Bestuursrecht overig

Bij besluit van 18 april 2023 heeft de minister van Klimaat en Groene Groei aan [appellant] een…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202503543/1/A2
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6340
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 18 april 2023 heeft de minister van Klimaat en Groene Groei aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 7.250,00 toegekend. [appellant] was ten tijde van belang eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel aan de [locatie] in Park Ketelhaven in Dronten (de woning). Bij brief van 28 juli 2022 heeft [appellant] de minister verzocht om tegemoetkoming in planschade die hij naar eigen zeggen heeft geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het Inpassingsplan Windplan Groen (het inpassingsplan). Dit plan, dat op 16 december 2019 (peildatum) in werking is getreden, is de planologische grondslag voor het realiseren van een windpark in het deelgebied Oost in Flevoland. Het inpassingsplan voorziet in de realisatie van 90 windturbines met een opgesteld vermogen van 300 tot 400 MW. De maximale rotordiameter bedraagt 166 m. De afstand gemeten van de gevel van de woning tot de dichtstbijzijnde windmolen bedraagt 895 m. Het inpassingsplan voorziet ook in de sanering van 98 bestaande windturbines.

Uitspraak

202503543/1/A2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend in [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 16 mei 2025 in zaak nr. 23/5693 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Klimaat en Groene Groei.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2023 heeft de minister aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 7.250,00 toegekend.

Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de tegemoetkoming in planschade vastgesteld op € 8.400,00.

Bij uitspraak van 16 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover de deskundigenkosten die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken niet zijn vergoed, en zelf in de zaak voorzien door de minister te veroordelen tot vergoeding van die kosten tot een bedrag van € 5.993,75.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Vereniging Windkoepel Groen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 1 juli 2026 op een zitting behandeld, gelijktijdig met zaken nrs. 202503664/A2, 202503596/1/A2, 202503598/1/A2, 202503618/1/A2, 202503665/1/A2, 202503666/1/A2 en 202503682/1/A2. Op de zitting zijn [appellant], bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.H.M. Sipman, bijgestaan door mr. ing. P.W.H. Herder, deskundige, verschenen. Verder is op de zitting Windkoepel Groen, vertegenwoordigd door mr. C. Alekperova, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], gehoord.

Overwegingen

Achtergrond van het geschil

1.       [appellant] was ten tijde van belang eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel aan de [locatie] in Park Ketelhaven in Dronten (de woning). Bij brief van 28 juli 2022 heeft [appellant] de minister verzocht om tegemoetkoming in planschade die hij naar eigen zeggen heeft geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het Inpassingsplan Windplan Groen (het inpassingsplan). Dit plan, dat op 16 december 2019 (peildatum) in werking is getreden, is de planologische grondslag voor het realiseren van een windpark in het deelgebied Oost in Flevoland. Het inpassingsplan voorziet in de realisatie van 90 windturbines met een opgesteld vermogen van 300 tot 400 MW. De maximale rotordiameter bedraagt 166 m. De afstand gemeten van de gevel van de woning tot de dichtstbijzijnde windmolen bedraagt 895 m. Het inpassingsplan voorziet ook in de sanering van 98 bestaande windturbines.

2.       Ten behoeve van het inpassingsplan heeft Pondera Consult B.V. (Pondera) een milieueffectrapportage gemaakt.

3.       De minister heeft een overeenkomst gesloten met Windkoepel Groen, de initiatiefnemer van het windpark, op grond waarvan Windkoepel Groen eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade voor haar rekening neemt.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

4.       Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.

4.1.    De door [appellant] aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Advisering en besluitvorming

5.       De minister heeft adviesbureau Gloudemans B.V. (Gloudemans) ingeschakeld om te adviseren over de aanvraag om tegemoetkoming in planschade.

6.       Gloudemans heeft LBP SIGHT B.V. (LBP SIGHT) gevraagd een second opinion te geven over de geluid- en slagschaduwberekeningen bij de milieueffectrapportage van toenmalig adviesbureau Pondera. In het rapport van de second opinion van 16 mei 2022 heeft LBP SIGHT de geluidbelasting en de slagschaduw beoordeeld.

7.       In een advies van 28 maart 2023 heeft Gloudemans een vergelijking gemaakt tussen het inpassingsplan en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime van het bestemmingsplan Buitengebied Dronten (D4000). Gloudemans heeft uiteengezet dat de planologische verandering voor [appellant] heeft geleid tot een planologische verslechtering en een waardevermindering van de woning van € 675.000,00 naar € 647.500,00 ten tijde van de peildatum. Volgens Gloudemans past de komst van de windturbines deels in het in een reeks van jaren gevoerde beleid en past de ontwikkeling deels in de ruimtelijke structuur van de omgeving. Gloudemans heeft geconcludeerd dat een drempel van het normale maatschappelijke risico van 3 procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade passend is, zodat aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 7.250,00 toekomt.

8.       Op 27 juni 2023 heeft Eigen Erve Rentmeesters B.V. (Eigen Erve Rentmeesters), in opdracht van [appellant], een taxatierapport uitgebracht. Eigen Erve Rentmeesters heeft de waarde van de woning onder het oude planologische regime vastgesteld op € 720.000,00. Onder het nieuwe planologische regime bedraagt de waarde van de woning volgens Eigen Erve Rentmeesters € 675.000,00.

9.       De minister heeft het advies van Gloudemans en de naderhand door Gloudemans tijdens de bezwaarschriftenprocedure uitgebrachte nadere notitie van 6 september 2023 aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. In het besluit op bezwaar is de tegemoetkoming vastgesteld op € 8.400,00.

Uitspraak van de rechtbank

10.     De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgronden van [appellant] geen concrete aanknopingspunten geven voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van het advies van Gloudemans. De minister mocht op dat advies afgaan. Aan dat oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd.

10.1.  Door uit te gaan van de op de peildatum maximale turbine heeft Gloudemans in haar advies een reële prognose gemaakt van de op de peildatum te verwachten geluidbelasting onder het nieuwe planologische regime, aldus de rechtbank. Dat later een andere turbine beschikbaar is gekomen en is gerealiseerd, maakt dit oordeel niet anders.

10.2.  De rechtbank is de minister gevolgd in het standpunt dat de ontwikkeling deels past in het in een reeks van jaren gevoerd beleid en deels past in de ruimtelijke structuur van de omgeving.

10.3.  De rechtbank is [appellant] niet gevolgd in het betoog dat de minister het TNO-rapport ‘TNO 2022 P10374, De verwachte impact van windturbines op huizenprijzen in Nederland. Een ruimtelijke analyse voor de periode 2020-2030’ bij de besluitvorming had moeten betrekken. De minister was niet gehouden om een nadere motivering te geven voor het verschil tussen de gegevens over waardedaling van huizenprijzen uit het TNO-rapport en de waardedaling die Gloudemans voor het perceel van [appellant] heeft bepaald. Het TNO-rapport bevat veel algemeenheden en onzekerheden en is niet bedoeld als hulpmiddel bij planschadetaxaties in een individueel geval.

10.4.  De minister heeft de taxatie van Gloudemans aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen. De bepaling van de waarde van de woning na de peildatum berust op de specifieke deskundigheid van de taxateur. Dat Eigen Erve Rentmeesters, anders dan Gloudemans, de woning op het perceel aan de Boslaan 73 als referentieobject heeft gebruikt, maakt nog niet dat de wijze waarop Gloudemans de waarde van de woning na de peildatum heeft bepaald, onjuist is.

10.5.  De minister had de deskundigenkosten van [appellant] in bezwaar volledig moeten vergoeden. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan.

Hoger beroep

11.     [appellant] heeft in hoger beroep een taxatierapport van Kendes Rentmeesters Veenendaal B.V. (Kendes) overgelegd. Kendes heeft de waarde van de woning onder het oude planologische regime vastgesteld op € 720.000,00. Onder het nieuwe planologische regime bedraagt de waarde van de woning volgens Kendes € 650.000,00.

