Bestuursrecht overig
Bij brief, ingekomen op 11 september 2026, hebben [verzoeker A] en [verzoekster B] verzocht om wraking van…
Raad van State, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6001 · Raad van State · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rvs-2026-6001
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202404184/3/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6001
Samenvatting
Bij brief, ingekomen op 11 september 2026, hebben [verzoeker A] en [verzoekster B] verzocht om wraking van staatsraden mr. B.P.M. van Ravels, mr. A.B. Blomberg en mr. H. Benek (de staatsraden), als leden van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van de zaak nr. 202404184/1/A3. [verzoeker A] en [verzoekster B] kunnen zich er niet in vinden dat de staatsraden hun brief van 12 augustus 2026 ongemotiveerd hebben teruggestuurd en hebben geëist dat de staatsraden de afwijzing van hun verzoek motiveren. Bij brief van 8 september 2026 hebben de staatsraden laten weten dat zij kennis hebben genomen van de brief van 25 augustus 2026 en de daarin opgenomen omstandigheden, maar dat zij daarin geen aanleiding zien om het onderzoek te heropenen. Zij hebben de brief daarom buiten beschouwing gelaten. [verzoeker A] en [verzoekster B] betogen dat zij met de aanvullende informatie die zij na de sluiting van het onderzoek hebben toegestuurd, aangetoond hebben dat er sprake is van een ambtsmisdrijf en dat dat niet in de einduitspraak mag ontbreken.
Uitspraak
202404184/3/A3.
Datum beslissing: 13 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker A] en [verzoekster B], beiden wonend in [woonplaats],
verzoekers,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
Procesverloop
Bij brief, ingekomen op 11 september 2026, hebben [verzoeker A] en [verzoekster B] verzocht om wraking van staatsraden mr. B.P.M. van Ravels, mr. A.B. Blomberg en mr. H. Benek (de staatsraden), als leden van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van de zaak nr. 202404184/1/A3.
De staatsraden hebben niet in de wraking berust.
De staatsraden hebben een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek op een zitting op 25 september 2026 behandeld, waar [verzoeker A] is verschenen. De staatsraden hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Als maatstaf geldt dat een staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
Wat is er aan het verzoek om wraking voorafgegaan?
3. Op 19 mei 2026 heeft in zaak nr. 202404184/1/A3 een zitting plaatsgevonden. Na de zitting hebben [verzoeker A] en [verzoekster B] bij brief van 12 augustus 2026 verzocht om aanvullende informatie aan het dossier toe te voegen en op basis daarvan uitspraak te doen. De staatsraden hebben bij brief van 24 augustus 2026 laten weten dat de brief van 12 augustus 2026 na de sluiting van het onderzoek is binnengekomen. Zij hebben laten weten dat zij in die brief geen aanleiding zien om het onderzoek te heropenen, zodat de brief buiten beschouwing blijft.
4. [verzoeker A] en [verzoekster B] hebben daar bij brief van 25 augustus 2026 op gereageerd. Zij kunnen zich er niet in vinden dat de staatsraden hun brief van 12 augustus 2026 ongemotiveerd hebben teruggestuurd en hebben geëist dat de staatsraden de afwijzing van hun verzoek motiveren. Bij brief van 8 september 2026 hebben de staatsraden laten weten dat zij kennis hebben genomen van de brief van 25 augustus 2026 en de daarin opgenomen omstandigheden, maar dat zij daarin geen aanleiding zien om het onderzoek te heropenen. Zij hebben de brief daarom buiten beschouwing gelaten.
