Bestuursrecht overig

Bij besluit van 5 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen aan [partij] een…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202203014/1/R1
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6339
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 5 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen aan [partij] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het slopen van bestaande bebouwing en het realiseren van nieuwbouw met 20 woningen, detailhandel met horeca en een ondergrondse parkeergarage met 46 parkeerplekken op het Plein in Bergen (het zogenoemde L-gebouw). Bij besluit van 5 mei 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van nieuwbouw met 9 woningen en horeca op het Plein in Bergen (het zogenoemde Pleingebouw). [appellante sub 1] verzet zich tegen deze ontwikkeling, omdat hij meent ten onrechte gepasseerd te zijn voor de herontwikkeling van het dorpsplein. [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn samen eigenaar van de panden op de naast het projectgebied gelegen percelen [locatie 1] en [locatie 2]. [appellant sub 2C] is exploitant van het [restaurant] dat is gevestigd aan de [locatie 1]. Zij verzetten zich tegen de voorziene ontwikkeling vanwege de negatieve gevolgen daarvan voor het gebruik van hun panden.

Uitspraak

202203014/1/R1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellante sub 1], gevestigd in Bergen (NH),

2.       [appellante sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], allen wonend in Alkmaar (samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3.       Bewonersvereniging Bergen Centrum en anderen, gevestigd en wonend in Bergen (NH) en gevestigd in Heerhugowaard (de Bewonersvereniging en anderen),

4.       Stichting Landelijk Ondersteuningsteam Sloopbedreigde Bouwwerken en Buurten, gevestigd in Bergen (NH) (LOSB),

appellanten,

en

1.       het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH),

2.       de raad van de gemeente Bergen (NH),

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2022 met kenmerk D323092 heeft het college aan [bouwbedrijf] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het slopen van bestaande bebouwing en het realiseren van nieuwbouw met 20 woningen, detailhandel met horeca en een ondergrondse parkeergarage met 46 parkeerplekken op het Plein (sectie C 2309) in Bergen (het zogenoemde L-gebouw).

Bij besluit van 5 mei 2022 met kenmerk D323121 heeft het college aan [bouwbedrijf] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van nieuwbouw met 9 woningen en horeca op het Plein (sectie C 2018) in Bergen (het zogenoemde Pleingebouw).

Bij besluit van 5 mei 2022 met kenmerk D330032 heeft het college op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen huisnummers toegekend aan 26 objecten in het L-gebouw.

Bij besluit van 5 mei 2022 met kenmerk D330092 heeft het college op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen huisnummers toegekend aan 11 objecten in het Pleingebouw.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Bij besluit van 21 maart 2025 met kenmerk D850584 heeft het college het besluit van 5 mei 2021 met kenmerk D323092 ingetrokken en opnieuw een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het slopen van bestaande bebouwing en het realiseren van nieuwbouw met 20 woningen, detailhandel met horeca en een ondergrondse parkeergarage met 46 parkeerplekken op het Plein (sectie C 2309) in Bergen.

Bij besluit van 21 maart 2025 met kenmerk D850577 heeft het college het besluit van 5 mei 2021 met kenmerk D323121 ingetrokken en opnieuw een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van nieuwbouw met 9 woningen en horeca op het Plein (sectie C 2018) in Bergen.

Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de raad op grond van de Wegenwet weggedeelten aan de openbaarheid onttrokken ten behoeve van de aanvragen om omgevingsvergunningen voor het Pleingebouw en het L-gebouw.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wro.

Tegen deze besluiten hebben de Bewonersvereniging en anderen en LOSB beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn zienswijze over deze besluiten naar voren gebracht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[bouwbedrijf] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Bewonersvereniging en anderen, LOSB en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 oktober 2025, waar zijn verschenen:

- [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. T. Barshini, advocaat in Haarlem,

- [appellant sub 2], bij monde van [appellant sub 2C], bijgestaan door mr L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat in Alkmaar,

- de Bewonersverenging en anderen, vertegenwoordigd door mr. T. Barshini, voornoemd, vergezeld van [personen],

- LOSB, vertegenwoordigd door [gemachtigde],

- het college en de raad, beide vertegenwoordigd door mr. A.J.G. Vegt, S. Plezier, R. Fa-Si-Oen, bijgestaan door mr. H. Doornhof, advocaat in Amsterdam,

- [bouwbedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. Niermeijer, advocaat in Bussum.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de raad verzocht om schriftelijk inlichtingen te geven als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb. De raad heeft schriftelijke inlichtingen gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 2], LOSB en de Bewonersvereniging en anderen hierop gereageerd. Vervolgens hebben het college en [bouwbedrijf] op deze reacties gereageerd, waar nog een reactie van [appellant sub 2] op is gevolgd.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een tweede zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

HET OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 4 november 2021. Dat betekent dat, voor zover het gaat om de omgevingsvergunningen, in deze procedure de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

DE INLEIDING

2.       Op 4 november 2021 heeft [bouwbedrijf] twee afzonderlijke aanvragen om omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van nieuwbouw op het Plein in Bergen.

3.       Bij besluit van 5 mei 2022 heeft het college aan [bouwbedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van nieuwbouw met 20 woningen, detailhandel met horeca en een ondergrondse parkeergarage voor 46 parkeerplaatsen (het zogenoemde L-gebouw).

Bij besluit van dezelfde datum heeft het college aan [bouwbedrijf] ook een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van nieuwbouw met 9 woningen en horeca (het zogenoemde Pleingebouw).

De omgevingsvergunningen zijn verleend voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo. De bouwvoornemens wijken op een aantal onderdelen af van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bergen Centrum".

Ook heeft het college twee huisnummerbesluiten op grond van de Wet Basisregistratie adressen en gebouwen genomen.

4.       De omgevingsvergunningen en de huisnummerbesluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wro op basis van het door de raad op 25 juni 2020 vastgestelde besluit "Regels kleine en grote plannen gemeente Bergen 2020".

5.       Het college heeft aanleiding gezien om de uniforme openbare voorbereidingsprocedure opnieuw te doorlopen en opnieuw te beslissen op beide aanvragen. Voorafgaand aan de terinzagelegging van de ontwerpbesluiten heeft de raad bij besluit van 20 juni 2024 hiervoor een apart coördinatiebesluit genomen.

