Bestuursprocesrecht
Verzoekster is in beroep gegaan tegen de weigering een beslissing te nemen op het verzoek tot vergoeding van…
Rechtbank Amsterdam, 17 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3798 · Rechtbank Amsterdam · 17 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbams-2026-3798
Zaakgegevens
Op 17 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 april 2026
- Datum publicatie
- 16 april 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/2124
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3798
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoekster is in beroep gegaan tegen de weigering een beslissing te nemen op het verzoek tot vergoeding van werkelijke schade als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zijn vraagt een voorlopige voorziening. Verzoek is niet-ontvankelijk vanwege ontbreken materiële connexiteit.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/2124
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1. Verzoekster is een erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zij heeft compensatie ontvangen van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) en tevens via een vaststellingsovereenkomst met de Staat een schikking getroffen over de aanvullende compensatie voor haar werkelijke schade. Verzoekster heeft vervolgens een verzoek gedaan om vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van een schuld aan de Interbank. Op dit verzoek is door verweerder niet beslist. Verzoekster heeft daarom beroep ingesteld tegen de weigering om een besluit te nemen op haar verzoek om schadevergoeding en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is en welke gevolgen dit heeft.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening vereist dat tegen een besluit bezwaar of beroep bij de bestuursrechter is ingesteld (formele connexiteit), maar ook moet het verzoek betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
5. In dit geval is verzoekster in beroep gegaan tegen de weigering een beslissing te nemen op het verzoek tot vergoeding van werkelijke schade als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Verzoekster heeft uiteen gezet dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS), dan wel de Belastingdienst/UHT, weigert te beslissen op haar verzoek om vergoeding van schade die is ontstaan doordat zij een schuld is aangegaan bij de Interbank.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vereiste materiële connexiteit ontbreekt. Het beroep niet tijdig beslissen gaat niet over een inhoudelijk door verweerder genomen besluit. Verzoekster kan met het beroep niet tijdig beslissen uitsluitend bereiken dat zij dwangsommen ontvangt, die verweerder moeten bewegen een besluit te nemen. Met deze procedure kan verzoekster niet bereiken dat de voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder de schuld op Interbank van verzoekster moet overnemen of dat verweerder Interbank moet verzoeken alle incasso- en executiemaatregelen op te schorten, zoals verzoekster de voorzieningenrechter heeft verzocht.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: