Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:1788

Op 3 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.37432, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:1788. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.37432
Datum uitspraak:
3 February 2026
Datum publicatie:
3 February 2026

Indicatie

Regulier. Artikel 8 EVRM. De minister heeft niet ten onrechte nogmaals een nader onderzoek aangeboden. Beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.37432

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer; [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer; [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [v-nummer] ,

allen van Nigeriaanse nationaliteit,

hierna: eisers

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” bij hun echtgenoot/ vader [naam] (referent). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de

mvv-aanvraag van eisers heeft mogen afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eisers hebben een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij hun echtgenoot/ vader. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Had de minister eisers nogmaals een nader onderzoek moeten aanbieden?

3. Eisers voeren aan dat de minister hen ten onrechte niet nogmaals de mogelijkheid heeft aangeboden voor een nader onderzoek. Eisers voeren hiertoe aan dat hun afwezigheid bij het eerder aangeboden onderzoek verschoonbaar was. Uit de stukken blijkt namelijk dat referent meermaals heeft geprobeerd om de benodigde financiële middelen bijeen te brengen om eisers naar Ghana te laten reizen voor het nader onderzoek. Op het moment van het eerder aangeboden onderzoek had referent geen toegang tot een fonds of een andere bron van financiering waardoor er sprake was van een omstandigheid buiten de macht van eisers. Eisers wijzen er op dat referent direct na het beschikbaar komen van financiële middelen de minister daarvan op de hoogte heeft gesteld. Door eisers niet nogmaals de mogelijkheid te bieden van een nader onderzoek, handelt de minister in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister niet in strijd met het zorgvuldigheids- en/of evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door eisers niet nogmaals uit te nodigen voor een nader onderzoek. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de minister eisers tweemaal in de gelegenheid heeft gesteld voor een nader onderzoek. Eenmaal tijdens de primaire fase en eenmaal tijdens de bezwaarfase. Tijdens de primaire fase is aangegeven dat eisers niet beschikbaar zijn voor nader onderzoek. Omdat eisers vervolgens in bezwaar hebben aangegeven dat zij nu wel beschikbaar zijn voor het nader onderzoek en daarvoor ook de benodigde financiële middelen voorhanden zouden hebben, heeft de minister besloten om nogmaals een nader onderzoek aan te bieden. Hierop is namens eisers ook een bevestiging gekomen dat zij in staat zijn om naar Ghana af te reizen voor het nader onderzoek. Eisers zijn vervolgens zonder de minister hiervan op de hoogte te stellen niet verschenen voor het nader onderzoek in de bezwaarfase. Pas op het moment dat de minister navraag is gaan doen, is aan het licht gekomen dat eisers niet zouden verschijnen omdat zij dit niet konden bekostigen. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het niet komen opdagen van eisers tijdens het nader onderzoek verschoonbaar moet worden geacht. Dat referent, via zijn contactpersoon bij Vluchtelingenwerk Nederland, op een later moment heeft aangegeven nu wel te beschikken over de benodigde financiële middelen maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister de aanvraag moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM?

4. Eisers voeren aan dat het standpunt van de minister ook moet worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eisers niet is getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De familierechtelijke relatie tussen eisers en referent is immers nog niet aannemelijk gemaakt.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht geoordeeld dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk is gemaakt, zodat de gevraagde mvv terecht is afgewezen.

5.1.

Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van

mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonmiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.