Ambtenarenrecht

Mondelinge uitspraak. Ontslag ambtenaar van politie wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot een…

Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 20 november 2020

Zaakgegevens

Op 20 november 2020 heeft de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Datum uitspraak
20 november 2020
Datum publicatie
21 mei 2021
Zaaknummer
SXM2017H00157
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:ORBAACM:2020:35
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. Ontslag ambtenaar van politie wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951

Uitspraakdatum: 20 november 2020

Zaaknummer: SXM2017H00157

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

zittingsplaats Sint Maarten

Proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend in Sint Maarten,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten van

14 juli 2017, zaaknr. SXM201600282 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

appellant,

gemachtigde: mr. H.G. Figaroa, advocaat,

en

de Gouverneur van Sint Maarten

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.A. Kraaijeveld, advocaat.

Beslissing

De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Procesverloop

Bij beschikking van 9 september 2015 (ontslagbesluit) heeft geïntimeerde appellant met ingang van 5 november 2014 ontslagen wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf.

Bij bezwaarschrift van 4 november 2016 heeft appellant tegen het ontslagbesluit bezwaar gemaakt bij het Gerecht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2020 waarbij in verband met de COVID-19-maatregelen gebruik is gemaakt van een videoverbinding met het Gerecht in Sint Maarten en met het kantoor van

mr. Figaroa in Aruba. De leden van de Raad en de griffier hadden zitting in Curaçao. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Zitting hadden W.H. Bel, voorzitter, en L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden.

Overwegingen

Appellant was sinds 1 mei 1996 als politieambtenaar werkzaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen (thans Sint Maarten), laatstelijk in de functie van wijkagent in de rang van brigadier. Op 22 oktober 2014 is appellant bij strafvonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten veroordeeld voor ontucht met minderjarigen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaar. Dit vonnis is in hoger beroep bevestigd door het Hof bij vonnis van 18 februari 2015.

Aan het ontslagbesluit heeft geïntimeerde ten grondslag gelegd dat appellant onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf.

Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft het Gerecht het volgende ten grondslag gelegd waarbij voor ‘klager’ appellant moet worden gelezen en voor ‘verweerder’ geïntimeerde:

“Dat aan de broer van klager op enig moment het bestreden besluit is uitgereikt, heeft niet te gelden als een uitreiking aan klager en een dergelijke uitreiking ligt te minder in de rede indien het bestreden besluit reeds eerder was uitgereikt aan klager. Toch sluit ook een dergelijke ongebruikelijke gang van zaken op zichzelf niet uit dat het bestreden besluit reeds eerder aan klager zelf was uitgereikt. Aan klager kan worden toegegeven dat de vastlegging van de uitreiking aan hemzelf (…) onvolkomen is (…). Evenwel geeft de vermelding ‘weigerde te ondertekenen’ in combinatie met een datum op het bestreden besluit voldoende duidelijk weer dat het bestreden besluit aan klager is uitgereikt (en al dan niet door hem is aangenomen) en dat klager weigerde te tekenen. Een andere uitleg van bedoelde vermelding is niet goed denkbaar. Klager weerspreekt niet dat [inspecteur van politie] inspecteur van politie is en evenmin dat het haar handtekening is die bij de bedoelde vermelding op het door verweerder overgelegde afschrift van het bestreden besluit is geplaatst.”

“De te beantwoorden vraag is of de stellige ontkenning van klager van de uitreiking aan hemzelf, tegenover het voorgaande, volstaat. Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend, nu hetgeen door klager is aangevoerd (…) onvoldoende is om de uitreiking, waarvoor een inspecteur van politie heeft getekend, in twijfel te trekken. Het wordt er dan ook voor gehouden dat het bestreden besluit op 19 november 2015 reeds aan klager is uitgereikt. Daarmee staat vast dat het onderhavige bezwaar, ingediend op 4 november 2016, niet binnen de wettelijke termijn van 30 dagen is ingediend. Het bezwaar is reeds om die reden niet-ontvankelijk.”

De Raad onderschrijft de hiervoor vermelde overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van het Gerecht en voegt daaraan nog het volgende toe. Geïntimeerde heeft in hoger beroep een afschrift van een alsnog op 2 maart 2020 door [inspecteur van politie] op ambtseed opgemaakt proces-verbaal overgelegd. Daarin wordt melding gemaakt van de datum en het tijdstip waarop [inspecteur van politie] het ontslagbesluit aan appellant heeft overhandigd. Tevens wordt daarin melding gemaakt van de weigering van appellant om voor ontvangst te tekenen en de reden hiervan. Bij het proces-verbaal is een afschrift gevoegd van de door [inspecteur van politie] gemaakte mutatie van 19 november 2015, nr. 213, in het wijkagent registratie systeem. Met deze stukken heeft geïntimeerde de door het Gerecht geconstateerde onvolkomenheid in de vastlegging van de uitreiking van het ontslagbesluit hersteld. Dat het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal achteraf is opgemaakt, maakt dat niet anders.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

__________________________ ________________________

P.N.F. Pereira do Tanque, griffier mr. W.H. Bel, voorzitter