Bestuursrecht overig
Bij brief van 23 september 2026, ingekomen op 30 september 2026, heeft [verzoekster] verzocht om wraking van…
Raad van State, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6056 · Raad van State · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rvs-2026-6056
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202505720/2/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6056
Samenvatting
Bij brief van 23 september 2026, ingekomen op 30 september 2026, heeft [verzoekster] verzocht om wraking van staatsraad mr. D.A. Verburg als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van de zaak met nummer 202505720/1/A3. [verzoekster] heeft aan haar verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad vooringenomen en partijdig is, althans de schijn daarvan heeft gewekt, door de gang van zaken op de zitting van 23 september 2026. De staatsraad heeft zich volgens [verzoekster] vooringenomen en partijdig geuit door op de zitting het standpunt van de niet verschenen korpschef van de politie, de wederpartij, voor het voetlicht te brengen en uit het perspectief van de korpschef het hoger beroep te behandelen, stellig diens standpunt te herhalen, op te merken dat de bewijslast bij haar ligt, en door te lachen of haar uit te lachen. Ook heeft de staatsraad het dossier niet voldoende gelezen of deugdelijk bestudeerd, aldus [verzoekster].
Uitspraak
202505720/2/A3.
Datum beslissing: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoekster], wonend in [woonplaats],
verzoekster,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Bij brief van 23 september 2026, ingekomen op 30 september 2026, heeft [verzoekster] verzocht om wraking van staatsraad mr. D.A. Verburg als lid van de enkelvoudige kamer belast met de behandeling van de zaak met nummer 202505720/1/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De Afdeling heeft het verzoek om wraking op een zitting behandeld op 8 oktober 2026, waar [verzoekster] is verschenen.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. [verzoekster] heeft aan haar verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad vooringenomen en partijdig is, althans de schijn daarvan heeft gewekt, door de gang van zaken op de zitting van 23 september 2026. De staatsraad heeft zich volgens [verzoekster] vooringenomen en partijdig geuit door op de zitting het standpunt van de niet verschenen korpschef van de politie, de wederpartij, voor het voetlicht te brengen en uit het perspectief van de korpschef het hoger beroep te behandelen, stellig diens standpunt te herhalen, op te merken dat de bewijslast bij haar ligt, en door te lachen of haar uit te lachen. Ook heeft de staatsraad het dossier niet voldoende gelezen of deugdelijk bestudeerd, aldus [verzoekster].
3. Van wat besproken is op de zitting van 23 september 2026 is een proces-verbaal opgemaakt. Desgevraagd heeft [verzoekster] laten weten zich in dit proces-verbaal te kunnen vinden en betwist zij de weergave van het verhandelde op de zitting zoals dat daarin is weergegeven, niet.
4. Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 van de Awb moet in een wrakingsprocedure worden onderzocht of er feiten en omstandigheden zijn waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij geldt als maatstaf dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een belanghebbende bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.
4.1. De Afdeling is van oordeel dat het handelen van de staatsraad tijdens de zitting geen zwaarwegende aanwijzing oplevert voor (de schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid. Weliswaar heeft [verzoekster] de uitingen, de woordkeuze en de houding van de staatsraad op de zitting zoals uiteengezet onder 2, als vooringenomen en partijdig ervaren, maar deze beleving rechtvaardigt niet het oordeel dat haar vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is. De Afdeling komt tot dit oordeel mede op basis van de gang van zaken zoals dat is verwoord in het onbetwiste proces-verbaal. Daaruit volgt dat de staatsraad de kaders heeft willen schetsen waarbinnen hij tot een oordeel over de kwestie moet komen. Dat de staatsraad het standpunt van de korpschef heeft verwoord en aan [verzoekster] heeft voorgehouden, is niet verwonderlijk omdat de korpschef niet op de zitting is verschenen en zich ook niet heeft laten vertegenwoordigen. Door [verzoekster] dat standpunt voor te houden, heeft de staatsraad haar de mogelijkheid gegeven om daarop te reageren. Uit het proces-verbaal blijkt bovendien niet dat de staatsraad bij voorbaat dat standpunt onderschrijft en daarover al een oordeel heeft gevormd, wat blijk zou geven van vooringenomenheid. Dat geldt ook voor het op de zitting uitleggen bij wie de bewijslast ligt. Verder weerspreekt de staatsraad dat hij op de zitting [verzoekster] zou hebben uitgelachen en benadrukt hij dat hij nadrukkelijk heeft stilgestaan bij haar tragische verhaal. Dat hierbij op de zitting is stilgestaan, volgt ook uit het proces-verbaal. Verder komt uit dit proces-verbaal geen beeld naar voren dat [verzoekster] is uitgelachen of op een andere manier niet serieus zou zijn genomen. Daarmee is niet komen vast te staan dat er objectieve aanknopingspunten zijn ter ondersteuning van de wijze waarop zij de zitting heeft beleefd. De Afdeling concludeert daarom dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor (de schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid. Dat de staatsraad het dossier niet zou hebben gelezen of onvoldoende zou hebben bestudeerd, heeft [verzoekster] met wat zij in haar verzoek en op zitting heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt.
5. Het verzoek om wraking van de staatsraad wordt afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
853