniging [A] die die vergoeding betaalde, is het hof bovendien niet gebleken. De omstandigheid dat een handelspartner waar een langlopende relatie mee bestaat ook financieel behoorlijk dient te worden bejegend spreekt voor zich, maar verklaart, noch rechtvaardigt in dezen dat een bijna 30% hoger bedrag van de totale aankoopsom voor de betreffende aandelen werd betaald. Dat percentage acht het hof in de gegeven omstandigheden zonder redengevende overtuigende uitleg, die ontbreekt, dan ook disproportioneel.
Voorts is het hof van oordeel dat de timing van de verkoop van de aandelen opvallend is, nu op het moment van de verkoop nog niet was begonnen met de bouw en woningbouwvereniging [A] wilde dat [verdachte] B.V. betrokken bleef bij het project. Niet valt in te zien waarom in een dergelijk vroeg stadium al een hoog bedrag uitgekeerd moest worden en daarmee niet gewacht kon worden tot het moment dat het nettoresultaat bekend was, nu in de overeenkomst tot koop van aandelen - conform de suggestie van [getuige] - immers was opgenomen dat een eventueel hoger nettoresultaat nog verrekend zou worden met [verdachte] B.V. Nu het andersom zo was dat, indien het nettoresultaat onverhoopt beneden het bedrag van € 262.500 zou blijven, er niet verrekend zou worden en evenmin een nabetaling plaats zou vinden, concludeert het hof dat [verdachte] B.V. van deze aandelenoverdracht alleen maar beter kon worden terwijl daar voor [verdachte] B.V. - anders dan voor [A] en [B] - geen risico meer tegenover stond.
Hoewel [verdachte] B.V. - zo volgt uit het dossier - werkzaamheden heeft verricht voor het [project 1] , bestond er naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging om in een dergelijk vroeg stadium - nog voordat de bouw gestart was - en mede gelet op de economische vooruitzichten ten tijde van het tenlastegelegde (de bouwconjunctuur) niet te voorzien was dat de winst zou stijgen al tot uitbetaling van het geprognosticeerde resultaat over te gaan, te meer niet nu die uitbetaling mogelijk ten koste van onder meer woningbouwvereniging [A] zou kunnen gaan.
Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken en in aanmerking genomen dat door [medeverdachte 3] en zijn zakenpartner [medeverdachte 2] in privé geld aan [medeverdachte 1] werd toegeschoven, komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de uitkoop van de aandelen vooraf met hun medeverdachten hebben geregisseerd, dat [verdachte] B.V., met aan het roer [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , haarzelf met de opbrengsten daarvan heeft bevoordeeld en ook uit de verdiensten van dit project - zoals gewoon was - [medeverdachte 1] geld is toegestopt. Het hof neemt bij dat oordeel tevens in overweging dat uit het dossier niet volgt dat de ASOK ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, terwijl dit wel had moeten gebeuren, nu de ASOK viel buiten het aan [medeverdachte 1] als directeur van woningbouwvereniging [A] verleende mandaat. Immers, met de ASOK was voor [A] een financieel belang gemoeid dat de grens van het mandaat van [medeverdachte 1] , € 4.500.000, (aanzienlijk) oversteeg. Door die raad deze informatie te onthouden heeft [medeverdachte 1] een onvolledig beeld geschetst, terwijl deze informatie wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoc goedkeuring omtrent de koopovereenkomst die [A] vervolgens is aangegaan betreffende de aandelen van [verdachte] B.V. in [C] B.V. Daar komt nog bij dat de beslissing tot de aankoop van de aandelen in [C] B.V. van [verdachte] B.V. is genomen door [medeverdachte 1] , terwijl hij in overleg met [medeverdachte 3] en diens zakenpartner [medeverdachte 2] de prijs voor de aandelen eenzijdig op een aanzienlijk hoger bedrag heeft vastgesteld dan [getuige] intern in het belang van [A] als redelijk had berekend. Daarbij opgeteld dat hij, [medeverdachte 1] , aldus ten nadele van [A] daar financieel zelf ook beter van werd, via de hem toegestopte douceurtjes, acht het hof het alleszins onaannemelijk dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen hierover heeft geïnformeerd. Te meer daar [medeverdachte 1] - naar het oordeel van het hof tegen beter weten in - betwist enig douceurtje te hebben ontvangen. Als directeur van [A] was hij evenwel verplicht de raad van commissarissen, belast met het toezicht op zijn werkzaamheden, alle informatie te verschaffen waarvan hij redelijkerwijs diende te vermoeden dat die voor de uitoefening van de taak van die raad noodzakelijk of gewenst was. Vanzelfsprekend gaat het hier om dergelijke informatie, waar het direct gaat om de financiële belangen van en risico voor [A] . Hij had de raad van commissarissen moeten informeren over de wijze waarop ter zake van het [project 1] werd onderhandeld met [verdachte] B.V., waarbij hij die vennootschap zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht.
