Vreemdelingenrecht
Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (kennisgeving) van 30 januari 2024 heeft de…
ECLI:NL:RVS:2026:4631 · Raad van State · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-4631
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- 202404206/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4631
Samenvatting
Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (kennisgeving) van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel laten weten de geboortedatum van appellant te hebben gewijzigd.
Uitspraak
202404206/1/V1.
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2024 in zaak nr. NL24.18402 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (kennisgeving) van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel laten weten de geboortedatum van appellant te hebben gewijzigd.
Bij besluit van 8 april 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P. Scholtes, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Hoewel appellant in zijn eerste grief terecht betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, leidt dit betoog niet tot het beoogde doel. De Afdeling heeft namelijk in haar uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5256, onder 4 tot en met 6, geoordeeld dat de kennisgeving een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar dat dit besluit ter voorbereiding dient van het besluit op de asielaanvraag. Op grond van artikel 6:3 van de Awb is zo’n besluit niet appellabel, tenzij het een vreemdeling rechtstreeks in zijn belang treft. Daar is hier geen sprake van. De voorzieningenrechter heeft daarom terecht, maar op onjuiste gronden, geoordeeld dat geen bezwaar of beroep mogelijk is tegen de kennisgeving en het beroep terecht ongegrond verklaard. De grief slaagt niet.
2. De tweede grief slaagt ook niet. Aangezien geen bezwaar of beroep openstaat tegen de kennisgeving, bestond geen verplichting om appellant op zijn bezwaar te horen.
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026
282-1046