12.     In hoger beroep heeft [appellant] eveneens een taxatierapport van Van Ameyde Taxateurs en Rentmeesters van 20 mei 2026 en een reactie van Van Ameyde op een advies van 13 oktober 2022 van Gloudemans overgelegd. De taxatie en de reactie zien op de woning op het perceel aan de Boslaan 69 te Dronten. [appellant] heeft toegelicht dat hoewel de taxatie en de reactie een andere woning betreffen, een groot deel van de uitgangspunten en conclusies daarin ook op zijn woning van toepassing zijn.

De planologische vergelijking

13.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister mocht afgaan op het advies van Gloudemans. Het rapport van Gloudemans is onzorgvuldig, omdat zij is uitgegaan van een verkeerd type windturbine. Er is een ander type windturbine - met een grotere rotordiameter - gerealiseerd dan het type waar Gloudemans het advies op heeft gebaseerd.

13.1.  Wanneer de door de aanvrager gestelde indirecte planschade is te herleiden tot een wijziging van de gebruiksmogelijkheden, wordt in de planvergelijking, in het kader van de meest ongunstige invulling van het oude en nieuwe planologische regime op de peildatum, een reële prognose gemaakt van het gebruik van de desbetreffende gronden met de daaruit voortvloeiende redelijkerwijs te verwachten nadelen voor de aanvrager. Dit onderzoek moet uitwijzen of die wijziging van dien aard is, dat het nieuwe planologische regime een nadeliger positie van de aanvrager, met daaruit voortvloeiende schade in de vorm van waardevermindering van zijn onroerende zaak, tot gevolg heeft gehad. In de rechtspraak is geaccepteerd dat bij geluidoverlast in relatie tot planschade wordt uitgegaan van gemiddelden (uitspraak van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, rechtsoverweging 14).

13.2.  De Afdeling overweegt dat Gloudemans zich in navolging van LBP SIGHT heeft gebaseerd op gegevens van het windturbinetype Vestas V136-3.45 MW (type Vestas), terwijl het type GE Cypress 6.0-164 (type Cypress) is geplaatst. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat Gloudemans, door uit te gaan van het maximaal vermogen van het type Vestas een reële prognose heeft gemaakt van de op de peildatum te verwachten geluidbelasting onder het nieuwe planologisch regime. Het type Vestas was beschikbaar op het moment van de peildatum. Windkoepel Groen heeft toegelicht dat het type Cypress eind 2020 is aangekondigd en in 2022 op de markt beschikbaar is gekomen. Dit betekent dat dit type windturbine nog niet beschikbaar en aangekondigd was ten tijde van de peildatum. Dat Windplan Groen een ander type windturbine heeft geplaatst dan waar in de reële prognose vanuit is gegaan, betekent niet dat de reële prognose onjuist is, omdat uitgegaan moet worden van de typen windturbines die beschikbaar waren of aangekondigd waren op de peildatum. De Afdeling overweegt verder dat ook het rapport van Van Ameyde op dit punt geen aanknopingspunt biedt voor twijfel aan de door Gloudemans gemaakte reële prognose. Het rapport van Van Ameyde bevat in zoverre juist een bevestiging van het rapport van LBP SIGHT, waarnaar Gloudemans onder meer heeft verwezen. In het rapport van Van Ameyde staat namelijk dat voor de beoordeling van de toename van de geluidbelasting ter plaatse van het vastgoedobject een reële prognose gemaakt moet worden en dat Van Ameyde daarbij uitgaat van de door LBP SIGHT uitgevoerde geluidberekening.