Ook hier geldt dat de raad van commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [A] die raad de juiste en volledige informatie gaf omtrent het [project 1] . [medeverdachte 1] was aanwezig bij de vergaderingen van de raad van commissarissen, voerde dan meestal het woord, lichtte de agendapunten toe en beantwoordde vragen. Het hof concludeert dat hoewel [medeverdachte 1] zich leek te gedragen als een betrouwbare en integere directeur/bestuurder van [A] , bestond binnen de raad van commissarissen door het onderhavige optreden van [medeverdachte 1] ten tijde van en rond de vergaderingen en met name het door hem verzwijgen van voormelde relevante informatie de onjuiste voorstelling dat hij een betrouwbare en integere directeur/bestuurder was. Ware de raad van commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou de raad hebben ingegrepen. De gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten kunnen hiermee worden aangemerkt als het aannemen van een valse hoedanigheid. Concluderend acht het hof de onder 2 (eerste cumulatief) tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De bijdrage van de verdachte hieraan is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.
Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt het hof ten slotte nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voorafgaand aan het sluiten van de ASOK al de exit van [verdachte] B.V., hadden besproken en daarbij door hen (nagenoeg) dezelfde winstmarges zijn besproken als de brutomarges die een dag later op aandringen van [medeverdachte 1] handgeschreven zijn toegevoegd aan en op de ASOK . Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (en/of [medeverdachte 2] ) met elkaar een plan hadden gemaakt om die exit voor [verdachte] B.V. financieel zo gunstig mogelijk te laten verlopen, van welke exit [medeverdachte 1] op zijn beurt dan ook weer profiteerde door middel van het toeschuiven van de douceurtjes door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en acht op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 eerste cumulatief tenlastegelegde heeft begaan.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte en/of zijn medeverdachten geen listige kunstgrepen hebben toegepast, nu het toepassen van een AB-BC-constructie als zodanig en het louter verzwijgen door [medeverdachte 1] van relevante informatie jegens de Raad van Commissarissen van [A] en in dit geval ook de combinatie van beide zoals tenlastegelegd niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.
De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 (tweede alternatief/cumulatief) ten laste gelegde medeplegen van verduistering, omdat niet is gebleken dat de verdachte en/of haar medeverdachten zich de gelden op enig moment wederrechtelijk hebben toegeëigend in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.”
4 Het eerste middel
Het eerste cassatiemiddel komt met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring van oplichting met betrekking tot feit 2 ( [project 1] ).
In de eerste plaats klaagt het middel dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat [A] – in het bijzonder door de door het hof genoemde “verschillende misleidende feitelijke handelingen” – is bewogen tot betaling van het bewezenverklaarde geldbedrag. Die conclusie zou volgens de steller van het middel enkel zijn getrokken op basis van het feit dat [medeverdachte 1] ‘douceurtjes’ kreeg van (onder meer) de verdachte, terwijl niet is vastgesteld dat die douceurtjes in het kader van [project 1] zijn verstrekt.
In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest van het hof. De overwegingen van het hof komen erop neer dat de ‘exit’ van de verdachte ( [verdachte] ) als aandeelhouder en de beoogde winstmarge van [verdachte] door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (bestuurder van [verdachte] ) zijn “geregisseerd” reeds voordat (ook met [verdachte] ) de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ( ASOK ) werd gesloten en dat verder ook niet is gebleken van een “redengevende en overtuigende verklaring” waarom [A] (in de persoon van de [medeverdachte 1] ) vervolgens [verdachte] zou uitkopen voor een bedrag van € 262.000, dat – ten nadele van [A] – (bovendien) substantieel hoger was dan het voorgerekende prijsvoorstel van het Hoofd Financiën van [A] (de [getuige] ) van € 187.500, gelet het vroege stadium waarin het project zich bevond en gezien de economische vooruitzichten en zonder dat er bij een tegenvallend resultaat een terugbetalingsverplichting voor [verdachte] bestond. Het is tegen deze achtergrond dat het hof tevens betekenis heeft toegekend aan het feit dat door [medeverdachte 3] (bestuurder van de verdachte) “uit gewoonte” douceurtjes werden toegestopt aan [medeverdachte 1] en op grond van dit alles bewezen heeft geacht dat de prijsverhoging door [medeverdachte 1] plaatsvond om “zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat er (kennelijk) geen rechtstreeks bewijs is dat met betrekking tot het [project 1] geldbedragen aan [medeverdachte 1] zijn betaald doet daar niet aan af.
