Bestuursprocesrecht

verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, geen procesbelang.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 26/5815
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10191
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, geen procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/5815


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2026 in de zaak tussen


mr. [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker


en

het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

  2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
    Voorgeschiedenis

3. Verzoeker heeft op 6 mei 2026 per abuis een e-mail met bijlagen aan de Omgevingsdienst gestuurd. Hij heeft kort daarna aan de Omgevingsdienst gevraagd om de e-mail en de correspondentie die daarop is gevolgd te verwijderen. Met het besluit van 3 juni 2026 heeft de Omgevingsdienst dit geweigerd. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft hij aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 23 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

4. Met het besluit van 8 oktober 2026 heeft de Omgevingsdienst het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft op 10 oktober 2026 aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met dit verzoek wil hij voorkomen dat de e-mail en de daarop volgende correspondentie door de Omgevingsdienst wordt ingebracht in de lopende procedure bij de kantonrechter.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De griffier heeft op 13 oktober 2026 telefonisch contact gehad met een medewerker van de Omgevingsdienst. Uit dat contact bleek dat de Omgevingsdienst op 9 oktober 2026 de e-mail van 6 mei 2026 en de vervolgcorrespondentie al heeft ingebracht in de procedure bij de kantonrechter.

6. Het is vaste rechtspraak dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener met de procedure, in dit geval een voorlopige voorziening, wil bereiken, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

7. De griffier heeft op 13 oktober 2026 aan verzoeker gevraagd wat zijn belang nog is bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu de betreffende stukken al zijn ingebracht in de procedure bij de kantonrechter. Verzoeker heeft aangegeven dat hij daarover nog wil nadenken. Met verzoeker is afgesproken dat hij uiterlijk op 19 oktober 2026 zal toelichten waarom hij vindt dat hij nog een belang heeft.

8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker binnen de gestelde termijn niet heeft toegelicht waarom hij nog een belang zou hebben.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet (meer) kan bereiken wat hij wil bereiken. De Omgevingsdienst heeft de e-mail en de daaropvolgende correspondentie immers al toegestuurd aan de kantonrechter. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 20 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:CRVB:2026:1238