Verzoek om wraking
5. [verzoeker A] en [verzoekster B] betogen dat zij met de aanvullende informatie die zij na de sluiting van het onderzoek hebben toegestuurd, aangetoond hebben dat er sprake is van een ambtsmisdrijf en dat dat niet in de einduitspraak mag ontbreken. Het is onnavolgbaar dat de staatsraden deze informatie buiten beschouwing hebben gelaten en dat zij hun beslissing daarover niet hebben gemotiveerd. Volgens [verzoeker A] en [verzoekster B] zijn de staatsraden partijdig omdat zij de korpschef koste wat kost behulpzaam willen zijn bij het verbergen van dit ambtsmisdrijf en hun aanvullende informatie daarom buiten beschouwing laten. De partijdigheid blijkt ook uit het feit dat de staatsraden hun beslissing in hun brief van 8 september 2026 opnieuw niet hebben gemotiveerd, aldus [verzoeker A] en [verzoekster B].
6. Tijdens de zitting hebben [verzoeker A] en [verzoekster B] hun verzoek aan de hand van een pleitnota nader toegelicht. Zij hebben de Afdeling uitdrukkelijk verzocht om de onderdelen 5 en 6 uit hun pleitnota integraal over te nemen als weergave van hun verzoek, omdat dat volgens hen essentieel is voor een goed begrip van hun wrakingsverzoek. Deze onderdelen luiden als volgt:
"De essentiële en relevante feiten die wij ten grondslag leggen aan ons wrakingsgrond zijn:
Feit 1: De aanleiding voor ons inzageverzoek bij de politie en het OM was een - volgens de politiechef - onterechte arrestatie op 19 augustus 2021. Wij verzochten integriteitsonderzoek vanwege onbegrijpelijke vijandige profilering en aanwijzingen voor ambtsmisdrijven.
Feit 2: In de vijf jaar die volgden kregen we géén inzage in het politiedossier en werd onderzoek naar die vijandigheid geweigerd. Er zou zelfs 'letsel' geconstateerd zijn bij het slachtoffer van mijn agressie. Op vragen over dat onmogelijke letsel werd vijf jaar lang niet geantwoord.
Feit 3: Onze beroepen tegen het weigeren van inzage door politie en OM werden ondanks ons verzoek niet gevoegd behandeld, maar juist tot een complex stelsel uitspraken gemaakt in: ECLI:NL:RBDHA:2023:14666, ECLI:NL:RBDHA:2023:14665, ECLI:NL:RBDHA:2023:16719, ECLI:NL:RBDHA:2024:10406, ECLI:NL:RBDHA:2024:10403, ECLI:NL:RBDHA:2024:13720, ECLI:NL:RBDHA:2025:3397, ECLI:NL:RBDHA:2025:10159, ECLI:NL:RBDHA:2025:15792, ECLI:NL:RBDHA:2025:19169, ECLI:NL:RVS:2026:2976, ECLI:NL:RVS:2026:2975, ECLI:NL:RBDHA:2026:15516 en vier nog lopende bestuursrechtprocedures.
Feit 4: Hoewel we na vijf (!!!) jaar bestuursrechtprocedures nog geen stap verder zijn, kregen wij via de raadkamer van het Hof Den Haag inzage in dat politiedossier uit 2021 op 26 juni en 24 juli 2026. Uit inzage blijkt onmiskenbaar dat het ambtsmisdrijf ‘fabuleren van bewijs' werd gepleegd."
"Onze stellingen zijn (ook weer letterlijk over te nemen):
Stelling 1: Het is objectief partijdig om voor verweerder negatieve feiten te verzwijgen. Als de aanleiding van vijf jaar procederen het weigeren van inzage in een politiedossier uit 2021 is, dan is het relevant dat appelanten in 2026 inzage kregen.
Stelling 2: Het is essentieel om te weten dat inzage daadwerkelijk bewijs voor het ambtsmisdrijf opleverde omdat daaruit bleek dat 'letsel' werd verzonnen als reactie op onze integriteitsklacht. Dat is weer essentieel om te weten omdat wij bij de rechtbank stelden dat het onverdedigbaar is om inzage in een politiedossier te weigeren na een integriteitsklacht over dat politieoptreden.
Stelling 3: Dat is weer relevant en essentieel om te weten omdat wij in hoger beroep stelden dat de rechtbank ten onrechte naliet om deze stelling te beoordelen. In ECLI:NL:RBDHA:2024:10406 komt dit vermoeden van een ambtsmisdrijf niet voor. De rechtbank verdraaide onze zaak zelfs tot een klacht over 'geautomatiseerde besluitvorming' i.p.v. vijandige profilering.
Stelling 4: Een rechterlijke beslissing om voor verweerder negatieve feiten buiten de uitspraak van procedure 202404184/1/A3 te willen houden dient de gronden waarop zo'n partijdig besluit berust te vermelden op straffe van nietigheid in artikel 5 lid 1 R0.
Stelling 5: De weigering om het partijdige rechterlijke besluit te motiveren c.q. te voorzien van gronden is de wrakingsgrond. Als een rechter niet kan uitleggen op welke gronden een besluit berust dan is het een nietig rechterlijk besluit en de wrakingskamer kan de weigering beoordelen."
Reactie van de staatsraden
7. De staatsraden hebben erop gewezen dat de beslissing om het onderzoek niet ter heropenen een procesbeslissing is en dat de vraag of een dergelijke beslissing juist is, volgens vaste rechtspraak niet ter beoordeling in een wrakingsprocedure voorligt. De staatsraden hebben verder toegelicht dat zij er begrip voor hebben dat [verzoeker A] en [verzoekster B] de Afdeling op de hoogte willen stellen van de laatste ontwikkelingen en hun bevindingen, maar dat de inhoud van de door hun ingebrachte stukken geen aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen. Anders dan [verzoeker A] en [verzoekster B] lijken te veronderstellen, is het voor de beoordeling van hun hoger beroep niet relevant of uit het strafdossier valt af te leiden dat een ambtsmisdrijf is gepleegd, omdat het om een inzageverzoek op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens gaat. De staatsraden hebben dit tijdens de zitting ook toegelicht, zodat er gelet daarop geen noodzaak was om de procesbeslissing verder toe te lichten.
Beoordeling van het verzoek
8. De beslissing om het onderzoek niet te heropenen is een procesbeslissing. De vraag of een procesbeslissing en de motivering daarvan al dan niet juist is, staat niet ter beoordeling in de wrakingsprocedure, omdat het instrument van wraking niet is bedoeld om dat te gebruiken als rechtsmiddel tegen dergelijke procesbeslissingen, ook niet als het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Zulke procesbeslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek als deze op zich, dan wel in onderlinge samenhang bezien, dan wel bezien in samenhang met het verdere optreden van de staatsraden, naar objectieve maatstaven beoordeeld, bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid van de staatsraden die de procesbeslissing hebben genomen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1325), onder 7, en het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413), onder 3.4.
9. Dat het verzoek van [verzoeker A] en [verzoekster B] om heropening van het onderzoek is afgewezen met een zeer korte motivering, levert - bij afwezigheid andere aanwijzingen - geen zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid op. De staatsraden hebben in hun schriftelijke reactie een uitgebreidere motivering gegeven voor het afwijzen van het verzoek om heropening van het onderzoek. Die motivering duidt volgens [verzoeker A] en [verzoekster B] ook op partijdigheid van de staatsraden. De staatsraden hebben met hun beslissing namelijk stukken die voor verweerder in de bodemprocedure nadelig zijn, buiten beschouwing gelaten. [verzoeker A] en [verzoekster B] hebben via een andere procedure inzage gehad in hun strafdossier en daaruit blijkt volgens hen dat er een ambtsmisdrijf heeft plaatsgevonden. Dat blijft volgens hen door het handelen van de staatsraden nu buiten de procedure. Zoals hiervoor onder 8 overwogen, kan de motivering van een procesbeslissing in beginsel geen grond vormen voor wraking. Uit de motivering van de beslissing om niet te heropenen omdat de betrokken stukken niet relevant zijn voor het hoger beroep blijkt, objectief gezien, niet dat de staatsraden vooringenomen zijn. [verzoeker A] en [verzoekster B] hebben daarnaast geen andere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de motivering niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de staatsraden. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
10. Het verzoek om wraking wordt dan ook afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026
960