Verder stelt het middel dat de oplichting uitsluitend bestaat uit het ‘verzwijgen’ van de douceurtjes door [medeverdachte 1] richting de raad van commissarissen, terwijl dit onvoldoende is om als oplichtingsmiddel te kunnen worden aangemerkt omdat daarvoor volgens de steller van het middel een ‘handelen’ vereist is. Ook in zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. De bewezenverklaring houdt immers in dat ook ‘handelen’, zoals het sluiten van de ASOK waaruit financiële verplichtingen voortvloeiden voor [A] en het overeenkomen en betalen van de overnamesom van € 262.000, onderdeel was van het zich (in de persoon van [medeverdachte 1] ) valselijk voordoen als “betrouwbare en integere directeur/bestuurder” , welke valse hoedanigheid ertoe heeft geleid dat [A] is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag. Verder bestaat de oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid blijkens de bewezenverklaring inderdaad ook uit het door [medeverdachte 1] ‘verzwijgen’ jegens de raad van commissarissen van relevante informatie over het [project 1] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en haar medeverdachten bij het [project 1] te [plaats] . Voor zover het middel berust op de stelling dat het aannemen van een valse hoedanigheid niet mede kan bestaan uit het verzwijgen van relevante informatie vindt het evenwel geen steun in het recht.
Verder wordt in het middel gesteld dat nadere motivering behoeft waarom de “douceurtjes” die door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor verschillende projecten aan [medeverdachte 1] werden toegeschoven redengevend zijn voor de bewezenverklaring van oplichting, nu – zo begrijp ik althans in het licht van het gelijkluidende verweer in hoger beroep – het bestaan van die douceurtjes niet in de weg heeft gestaan aan de vrijspraak voor het aan de verdachte tenlastegelegde feit 3 (oplichting bij het [project 2] ) in het eerdere arrest van het hof van 5 oktober 2020. Die klacht kan niet leiden tot cassatie, reeds omdat de vrijspraak van feit 3 en de daaraan ten grondslag gelegde motivering in het eerdere arrest van het hof niet aan het oordeel van de Hoge Raad zijn onderworpen. Ten overvloede merk ik op dat de weging door het hof van het bewijsmateriaal voor oplichting met betrekking het [project 2] – welke weging in dat geval in het eerdere arrest van het hof heeft geresulteerd in een vrijspraak – geenszins betekent dat binnen de weging van het bewijsmateriaal met betrekking tot het [project 1] de douceurtjes geen rol van betekenis hebben kunnen spelen in het bewijs voor oplichting.
Daarnaast klaagt het middel dat het onderdeel van de bewezenverklaring “[medeverdachte 1] heeft relevante informatie verzwegen jegens de Raad van Commissarissen van [A] ten aanzien van het [project 1] te [plaats] en het geldelijke belang van [A] en de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachten en de rol van medeverdachte [verdachte] B.V. bij het [project 1] te [plaats]” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Het is goed om op te merken dat in de eerste cassatieronde de gelijkluidende cassatieklacht over hetzelfde onderdeel van de bewezenverklaring door de Hoge Raad gegrond werd bevonden. Ik meen dat de klacht ditmaal moet falen. Uit de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen van de leden van de raad van commissarissen (bewijsmiddelen 19 t/m 25) volgt dat zij niet ervan op de hoogte waren dat de [medeverdachte 1] (ten nadele van [A] ) geldbedragen (de “douceurtjes”) van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ontving. Het hof heeft (mede) op grond hiervan “alleszins onaannemelijk” geacht dat [medeverdachte 1] de raad van commissarissen erover heeft geïnformeerd dat “hij in overleg met [medeverdachte 3] en diens zakenpartner [medeverdachte 2] de prijs voor de aandelen eenzijdig op een aanzienlijk hoger bedrag heeft vastgesteld dan [getuige] intern in het belang van [A] als redelijk had berekend”, ook omdat [medeverdachte 1] steeds heeft ontkend de douceurtjes te hebben ontvangen. Dat oordeel, dat erop neerkomt dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte 1] niet de van hem – ook op grond van de statuten, reglement en werkafspraken – verlangde openheid heeft betracht over de achtergrond van de prijs(verhoging) voor de aandelenovername en de wijze waarop die tot stand is gekomen omdat de oplichting dan aan het licht was gekomen, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarmee is het in het cassatiemiddel bestreden onderdeel van de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. In reactie op het middel merk ik nog op dat daaraan niet aan afdoet dat woningbouwvereniging [A] contractpartij was bij de Samenwerkingsovereenkomst (SOK) en de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ( ASOK ) en aldus (als rechtspersoon) in zoverre op de hoogte was van de eigen financiële positie en betrokkenheid van de verdachte. Het gaat erom wat buiten die overeenkomsten om door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en de verdachte frauduleus tot stand is gebracht en wat naar het oordeel van het hof door [medeverdachte 1] is verzwegen voor de raad van commissarissen.
