Vreemdelingenrecht

Bij brief van 20 februari 2024 heeft verzoeker de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om herziening van de…

Raad van State, 7 maart 2024

Zaakgegevens

Op 7 maart 2024 heeft de Raad van State in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 maart 2024
Datum publicatie
7 maart 2024
Zaaknummer
202401255/1/V2
Procedure
Herziening
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:985
E-mail

Samenvatting

Bij brief van 20 februari 2024 heeft verzoeker de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak 15 februari 2024.

Uitspraak

202401255/1/V2.

Datum uitspraak: 7 maart 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2024 in zaak nr. 202200539/1/V2, ECLI:NL:RVS:2024:653.

Procesverloop

Bij brief van 20 februari 2024 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak 15 februari 2024.

Overwegingen

1.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Verzoeker heeft zulke feiten en omstandigheden niet aangevoerd.

2.       Verzoeker heeft namelijk aangevoerd dat het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2023, S en A, ECLI:EU:C:2023:688, dat gaat over de vervolgingsgrond politieke overtuiging, relevant is voor zijn zaak. Hij wijst er in dat verband op dat de Afdeling, in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen die het Hof in dat arrest heeft gegeven, de behandeling van zijn zaak heeft aangehouden. Dit valt volgens hem niet te rijmen met het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 15 februari 2024 dat zijn zaak niet draait om de vraag of hij een fundamentele politieke overtuiging heeft. Hoewel begrijpelijk is dat de vreemdeling aan de aanhouding van zijn zaak, die achteraf bezien niet noodzakelijk was, de verwachting ontleende dat zijn zaak zonder meer ook onder de reikwijdte van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen zou vallen, levert dit geen grond voor herziening op.

3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Lagaaij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024

936