6.       Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de raad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor de aangevraagde omgevingsvergunningen. Bij hetzelfde besluit heeft hij op grond van de Wegenwet weggedeelten aan de openbaarheid onttrokken ten behoeve van de aanvragen om omgevingsvergunningen voor het Pleingebouw en het L-gebouw.

Bij besluit van 21 maart 2025 heeft het college aan [bouwbedrijf] opnieuw een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de sloop van bestaande bebouwing en het realiseren van nieuwbouw met 20 woningen, detailhandel met horeca en een ondergrondse parkeergarage voor 46 parkeerplaatsen (het L-gebouw), onder intrekking van het besluit van 5 mei 2022.

Bij besluit van dezelfde datum heeft het college aan [bouwbedrijf] ook een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van nieuwbouw met 9 woningen en horeca (het Pleingebouw), onder intrekking van het besluit van 5 mei 2022.

7.       [appellante sub 1] verzet zich tegen deze ontwikkeling, omdat hij meent ten onrechte gepasseerd te zijn voor de herontwikkeling van het dorpsplein.

[appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn samen eigenaar van de panden op de naast het projectgebied gelegen percelen [locatie 1] en [locatie 2]. [appellant sub 2C] is exploitant van het [restaurant] dat is gevestigd aan de [locatie 1]. Zij verzetten zich tegen de voorziene ontwikkeling vanwege de negatieve gevolgen daarvan voor het gebruik van hun panden.

De Bewonersvereniging heeft als doel het behartigen van de belangen van de bewoners van woningen, gelegen in de wijk Bergen Centrum te Bergen (Noord-Holland). De anderen zijn eigenaren van panden in de omgeving. Ook [appellante sub 1] heeft zich bij het beroep van de Bewonersvereniging en anderen gevoegd. Zij zijn het niet eens met de voorziene ontwikkeling, omdat zij menen dat die afbreuk doet aan het dorpse karakter van Bergen.

LOSB stelt zich ten doel een duurzaam en sociaal woon- en leefmilieu te bevorderen door het voorkomen van onnodige sloop, waarbij het behoud en verbetering van woningen, woonomgeving en erfgoed in steden, dorpen en daarbuiten wordt nagestreefd en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of bevorderlijk kan zijn. LOSB vreest aantasting van het erfgoedwaardige plein en de omgeving daarvan door de voorziene ontwikkeling.

HET TOETSINGSKADER

8.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

DE VOLGORDE VAN BESPREKING

9.       De besluiten van 21 maart 2025 tot verlening van de vervangende omgevingsvergunningen zijn besluiten als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. De Afdeling zal hierna eerst de beroepsgronden tegen deze besluiten bespreken. Daarbij zal de Afdeling eerst een aantal procedurele voorvragen beantwoorden en daarna de beroepsgronden over de inhoud van de bestreden besluiten bespreken. Vervolgens bespreekt de Afdeling de beroepsgronden tegen het besluit op grond van de Wegenwet.

10.     Tot slot wordt beoordeeld of [appellante sub 1] en [appellant sub 2] nog een belang hebben bij een bespreking van hun beroepsgronden tegen de omgevingsvergunningen van 5 mei 2022. Daarbij komen ook de daarmee gecoördineerd voorbereide en bekendgemaakte huisnummerbesluiten aan de orde.

DE NIEUWE BESLUITEN

Procedurele vragen

Kunnen de Bewonersvereniging en anderen en LOSB beroep instellen tegen de vervangende besluiten?

11.     De raad en het college en [bouwbedrijf] voeren aan dat de Bewonersvereniging en anderen geen beroep hebben ingesteld tegen de besluiten van 5 mei 2022. Het beroep van LOSB is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet werd voldaan. Volgens hen hebben zij daarmee berust in de verlening van de aangevraagde omgevingsvergunningen en dient hun beroep tegen de vervangende besluiten daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

11.1.  De Afdeling stelt vast dat het college ervoor heeft gekozen om de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geheel opnieuw te doorlopen. In deze nieuwe procedure hebben de Bewonersvereniging en anderen en LOSB een zienswijze naar voren gebracht over de ontwerpbesluiten. Omdat het om nieuwe besluiten gaat na een nieuwe voorbereidingsprocedure, ziet de Afdeling geen grondslag om enige consequentie te verbinden aan de omstandigheid dat de Bewonersvereniging en anderen geen beroep hebben ingesteld tegen de aanvankelijke besluiten van 5 mei 2022 en dat het beroep van LOSB tegen die besluiten niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtspraak waar de raad op doelt, ziet op de situatie dat tijdens een beroepsprocedure op grond van een uitspraak van de bestuursrechter nieuwe besluitvorming plaatsvindt of de situatie dat zonder een nieuwe voorbereidingsprocedure nieuwe besluitvorming plaatsvindt.

Het verweer slaagt niet.

Mocht de uitgebreide voorbereidingsprocedure opnieuw worden doorlopen?

12.     De Bewonersvereniging en anderen betogen dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure niet opnieuw mocht worden doorlopen, omdat er al op de aanvragen was beslist.

12.1.  Het college heeft ervoor gekozen om - nadat beroep was ingesteld en hangende die procedure - nieuwe besluiten te nemen ter vervanging van de al genomen besluiten. Het college mocht ervoor kiezen om deze nieuwe besluitvorming opnieuw voor te bereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Van belang daarbij is dat niet op enig moment twee besluiten op dezelfde aanvraag naast elkaar hebben bestaan. Omdat het college met het verlenen van de nieuwe omgevingsvergunningen de oorspronkelijke omgevingsvergunningen heeft ingetrokken, is die situatie niet aan de orde.

Het betoog slaagt niet.

Mocht de raad een nieuw coördinatiebesluit nemen?