Tot slot klaagt het middel over het oordeel van het hof dat, kort gezegd, er geen (bedrijfseconomische) verklaring is voor de verhoging van de overnamesom van de aandelen door [medeverdachte 1] en het (mede) daarop gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van oplichting. Anders dan het middel lijkt te veronderstellen, ligt in de overwegingen van het hof wel degelijk besloten dat de verhoging van overnamesom ten opzichte van de berekening van [getuige] – ook na een volgens [getuige] terechte correctie op die berekening (bewijsmiddel 70) – niet (bedrijfseconomisch) verklaarbaar is. Het middel bestrijdt de begrijpelijkheid van dit oordeel met een pagina’s lang citaat uit de pleitnota in hoger beroep, gevolgd door een pagina’s lange opsomming van overwegingen van het hof die in het licht van wat is aangevoerd nadere toelichting zouden behoeven, zonder dat daar concreet invulling aan wordt gegeven. In zoverre kwalificeert het middel niet als een stellige en duidelijke cassatieklacht.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
5 Het tweede als zodanig aangeduide middel
Het tweede ‘middel’ klaagt met betrekking tot feit 2 over de bewezenverklaring van het ‘medeplegen’ van dat feit door de verdachte. Aangevoerd wordt dat het hof geen aandacht heeft besteed aan de vraag of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest en het hof niets heeft vastgesteld over een voor alle deelnemers duidelijk plan. De verschillende gedragingen in de bewezenverklaring betreffen volgens het middel in feite uitsluitend verwijten aan het adres van de [medeverdachte 1] , terwijl enige betrokkenheid van de verdachte en een oogmerk op samenwerking of gezamenlijk plan door het hof niet zou zijn vastgesteld.
De klacht in cassatie wordt daarmee op geen enkele manier in verband gebracht met de uitgebreide overwegingen van het hof over de betrokkenheid van de verdachte bij de door het hof als oplichting aangemerkte handelingen. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat het de aandelen waren die de verdachte hield in de [C] B.V. die voor een bedrijfseconomisch onverklaarbaar hoge prijs zijn overgenomen door [A] , terwijl het hof voorts in zijn overwegingen over het medeplegen heeft betrokken dat [medeverdachte 1] en de bestuurders van de verdachte (tevens medeverdachten) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] – reeds voorafgaand aan het sluiten van de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ( ASOK ) waarbij ook de verdachte contractspartij was – met elkaar een plan hadden gemaakt om die ‘exit’ door de overname van de aandelen door [A] voor de verdachte financieel zo gunstig mogelijk te laten verlopen. Waarom uit de overwegingen van het hof en/of de bewijsmiddelen in dit verband niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt en/of de overwegingen van het hof daaromtrent niet toereikend zouden zijn, wordt in de schriftuur niet concreet toegelicht.
Daarmee is geen sprake van een duidelijke en stellige klacht in cassatie over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Daarvoor is immers vereist dat het cassatiemiddel aangeeft waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn.
Dat gebrek doet zich eveneens voor bij de klacht van het middel dat de overwegingen van het hof in dit verband niet begrijpelijk zijn in het licht van het pleidooi van de raadsman in hoger beroep, nu ook op dit punt niet is toegelicht waarom het in hoger beroep aangevoerde afbreuk doet aan het oordeel van het hof. Ook in zoverre is geen sprake van een cassatieklacht als bedoeld in de wet.
6 Conclusie
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede als zodanig aangeduide middel betreft geen middel als bedoeld in de wet en moet om die reden onbesproken blijven.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaren nadat op 11 juni 2024 beroep in cassatie is ingesteld. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde geldboete dient te leiden. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG