Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 18 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6180 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6180
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- BRS.26.000949
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6180
Samenvatting
Bij besluit van 18 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, en het verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.
Uitspraak
BRS.26.000949
ECLI:NL:RVS:2026:6180
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 januari 2026 in zaak nr. NL24.14853 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, en het verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.
Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Ethiopische nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij zijn partner en zijn vier minderjarige kinderen die allen in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. Hij stelt dat hij op grond van artikel 20 van het VWEU een van zijn kinderen afgeleid verblijfsrecht heeft als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:2017:354.
2. De minister heeft bij besluit van 26 mei 2017 een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar tegen appellant uitgevaardigd. Dat besluit staat in rechte vast. De minister stelt zich in het besluit van 26 maart 2024 op het standpunt dat appellant weliswaar voldoet aan de voorwaarden voor het door hem bedoelde afgeleide verblijfsrecht, maar nog steeds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Appellant komt daarom niet in aanmerking voor opheffing van het inreisverbod en ook niet voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, aldus de minister.
Beoordeling
3. De rechtbank heeft overwogen dat zij het besluit op bezwaar moet toetsen naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van dat besluit voordeden. Volgens de rechtbank leiden het in beroep overgelegde reclasseringsrapport van 1 juni 2023 en de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) van 13 februari 2025 om appellant wegens gebrek aan bewijs niet verder te vervolgen in verband met de verdenking van (een poging tot) zware mishandeling op 3 februari 2023, niet tot de conclusie dat de minister in het besluit op bezwaar ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat appellant zijn leven heeft gebeterd en nog steeds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat appellant het reclasseringsrapport niet voorafgaand aan het besluit op bezwaar heeft overgelegd en de beslissing van het OM van na dat besluit dateert.
4. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het onder 3. weergegeven oordeel van de rechtbank.
4.1. In beroep heeft appellant het reclasseringsrapport overgelegd, omdat daarin een positief advies is opgenomen over de beëindiging van de periode van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling en omdat daaruit volgens hem kan worden afgeleid dat hij geen nieuw strafbaar feit heeft gepleegd. De inhoud van het rapport gaat over feiten die zich voordeden op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1545, onder 2, is het meenemen van dergelijke feiten niet in strijd met de ex-tunctoetsing. Appellant wijst er daarnaast terecht op dat in beroep bewijsmiddelen daarvan mogen worden ingediend die in een eerdere fase nog niet naar voren zijn gebracht, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Door dit rapport buiten beschouwing te laten, omdat appellant het niet voorafgaand aan het besluit op bezwaar heeft overgelegd, heeft de rechtbank een te streng criterium toegepast.
4.2. Appellant voert ook terecht aan dat de rechtbank ten onrechte de sepotbeslissing van het OM van 13 februari 2025 buiten beschouwing heeft gelaten. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:35, onder 3.1, moet de rechtbank, wanneer zij ingaat op de vraag of een vreemdeling een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, rekening houden met feiten die zich na het laatste besluit van de bevoegde autoriteiten hebben voorgedaan en die ertoe kunnen leiden dat deze actuele bedreiging verdwijnt of sterk vermindert. Zij moet, als een vreemdeling dergelijke feiten naar voren brengt, die feiten bij haar oordeel betrekken. Uit de arresten van het Hof van 22 juni 2023, X t. staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Thaise moeder), ECLI:EU:C:2023:499, punt 52, en 16 juli 2026, Bukla, ECLI:EU:C:2026:593, punten 86-90, volgt uitdrukkelijk dat dit ook geldt voor zaken over een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van de VWEU. Door te overwegen dat zij de sepotbeslissing niet in de beoordeling kan betrekken, omdat deze dateert van na het besluit op bezwaar, heeft de rechtbank ook op dit punt niet het juiste toetsingskader toegepast.
4.3. De grief slaagt.
5. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak terug naar de rechtbank om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Dit betekent dat de rechtbank in ieder geval het door appellant in beroep overgelegde reclasseringsrapport van 1 juni 2023, de sepotbeslissing van het OM van 13 februari 2025 en het in de procedure bij de Afdeling overgelegde reclasseringsrapport van 11 augustus 2026 betrekt. De minister moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 januari 2026 in zaak nr. NL24.14853;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
363-1203