13.3.  Het betoog slaagt niet.

Waardebepaling van de woning

14.     [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de taxatie van Gloudemans onjuist is. Daarom heeft hij Kendes gevraagd een nader taxatierapport op te stellen. Een belangrijk verschil tussen het rapport van Kendes en Gloudemans is dat Gloudemans slechts vergelijkingen heeft gemaakt met woningen die midden op het park liggen. Voor die woningen geldt dat vanuit de tuinen en woonkamers geen windmolens te zien zijn. Vanuit zijn woning is er uitzicht op het zuiden en volledig zicht op de windmolens. Ook is niet duidelijk of Gloudemans er rekening mee heeft gehouden dat de woning zich in een bungalowpark bevindt waar permanente bewoning is toegestaan. [appellant] voert verder aan dat Gloudemans in het rapport heeft weergegeven dat de woning is voorzien van 20 zonnepanelen, maar dat die panelen op de peildatum nog niet aanwezig waren. [appellant] merkt verder op dat in de toelichting op het inpassingsplan rekening is gehouden met additionele sterfte van vogels, maar dat Gloudemans daar niet op in is gegaan.

[appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat uit het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport blijkt dat Gloudemans geen juiste waardering van de percelen heeft gemaakt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat die rapporten te algemeen zijn. [appellant] verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2228. In de genoemde uitspraak worden de rapporten als grondslag voor de beoordeling geaccepteerd.

14.1.  Bij de bepaling van de waardevermindering is maatgevend welke prijs een redelijk denkend en handelend koper voor de onroerende zaak zou hebben geboden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het nieuwe planologische regime en op het tijdstip direct daarna, uitgaande van de planologische mogelijkheden onder het oude en nieuwe regime (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 53).

14.2.  Artikel 6.1 van de Wro dwingt niet tot het hanteren van de ene dan wel de andere taxatiemethode (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 54). Welke methode in een concreet geval wordt gebruikt, staat ter beoordeling van de onafhankelijke taxateur. Indien en voor zover toepassing van de ter beschikking staande methoden naar diens deskundig oordeel niet mogelijk is of op zichzelf niet tot een juiste waardering leidt, zal de taxateur diens taxatie (mede) mogen baseren op zijn kennis, ervaring en intuïtie.

14.3.  Wanneer het betoog ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, kan de juistheid van (dat aspect van) het taxatierapport in beginsel slechts met vrucht worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Voorbeelden van betogen die zien op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, zijn betogen die er toe strekken dat in aanmerking genomen vergelijkingstransacties niet representatief zijn, dat andere vergelijkingstransacties ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten of dat ten onrechte al dan niet is gecorrigeerd vanwege gewijzigde economische omstandigheden. Ter onderbouwing van een betoog dat een taxatierapport onjuist is, is het niet voldoende dat het tegenrapport uitsluitend een andere zelfstandige taxatie stelt tegenover de taxatie die is vervat in het aan het besluit van het bestuursorgaan ten grondslag gelegde taxatierapport. Uit een in een tegenrapport vervatte zelfstandige taxatie blijkt nog niet waarom de in het taxatierapport vervatte taxatie onjuist is. Wanneer de taxateur die het taxatierapport heeft opgesteld en de taxateur die het tegenrapport heeft opgesteld verschillende uitgangspunten hanteren en daarom tot verschillende conclusies over de waarde van het te taxeren object zijn gekomen, is de vraag niet of de in het taxatierapport gehanteerde uitgangspunten verdedigbaar zijn, maar of in het tegenrapport aannemelijk is gemaakt dat de in het taxatierapport gehanteerde uitgangspunten dat niet zijn. Ook onvoldoende is een - niet met een tegenrapport onderbouwd - betoog van de betrokkene of diens gemachtigde dat ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur. De betrokkene zelf, of diens gemachtigde in zijn hoedanigheid van gemachtigde, kunnen immers niet als onafhankelijke taxateur worden aangemerkt (zie de eerder genoemde uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 55).

14.4.  Bij het beoordelen van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de opvolgende planologische regimes, waarbij wordt uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden vóór en na de desbetreffende peildatum. Het doel van het TNO-rapport is om inzicht te krijgen in de ruimtelijke verdeling van de verwachte relatieve woningwaardedaling als gevolg van windturbines op land. Het rapport beschrijft daartoe in algemene zin de effecten op de waardeontwikkeling van onroerende zaken als gevolg van de komst van windturbines in de omgeving van deze zaken, gerelateerd aan afstand en hoogte van windturbines. Het TNO-rapport bouwt voort op een studie die door Dröes en Koster in 2019 is gemaakt. In het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport staan geen specifieke conclusies voor de locatie Boslaan zoals in deze zaak aan de orde. Omdat de gegevens die in die rapporten staan niet zijn toegesneden op een planschadevergelijking en op de specifieke kenmerken van het perceel van [appellant] en het windpark Groen, zijn ze niet bruikbaar voor het beoordelen van de aanvraag van [appellant]. Het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport kunnen daarom naar het oordeel van de Afdeling niet afdoen aan het advies van Gloudemans. Dit betekent niet dat aan het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport geen enkele waarde kan toekomen bij taxaties. Het is echter aan de taxateur om in een individuele zaak te bepalen welk belang toekomt aan die rapporten, als een zienswijze op het concept van het rapport daartoe aanleiding geeft. Gloudemans heeft op de zitting toegelicht dat zij meer waarde hecht aan het rapport van Dröes en Koster dan aan het TNO-rapport, omdat gegevens uit het TNO-rapport zijn geëxtrapoleerd uit het rapport van Dröes en Koster. Gloudemans heeft toegelicht dat zij het rapport van Dröes en Koster beschouwt als een bron ter controle van zijn eigen bevindingen. De door haar vastgestelde waardedaling van de woning valt overigens binnen de bandbreedte die in het rapport van Dröes en Koster is gegeven. In zoverre slaagt het betoog niet.

14.5.  Het betoog van [appellant] dat Gloudemans onjuiste vergelijkingsobjecten heeft gebruikt, raakt aan een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat is gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, als bedoeld onder rechtsoverweging 14.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant] geen tegenrapport heeft ingebracht waarin aannemelijk is gemaakt dat de in het taxatierapport van Gloudemans betreffende de woning aan de Boslaan 67 gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. Het rapport van Kendes behelst een zelfstandige taxatie. Ook het rapport van Van Ameyde betreft een zelfstandige taxatie. In de begeleidende brief van 28 mei 2026 heeft Van Ameyde wel expliciet gereageerd op het deskundigenadvies van Gloudemans dat ziet op Boslaan 69. Van Ameyde heeft daarin opgemerkt dat ten aanzien van het nieuwe planologische regime, niet is toegelicht waarop de waarde onder het nieuwe planologische regime is gebaseerd. Volgens [appellant] is die reactie ook van toepassing op de taxatie van hun woning. Wat daar van zij, op de zitting bij de Afdeling heeft Gloudemans toegelicht dat zij heeft onderzocht of er geschikte vergelijkingsobjecten waren op basis waarvan de waarde van de woning onder het nieuwe planologische regime kon worden vastgesteld, maar dat er geen geschikte vergelijkingsobjecten waren. Zij heeft toegelicht dat Ketelhaven een specifiek gebied is en dat ook de objecten aan de Boslaan specifiek zijn. De objecten verschillen bijvoorbeeld in grootte en in type materiaalgebruik. De Afdeling overweegt dat het aan de taxateur is om te bepalen welke taxatiemethode hij gebruikt. Omdat de ter beschikking staande methoden naar haar deskundig oordeel niet mogelijk waren, heeft Gloudemans zich mogen baseren op haar kennis, ervaring en intuïtie. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister de taxatie van Gloudemans aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog slaagt niet.

Normale maatschappelijke risico

15.     [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de drempel van het normale maatschappelijke risico terecht heeft vastgesteld op 3 procent. Volgens hem moet een drempel van 2 procent worden toegepast. De ontwikkeling past volgens [appellant] wel deels in het in een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid, maar niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving.

-         Beoordelingskader

15.1.  Voor het antwoord op de vraag of schade binnen het normale maatschappelijke risico valt, is onder meer van belang of de desbetreffende planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 96).

