Omgevingsrecht

Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 13 juli 2016, kenmerk HZ_WABO-16-03524, waarbij…

Raad van State, 8 september 2016

Zaakgegevens

Op 8 september 2016 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
8 september 2016
Datum publicatie
14 september 2016
Zaaknummer
201606537/2/R4
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RVS:2016:2492
E-mail

Samenvatting

Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 13 juli 2016, kenmerk HZ_WABO-16-03524, waarbij het een omgevingsvergunning heeft verleend voor het kappen van 152 bomen (waarvan 110 stuks bosplantsoenbomen en 42 laanbomen) en het verwijderen van 6.010 m2 bosplantsoen (inclusief 209 bosplantsoenbomen).

Uitspraak

201606537/2/R4.

Datum uitspraak: 8 september 2016 AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Utrecht,

verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder. voorzitter: mr. J.A. Hagen griffier: mr. R.I.Y. Lap Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 13 juli 2016, kenmerk HZ_WABO-16-03524, waarbij het een omgevingsvergunning heeft verleend voor het kappen van 152 bomen (waarvan 110 stuks bosplantsoenbomen en 42 laanbomen) en het verwijderen van 6.010 m2 bosplantsoen (inclusief 209 bosplantsoenbomen). [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 13 juli 2016, kenmerk HZ_WABO-16-03524; II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van de bij [verzoeker A] en [verzoekster B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [verzoeker A] en [verzoekster B] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Daartoe overweegt hij het volgende.

In verband met de onomkeerbare gevolgen van de uitvoering van het besluit van 13 juli 2016 en de omstandigheid dat die uitvoering aanstaande is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wijze van ordemaatregel dat besluit te schorsen. Het college dient op de hiervoor vermelde wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. w.g. Hagen w.g. Lap

voorzitter griffier 288.