Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om…

Raad van State, 5 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
202500995/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6155
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 13 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202500995/1/V1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], [appellant 4], [appellant 5] en [appellant 6],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2025 in zaken nrs. NL24.29201 en NL24.29283 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluiten van 25 juni 2024 en 1 juli 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2025 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 25 juni 2024 en 1 juli 2024 door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Roozdar, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellanten hebben daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       Appellanten zijn de ouders en de broers en zussen van referent. Zij hebben allen de Afghaanse nationaliteit en beogen verblijf bij hem en zijn gezin in Nederland. Referent is geboren op [geboortedatum] 1982 en is sinds 8 oktober 2021 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft een aanvraag ingediend om appellanten een mvv te verlenen.

1.1.    De minister heeft de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de ouders van referent, aangemerkt als een nareisaanvraag. Bij het besluit van 13 oktober 2022 heeft hij de aanvraag afgewezen, omdat de ouders niet voldoen aan de vereisten voor nareis, neergelegd in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Referent is namelijk geen alleenstaande minderjarige vreemdeling in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Bij besluit van 1 juli 2024 heeft hij de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

Omdat de ouders van referent niet onder de nareisdoelgroep vallen, heeft de minister niet ambtshalve beoordeeld of zij in aanmerking komen voor een mvv in verband met artikel 8 van het EVRM. Onder verwijzing naar Informatiebericht 2024/7, dat hij heeft opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij hen mag doorverwijzen naar de reguliere procedure. De minister wil voorkomen dat vreemdelingen de nareisprocedure gebruiken om een beoordeling van hun familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM te krijgen. Vreemdelingen hoeven in de nareisprocedure namelijk geen leges te betalen, terwijl zij dat in de reguliere procedure wel moeten doen. Daar komt bij dat een beoordeling van het familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM meer tijd en capaciteit kost dan een beoordeling of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor nareis.

1.2.    De minister heeft de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de broers en zussen van referent, aangemerkt als een reguliere aanvraag. Voor dit gedeelte van de aanvraag heeft referent leges betaald. Bij besluit van 13 oktober 2022 heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat de broers en zussen van referent volgens hem geen familie- en gezinsleven hebben met referent en zijn gezin in de zin van artikel 8 van het EVRM. Bij besluit van 25 juni 2024 heeft hij de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

Hoger beroep

2.       In hun eerste grief klagen appellanten over het oordeel van de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft beoordeeld of de ouders van referent in aanmerking komen voor een mvv in verband met artikel 8 van het EVRM. Dat de ouders niet onder de nareisdoelgroep vallen, dat vreemdelingen in de nareisprocedure geen leges hoeven te betalen en dat de ouders een reguliere aanvraag kunnen indienen, is volgens appellanten geen deugdelijke motivering. Dit geldt namelijk ook voor de broers en zussen van referent en voor hen heeft de minister wel een beoordeling in het kader van artikel 8 van EVRM gemaakt.

2.1.    Gelet op de toetsing die de rechtbank en de Afdeling verrichten naar het recht dat gold ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar, betrekt de Afdeling bij deze zaak niet de met ingang van 12 juni 2026 gewijzigde regelgeving op het gebied van nareis.

2.2.    De Afdeling stelt voorop dat de vraag hoe de minister de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de ouders van referent, had moeten aanmerken, vooraf gaat aan de vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft beoordeeld of de ouders in aanmerking komen voor een mvv in verband met artikel 8 van het EVRM. Zij is van oordeel dat de minister de aanvraag, voor zover die betrekking heeft op de ouders, had moeten aanmerken als een reguliere aanvraag.

De Afdeling volgt de minister niet in zijn standpunt, verwoord in zijn schriftelijke uiteenzetting in hoger beroep, dat de leeftijd van referent ten tijde van de aanvraag geen rol speelt bij de kwalificatie van de aanvraag. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:981, onder 9.2, heeft de Nederlandse wetgever de facultatieve bepalingen van artikel 4, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn namelijk niet geïmplementeerd en zijn ouders van een meerderjarige gezinshereniger niet genoemd als categorie gezinsleden in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Wanneer een referent bij een gezinsherenigingsaanvraag laat weten dat hij meerderjarig is, zoals referent in deze zaak heeft gedaan door te vermelden dat hij 39 jaar was, weet de minister dus op voorhand al dat de ouders van die referent niet voldoen aan de vereisten voor nareis.

