Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6235 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6235
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202401514/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6235
Samenvatting
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld.
Uitspraak
202401514/1/V3.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.5751 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 1 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P. Scholtes, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend en heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft het onderzoek op 19 oktober 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Algerijnse nationaliteit. De minister heeft hem bij maatregel van bewaring van 12 februari 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Deze uitspraak gaat over de rechtmatigheid van de bewaring, waaronder een ambtshalve oordeel van de Afdeling over de wettelijke grondslag van de bewaring.
Beoordeling van de grief
2. De door appellant in zijn enige grief opgeworpen rechtsvraag over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn van ongedocumenteerde Algerijnse vreemdelingen naar Algerije, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, in samenhang gelezen met haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. De grief slaagt niet.
Ambtshalve toetsing van de bewaring
3. De minister heeft in hoger beroep een nader stuk overgelegd waaruit blijkt dat appellant op 12 maart 2024 een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Het gaat hierbij om een relevant feit of relevante omstandigheid van ná de datum van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft in het licht van haar uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 6 tot en met 6.3, aanleiding gezien om de minister hierover vragen te stellen in relatie tot de wettelijke grondslag van de bewaring van appellant.
3.1. Uit de reactie van de minister op deze vragen blijkt dat hij na een afweging van belangen de maatregel van 12 februari 2024 op 19 maart 2024 heeft opgeheven. Hij heeft bij brief van 18 maart 2024 aan appellant een aanbod voor schadevergoeding gedaan over de periode vanaf 13 maart 2024 tot en met 18 maart 2024, in totaal voor een bedrag van € 600,00. Appellant is met dat aanbod akkoord gegaan.
3.2. Appellant heeft op de reactie van de minister gereageerd en verzoekt om gegrondverklaring van het hoger beroep met toekenning van een schadevergoeding voor de periode vanaf de inbewaringstelling tot en met 12 maart 2024.
3.3. Anders dan de Afdeling in haar uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1876, onder 3, heeft geoordeeld, bestaat in dit geval ondanks het aanbod van de minister voor schadevergoeding wél aanleiding voor een ambtshalve toetsing. Het aanbod van de minister gaat namelijk over de door hem gestelde duur van de onrechtmatigheid van de bewaring, die appellant in hoger beroep ter discussie stelt.
3.4. De Afdeling oordeelt ambtshalve als volgt. Als gevolg van de aanvraag van 12 maart 2024 was de wettelijke grondslag van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 op die dag niet meer op appellant van toepassing. Omdat de minister de maatregel van bewaring vervolgens niet binnen twee dagen heeft omgezet, is de maatregel van bewaring vanaf 12 maart 2024 onrechtmatig. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.4. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring in de periode vóór 12 maart 2024 onrechtmatig te achten. De minister heeft een aanbod voor schadevergoeding over de periode tot en met 18 maart 2024 gedaan, maar omdat hij de maatregel op 19 maart 2024 heeft opgeheven, heeft de onrechtmatigheid anders dan het aanbod impliceert, dan ook tot en met 19 maart 2024 voortgeduurd.
3.5. Uit de hiervoor onder 3 genoemde uitspraak en het daarin genoemde arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, volgt dat de opgeworpen rechtsvraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. Hoewel de rechtbank vanzelfsprekend deze latere ontwikkeling niet kon betrekken in haar oordeel, betekent deze uitkomst van het hoger beroep dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt, voor zover zij daarin het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. De reden daarvoor is gelegen in wat de Afdeling hiervoor ambtshalve onder 3.3 en 3.4 heeft overwogen. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, tweede lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe, met inachtneming van het volgende.
4.1. Omdat appellant het aanbod van de minister voor een schadevergoeding van 13 maart 2024 tot en met 18 maart 2024 heeft aanvaard, heeft hij nog recht op een schadevergoeding voor twee specifieke dagen. Namelijk 12 maart 2024, de dag waarop hij de aanvraag heeft ingediend en waardoor de grondslag vanaf deze dag onrechtmatig is, en 19 maart 2024, de dag waarop de minister de bewaring heeft opgeheven en die eveneens meetelt voor de berekening van schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatige grondslag van de bewaring.
4.2. De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 1 maart 2024 in zaak nr. NL24.5751, voor zover zij daarin geen schadevergoeding heeft toegekend;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 200,00 voor de bewaring op 12 maart 2024 en 19 maart 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
922