15.2.  Dat een bepaalde planologische ontwikkeling een normale maatschappelijke ontwikkeling is, betekent op zichzelf nog niet dat deze planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 97). Of sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling, wordt namelijk los van de omstandigheden van het geval beoordeeld. Of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, wordt wel beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van het geval.

15.3.  Bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, komt in ieder geval betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 97).

15.4.  Bij de beantwoording van de vraag wat de ruimtelijke structuur van de omgeving in een concreet geval inhoudt, geldt als uitgangspunt dat deze bepaald wordt door het planologische regime dat, onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel, gold voor de directe omgeving van het plangebied van de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 98) Aan de feitelijke inrichting van het plangebied of de directe omgeving daarvan, onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van de schadeveroorzakende planologische maatregel, komt dus in beginsel geen betekenis toe. Verder is de nieuwe ruimtelijke structuur, die is ontstaan onder het regime van de beweerdelijk schadeveroorzakende maatregel, niet van belang (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 99).

15.5.  De Afdeling heeft voor het bepalen van de hoogte van de drempel de volgende handvatten gegeven. Indien de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, mag het bestuursorgaan een drempel van 5 procent van de waarde van de onroerende zaak toepassen. Indien aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4 procent in beginsel aangewezen. Indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3 procent in beginsel aangewezen. Indien slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of indien aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2 procent, zoals bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, aangewezen (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 100).

15.6.  De vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 109).

15.7.  Het bestuursorgaan moet deze vaststelling naar behoren motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, in het kader van de definitieve beslechting van het geschil op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht de omvang van het normale maatschappelijke risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van artikel 6.2 van de Wro (uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 110).

-         Toepassing

15.8.  Gloudemans heeft in haar advies geconcludeerd dat windturbines als deels passend binnen de ruimtelijke structuur van het polderlandschap dienen te worden aangemerkt. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen windturbines aanwezig, maar op korte afstand is wel een kleinschalige windturbine aanwezig op een agrarisch erf. Andere windturbines van enige omvang zijn aanwezig ten zuiden van de N307 en de spoorbaan (ruim 6 km ten zuiden van Ketelhaven). In het gebied waren geen windturbines aanwezig, aldus Gloudemans.

15.9.  Gloudemans heeft in haar advies een weergave gegeven van de feitelijke aanwezigheid van windturbines in de omgeving. Zoals vermeld in rechtsoverweging 15.4 van deze uitspraak, komt aan de feitelijke inrichting van het plangebied of de directe omgeving daarvan in beginsel geen betekenis toe. Gloudemans had conform rechtsoverweging 15.4 moeten onderzoeken of vóór de peildatum in de directe omgeving van het plangebied op grond van het planologisch regime, geldend vóór de peildatum, windturbines waren toegestaan. Dat heeft Gloudemans, en daarmee ook de minister, niet gedaan. Ook in een later stadium in deze procedure is niet gebleken of vóór de peildatum in de directe omgeving van het plangebied op grond van het planologisch regime windturbines waren toegestaan.

15.10. Het betoog slaagt.

Definitieve beslechting van het geschil

16.     Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil zal de Afdeling de minister op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen het onder rechtsoverweging 15.9 geconstateerde gebrek in het besluit van 9 oktober 2023 binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet minister onderzoeken of vóór de peildatum in de directe omgeving van het plangebied op grond van het planologisch regime, geldend vóór de peildatum, windturbines waren toegestaan. Vervolgens moet hij nagaan wat dit onderzoek betekent voor zijn standpunt dat hij in navolging van Gloudemans heeft ingenomen dat windturbines als deels passend binnen de ruimtelijke structuur van het polderlandschap aangemerkt moeten worden en voor de hoogte van de aftrek wegens het normale maatschappelijke risico op de tegemoetkoming in de schade.

17.     In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de minister van Klimaat en Groene Groei op om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak:

1.       met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek dat kleeft aan het besluit van 9 oktober 2023 te herstellen, en

2.       de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Engele

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

1033