13.     [appellant sub 2] betoogt dat de raad niet een nieuw coördinatiebesluit mocht nemen, omdat er inmiddels al besluiten waren genomen op de aanvragen. Daarnaast is gecoördineerd met een onttrekkingsbesluit op grond van de Wegenwet, waar eerst nog werd gecoördineerd met besluiten op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

13.1.  De Afdeling stelt vast dat de raad bij besluit van 20 juni 2024 een coördinatiebesluit heeft genomen. Daarna zijn opnieuw ontwerpbesluiten ter inzage gelegd. Artikel 3.30 van de Wro staat er in dit geval niet aan in de weg dat voorafgaand aan een nieuwe voorbereidingsprocedure een nieuw coördinatiebesluit wordt genomen. Een nieuw coördinatiebesluit kan in zo’n geval ook op andere besluiten zien.

Het betoog slaagt niet.

Is de coördinatieregeling ten onrechte toegepast?

14.     De Bewonersvereniging en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de coördinatieregeling ten onrechte is toegepast. Met het onttrekkingsbesluit op grond van de Wegenwet wordt namelijk geen gemeentelijk ruimtelijk beleid als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, aanhef, van de Wro verwezenlijkt. Volgens hen is een onttrekkingsbesluit ook pas nodig voor de verwezenlijking van het project bij verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

14.1.  Het inzetten van de gemeentelijke coördinatieregeling is erop gericht dat de te coördineren besluiten afzonderlijk nodig zijn voor de realisatie van een ruimtelijk project of daaraan bijdragen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:919, onder 7.2). In dit geval is de bebouwing voorzien op een openbare weg, zodat het onttrekkingsbesluit nodig mocht worden geacht voor de realisatie van het beoogde ruimtelijk project. Daarom mocht het onttrekkingsbesluit gecoördineerd met de omgevingsvergunningen worden voorbereid en bekendgemaakt.

De betogen slagen niet.

Inhoudelijke beroepsgronden - de omgevingsvergunningen

De mer-beoordelingsbesluiten

15.     De Bewonersvereniging en anderen voeren aan dat het college op 16 december 2021 voor elke aanvraag een apart mer-beoordelingsbesluit heeft genomen, maar dat hierdoor de cumulatieve gevolgen voor het milieu van beide projecten onvoldoende onder ogen zijn gezien. Deze cumulatie is weliswaar beschreven in de aanmeldnotities voor beide projecten, maar volgens hen is deze beschrijving niet toereikend.

15.1.  De Afdeling stelt vast dat het college op 16 december 2021 twee mer-beoordelingsbesluiten heeft genomen op basis van twee aanmeldnotities van 20 oktober 2021. Op basis van twee herziene aanmeldnotities van 29 oktober 2024 heeft het college vervolgens op 5 november 2024 nogmaals twee mer-beoordelingsbesluiten genomen. Uit pagina 4 van de herziene aanmeldnotities volgt dat de mogelijke cumulatie van milieueffecten van beide projecten samen is beoordeeld en op grond daarvan is de conclusie getrokken dat er geen cumulatieve effecten zijn die belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Wat de Bewonersvereniging en anderen daarover inhoudelijk hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen. Deze conclusie is deugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt niet.

Het gemeentelijk beleid

16.     De Bewonersvereniging en anderen betogen dat de bestreden besluiten in strijd met de Structuurvisie Mooi Bergen 2.0 zijn vastgesteld. Volgens de Bewonersvereniging en anderen is het vloeroppervlak van het Pleingebouw met 420 m2 meer dan de 310 m2 die op pagina 27 van de Structuurvisie als maximum wordt genoemd.

16.1.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom is afgeweken van de in de Structuurvisie genoemde footprint van 310 m2. Daarvoor is van belang dat uit de in hoofdstuk 5 van de Structuurvisie beschreven visie volgt dat dit een ruimtelijk streefbeeld bevat dat verder moet worden uitgewerkt. Voor die uitwerking wordt volgens de visie flexibiliteit geboden. Deze uitwerking heeft overeenkomstig de in hoofdstuk 6 van de Structuurvisie beschreven uitvoering plaatsgevonden in samenspraak met het Q-team op basis van het Beeldkwaliteitskader Mooi Bergen 2.0, zoals volgt uit het verslag van het Q-team van 17 februari 2021, dat als bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwingen is gevoegd. Dit heeft geleid tot een uitwerking waarbij de gevellijnen zijn verschoven om de buitenruimten binnen de gevellijnen te laten vallen. In het Beeldkwaliteitskader staat dat buitenruimten grenzend aan de openbare ruimte binnen de gevels worden opgelost. De definitieve besluitvorming over deze verschuiving van de gevellijnen heeft uiteindelijk door de raad plaatsgevonden, die een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. Dat is ook in overeenstemming met de in hoofdstuk 6 van de Structuurvisie beschreven uitvoering.

Het betoog slaagt niet.

17.     De beroepsgrond dat de bestreden besluiten ook in strijd zijn met het Beeldkwaliteitskader Mooi Bergen 2.0, de Stedenbouwkundige contourenkaart en de Structuurvisie voor het overige, hebben de Bewonersvereniging en anderen op de zitting ingetrokken.

Parkeren

-        De parkeerbehoefte

18.     De Bewonersvereniging en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de parkeerbehoefte niet in overeenstemming met het paraplubestemmingsplan "Parkeren" en de Nota Parkeernormen 2020 (de Nota) is berekend. Zij voeren daarvoor aan dat in de opgestelde parkeerbalans voor de functie "parkeren café/bar/cafetaria" ten onrechte is uitgegaan van het aanwezigheidspercentage van 75% voor winkels. Het aanwezigheidspercentage voor horeca is namelijk 100%. Daarnaast is ten onrechte uitgegaan van dubbelgebruik. De parkeerplaatsen in de parkeergarage zullen namelijk niet beschikbaar zijn voor bezoekers van de diverse functies. [appellant sub 2] betoogt voorts dat onduidelijk is waarop de parkeerbehoefte in de bestaande situatie is gebaseerd. Met deze behoefte wordt volledig gesaldeerd zonder dat inzichtelijk is of deze benodigde parkeerplekken ooit zijn gerealiseerd in de omgeving van de ontwikkeling.

18.1.  De Afdeling heeft na de zitting aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en schriftelijke inlichtingen in te winnen bij het college over de wijze waarop in de opgestelde parkeerbalans van dubbelgebruik is uitgegaan. Het college heeft hierin aanleiding gezien om een nieuwe parkeerbalans over te leggen met onder meer wijzigingen ten aanzien van de gehanteerde aanwezigheidspercentages en het dubbelgebruik. De Afdeling ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat de besluiten van 21 maart 2025 niet deugdelijk zijn gemotiveerd en dus in strijd met artikel 3:46 van de Awb zijn genomen.

19.     Met de nieuwe parkeerbalans heeft het college naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd dat de parkeerbehoefte in overeenstemming met de Nota is bepaald. In de nieuwe parkeerbalans zijn de beroepsgronden van [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen over het gehanteerde aanwezigheidspercentage en het dubbelgebruik verwerkt. Deze beroepsgronden behoeven in zoverre geen bespreking meer. De Afdeling stelt verder vast dat paragraaf 5.3 van de Nota de mogelijkheid biedt om te salderen bij functiewijziging. De Afdeling leest hierin niet dat de parkeerbehoefte van de oorspronkelijke functie in de openbare ruimte specifiek voor die oorspronkelijke functie moet zijn gerealiseerd. In zoverre ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college in strijd met de Nota met de parkeerbehoefte van de oorspronkelijke functie heeft gesaldeerd.

De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.

-        De parkeerdruk

20.     [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen betogen dat het door Trajan uitgevoerde "Bergen kentekenonderzoek" van 27 juni 2022 (het kentekenonderzoek) op het moment van de besluitvorming op 21 maart 2025 niet meer actueel was. Daarnaast zijn in 2022 slechts gedurende één week geparkeerde auto’s geteld, maar dit was geen representatieve periode vanwege de coronamaatregelen en het weer op de maatgevende dag. De parkeertelling is bovendien gehouden in een straal van 450 m rondom de ontwikkeling, terwijl het CROW voor bezoekers van woningen een loopafstand 100 tot 150 m als richtlijn hanteert. Bij een kleiner gebied rondom de ontwikkeling blijkt de parkeerdruk gemiddeld substantieel hoger. [appellant sub 2] wijst erop dat de gevolgen van de omgevingsvergunning voor het Parkhotel aan de Stationsstraat ten onrechte niet zijn betrokken bij het bepalen van de parkeerdruk. De Bewonersvereniging en anderen wijzen erop dat het college zich eerder zelf op het standpunt heeft gesteld dat de parkeerdruk in het centrum van Bergen te hoog is.

20.1.  De Afdeling stelt vast dat in stap 6 van het in de Nota beschreven toetsingskader staat dat in het geval dat gebruik wordt gemaakt van bestaande openbare parkeerplaatsen de gemeente het uitgangspunt hanteert dat na afwenteling van (het resterende gedeelte van) de parkeerbehoefte, de parkeerdruk niet hoger mag zijn dan 85%. Om aan te tonen of dit wel of niet het geval is, moet de bestaande parkeerdruk door de initiatiefnemer inzichtelijk te worden gemaakt met behulp van een parkeertelling.

Omdat op grond van de Nota de feitelijke parkeerdruk inzichtelijk moet worden gemaakt aan de hand van parkeertellingen, ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat het college in strijd met zijn beleid een nog niet gerealiseerde ontwikkeling aan de Stationsstraat buiten beschouwing heeft gelaten. Daarom komt de Afdeling ook niet toe aan een inhoudelijke bespreking van wat [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen over deze ontwikkeling naar voren hebben gebracht.

[appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het kentekenonderzoek op het moment van de besluitvorming op 21 maart 2025 niet meer actueel genoeg was. Zij hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zich na de totstandkoming van het kentekenonderzoek zulke ontwikkelingen in (de omgeving van) het projectgebied hebben voorgedaan dat het college dit onderzoek daarom niet aan de besluiten ten grondslag mocht leggen. Verder heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat de coronamaatregelen op het moment van het kentekenonderzoek al waren opgeheven en de metingen gedurende een week zijn uitgevoerd. In zoverre geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn besluiten niet op het kentekenonderzoek mocht baseren.

Verder stelt de Afdeling stelt vast dat in bijlage 5 van de Nota voor de diverse functies verschillende maximale loopafstanden worden onderscheiden. Voor wonen gaat de Nota uit van 200 meter en voor de functies werken en overig van 600 meter. Het betoog dat het college van een onjuiste maximale loopafstand van bezoekers van woningen is uitgegaan, slaagt daarom niet.

In reactie op de nieuwe parkeerbalans hebben de Bewonersvereniging en anderen nog betoogd dat parkeerplaatsen voor elektrisch laden en invalidenparkeerplaatsen niet opgeteld mogen worden bij de algemene capaciteit. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook deze parkeerplaatsen, net als reguliere parkeerplaatsen, een rol spelen bij de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3989, onder 12.2). De Nota geeft ook geen aanknopingspunt dat deze bijzondere parkeerplaatsen niet opgeteld mogen worden bij de algemene parkeercapaciteit. Gelet hierop mocht het college zich op het standpunt stellen dat de parkeerdruk niet hoger zal worden dan 85%.

De betogen slagen niet.

Verkeer

21.     [appellant sub 2] betoogt dat de realisatie van de parkeergarage zal leiden tot een onaanvaardbare toename van verkeer op de Jan Oldenburglaan en een gevaarlijke verkeerssituatie bij de ingang van de parkeergarage. Ook leidt de ingang van de parkeergarage tussen [locatie 2] en [locatie 1] tot hinderlijk verkeerslawaai en uitstoot van uitlaatgassen.

De Bewonersvereniging en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft onderzocht wat de gevolgen van de besluiten voor de verkeerssituatie op de Jan Oldenburglaan zijn. Zij wijzen erop dat de weg relatief smal is en op piekmomenten nu al druk is.