De Afdeling volgt de minister evenmin in zijn standpunt dat de bewoordingen in de aanvraag hem aanleiding mochten geven om de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de ouders, in het nareiskader te beoordelen. Dat referent een professionele rechtsbijstandsverlener heeft die alleen op de formulieren voor de broers en zussen van referent ‘art. 8 EVRM’ heeft geschreven, maakt niet dat de minister ervan uit mocht gaan dat referent alleen voor zijn broers en zussen een reguliere aanvraag heeft ingediend. In de aanvraag stelt referent namelijk dat er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestaat tussen hem en appellanten, waarmee hij evident ook zijn ouders bedoelde, en dat zij zich beroepen op artikel 8 van het EVRM.

Naar het oordeel van de Afdeling mocht de minister de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de ouders van referent, gelet op de leeftijd van referent ten tijde van de aanvraag, in beginsel niet aanmerken als een nareisaanvraag. De bewoordingen in de aanvraag bieden in dit geval geen aanknopingspunten voor een ander oordeel en maken dus niet dat de minister de aanvraag alsnog in het nareiskader mocht beoordelen. De minister had de aanvraag dus moeten aanmerken als een reguliere aanvraag. De Afdeling merkt daarbij op dat de minister daarvoor leges mag heffen.

De vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om in de nareisprocedure te beoordelen of de ouders van referent in aanmerking komen voor een mvv in verband met artikel 8 van het EVRM, behoeft daarom geen bespreking.

2.3.    De grief slaagt.

3.       Omdat de minister de aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op de ouders van referent, ten onrechte heeft aangemerkt als een nareisaanvraag, had de rechtbank het besluit dat betrekking heeft op de ouders, moeten vernietigen. Het besluit dat betrekking heeft op de broers en zussen hangt, gelet op de motivering van de minister in dat besluit, zozeer samen met het besluit dat betrekking heeft op de ouders, dat niet is uitgesloten dat het besluit dat betrekking heeft op de ouders, ook gevolgen heeft voor het besluit over de broers en zussen. De minister heeft de broers en zussen namelijk tegengeworpen dat zij, net zoals hun ouders, in Afghanistan verblijven, zodat zij deel blijven uitmaken van het gezin van hun ouders. Daarom had de rechtbank ook het besluit dat betrekking heeft op de broers en zussen moeten vernietigen. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804, onder 6.5, en 23 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:231, onder 1. De tweede en de derde grief, die gaan over het familie- en gezinsleven tussen referent en zijn echtgenote enerzijds en zijn minderjarige en meerderjarige broers en zussen anderzijds, slagen alleen al hierom.

3.1.    Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verklaart de beroepen tegen het besluit van 25 juni 2024 en het besluit van 1 juli 2024 gegrond en vernietigt die besluiten. In een andere procedure heeft de minister alsnog beoordeeld of de ouders in aanmerking komen voor een mvv in verband met artikel 8 van het EVRM. Daarom hoeft de minister niet meer te beslissen op het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2022, voor zover dit besluit betrekking heeft op de ouders van referent. De minister moet wel een nieuw besluit nemen op het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2022, voor zover dit besluit betrekking heeft op de broers en zussen van referent. De minister moet de proceskosten vergoeden, waarbij de Afdeling uitgaat van samenhangende zaken (artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht).

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2025 in zaken nrs. NL24.29201 en NL24.29283;

III.      verklaart de beroepen tegen het besluit van 25 juni 2024, V-[...], V-[...], V-2[...] en V-[...], en het besluit van 1 juli 2024, V-[...] en V-[...], gegrond;

IV.     vernietigt die besluiten;

V.      bepaalt dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen op het door appellanten gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2022, voor zover dit besluit betrekking heeft op de ouders van referent;

VI.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 663,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

w.g. Ristra-Peeters

voorzitter

w.g. Mercelina

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026

938-1034