Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Voorlopige voorziening · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 26/5370 WVW VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10203
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Pkv. Toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/5370


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.H.J. de Graaf),

en

de burgemeester van de gemeente Oisterwijk.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de burgemeester in de proceskosten.

1.1.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen omdat de burgemeester met het besluit van 21 juli 2026 (bestreden besluit) zijn rijbewijs ongeldig had verklaard. Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat de burgemeester heeft besloten de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten. Bij de intrekking van zijn verzoek heeft hij verzocht om de burgemeester te veroordelen in de proceskosten.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De burgemeester heeft de rechtbank meegedeeld akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten.

1.3.

De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

Is de burgemeester aan het verzoek tegemoetgekomen?

4. De burgemeester is met het opschorten van de uitvoering van het bestreden besluit aan verzoeker tegemoetgekomen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de burgemeester in de proceskosten te veroordelen toe.

Welke kosten dient de burgemeester te vergoeden?

5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de burgemeester moet vergoeden € 934,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat de burgemeester de werking van het besluit van 21 juli 2026 heeft opgeschort tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoeker terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 20 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.