21.1.  Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich op het standpunt stellen dat de nieuw te realiseren parkeergarage niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van verkeer op de Jan Oldenburglaan. In paragraaf 4.11 van de ruimtelijke onderbouwing voor het L-gebouw en paragraaf 4.11 van de ruimtelijke onderbouwing voor het Pleingebouw is op basis van publicatie 381 van het CROW berekend tot welke verkeersgeneratie het beoogde gebruik leidt. Voor de woningen is een verkeersgeneratie van in totaal 127,2 mvt/etm berekend. Voor de commerciële functies is een verkeersgeneratie van 214,9 mvt/etm berekend, maar het gebruik van de parkeergarage zal niet openstaan voor de bezoekers van deze commerciële functies. Deze aantallen hebben de [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen niet weersproken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestaande zeven woningen en commerciële functies op de projectlocatie verdwijnen, zodat per saldo de toename van het verkeer beperkter zal zijn. Hoe de ontsluiting van de parkeergarage op de Jan Oldenburglaan verkeerstechnisch exact wordt ingericht, hoeft verder niet in de omgevingsvergunningen eerste fase te worden geregeld. Het college heeft zich er voldoende van vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling mogelijk zijn, waarbij het college heeft toegelicht dat in de huidige situatie op deze locatie al een in-/uitrit aanwezig is en er voldoende zicht is of kan worden gerealiseerd vanuit deze in-/uitrit op de Jan Oldenburglaan. Gelet op berekende verkeersgeneratie voor de parkeergarage en de al aanwezige in-/uitrit ziet de Afdeling in het aangevoerde ook anderszins geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de in-/uitrit van de parkeergarage geen onaanvaardbare verkeersgevolgen voor [appellant sub 2] zal hebben.

De betogen slagen niet.

De gevolgen voor het restaurant van [appellant sub 2] / bezonning van het terras

22.     [appellant sub 2] betoogt dat het Pleingebouw grote nadelige gevolgen voor de exploitatie van het restaurant aan de [locatie 1] heeft. Het restaurant zal wegvallen achter het Pleingebouw en daarmee ook de bezonning van het terras. Dat terras zal daardoor nog nauwelijks bruikbaar zijn en het exploiteren van het nu nog goed functionerende restaurant wordt hiermee onmogelijk gemaakt. De bezonningstekeningen die aan de omgevingsvergunningen ten grondslag liggen, zijn volgens [appellant sub 2] niet betrouwbaar. Daarvoor wijst hij in het bijzonder op de schaduwen van de bestaande bebouwing op 21 juni om 18.00 uur in de bestaande situatie anders zijn verbeeld dan in de nieuwe situatie.

22.1.  De Afdeling stelt voorop dat er geen wettelijke normen bestaan voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van schaduwhinder bij het nemen van een besluit als hier aan de orde. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen bij dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen.

Naar de gevolgen van het voorliggende bouwplan voor de schaduwwerking op het terras van [appellant sub 2] is onderzoek gedaan. [appellant sub 2] heeft weliswaar de betrouwbaarheid van deze bezonningstekeningen in twijfel getrokken, maar wat hij hierover heeft aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op deze tekeningen mocht baseren. De door hem gemaakte vergelijking tussen de tekeningen van de bestaande situatie en nieuwe situatie op 21 juni om 18.00 uur laat onverlet dat de tekening van de nieuwe situatie laat zien dat het terras op dat moment in de schaduw van het Pleingebouw komt te liggen. Die schaduwhinder heeft het college in zijn afweging betrokken en aanvaardbaar geacht.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege de situering van het Pleingebouw en de vermindering van de bezonning van het terras niet heeft mogen concluderen dat het Pleingebouw in zoverre geen onaanvaardbaar ruimtelijk gevolg heeft voor [appellant sub 2]. In de vorige situatie stond al bebouwing op het dorpsplein met op de onderzochte momenten op 21 maart, 21 september en 21 december schaduwwerking op het terras. Uit de bezonningstekeningen volgt dat op 21 juni de bezonning verandert, maar dat op diverse momenten op de dag het terras nog in de zon ligt. Het college mocht zich daarom op het standpunt stellen dat de toename van de schaduwhinder ten opzichte van die vorige situatie aanvaardbaar is in deze stedelijke omgeving.

Het betoog slaagt niet.

Waterhuishouding

23.     De Bewonersvereniging en anderen betogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of een onttrekkingsvergunning van het Hoogheemraadschap vereist is. Hiertoe voeren zij aan dat het verlagen van de grondwaterstand nadelige gevolgen voor de omgeving zal hebben. Zij verwachten dat door de bemaling en verlaging van de grondwaterstanden woningen in de omgeving onomkeerbaar zullen beschadigen. Het college heeft hiernaar onvoldoende onderzoek gedaan.

23.1.  Aan de omgevingsvergunningen ligt het door Tjaden opgestelde rapport "Bouwputadvies" van 15 juni 2021 ten grondslag. In paragraaf 4.5 van het Bouwputadvies staat dat wordt uitgegaan van 100 dagen bemaling. In paragraaf 4.7 wordt geconcludeerd dat op basis van de berekeningsresultaten voor het hier beschouwde bemalingswerk geen onttrekkingsvergunning nodig, mits korter dan 6 maanden wordt bemalen. In paragraaf 4.6 van het Bouwputadvies staat dat als gevolg van de bemaling een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving van de bouwput kan optreden. Maar omdat de kelder wordt aangelegd binnen grond- en waterkerende damwanden, zullen de verlagingen in de omgeving beperkt zijn. Voor de diverse mogelijke gevolgen van deze verlagingen is in dezelfde paragraaf uitgewerkt waarom die gevolgen in dit geval niet of nauwelijks worden verwacht.

Wat de Bewonersvereniging en anderen hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan het Bouwputadvies te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het Bouwputadvies een toereikende beschrijving gegeven van de wijze waarop in de besluiten rekening is gehouden met de gevolgen voor de grondwaterhuishouding. Ook heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat de omgevingsvergunningen in zoverre geen nadelige gevolgen hebben voor omliggende percelen, die niet zouden kunnen worden weggenomen.

Het betoog slaagt niet.

Uitvoerbaarheid - stikstof

24.     De Bewonersvereniging en anderen, LOSB en [appellant sub 2] betogen dat voor dit project geen natuurvergunning verleend zal kunnen worden en de verleende omgevingsvergunningen daarom niet uitvoerbaar zijn. In het stikstofonderzoek is ten onrechte de referentiesituatie betrokken voor de conclusie dat significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten (uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923). Daarnaast voeren de Bewonersvereniging en anderen aan dat een aantal gehanteerde uitgangspunten in de stikstofberekeningen niet reëel en aannemelijk is.

24.1.  Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste aan vernietiging van de besluiten op grond van de gebiedsbeschermingsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) in de weg staat.

24.2.  De Afdeling stelt vast dat de percelen van [appellant sub 2] in het centrum van Bergen liggen op ongeveer 400 m van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Gelet op deze afstand kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gesproken van verwevenheid tussen de belangen van [appellant sub 2] en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Daarom moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van het belang van [appellant sub 2]. Artikel 8:69a van de Awb staat dan ook in de weg aan een vernietiging van de bestreden omgevingsvergunningen op deze grond. Voor de verdere motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, in het bijzonder onder 10.51-10.54.

In haar uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105, onder 10.1.2, heeft de Afdeling overwogen dat het werkgebied van de Bewonersvereniging in de onmiddellijke nabijheid van het Natura 2000-gebied ligt, zodat de belangen van de Bewonersvereniging bij het behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving van de bewoners van de wijk Bergen Centrum dan ook zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van haar belangen. De Afdeling ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen, zodat aan de Bewonersvereniging en anderen het relativiteitsvereiste niet wordt tegengeworpen.

24.3.  Het college mag de omgevingsvergunningen eerste fase niet verlenen als en voor zover het op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke gebiedsbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunningen in de weg staat.

Aan de twee afwijkingsvergunningen ligt het document "Stikstofberekening en motivatie Dorpsplein in Bergen" van 2 november 2024 (het stikstofonderzoek) ten grondslag. Hierin wordt geconcludeerd dat de aanleg- en gebruiksfase leiden tot een afname van 0,19 mol/ha/jr aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Op 24 februari 2025 heeft [bouwbedrijf] een aanvraag om een vergunning voor een Natura 2000-activiteit ingediend op basis van dit stikstofonderzoek, AERIUS-berekeningen van 2 november 2024 en een positief advies van de Omgevingsdienst van 21 november 2024. In het advies van de Omgevingsdienst staat dat de AERIUS-berekeningen en de onderbouwing van de invoergegevens akkoord zijn bevonden.

Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het college in het kader van de uitvoerbaarheidstoets tot een andere beoordeling had moeten komen. Daarbij betreft de Afdeling dat in de aanvraag om de Wnb-vergunning, anders dan de Bewonersvereniging en anderen stellen, ook de bouwfase inclusief de sloop van nog aanwezige bebouwing is meegenomen. De stelling van de Bewonersvereniging en anderen dat er verschillen zouden bestaan tussen de AERIUS-berekeningen in 2024 en eerder uitgevoerde AERIUS-berekeningen, betekent verder niet dat het college tot de conclusie had moeten komen dat de berekeningen uit 2024 niet aan de aanvraag om Wnb-vergunning ten grondslag hadden kunnen gelegd en dat de afwijkingsvergunningen om die reden op voorhand niet uitvoerbaar zouden zijn. Datzelfde geldt voor de vaststelling van de Bewonersvereniging en anderen dat bij de aanvraag om Wnb-vergunning uitgegaan is van de maatregel van intern salderen.

Gelet hierop heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke gebiedsbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van de afwijkingsvergunningen in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Uitvoerbaarheid - privaatrechtelijke belemmering

25.     [appellante sub 1], LOSB en de Bewonersvereniging en anderen betogen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van het voornemen. Een deel van de grond is verkocht aan de aanvrager. Deze verkoop is ten onrechte onderhands verkocht aan de aanvrager (zie het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778; het Didam-arrest). [appellante sub 1] heeft al in 2014 interesse getoond in de ontwikkeling, zodat de aanvrager niet de enige serieuze gegadigde was. In dit geval staat of valt de uitvoerbaarheid van het bouwplan met de rechtsgeldigheid van de anterieure overeenkomst en koopovereenkomst.

25.1.  Daargelaten of uit wat [appellante sub 1], LOSB en de Bewonersvereniging en anderen hebben aangevoerd zonder meer kan worden geconcludeerd dat niet aan de vereisten uit het Didam-arrest van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 en het Didam II-arrest van 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661, van de Hoge Raad is voldaan, betekenen de eventuele gevolgen van deze arresten voor een grondtransactie tussen [bouwbedrijf] en de gemeente Bergen niet op voorhand dat de omgevingsvergunningen als zodanig niet uitvoerbaar zijn. De verleende omgevingsvergunningen hebben een zaaksgebonden karakter, zijn daarmee overdraagbaar en regelen niet door welke gegadigde het plan moet worden uitgevoerd. [appellante sub 1], LOSB en de Bewonersvereniging en anderen hebben volstaan met te stellen dat de verkoop van de gronden aan [bouwbedrijf] in strijd met de Didam-regels heeft plaatsgevonden, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college op voorhand had moeten inzien dat de omgevingsvergunningen daarom niet kunnen worden uitgevoerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3497, onder 7).

De betogen slagen niet.

Voorschriften

26.     De Bewonersvereniging en anderen betogen dat de voorschriften die beogen te voorkomen dat slechts één gebouw wordt gerealiseerd, onvoldoende nauwkeurig zijn geformuleerd. Volgens hen staan deze voorschriften niet in de weg aan gedeeltelijke ingebruikneming. Ook kan dit tot onnodige leegstand leiden als niet beide gebouwen volledig worden gerealiseerd.

[appellant sub 2] betoogt dat het mogelijk moet zijn om alleen het L-gebouw te realiseren, zodat het niet nodig is om het gebruik van dit gebouw te laten afhangen van de bouw van het Pleingebouw. Het desbetreffende voorschrift in de omgevingsvergunning voor het L-gebouw zou daarom geschrapt moeten worden.

[appellant sub 2] betoogt verder dat het voorschrift over het te realiseren groen het gebouw niet minder groot maakt. Dit voorschrift is te algemeen en vrijblijvend gesteld.

26.1.  De relevante voorschriften luiden:

"Voorwaardelijke verplichting

Het L-gebouw, waar onderhavige omgevingsvergunning betrekking op heeft, mag pas in gebruik worden genomen nadat het Pleingebouw is gerealiseerd conform de omgevingsvergunning met kenmerk D850577."

en

"Voorwaardelijke verplichting

Het Pleingebouw, waar onderhavige omgevingsvergunning betrekking op heeft, mag pas in gebruik worden genomen nadat het L-gebouw is gerealiseerd conform de omgevingsvergunning met kenmerk D850584."

en

"Groen

Het dak en de gevels van het L-gebouw en het Pleingebouw dienen te worden vergroend met als leidraad de voorlopige impressietekening welke als bijlage is toegevoegd."

26.2.  De raad heeft bij de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen aangegeven dat de bedoelde voorschriften aan de omgevingsvergunningen worden verbonden. Op voet van artikel 2.22, tweede lid, in samenhang met artikel 2.27, vierde lid, van de Wabo was het college gehouden om deze voorschriften aan de omgevingsvergunningen te verbinden.

Naar het oordeel van de Afdeling zijn de voorschriften die beogen dat beide gebouwen worden gerealiseerd en dat het dak en de gevels moeten worden vergroend, niet in strijd met de rechtszekerheid. Op grond van deze voorschriften is de door de Bewonersvereniging en anderen bedoelde situatie van gedeeltelijke realisatie of ingebruikneming ook niet toegestaan. Voor het overige bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college de bedoelde voorschriften niet had mogen opnemen.

De betogen slagen niet.

Overige beroepsgronden

27.     Over het betoog van LOSB dat in dit geval een bestemmingsplan had moeten worden vastgesteld en geen afwijkingsvergunningen verleend hadden mogen worden, overweegt de Afdeling dat het college gehouden is om te beslissen op de aanvragen om afwijkingsvergunningen. Het was dus niet aan het college om een keuze te maken tussen een afwijkingsvergunning en een bestemmingsplan, nog daargelaten dat het college niet tot vaststelling van het bestemmingsplan bevoegd is. Dat de bouwplannen waarvoor de omgevingsvergunningen zijn verleend, afwijken van het geldende bestemmingsplan, is inherent aan een afwijkingsvergunning. De afwijking van het geldende bestemmingsplan is in de ruimtelijke onderbouwingen betrokken.

28.     Over het betoog van LOSB dat een mogelijkheid van participatie had moeten worden geboden, stelt de Afdeling vast dat de wettelijk voorgeschreven procedure voor de omgevingsvergunningen is gevolgd. Participatie is daarvan geen onderdeel. In artikel 3 van de Participatieverordening Bergen 2021 is onder meer geregeld dat deze niet wordt toegepast voor besluiten op aanvraag waarvoor een wettelijke beslistermijn geldt. Dat is hier het geval.

29.     Over het betoog van LOSB dat de maat en de schaal van de bebouwing zo afwijken van gebouwen in de omgeving dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet concreet genoeg is geformuleerd voor de conclusie dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat de vergunde bouwmogelijkheden strekken tot een goede ruimtelijke ordening.

30.     [appellant sub 2] heeft over zijn betoog dat de omgevingsvergunningen ruimte laten om de precieze indeling van de projectlocatie nog te wijzigen, op de zitting bevestigd dat hem inmiddels duidelijk is geworden dat de projectlocatie zal worden ingedeeld overeenkomstig de beschrijving daarvan in de ruimtelijke onderbouwingen. Het betoog behoeft in zoverre geen verdere inhoudelijke bespreking.

31.     Ook voor het overige zijn geen beroepsgronden naar voren gebracht die de Afdeling aanleiding geven voor het oordeel dat de verleende omgevingsvergunningen gebreken bevatten.

Inhoudelijke beroepsgronden - het onttrekkingsbesluit

32.     [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen betogen dat het onttrekkingsbesluit geen duidelijkheid biedt over de rechtsgevolgen die dat besluit heeft. In de bijlage bij het besluit zijn alleen het Plein-gebouw en het L-gebouw ingetekend. Zij betogen daarnaast dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het onttrekkingsbesluit voor het openbaar verkeer.

32.1.  Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de raad besloten:

"5.  Ten behoeve van de hiervoor genoemde aanvragen omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan, de weggedeelten uit de openbaarheid te onttrekken zoals aangegeven op de situatietekening in de bijlage.

- Als opschortende voorwaarde te stellen dat de onttrekking van de weggedeelten aan het openbaar verkeer pas plaatsvindt op het moment dat de vervangende omgevingsvergunningen afwijken bestemmingsplan voor het L- en Pleingebouw beiden onherroepelijk zijn."

32.2.  Bij de beslissing om een weg al dan niet aan het openbaar verkeer te onttrekken heeft de raad beleidsruimte. De raad moet daarbij de belangen voor en tegen de onttrekking afwegen en die afweging deugdelijk motiveren. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de uitkomst van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit, onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4147.

32.3.  Naar het oordeel van de Afdeling is uit de situatietekening in de bijlage bij het besluit voldoende duidelijk welke weggedeelten aan het openbaar gezag worden onttrokken. Maar uit de stukken blijkt niet dat de raad een kenbare afweging van de belangen voor en tegen de onttrekking heeft gemaakt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen.

Het betoog slaagt.

33.     Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad op de zitting het besluit alsnog deugdelijk gemotiveerd. Op de zitting heeft de raad namelijk nader toegelicht dat het dorpsplein alleen openstaat voor langzaam verkeer. Dit langzaam verkeer wordt volgens de raad niet zo erg gehinderd door de nieuwbouw dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang bij de nieuwbouw. In de vorige situatie was namelijk ook al sprake van bebouwing op het dorpsplein waardoor dit langzaam verkeer werd gehinderd. Naar het oordeel van de Afdeling is de uitkomst van deze belangenafweging niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.

Conclusie

34.     De beroepen van [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen leiden tot de conclusie dat de besluiten van 21 maart 2025 het onder 18.1 geconstateerde gebrek bevatten. Deze beroepen tegen deze besluiten zijn gegrond. Daarom moeten deze besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Gelet op de wat daarover onder 19 is overwogen, heeft het college het geconstateerde gebrek inmiddels hersteld. Daarom ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven.

Het beroep van [appellant sub 2] leidt tot de conclusie dat het besluit van de raad van 27 februari 2025 tot onttrekking van weggedeelten aan de openbaarheid het onder 32.3 geconstateerde gebrek bevat. Dit beroep tegen dit besluit is gegrond. Daarom moet dit besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Gelet op wat daarover onder 33 is overwogen, heeft de raad het geconstateerde gebrek inmiddels hersteld. Daarom ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

DE OORSPRONKELIJKE BESLUITEN

Heeft [appellante sub 1] in persoon of namens de vennootschap beroep ingesteld tegen de oorspronkelijke omgevingsvergunningen?

35.     Het college betoogt dat het beroep van [appellante sub 1] tegen de besluiten van 5 maart 2022 niet-ontvankelijk is, omdat [appellante sub 1] in privé beroep heeft ingesteld en hij geen belanghebbende is. Omdat hij op hemelsbreed 700 m van het plangebied woont, zal hij geen feitelijke gevolgen van enige betekenis van deze ontwikkeling ondervinden.

35.1.  Hoewel de ondertekening van het beroepschrift is gedaan door [appellante sub 1] in persoon, rekent de Afdeling het beroep toe aan [appellante sub 1] Voor de beroepsgronden heeft [appellante sub 1] in zijn via het Digitaal loket ingevulde formulier naar de hierbij gevoegde brief verwezen, die namens de vennootschap aan het gemeentebestuur is verzonden. De aanvulling van de beroepsgronden is gedaan binnen de beroepstermijn op briefpapier van de vennootschap. Het belang waarvoor [appellante sub 1] opkomt is ook een zakelijk belang van de vennootschap.

Uit de overgelegde correspondentie volgt dat [appellante sub 1] sinds 2014 probeert om bij het gemeentebestuur een recht te verwerven voor de herontwikkeling van het dorpsplein. In deze correspondentie en de toelichting op de zitting over door [appellante sub 1] gerealiseerde ontwikkelingen in Bergen en omgeving, ziet de Afdeling voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [appellante sub 1] een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft.

Hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] nog een belang bij een inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 5 mei 2022?

36.     Gelet op wat hiervoor is overwogen, blijven de rechtsgevolgen van de besluiten van het college van 21 maart 2025 in stand. Daarom komt aan de oorspronkelijke besluiten van het college van 5 mei 2022 geen betekenis meer toe. Niet gebleken is dat [appellant sub 2] en [appellante sub 1] desondanks nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 5 mei 2022. De beroepen tegen deze besluiten zal de Afdeling daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Mocht het college de coördinatieregeling voor de huisnummerbesluiten toepassen?

37.     [appellant sub 2] betoogt dat de huisnummerbesluiten niet met toepassing van de coördinatieregeling mochten worden voorbereid en bekendgemaakt. Daarvoor verwijst [appellant sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:919, onder 7.2.

37.1.  De Afdeling oordeelt dat artikel 3.30 van de Wro het college geen grondslag bood om de besluiten van 5 mei 2022 gecoördineerd met de huisnummerbesluiten voor te bereiden en bekend te maken. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:919, onder 7.2, waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Deze besluiten kunnen daardoor ingevolge artikel 8.3, eerste lid, van de Wro voor de mogelijkheid van beroep niet als één besluit worden aangemerkt. Gelet op artikel 8:6, eerste lid, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb betekent dit dat niet de Afdeling in eerste en enige aanleg, maar de rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 2] tegen de huisnummerbesluiten. Het beroep van [appellant sub 2] en de daarbij behorende stukken zullen in zoverre met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling worden doorgestuurd aan de rechtbank Noord-Holland.

Het betoog slaagt.

Conclusie

38.     De beroepen van [appellant sub 2] en [appellante sub 1] tegen de bij besluiten van 5 mei 2022 verleende omgevingsvergunningen zijn niet-ontvankelijk.

De Afdeling is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 2] tegen de besluiten van 5 mei 2022 tot toekenning van huisnummers.

CONCLUSIE

39.     De beroepen van [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen tegen de besluiten van 21 maart 2025 tot verlening van omgevingsvergunningen en het besluit van 27 februari 2025 tot onttrekking van weggedeelten aan de openbaarheid zijn gegrond. Deze besluiten moeten worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven, nu de geconstateerde gebreken inmiddels zijn hersteld.

De beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] tegen de besluiten van het college van 5 mei 2022 tot verlening van omgevingsvergunningen zijn niet-ontvankelijk.

De Afdeling is onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 2] tegen de besluiten van 5 mei 2022 tot toekenning van huisnummers.

De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

40.     Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] en de Bewonersvereniging en anderen vergoeden.

Het college hoeft de proceskosten van [appellante sub 1] en LOSB en niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) van 5 mei 2022 tot verlening van omgevingsvergunningen, kenmerk D323092 en kenmerk D323121, niet-ontvankelijk;

II.       verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellante sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) van 5 mei 2022 tot toekenning van huisnummers, kenmerk D330032 en kenmerk D330092;

III.      verklaart de beroepen van [appellante sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] en Bewonersvereniging Bergen Centrum en anderen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) van 21 maart 2025 tot verlening van omgevingsvergunningen, kenmerk D850584 en kenmerk D850577, en tegen het besluit van de raad van de gemeente Bergen (NH) van 27 februari 2025 waarbij op grond van de Wegenwet weggedeelten aan de openbaarheid worden onttrokken gegrond;

IV.     vernietigt deze onder III. genoemde besluiten;

V.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze onder III. genoemde besluiten in stand blijven;

VI.     verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

- € 2.802,00 aan [appellante sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 2.335,00 aan Bewonersvereniging Bergen Centrum en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergen (NH) aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

- € 184,00 aan [appellante sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 365,00 aan Bewonersvereniging Bergen Centrum en anderen, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Boer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

745